A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Bible Society to take over Christian Booksellers? Convention
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Iconoclast at Bloomsbury
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Melanie Beer Joins HarperCollins
Bible Society is set to take over Christian Booksellers' Convention Ltd (CBC) in time for the 2009 CBC trade event. Negotiations are expected to be complete by Christmas 2008, and the 2009 convention will take place at the National Christian Resources

Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie by H. Bertens



H >> H. Bertens >> Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12


HUGO DE GROOT

en

ZIJN RECHTSPHILOSOPHIE

DOOR

Dr. H. BERTENS.


[Gebaseerd op de editie gepubliceerd te Tilburg, 1907]


AAN Dr. G.W.J.M. VAN ZINNICQ BERGMANN.




#Inleiding.#


De naam Grotius is overbekend. Van hem kan niet gezegd worden, wat Otto
Gierke van Althusius getuigde, in de eerste uitgave van zijn beroemd
werk: "Der Name des Johannes Althusius ist heute so gut wie
verschollen". [1]

De Hollandsche schooljongen kent Huig de Groot en zijn boekenkist; hij
kent zijn vrouw, Maria van Reigersberg, die de list verzon, ter redding
van haar echtgenoot, alsmede de trouwe dienstmaagd, Elsje van
Houweninghe, de "derde medespeelster in het blij eindend drama van slot
Loevestein."

Als geleerde kent hem de wereld.

Grotius was theologant en wijsgeer. Grotius bewoog zich op het gebied
der geschiedenis en der letteren, en heeft daar lauweren behaald;
Grotius was staatsman; maar de godgeleerde en philosoof, de historicus,
en staatsman zou zijn roem niet overleefd hebben, zonder de Jure Belli
et Pacis, het onsterfelijke werk van een van Hollands groote zonen uit
de dagen van Joost van den Vondel en Hooft, Tesselschade en Roemer
Visscher, van Heinsius en Josef Scaliger, van Huygens en Rembrandt.

Als niets, wat dezen onzen grooten landgenoot betreft, voor het
Nederlandsche volk onverschillig mag zijn, gelijk ik ergens las, dan
zeker niet datgene, waaraan Grotius zijn naam dankt.

Ziedaar een der redenen, waarom deze bladzijden werden geschreven.

Er is reeds dikwijls en met veel kennis geschreven over de Groot als
rechtsgeleerde; wij trachten het nog eens te doen.

Na een korte levensschets van de Groot, volgt een bespreking van zijn
"de Jure Belli et Pacis". In dat werk toch zijn de ideeen van Grotius
over het recht hoofdzakelijk neergelegd. Bij de uiteenzetting van de
Groot's rechts-philosophie, kan een critische waardeering niet
achterwege blijven. De enorme positieve kennis echter, en van de
scholastiek en van het neo-stoicisme, en van hun beider invloed op het
intellectueel midden, waarin de Groot leefde en waarin hij zich vormde;
die kennis, welke vereischt wordt, om hier het laatste woord te kunnen
spreken, is niet te verkrijgen in een korten tijd, jaren zijn er voor
noodig. Wij erkennen dan ook gaarne in die waardeering niet volledig te
zijn.




#Levensschets van Hugo de Groot.#


Op Paaschdag van het jaar onzes Heeren 1583 zag te Delft, een van de
rijkste en vermogendste steden van Holland, [2] die een Sasbout en een
Pontus Heuterus onder hare zonen telt, Hugo de Groot het levenslicht,
"het grootste genie van Holland in de XVIIe eeuw; de man, dien geheel
het geleerd Europa dier tijden het kleine landje daar ginds, aan het
uiteinde des vastelands benijden zou." [3]

Jan de Groot, meester der vrije kunsten en philosophie, doctor in de
rechten, burgemeester van Delft en curator der sinds 1575 opgerichte
universiteit van Leiden, was zijn vader. Zijne moeder was Alida van
Overschie, uit het geslacht van Overschie en Adrichem.

"Het is" zegt Nuyens, (Wachter 1874, blz. 133) "niet uitgemaakt of zijne
moeder, gelijk duizenden in die dagen, nog niet in stilte gehecht bleef
aan de katholieke leer; zeker is het, dat zijn vader, in naam tot de
heerschende gezindheid, maar volstrekt niet tot de calvinistische
ijveraars behoorde."

