Redevoeringen by Hendrik Conscience
H >>
Hendrik Conscience >> Redevoeringen
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 HENDRIK CONSCIENCE
REDEVOERINGEN
REDEVOERING
UITGESPROKEN OP HET GRAF VAN VAN BREE, IN ZIJN LEVEN BESTIERDER DER
KONINKLIJKE ACADEMIE VAN ANTWERPEN (1839).
Mijne Heeren!
Het is met een ontroerd hart en met treurnis in de ziel, dat ik hier bij
den boord van het nijdige graf, eenen heiligen plicht kom vervullen;
niet alleen omdat mijne kunstgenooten, door mijne zwakke stem, hunne
laatste hulde van dankbaarheid aan den afgestorven meester willen
bewijzen; niet alleen omdat in mijnen boezem ook een kunstenaarsharte
slaat; maar het is tevens ter gedachtenis van een groot man, dien ik
achtte en beminde; en ik gevoel bij deze plechtigheid zulke diepe
droefheid als bij het eeuwig vaarwel eens vriends,--want hij, Van Bree,
heeft veel bijgedragen tot den roem van mijn vaderland.
Het is hij, wiens levenloos lichaam daar, in den eindeloozen slaap, voor
eeuwig rust, die de schitterende kunstkroon met zijne machtige hand
weder op het hoofd van Belgie vestigde, wanneer deze haar ging
ontvallen. Ja, er was een tijdstip, en dit wel gedurende de laatste
jaren des grooten schilders Herreyns, dat wij onzen voorrang op andere
volkeren der wereld schenen te moeten verliezen. Er leefden nog wel
goede schilders; doch de verrukkende kunst van Rubens was onder ons
verzwakt; de Vlaamsche school verloor haren luister, en wellicht zouden
wij verplicht geworden zijn, van den vreemde de geheimen der kunst te
gaan afleeren.
Maar de werkzame, de krachtvolle Van Bree ontstak opnieuw het bijna
uitgedoofde vuur. Met onvermoeiden arbeid, ja met drift stortte hij zijn
eigen vernuft in jongere harten. De kennis van het verhevene schoon der
oudheid, welke hij zoo diep bezat, deelde hij mildelijk uit; en
waarlijk, hij deed meer dan men van eenen mensch verwachten mag: hij
verzuimde zijne eigene grootheid en faam, om anderen het vuur der kunst
en hare kennis in te drukken.
Ook, hoe heerlijk waren voor het vaderland de vruchten, die hij
aankweekte! Hoe groot zijn nu reeds de namen dergenen, die aan zijne
lessen de geheimen van het echte schoone verschuldigd zijn! Nauwelijks
had zijne stem eenige jaren in de zalen onzes museums weergalmd, of de
roem der Vlaamsche school spreidde zich opnieuw over alle gewesten uit,
en de vreemdeling keerde zijn gezicht weder naar Antwerpen als naar de
bron, waaruit ware kunst en diepe wetenschap te putten waren. Ja,
Italie, die classieke grond van alle beeldende kunsten, stond ons zijne
kroon af, om slechts nog met de werken zijner overledene meesters te
prijken.
Aan hem dus, aan Van Bree de eer van de Antwerpsche school in haren
vollen luister te hebben opgebeurd; aan hem de glorie van het vaderland
te hebben verheerlijkt. En daartoe heeft hij meer gedaan dan iemand in
een ander vak doen kan; want wij, klein in getal, kunnen ons niet door
het lot der wapenen boven andere volkeren verheffen; maar de kunst en
het vernuft hooren ons toe, en het is slechts door den geest, dat wij de
leermeesters van groote natien kunnen zijn. Welke dankbaarheid zijn wij
dan niet verschuldigd aan hem, die ons den voorrang heeft behouden,
zelfs opnieuw heeft veroverd? Aan den priester, die op onze altaren die
heilige vlammen gevoed heeft, van welker gloed de grootheid en de faam
des vaderlands afhangen?
Nu heeft hij het lot van alle geschapenen ondergaan: de dood heeft hem
geraakt ... doch een man als hij sterft niet.
Het nageslacht zal in de openbare gebouwen de gewrochten zijner
behendige hand en de scheppingen van zijnen machtigen geest blijven
bewonderen, en ze als voorbeelden der strenge en grootsche kunst
bewaren. Niemand teekende met meer wetenschap der menschelijke vormen
dan hij; niemand bezat als hij de kennis der werktuigen, die in ons de
beweging gaande maken; en weinigen kunnen met hem voor de samenstelling
vergeleken worden.