Reeds vroeg openbaarden zich de groote talenten van onzen Huig. Men
zegt, dat hij al de namen der soldaten van een regiment, die hij
toevallig gehoord had, later kon opnoemen. Nog slechts acht jaren oud,
schreef hij reeds verzen, onder andere op de verovering van Nijmegen
door prins Maurits in 1591. Met zijn twaalfde jaar kwam hij te Leiden
aan de universiteit. [4] Geen wonder, dat Daniel Heinsius van hem zingen
kon:


Ille dum puer fuit.
Vir esse coepit: namque reliqui viri.
Tandem fuere, Grotius vir natus est.


Wij kunnen de eerste opvoeding van den genialen knaap voorbijgaan.
Volgen wij hem te Leiden, waar hij 3 Aug. 1594 als Stud.-litt. werd
ingeschreven aan de hoogeschool.

Hij verbleef er tot 1597 en verdedigde alsdan zijne stellingen in
wiskunde, wijsbegeerte en recht. In de wijsbegeerte onder leiding van P.
Molinaeus en Antonius Trutus. De professoren, die in die jaren het recht
doceerden, waren, behalve zijn oom Corn. de Groot (1575-83, 1587-1600),
Jul. a Beyma (lector 1581, professor 1582-1596) Th. Sosius, (1585-1594)
Ever. Bronckhorst (1587-1610.) Ger. Tuningius (1590-1610) Corn.
Pynackerus (1597-1614) Corn. Swanenburgius (1597-1630). [5]

Wij weten ook, wat zij onderwezen, Romeinsch recht en nog eens Romeinsch
recht, gelijk Fockema Andreae zegt. Wij weten, welke werken zij
uitgaven. Commentaren op dat zelfde recht. [6]

Met recht mocht Grotius later schrijven "Jus civile, sive Romanorum,
sive quod cuique patrium est, aut illustrare comentariis, aut contractum
ob oculos ponere, agressi sunt multi: et jus illud, quod inter populos
plures ... intercedit ... attigerunt pauci."

Ook de wijsgeerige richting te Leiden mag ons niet onverschillig laten.
"Sans doute", zegt Monchamps, [7] "ils etudiaient encore Aristote, mais
les autres ecrivains philosophes de l'antiquite leur plaisaient
d'avantage. Sans etre l'ennemi de la scolastique et d'Aristote comme le
pretend Bouillier, le premier triumvir de la republique des lettres
(Lipsius, Casaubon et Scaliger) aurait voulu voir regner dans les ecoles
la philosophie du Portique conjointement avec celle d'Aristote."

Land [8] zegt ons omtrent dit punt: "De wijsbegeerte, die aan de
academische jeugd werd voorgezet, was de getemperde scholastiek, die aan
de protestantsche scholen van dien tijd aangenomen was.--Van de pogingen
der ramisten om tegenover de logica van Aristoteles een minder
kunstmatig systeem te zetten, is nauwelijks een spoor overgebleven."


* * * * *

Commentarius ad tit. de Verb.-sign.; idem ad tit. de reg. jur., idem in
IV libros Inst. Jur. Civ. Justiniani.

Corn. Pijnackerus bewerkte "Jura et privilegia militum Index ad
controversiarium corpus Andr. Fachnachaei, Primord. Juris Justineanei
demultia.

Swanenburgensis eindelijk, nunc varios pandectarum titulos
interpretatur.; in que eo unus totus est. Alma et illustris acad. Leid.
bij Marcks en Colites. Leiden 1674. Zie Fockema Andreae a. w. Snellius
en Arminius, die in Zwitserland en Duitschland het ramische hadden
onderwezen, veranderden van gevoelen bij hun benoeming te Leiden. Corn.
de Groot (1575) schijnt naar het platonisme te hebben overgeheld. Nic.
van Dam, de Groot's opvolger, was een Aristotelicus, gelijk Alexander de
Ratlo (1578-81), Antonius Trutus (1582-93) en Adr. Damman (1586-88.)

Van 1593 tot '98 behandelde Pierre Dumoulin, als buitengewoon
hoogleeraar, Aristoteles naar het Grieksch.

Voor zijn godsdienstige opleiding en godsdienstonderwijs had Grotius tot
leermeesters Frans Junius en Uitenbogaerdt, toen hofprediker van
Maurits. "Bij Johannes Uitenbogaerdt heb ick gewoont eenighe jaren noch
seer jongh zijnde, door de goede zorghe, die mijn ouders droegen ten
einde ick in de vreze Gods zoude opwassen: Waarom zij mij tot Leijden
bij Franciscum Junius ende in den Hage bij den Voorz. Uitenbogaerdt
hebben besteld." [9]

Bij Junius [10] woonde Grotius met Scriverius, Baudius en Daniel
Heinsius.

Buiten de genoemden vond Grotius te Leiden nog zijn vriend, den bekenden
Jos Scaliger, benevens Luc. Trelcatus, Paulus Merula, Rudolfus Snellius,
Carolus Clusius en Bonaventura Vulcanius.

Huig de Groot was een dankbaar leerling geweest. Toen hij na volbrachte
studie in 1598 met Oldenbarneveld en Justinus van Nassau naar Parijs was
gegaan en door den eerste aan koning Hendrik IV werd voorgesteld, noemde
deze hem reeds "le miracle d'Hollande". Hij gaf hem een gouden keten
met medaillon, waarop 's konings borstbeeld.

Met de buitenlandsche reis eindigde het studentenleven. Den 13'den Dec.
1599, pas 16 jaar oud, werd hij beeedigd als advocaat bij het hof van
Holland en twee dagen daarna bij den Hoogen raad. [11]

Of Grotius uit liefde voor de balie advocaat was geworden? Het schijnt
van niet. In een levensschets van Meursius spreekt hij zich openlijk
uit. [12]

Hij had zijn tijd liever aan de studie gewijd. Het beroep van advocaat
zou hij niet ongaarne verwisseld hebben tegen een professoraat. [13] Maar
Jan de Groot dacht anders. Hij wilde zijn jongen door de wereld helpen
en met een "litterarisch otium" ging dat niet.

Dat de Groot, niettegenstaande dit alles, een knap advocaat is geweest,
blijkt wel hieruit, dat Prins Maurits hem in 1604 als pleitbezorger koos
in zijn geding met den Bisschop van het sticht Munster over de
heerlijkheden Kloppenburg, Oeite en andere plaatsen, waarvan zich de
Bisschop het bezit had aangematigd.

Brandt [14] verhaalt de volgende anecdote uit zijn advocaten tijd: In een
pleidooi, waar de Groot stond tegenover een bejaard advocaat, zeide deze
hem, te gedenken, dat hij nog jong was en tegen een oud praktizijn
sprak. "Dat weet ik wel," was het snedig antwoord, "maar daarom ben ik
eerst te rade gegaan bij oude praktizijns, die ik in mijn kantoor heb."

In 1607 verliet de Groot het advocaten beroep en begaf zich in
staatsbetrekking als fiscaal van Holland, Zeeland en West-Friesland.

Ook dit ambt beviel hem niet. Wij weten het uit zijn antwoord op
Heinsius' gelukwensch. [15]

Zuchtend, zoo zegt Fruin, liet hij zich weer in 't nieuwe gareel spannen
en zwoegde er in voort, zeven jaren lang, totdat in 1613, na den dood
van Elias van Oldenbarneveld, de stad Rotterdam hem uitnoodigde haar
pensionaris te worden.

Wij mogen hier niet onvermeld laten, dat uit zijn advocatentijd
dagteekent het bekende "Mare liberum" in 1609 te Leiden uitgegeven in 't
belang der O-I. Compagnie.

Intusschen was Grotius in 1609 in den echt getreden met Maria van
Reigersberg, dochter uit een der eerste familien van Zeeland, in wie,
gelijk Nuyens zegt, hij eene echtgenoote vond, zulk een man waardig; een
vrouw van practischen zin, krachtigen geest en onbezweken moed, die
haren echtgenoot bewonderde, beminde en laten wij het zeggen, wel wat
onder de pantoffel hield. (t.a.p. blz. 133.)

Evenmin als zijn advocaat-en fiscaalschap, kon hem de gewichtige,
eervolle en invloedrijke betrekking van pensionaris voldoen. [16]

Hij schrijft het aan Pontanus, hoogleeraar te Harderwijk. [17]

Onverwacht zou de oplossing komen en Grotius de gelegenheid vinden zich
naar hartelust te wijden aan wetenschap en letteren.