Alhoewel zijn leven, als dat van alle kunstenaars, met veel bitterheid
gemengd was, had hij toch het genoegen zich gewaardeerd te zien:
onderscheidene vorsten begunstigden hem met de teekens hunner achting,
en hij werd om zijne schitterende verdiensten tot ridder en kommandeur
van verscheidene orden verheven. Zijne uitmuntende schilderijen: _Loting
van Athene_, _de Zieken genezen_, _Willem en Hembyze_ en _Rubens' dood_
zijn daar om hem de onsterfelijkheid te verwerven.
O! wat wil ik meer eenen rechtvaardigen lof bij het stoffelijk
overblijfsel onzes grooten stadsgenoots uitspreken? Zou het noodig zijn,
den rouw en het verdriet met geweld op te wekken, in de tegenwoordigheid
van u allen, die onder zijn bestuur het eerste gevoel der kunst in uwen
boezem hebt voelen ontsteken? Voor u, die zoo dikwijls zijne stem hebt
gehoord, u met liefde onderwijzende, en die zoo menigmaal zijne, nu door
den dood bevrozene hand hebt gevoeld, die uwe nog onkundige hand
bestuurde?
En gij, die nu reeds groot in kunst zijt, gij, schilders, beeldhouwers,
op wie het vaderland zijne hoop op roem en glorie gevestigd heeft,
worden uwe harten niet met doodschen angst benepen, wanneer gij uwen
blik in die gapende aarde vallen laat, en wanneer gij denkt, dat hij,
die om u te onderwijzen, misschien zijne gezondheid gekrenkt heeft,
voor altijd, voor eeuwig aan uwe erkentenis wordt ontrukt? Heeft elke
schup aarde, welke met hollen klank op zijne doodkist nederviel, u niet
tot in het diepste uwer ziel ontroerd? Ja, bij dit laatste vaarwel
tusschen u en uwen meester, tusschen het leven en den dood, voert dit
graf uwen geest gewis naar de tijden terug, toen zijne strenge stem u in
de ooren klonk. Gij ziet hem nog in uwe verbeelding, en uw hart weent
bij die droeve heugenis aan uwen goeden meester.
Helaas! gij zult hem niet meer zien: de aarde bezit zijn lichaam, de
hemel zijne ziel....
Ik zie het, een diep gevoel van rouw en droefheid is in uwen boezem
gezonken; o, geeft eenen traan van dankbaarheid aan hem, die de
herboring der kunst onder u heeft doen ontstaan; geeft eenen traan van
liefde aan den meester, die u den weg tot de onsterfelijkheid heeft
aangewezen en de geheimen zijner ziel zoo mildelijk onder u heeft
uitgestrooid. Gevoelt gij niet, o, warme kunstenaren, dat uit dit graf
een wasem opstijgt, die u met inniger kunstgevoel vervult? Gevoelt gij
niet, dat uit uwe ontsteltenis iets groots kan geboren worden, en dat
gij op dit oogenblik met een machtiger vernuft zijt bezield? Dit gevoel
is uw grootste lof; het bezitte u lang, want het is eene edele
ontroering.
En zoo iemand onzer tot zooverre zijnen plicht vergeten kon, dat hij
ongevoelig bleve bij de droeve nagedachtenis des schilders, dan storte
hij eenen traan over den mensch; want de mensch heeft in hem als een
martelaar geleden, maanden lang met den bitteren dood geworsteld en al
de pijnen doorstaan, die ooit eenen mensch hebben gefolterd. Overweegt
hoe nijpend en hoe drukkend het voor hem moet geweest zijn, al de
krachten der ziel nog in zich te voelen gloeien, de innige vlam tot
kunstbewerking in zich nog te voelen branden, en die dorstige begeerte
niet te hebben kunnen voldoen. Verbeeldt u, wat pijn het hem moest zijn,
de glorie van Belgie's kunst van alle zijden te hooren uitroepen, en
niet meer als te voren zijn deel te kunnen bijbrengen tot de grootmaking
des vaderlands. Gij, die een kunstenaarshart bezit, gij beseft die
foltering; o, zij was ijselijk!