In 1618 werden de hoofden der staatsgezinde partij, Oldenbarneveld, de
Groot en Hoogerbeets, de pensionaris van Leiden, gevangen genomen. Wij
weten de rest en hoe Grotius 18 Mei 1619 veroordeeld werd tot
levenslange gevangenisstraf en verbeurdverklaring van al zijn goederen.
Al heeft Grotius dikwerf geklaagd over weinig tijd in zijn bedrijvig
leven, zijn lettervruchten uit die dagen, (1598-1618), toonen, dat hij
den tijd tot dogmatiseeren toch wist te vinden.

In de gevangenis te Loevestein vond Grotius troost bij zijn boeken. Hij
kon er werken, zooveel hij wilde. Hij deed het inderdaad: men zie
slechts in de voorrede van zijn "Dicta Poetarum, quae apud Stobaeum
exstant", de breede lijst geschriften, welke hij in den kerker
vervaardigde. Het beroemde "Inleidinge tot de Hollandsche
rechtsgeleerdheijt", eerst later in 1631 uitgegeven, dagteekent
insgelijks uit die dagen.

Grotius verbleef te Loevestein "een jaar ende thien maanden" tot hem de
welberaamde list van zijn vrouw redde.

De trouwe dienstmaagd, Elsje van Houweninghe, bezorgde een
boekenkist [18] "met kostbaren schat" ten huize van juffrouw
Daetselaer [19] in Gorinchem.

Die kostbare schat was Huig de Groot.

Over Waalwijk, waar veel remonstranten waren, vluchtte hij naar
Antwerpen. Na een kort oponthoud bij Nicol. Grevinchovius [20] ging hij
naar Parijs, waar de groote man met goedheid werd ontvangen. [21]

Het gewichtigste feit uit zijn elfjarig verblijf in Frankrijk is wel,
dat hij toen zijn beroemd "de Jure Belli et Pacis" schreef.

In 1631 trachtte Grotius terug te keeren in het vaderland, vertrouwend
op de welwillendheid van Frederik Hendrik, die middelerwijl Maurits was
opgevolgd.

Het viel evenwel anders uit, dan hij verhoopt had. Voor de tweede maal
moest Grotius aan zijn dierbaar vaderland vaarwel zeggen.

Ditmaal ging de reis niet naar Frankrijk; de toegezegde 3000 ponden
waren hem slecht uitbetaald [22], de eigen middelen waren niet groot,
betrekkingen waren hem niet gegund, zoodat het bestaan aldaar niet
rooskleurig was geweest.

Grotius ging naar Hamburg. De groote Wallenstein, Polen en Denemarken,
zelfs de Spaansche koning, door bemiddeling van Eryc. Puteanus, [23]
noodigden hem uit in hun dienst te treden. Op aanzoek van den Zweedschen
rijkskanselier Oxenstjerna ging hij naar Frankfort a/M. en woonde hier
ongeveer vier maanden den Zweedsch-Duitschen bondsdag bij, tot dat hij
de gewichtige betrekking kreeg van gezant der Zweedsche kroon by het
Fransche hof. [24]

Voor de tweede maal ging Grotius, doch nu niet als balling, naar
Parijs. Hij verbleef er bijna elf jaar. In 1645 als een zekere
Duncan [25] hem als helper, inderdaad echter als bespieder werd
toegevoegd, vroeg hij zijn ontslag. Koningin Christina verleende het hem
onder eervolle erkenning zijner verdiensten.

Over Amsterdam, waar hem een glorievolle ontvangst was bereid [26] ging
hij naar Hamburg, Wismar, Colmar en verder naar Stockholm, om zijn zaken
te regelen met koningin Christina.

Grotius bleef niet langer in Zweden dan noodig was, hij wilde naar
Holland terug; hij zou evenwel den vaderlandschen bodem niet meer
terugzien. Op de terugreis leed hij schipbreuk en kwam 26 Aug. 1645
doodziek te Rostock aan. Enkele dagen later stierf Hugo de Groot.

Hij werd begraven in de hoofdkerk van Rostock. De predikanten hadden er
zich tegen verzet, wijl Grotius niet gestorven was in het ware geloof;
de studenten hadden hen echter gedwongen.

Zijn lichaam werd later overgebracht naar Delft, waar zijn familie in
het jaar 1781 voor hem een praalgraf oprichtte. Het door Grotius zelf
vervaardigde grafschrift luidde: Grotius hic Hugo est, Batavus, Captivus
et Exsul Legatus regni, Sueica magna tui.