Hij mocht echter gerust en tevreden zijne ziel aan God overgeven, want
van al den lof, dien onze kunstenaren in lang nog zullen verwerven, zal
hem altijd een deel toebehooren, en zijn naam zal nog lang alle
geprezene namen vergezellen.
O, Van Bree! uwe laatste oogenblikken waren pijnlijk; gij hebt veel
geleden; maar gewis heeft meer dan een profetisch gezicht uwen bitteren
doodsstrijd verzoet; gewis hebt gij den engel der toekomst bij uw
hoofdeinde zien zweven. Wellicht zal hij u een blad uit het
onvergankelijk boek der eeuwen getoond hebben, en gij zult daarop uwen
naam tusschen die van Rubens en zijne opvolgers hebben zien blinken. Ja,
gij mocht met die zoete hoop inslapen; want gelijk de Phoenix, die bij
de zon van Arabie uit zijne eigene asch heroprijst, zal uw roem na uwen
dood vergrooten, en uit dit graf zal uw naam bij de zon der
onsterfelijkheid glansrijker opstijgen. Eenmaal, ja, zal het duurzaam
koper ons een groot schilder en den beste der leermeesters wedergeven.
Ontvang dan, o zalige schim, ontvang in den schoot der Godheid het droef
en laatst vaarwel eeniger vrienden van het Vlaamsche vaderland, dat gij
hebt verheerlijkt.--Aan uwe ziel zij de eeuwige rust, aan uwe werken de
eeuwige roem!
REDEVOERING
UITGESPROKEN TER GELEGENHEID DER BENOEMING VAN DEN HEER GUSTAAF WAPPERS
TOT BESTIERDER DER KONINKLIJKE ACADEMIE VAN ANTWERPEN, DEN 31^{sten}
JANUARI 1840.
Mijn weldoener, mijn vriend! gelooft gij dat woorden mijne
zielsaandoening kunnen vertalen! Neen, een onuitdrukbaar gevoel ontroert
mij. O, ik zie aan uw voorhoofd de schitterende star, die als een licht
voor Belgie's kunst zal schijnen;--nu omgeeft u eens de zoo lang
verdiende luister!--Ik ontwaar de vreugd in de oogen van al degenen, die
u om uwe grootheid en om uwen edelen moed beminnen ... en ik,--ik, dien
gij zoo liefderijk hebt behandeld,--wien gij uwe vriendschap zoo
onverdiend geschonken hebt,--ik zou niet tot verdwaaldheid toe van
zaligheid doordrongen zijn? Gij kent mijn hart, Gustaaf, en gij weet,
dat daarin aan uwen beminden naam een eeuwig altaar is opgericht.
Oordeel bij u zelven, of de woorden mij niet ontbreken moeten om u mijne
ontroering uit te drukken.
Maar de dankbaarheid, dit heilig gevoel, dat ik met liefde voor u
gevoed heb, dwingt mij tot spreken, hoe ontoereikend de gewone taal ook
zij....
Ik was een dwalend kind der kunst, zonder steun, zonder troost, en mijne
droefheid lag diep verborgen in mijnen boezem. Mij ontbrak grootheid en
waardeering.
Hoe edelmoedig schonkt gij mij die heilvlammen van mijn leven!--Gij hebt
mij met den naam van vriend genoemd, en die naam heeft steeds als een
troostend woord in mijn oor geklonken: het maakte mij zoo sterk, zoo
moedig! Want het scheen mij toe, dat de vriend van Gustaaf Wappers groot
genoeg was, om aan de bevechtingen van het lot te wederstaan. Ook dreef
de rampspoed en het ongeluk ongevoeld boven mijn hoofd: mijne glorie en
mijn onverderfbaar geluk bestonden en rustten in uwe edele ziel, die mij
hare hoogschatting en hare genegenheid geschonken had.
Weet gij niet, Gustaaf, in hoeverre de geest, die in mij leeft, zich aan
u verkleefd heeft, daar een woord van u, zoet of straf, de bestendige
gevoelsmeter van mijn hart was?
Gij hebt dikwijls gezien, hoe mijne oogen van vreugde blonken, wanneer
ik het opgepropt en benepen gevoel van mijnen overladen boezem in den
uwen had mogen uitstorten; en wat droefheid mij het hoofd nederboog,
wanneer het geval mij voor eenen tijd van u scheidde; want alhoewel ik
niet met uw uitstekend vernuft begaafd ben, toch heeft eene geheime
kracht, iets magnetisch, mij onweerstaanbaar tot u gedreven. Niet uit
laag belang, niet op hoop van stoffelijk voordeel, neen! maar gelijk aan
het klimmende veil, dat niet leven kan, tenzij het eenen eikeboom
omhelzen moge, heb ik, ootmoedig doch warm kunstenaar, mijn geluk en
mijn ongeluk aan de wisselingen van het lot gehecht. Hoe zaliglijk
moet ik dan ook in dit plechtig oogenblik niet ontroerd zijn, nu gij als
kunstvorst eenen troon beklimt, die met meer roem en met schooner
stralen omglansd is dan die van de koningen der aarde. Zij heerschen
over de stof, hunne macht steunt op geweld; maar gij heerscht over den
geest en over de ziel, en uwe wapens zijn de onsterfelijke werken uwer
handen.
Begrijpt gij, Gustaaf, wat hooge zending u is gegeven? Opperpriester in
den tempel der Vlaamsche kunsten, zijt gij het, die de geheimen der
glorie van het vaderland moet verkonden; uwe stem moet in het heiligdom
als een mirakel klinken, en Belgie heeft op u de toekomst zijner
schilderschool gevestigd.
Wie kan toch die zending beter dan gij vervullen?--dan gij, die bij de
macht van het scheppende penseel ook de macht van den beseffenden geest
voegt, en die te gelijker tijd de betrekkingen der zichtbare natuur en
de bedekte aandoeningen der zielen meten kunt?
Die verheffing maakt u toch niet grooter in mijn oog; zij kan mijne
bewondering voor u niet vermeerderen,--maar zij doet u rechtvaardigheid,
en zij vervult uwen dankbaren vriend, wiens weldoener gij waart, met
streelende vreugd, omdat zijne gebeden eenen galm gevonden hebben voor
den troon van den God, die eenen straal van zijne scheppende kracht en
den geest van Rubens in uwen schedel heeft gestort.
Hoezeer, Gustaaf, moet uw eigen hart in dit oogenblik van genoegen vol
zijn, wanneer gij in het oog van uwen ouden vader eenen traan van geluk
en teederheid ziet blinken,--in het oog van hem, wiens bloed u door de
aderen stroomt en wiens grijze haren de verheerlijking van zijnen naam
en uwe grootmaking hebben mogen zien.--En de zalige ontroering uwer
liefderijke moeder, wie zou die beschrijven?--van haar, die haar kind,
de vrucht van haren schoot en het voorwerp harer bestendige
moederliefde, tot kunstvorst heeft hooren uitroepen, en die gewis, reeds
bij het hooren van dien roep, hare warme tranen op uwe wangen gesproeid
heeft.--En uw broeder, Gustaaf, die getrouwe vriend uws levens, die met
eene nooit volprezene deugd en edelheid van gemoed uwe verheffing en uwe
glorie als zijn eigen geluk, zonder achterdocht heeft bemind;--begrijpt
gij wat geestontheffing dien goeden broeder tot den hemel der
zielsverrukking opvoert.
O, ja, smaak een welverdiend geluk: verstaal uwen geest tot de
verheerlijking van uw vaderland, drijf den roem der Vlaamsche school tot
aan de palen der bekende wereld: leef lang, zeer lang, en laat eens uwen
onsterfelijken naam aan onze zonen als een erfdeel, waarop zij bij den
vreemdeling roemen mogen--en dat zij dan, na eeuwen tijds, nog met
erkentenis en hoogmoed, als eenen glorierijken roep aanheffen:
GUSTAAF WAPPERS was een Belg!
REDEVOERING
UITGESPROKEN BIJ HET BEELD VAN RUBENS, OP HET OOGENBLIK DER PLECHTIGE
ONTHULLING (1840).
Zal mijne stem zich verheffen, om u de verdiensten der scheppingen van
Rubens te ontleden? Kan ik eenen lauwer meer in zijne kroon vlechten?
Neen, tweehonderd jaren hebben zijne onsterfelijkheid bevestigd: twee
eeuwen rusten op zijn graf; doch zijn naam, zijn glorierijke naam
straalt nog gelijk de jonge zon des morgens!