In 1886 werd hem een standbeeld opgericht op de markt te Delft. Op den
voet staan zonder meer in gouden letters de welsprekende woorden: Hugo
Grotius.

Het standbeeld staat met het gezicht naar het stadhuis, met den rug naar
de weleer roomsche kerk. Op dezen stand zijn verschillende zinspelingen
gemaakt. Grotius komt uit de kerk, zoo zegt men en gaat naar het
stadhuis; anderen willen, dat hij den rug keerde aan de kerk. Het zou de
moeite waard zijn, meer in den breede na te gaan de godsdienstige
gezindheid van onzen Grotius. Men heeft veel gestreden of hij in den
laatsten tijd zijns levens katholiek is geworden of niet. Zijn vriend en
vertrouweling de bekende Petavius S. J. droeg een H. Mis op voor de
zielrust van zijn vriend; dit zij ons genoeg. Of Grotius openlijk is
teruggekeerd tot de oude moederkerk, die hij meer en meer lief kreeg, is
een vraag, die wij in dit werk niet willen behandelen. Men zie hierover
Broere. De gezindheid van H. de Groot voor de Katholieke Kerk. De
Katholiek 1852.--Diest Lorgion, Godgel. tijdschrift 1857. J. v. Gilze.
Gids n.r. XIa 357.--De terugkeer van H. de Groot tot het Kath. Geloof.
Amsterd. 1857.--Krogh-Tonning. Hugo Grotius enz. Bachem. Keulen
1904. [27].






#De Jure Belli ac Pacis.#


_Zijn wording, doel en inhoud. De waardeering, die het vond._


Het is in zijn "de Jure Belli ac Pacis", dat Grotius zijn
rechtstheorieen en de moraal, waarop hij die grondt het meest volkomen
uiteenzet. Daarom verdient dit zijn werk het meest onze belangstelling.
Het is voor de kennis zijner gedachten op 't gebied van
rechts-philosophie, wat een "summa Theologica" is voor de kennis van het
wijsgeerig systeem van St. Thomas.

Het was in 1623 dat Grotius in het rustige landhuis Balagni bij Senlis,
hem door Jacques de Mesmes [28] ter woon afgestaan, zijn boek begon. "Non
otior", zoo schrijft hij aan Peiresc, sed in illo de Jure Gentium opere
pergo, quod si tale futurum est, ut lectores demereri possit, habebit,
quod tibi debeat posteritas, qui me ad hunc laborem, et auxilio et
hortatu tuo, excitasti." [29]

Aan Jacq. Aug. de Thou, wiens boekerij hij gebruikte, [30] schrijft hij
Aug. 1623.--"Si quid agam cupis scire, ... versor in examinandis
controversiis praecipuis, quae ad Jus Gentium pertinent".... [31]

In Juni 1624 is Grotius met Theod. Graswinkel reeds bezig het
handschrift gereed te maken voor den druk. De drukker maakte met het
werk grooten spoed. Op de Paaschmarkt te Francfort in 1625 werd het boek
te koop aangeboden.

Peiresc had Grotius aangezet tot het schrijven van dit werk. Waarom hij
aan diens aansporing gevolg gaf, verklaart hij zelf in zijn
prologommena.

Daarin zegt hij n.l. waarom hij, die "onverdiend gebannen uit zijn land
zich nog verdienstelijk wil maken voor de rechtswetenschap" [32], zijn
"drie boeken van 't recht des Oorloghs en Vredes" gaat schrijven.

Velen, zoo zegt hij, hebben behandeld het burgerlijk of romeinsche
recht; het recht, dat elk land eigen is, doch slechts weinigen het
recht, dat bestaat tusschen de volken onderling of hunne hoofden [33] en
dat zijn grond vindt in de natuur zelf of in Gods Wet, of wel ontstaan
is door gebruiken en stilzwijgende overeenkomsten. Nog niemand heeft dit
recht in zijn geheel en methodisch behandeld, en toch, de menschheid
heeft er belang bij. (prol. 1.) [34]

Cicero noemde deze wetenschap een verhevene; voor Euripides staat zij
boven de kennis der goddelijke en menschelijke dingen. (prol. 2.) De
menschheid heeft er belang bij, omdat er ook nu nog, zoowel als vroeger,
personen gevonden worden, die het bestaan van dit recht ontkennen
(prol. 3.) Men zegt, dat een volk of vorst kan en mag doen al wat in
zijn voordeel is. En deze theorie past men maar al te vaak toe in de
praktijk.