Gij allen, die mij hoort, hebt meer dan eens in stille bewondering voor
zijne werken geknield; gij hebt meer dan eens met een ontroerd hart
gestaard op den goddelijken Christus, wiens hemelnatuur Rubens zoo
indrukwekkend in het menschelijk lichaam kon doen doorstralen:--en uwe
ziel heeft dikwijls, voor zijne tooverende tafereelen, deze aarde
verlaten om zich tot den hemel te verheffen. Ja, gij allen voelt de
macht van zijn penseel, gij kent de uitgestrektheid van zijn vernuft en
de breedte van zijnen geest.
Doch gij, afstammelingen van den grooten Rubens, gij zijt het niet
alleen, die zijnen naam als onsterfelijk op de historiebladen hebt
aangeteekend, niet alleen in Belgie is het, dat zijne werken de tempels
der Christenen versieren:--overal blinken de kunstmirakelen van hem,
wiens reuzenbeeld wij tot de nakomelingen overzenden; in alle landen
wordt Rubens met eerbied en opgetogenheid als een wonder van kunst en
wetenschap genoemd.--Vraagt het aan de steden van het kunstrijk Italie,
aan Duitschland, aan Frankrijk, aan Engeland, en gij zult eenen enkelen
roep hooren opgaan, om de glorie van een Vlaamsch schilder te verkonden;
gij zult uw hart van hoogmoed en fierheid voelen opzwellen over den naam
van Belg, dien gij draagt.
Heden hebben wij der nagedachtenis van hem, die ons schoon vaderland met
eenen onvergankelijken luister overlaadde, eene schuld van dankbaarheid
en erkentenis betaald. Dit beeld, dat als eene onwrikbare rots de
stormen der eeuwen moet doorstaan, zal aan onze nakomelingen zeggen,
hoezeer het herboren Belgenland met het vuur der liefde tot de kunst
bezield was; het zal voor de toekomende geslachten getuigen, dat wij,
zonen van den onsterfelijken Rubens, zulken vader waardig waren.... Zijn
beeld worde een vuurbaak in het rijk der kunsten! Dat al degenen, die
zich iets grootsch in den schedel voelen, in welke stad het ook zij,
zich onverdeelbaar rond dit heilige gedenkteeken vereenigen:--want er is
voor ons slechts eene school,--en dit is de Vlaamsche school. Haar
leidsman is de oude Rubens, haar meester de prachtige natuur, en haar
bewonderaar de wereld.
Wij, Belgen, zijn ootmoedig onder de volkeren, wij roemen niet veel op
de glorie van ons vaderland: wij overstroomen andere landen niet met het
verhaal der daden onzer vaderen ... en nochtans, er is op den aardbodem
geene natie die, in zoo klein getal als wij zijnde, zooveel lichtende
sterren aan den hemel der kunst gehecht heeft, geen grond, die op eene
zoo geringe uitgestrektheid zooveel doorluchtige mannen, als de
dierbare grond van Belgie, dien wij betreden, heeft voortgebracht.
Wij hebben dit niet altijd geweten: er waren tijden dat wij, vreemde
helden roemende, de namen onzer eigene vaderen in den nacht der
vergetelheid begraven lieten;--maar heden, dat wij de oude vrijheid
hebben herwonnen, is ook in onze boezems een inniger gevoel van
eigenwaarde gedaald, en het Belgische volk is met zijnen leeuw uit eenen
langen slaap opgestaan. Heden, o gelukkige dag! hebben wij de eerste
grondzuil onzer jonge nationaliteit gevestigd, ja, de eerste vaste
grondzuil onzer toekomende verheffing.
Er zijn onder ons nog wel beelden opjgericht,--maar die zijn toegewijd
aan den roem van eenen oorlogsheld.--Het is in der waarheid eene wijde
wetenschap, honderdduizend man op een slagveld te schikken; het is wel
eene groote daad, zijn vaderland van de verwoesting te redden,--en hij,
die zijne broederen van de verdrukking en de slavernij der vreemden
bevrijdt, is groot!--maar ook, aan wat rampen zijn zijne heldendaden
niet verbonden?
Een onmeetbaar bloedbad is de schouwburg, waarop die wapenfeiten
geschieden; vernieling, armoede, hongersnood zijn hare trouwe gezellen,
terwijl de zoete kunst eene onafscheidbare zuster van den vrede en van
den bloei der volken is.