Ik zag in de Christenheid een ongebonden vrijheid van oorlogen, waarvoor
de Barbaarsche volken zich zelfs zouden schamen; dat men om geringe, ja
zelfs zonder redenen naar de wapenen greep.

Had men eenmaal den strijd aangevangen, men bekommerde zich noch om
goddelijk noch om menschelijk recht, "gantschelich als oft door een
Placcaet de rasende dolligheydt ware uytghelaten tot allerhande
schelmstukken". [35]

Wij behoeven hier niets bij te voegen. Is het volkenrecht reeds op zich
zelf een onderwerp, dat het der moeite waard is te bestudeeren; het was
der moeite dubbel waard zulks te doen in dagen van geweld en
rechtsverkrachting.

Er is vaak over getwist, of Grotius al dan niet het plan had uitsluitend
te schrijven over het recht van oorlog en vrede, de kern van het
volkenrecht. [36]

Daar zijn boek feitelijk een volledige verhandeling was over het
natuurrecht, vond de meening grond, dat de titel: "De Jure Belli ac
Pacis" slechts een slimme zet was. Velen, door den naam verlokt, zouden
met belangstelling het boek ter hand nemen, en daarin willens of
onwillens, eene voor hen dringend noodzakelijke moraal vinden. Werd hun
die openlijk aangeboden, menigeen zou het boek minachtend ter zijde
gelegd hebben.

Grotius' oprechtheid is evenwel gemakkelijk te redden, al beantwoordt
de inhoud niet juist aan den titel. Men nemen daarvoor het volgende in
aanmerking: De auteur wil zijn onderwerp zoo grondig mogelijk
behandelen, terwijl hij daarbij van meening is dat het recht, waardoor
de verhouding van volken en vorsten geregeld wordt, geen ander is dan
het recht van hen die leven in een natuurtoestand [37] buiten een
maatschappij in den gewonen zin des woords. [38] Daarom moest hij dieper
ingaan in de menschelijke natuur, en het heele natuurrecht behandelen.
Immers elke handeling in strijd met dat recht kan zijn wettige
oorlogsreden, in geval er geen bijzondere verbintenissen zijn aangegaan,
omtrent de uitoefening van dat recht.

Zooals wij reeds gezegd hebben, is Grotius' boek eene complete
uiteenzetting van het natuurrecht geworden. Als van zelf scharen zich al
de vragen van dat recht om het driedubbele hoofdprobleem, dat in drie
boeken behandeld wordt:

Is de oorlog per se in strijd met het recht m.a.w. is hij immer en
altijd onrecht? Bij een ontkennend antwoord, komt men van zelf tot de
vraag: Zoo de oorlog ooit geoorloofd, is, wanneer is hij zulks? Het
derde probleem is: Wat is in den oorlog geoorloofd?

Het was nutteloos te spreken over het recht of onrecht zijn van iets,
als er geen recht of onrecht was, als er geen zedelijke regel was voor
de menschelijke handelingen, die betrekking hebben op anderen.

Daarin vindt Grotius de gelegenheid het bestaan van het recht te
bewijzen. Hij zal aangeven, wat de mensch in zijne betrekkingen tot den
evenmensch heeft te doen en te laten alsmede de redenen daarvan. [39]

Is het eenmaal vastgesteld dat de mensch niet alles doen kan, wat hij
wil, dat daar is een hooge Vrouwe "Justitia" in drievoudig gewaad, dan
kan Grotius gaan zien, of de oorlog al of niet per se in strijd is met
het recht, met de natuurwet, Gods wet of de menschelijke voorschriften?
(lib. I. c. 1 en 17.)

Wat is oorlog, wat is recht? (c. 1.) De oorlog wordt bepaald als status
per vim certantium [40] (Sec. 2.)--Wat het recht is en welke de
verschillende beteekenissen zijn, waarin dit woord kan genomen worden,
kan hij afleiden uit hetgeen hij in zijn prolegomena gezegd heeft over
het recht. (Sec. 3-17). Wetend, wat het recht is, en wat de oorlog, kon hij
gaan zien of de oorlog in strijd is met de wet of het recht. (c. 2. Sec.
1-9).

Uit het bepalen van den oorlog als "status per vim certantium" vloeit
voort, dat men oorlog kan noemen zoowel den strijd tusschen
afzonderlijke personen, als tusschen landen en volken. De oorlog wordt
daarom verdeeld in privaten en publieken oorlog; en oorlog tusschen een
privaat persoon en een publieke macht. (c. 3, Sec.1) Daarmede wordt de
moeielijkheid, of de strijd van afzonderlijke personen nog geoorloofd
is, als zij niet meer tegenover elkander staan in een natuurtoestand,
maar als leden eener maatschappij, als zij hun natuurlijk recht van
noodweer hebben overgedragen aan een ander (Sec. 2.) De publieke oorlog is
de oorlog, gevoerd tusschen openbare personen, tusschen souvereine
machten. Hierbij dient gesproken te worden over de burgerlijke macht.
Waarin zij bestaat (Sec. 6). Welke macht souverein is (Sec. 7). Waar zij is (Sec.
8). Hoe zij bezeten kan worden door iemand. (Sec. 11) enz. Vervolgens komt
de vraag, of de oorlog van onderdanen tegen hunne overheid geoorloofd
is. (c. 4). Tegen een wettige overheid (Sec. 1-14). Tegen een overweldiger.
(Sec. 15-16.)

De "Causae effectivae" van den oorlog zijn het onderwerp van c. 5.
Gelijk in andere daden zoo zijn ook bij de daden van den wil gewoonlijk
drie soorten van werkende oorzaken "principale, helpende en
instrumenteele". De causa principalis is gewoonlijk hij, wien de zaak
aangaat. Wie verdedigend optreedt voor een ander, is een helpende
oorzaak. (Sec. 2). Dienstknechten en onderdanen kunnen gebruikt worden in
den oorlog, deze zijn instrumenteele oorzaken. (Sec. 3). Volgens het
natuurrecht is het aan niemand verboden te strijden. (Sec. 4). Hiermede
sluit het eerste boek.

Het tweede behandelt de wettige oorlogsredenen. Want is de oorlog uit
zijn aard niet kwaad en ongeoorloofd, kan hij rechtvaardig zijn, in
welke gevallen zal hij zulks zijn? Wettige reden tot oorlog nu is een
injuria facta aut non facta. Op de eerste plaats: een geleden onrecht.
Het kan hersteld worden of niet hersteld worden, maar wel gestraft. Op
de tweede plaats: In juria non facta. Hierop heeft betrekking noodweer
en zelfverdediging, deze twee rechten worden nu het eerst besproken.
Wanneer is zelfverdediging geoorloofd (Sec. 3-7.) Is zelfverdediging
plicht? (Sec. 8-9). Hoever mag noodweer gaan? (Sec. 10-14). Is het duel
geoorloofd (Sec. 15). Wat verder de volken betreft. Is andermans
aangroeiende macht reden tot noodweer. (Sec. 17). Is hij die zelf oorzaak
was, dat men tegen hem optrok, in zijn goed recht om weerstand te
bieden? (Sec. 18). De oorlog is geoorloofd om een geleden onrecht te
herstellen of om het te straffen. Dit vooronderstelt, dat men wete,
wanneer er onrecht geleden is en daarvoor diene men nog te weten, wat
het onze is of wat men ons schuldig is?

Het onze is hetgeen wij bezitten. Wij kunnen iets bezitten met anderen,
of alleen m.a.w. de goederen zijn gemeengoed of privaatgoed. Welke
dingen als gemeen goed zijn te beschouwen, wordt nu uitgelegd en
vervolgens welke van deze goederen privaat eigendom kunnen worden (c.
2.) en op welke wijze (c. 3.) Er wordt ook nog onderscheid gemaakt
tusschen een "acquisitio originaria" van zaken (c. 3.) en personen (c.
5.) en een "acquisitio derivata" (c. 6.)

Een "acquisitio derivata" is er, wanneer wij recht verkrijgen over
personen of zaken door middel eener menschelijke daad of door de wet.

De overgave van het souvereiniteitsrecht en de goederen daarbij
behoorend, komen hier ter sprake (c. 6.) Bij een acquisitio derivata
door de wet wordt behandeld het heele erfrecht. (c. 7.)

Is eenmaal voldoende uitgelegd, hoe rechten verkregen worden en overgaan
op anderen, dan moet nog worden nagegaan wanneer eigendomsrecht en
overheidsrecht ophouden, (c. 9.)

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.