Zij kost geene tranen, zij; neen, zij streelt de ziel in eene zachte
verrukking; zij scheurt den sluier der blinde natuur af, om ons hare
geheimste schoonheden te laten doorgronden, en is als eene bestendige
lofzang tot den Heer, wiens werken zij verheerlijkt; zij drijft den
geest tot het goede, en, ons in bespiegeling opheffende tot Hem, die ons
geschapen heeft, verkort zij den afstand, die den mensch van zijnen God
scheidt. De kunst is die algemeene taal, welke men zoo lang te vergeefs
gezocht heeft: het is door haar alleen, dat alle volkeren der aarde eens
begrijpen zullen, dat zij broederen en kinderen van eenen enkelen en
machtigen Vader zijn. Het is in haar, dat de luister onzes vaderlands
rust; het is op hem (Rubens), en op diegenen, welke als hij de kroon
versieren, die Belgie tot koningin der natien maakt.
Ho, indien nog als voorheen de roem der wapens in den moed en de
dapperheid des mans besloten lag, zouden wij gewis ten dezen dage op
dien roem ook nog aanspraak mogen maken:--dit getuigen Jeruzalem en de
Sporenslag! Doch geene dapperheid, geen moed, geen beleid zijn heden
voldoende om, in de schaal der gebeurtenissen, tegen het getal op te
wegen; maar er is iets, dat nimmer tot het getal behooren kan, iets, dat
met het bloed onzes voorgeslachts door onze aderen stroomt en dit, dit
is kunst--de kracht des geestes en het scheppend vermogen der ziel!
Gebeurde het nu nog, o landgenaoten, dat iemand met kleinachting van
Belgie dorst spreken, wijs dan op dit reuzenbeeld, op Rubens, wiens
kunstgewrochten de wereld verstommen, en uw antwoord zal hem doen
blozen; en, indien een vreemdeling u de heldendaden zijner vaderen op
duizenderlei wijzen komt verhalen, denk niet, dat hij grooter is dan
gij; o, neen, niemand is groot boven eenen Belg!
Van Dyck! Quellyn! Jordaens! Teniers! en gij allen, doorluchtige Belgen,
staat op uit het verledene; schaart u om het beeld van uwen meester, en
geeft getuigenis der grootheid van uw vaderland!
O, ja, in mijne zielsverrukking zie ik u! Daar staat gij allen met de
onsterfelijke kroon der kunst gesierd!
O, gij, zonen van het oude Belgie, gij, wier roem op dit oogenblik door
duizenden uwer ontroerde broederen wordt uitgeroepen, dat uwe zalige
schimmen zich in onze dankbaarheid verblijden; gij ziet het, wij
verdienden de glorie van uwe namen te hebben geerfd.--Vraagt van den
God, bij wien gij woont, dat Hij het heilig vuur der kunst altijd onder
ons late vlammen; smeekt Hem, dat de stempel, waarmede Hij het geslacht
der Belgen geteekend heeft, nimmer worde uitgevaagd; en wij zullen Hem
eeuwig danken over het kleine plekje gronds, dat Hij ons op deze aarde
heeft geschonken; o, ja, want het is het schoonste, het heerlijkste der
wereld.
REDEVOERING
UITGESPROKEN OP DE VERGADERING VAN HET TAALVERBOND, TEN STADHUIZE VAN
BRUSSEL, DEN 11^{den} FEBRUARI 1844.
Mijne Heeren!
De verzekering dat Gij mij uwe welwillende aandacht zult gelieven te
verleenen, en de hoop dat mijne woorden niet zonder nut zullen zijn,
geven mij stoutmoedigheid genoeg, om in deze vergadering tot UEd. te
durven spreken.
Ik zal niet met UEd. in diepe overweging treden; verwacht van mij noch
ingewikkelde beredeneering, noch redekundig opstel,--mijne stem moet in
uwe harten de snaar der vaderlandsliefde gaan treffen, ons ontroeren van
vreugde bij de beschouwing der vruchten van onzen arbeid, en ons moed
inboezemen tot het vervullen onzer hooge zending. Dit is mijn doel.
Mijne Heeren!
Hij, die de geschiedenis van Vlaanderen lezende, den geest der
gebeurtenissen wil doorgronden, zal met ons bevinden, dat zij niets
anders is dan het verhaal der wisselvalligheden van den strijd, die nu
sedert achthonderd jaren op onzen bodem tusschen het Vlaamsen
grondbeginsel en den Romaanschen aandrang wordt geleverd.
In dit gevecht van den onbuigbaren moed tegen het getal, heeft het bloed
gestroomd van al de helden, wier namen gij met hoogmoed uitspreekt; het
is op dit veld, dat eens De Coninck en Breydel, Jacob en Philips Van
Artevelde het zwaard ophieven tegen de Romaansche heerschzucht;--en van
al de rampspoeden, die Vlaamsch-Belgie zoo overvloedig moest doorstaan,
zijn er weinige, die niet het kenmerk dragen der verdrukking, door een
Zuidervolk ons aangedaan. Als voorwachten der Germaansche volksstammen
hebben onze vaderen tegen de Romaansche overweldiging geworsteld met
eene ontembare hardnekkigheid en met eene wonderbare
zelfopoffering.--Maar niet altijd kon leeuwenmoed opwegen tegen getal en
arglist. Bovenal in deze laatste tijden werd Vlaamsch-Belgie weggesleept
door Europeesche gebeurtenissen, welke het niet toelieten eenigen
invloed op zijn eigen lot uit te oefenen. Dwars door alle staatsorkanen,
gekneusd en gewond door omwentelingen, kwam het vaderlijk erfdeel tot
ons in eenen hachelijken toestand.
De vreemde heerschzucht had de openbare verbastering ten troon gevoerd;
onze moedertaal, de taal der Vlaamsche helden, werd niet alleen miskend,
maar bespot en veracht; onze luisterrijke geschiedenis was vergeten; het
uitheemsche bederf stroomde langs alle zijden over onze grenzen tot in
den schoot onzer huisgezinnen; onze godsdienstige gevoelens, onze
rechtzinnige zeden, onze nationale roem, onze taal,--alles, alles ging
verzwinden in de gulzige kolk der Fransche goochelbeschaving. Reeds ja,
reeds lag de breede hand des tijds op den naam van Vlaming, om hem uit
het wereldboek te vegen.
Het is dan, Mijne Heeren, dat eenige afstammelingen der De Conincks en
der Artevelden, eenige Vlamingen met warmer bloed, in zich de verterende
vlam der verontwaardiging voelden ontsteken. Met het hoofd gebogen en
met verkropt gemoed aanschouwden zij de verbastering hunner broederen en
de verdrukking, waaronder het Vlaamsche grondbeginsel verzonken lag. Zij
zagen hoe de gunsten en het welzijn voor de Vlamingen niet waren; hoe
twee millioen hunner werkende broeders van alle beschaving, van allen
zedelijken voortgang verstoken en als tot de onwetendheid veroordeeld
bleven: zij zagen hoe het ongeloof, de echtbreuk, de spotternij, de
arglistigheid en de zelfmoord in duizenden boeken aan hunne landgenooten
als deugden werden voorgepredikt; in hun oor klonk de lastertaal van den
vreemde, en de hoon, het voorgeslacht aangedaan, doorvlijmde hunne
harten. Zij zagen het rood der schaamte de wangen bekleuren van den
Vlaming, aan wien een uitheemsche gelukzoeker vroeg tot welk volk hij
behoorde!
Hunne hoofden zonken dieper bij het aanschouwen van zulke vernedering;
hunne tranen vloeiden in stilte over het verlies van zoovele
herinneringen, die ons weleer eene roemrijke plaats tusschen de volkeren
der wereld hadden toegeruimd.
Eensklaps, alsof God zijnen vinger op hun voorhoofd hadde geplaatst en
tot elk van hen geroepen had: "Wees machtig!" eensklaps joeg hun hart
feller, de moed en het vertrouwen vervulden hunne boezems, en zij
spraken tot elkander:
"Zie, het vaderland staat op den boord van den afgrond, de vreemde legt
de bijl aan het gebouw onzer nationale glorie;--nog een kort tijdvak, en
de namen onzer vaderen, hunne heldendaden, onze schoone geschiedenis,
onze zeden, onze taal,--alles wat wij bezitten zal verloren zijn! De
Romaan zal zijne zegeliederen aanheffen op de graven van ons
voorgeslacht, en met eenen spotlach zal hij zeggen: hier leefde eens een
volk, dat den naam van Vlaming droeg!"
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6