A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Layoffs at Random House, Simon & Schuster
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Citigroup Cuts Estimates and Price Target on Amazon.com (AMZN) Due To Flat Online Retail Growth
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Farewell To Okada In PortHarcourt
'Yes, Virginia, book publishing is NOT recession proof,' said Patricia Schroeder, president and chief executive officer of the Association of American Publishers. 'It's sad day.' At Random House, the country's largest general trade publisher, the man who

Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer by Hendrik Hamel



H >> Hendrik Hamel >> Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20


VERHAAL

VAN HET VERGAAN VAN HET JACHT

DE SPERWER

EN VAN HET WEDERVAREN DER SCHIPBREUKELINGEN OP HET EILAND QUELPAERT EN
HET VASTELAND VAN KOREA (1653-1666) MET EENE BESCHRIJVING VAN DAT RIJK

DOOR

HENDRIK HAMEL

UITGEGEVEN DOOR B. HOETINK



'S-GRAVENHAGE

1920



INHOUD.


VOORBERICHT
Gebruikte afkortingen
INLEIDING
JOURNAAL
BIJLAGEN:

I. Berichten over de gevluchte schipbreukelingen
II. Berichten over de in vrijheid gestelde schipbreukelingen
III. Gegevens betreffende schepen:

A. Het jacht de Sperwer
B. Het jacht Ouwerkerk
C. Het quelpaert de Brack
D. Het schip de Hond

IV. Aanteeckeninge ofte memorie vande gelegentheijt van Corea
V. Personalia:

A. Nicolaas Verburg
B. Cornelis Caesar
C. Iquan
D. Martinus Martini

VI. Berichten over de komeet Ao 1664-65

BIBLIOGRAPHIE
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
BLADWIJZER


PLATEN:


Facsimile van de eerste bladzijde van het HS
Facsimile van een gedeelte van het HS
Kaart van de tochten van Hamel




VOORBERICHT.

Talrijk zullen de Nederlanders niet zijn die weten dat een opvarende
van een schip van de Oost-Indische Compagnie de eerste Europeaan
is geweest die uitvoerige berichten heeft gegeven over Korea. Het
door Hendrik Hamel van Gorkum, boekhouder van het jacht de Sperwer,
opgestelde relaas van hetgeen hij en zijne kameraden, na schipbreuk
te hebben geleden op een eiland van Korea, gedurende hun verblijf van
1653-1666 in dat land hebben ondervonden en waargenomen, heeft bij
landgenoot en vreemdeling een gunstig onthaal gevonden en bleef ruim
twee eeuwen lang het eenige werkje waarin eene op eigen aanschouwing
en ondervinding gegronde beschrijving voorkwam van dit geheimzinnige
rijk en zijne bewoners.

Toen Korea in 1876 voor vreemdelingen toegankelijk was geworden,
kregen nieuwe bezoekers den indruk dat Hamel een betrouwbaar
verteller was geweest en eenvoudigweg had neergeschreven wat
hij en zijne lotgenooten hadden medegemaakt en opgemerkt. Voor de
Linschoten-Vereeniging bestond alzoo reden om door het uitgeven van
Hamel's "Journaal" de aandacht op het werk van dezen landgenoot te
vestigen. De verzorging van een nieuwen druk droeg zij daarom op aan
een harer bestuursleden, die evenwel kwam te overlijden eer hij tot
de uitvoering van die taak was overgegaan. Nu wilde het toeval, dat
ik mij had bezig gehouden met nasporingen aangaande de aanrakingen
van de Oost-Indische Compagnie met Korea, zoodat het mij weldra
mogelijk was eene bewerking van Hamel's Journaal, waarbij gebruik is
gemaakt van gegevens welke diens verhaal aanvullen en bevestigen,
ter beschikking van de Linschoten-Vereeniging te stellen. Waarom
de voorkeur is gegeven aan een tot nog toe onbekenden tekst, zal
uit de "Inleiding" duidelijk worden; de overneming van de blijkbaar
oorspronkelijke houtsneden uit eene in 1668 verschenen uitgaaf van
het Journaal zal, naar het voorkomt, instemming vinden.

Bij den lezer dezer bewerking zal misschien de bedenking opkomen,
dat de lijst te breed is uitgevallen voor de schilderij door Hamel
nagelaten, dat te veel aandacht is gewijd aan bijzonderheden welke
niets leeren aangaande de lotgevallen van hem en zijne kameraden,
noch omtrent Korea. Wie echter toegeeft dat die bijzonderheden op zich
zelf wetenswaard mogen worden genoemd--gelijk mij toescheen--zal er
vrede mede kunnen hebben dat daaraan in noten en bijlagen eene plaats
is gegeven op grond van de uitspraak: "Men mag in werken als die van
de Linschoten-Vereeniging wel een weinig buiten de orde treden."

Behalve zij, wier mededeelingen uitdrukkelijk zijn vermeld, hebben
drie leden van het Bestuur der Linschoten-Vereeniging aanspraak op
mijne erkentelijkheid: de Heer S.P. l'Honore Naber gaf blijk van zijne
belangstelling door zijne zaakrijke voorlichting; Dr. C.P. Burger
Jr. had de welwillendheid de samenstelling van de "Bibliographie"
voor zijne rekening te nemen en de Secretaris, de Heer W. Nijhoff,
heeft de verschijning van dit werkje met zorgzame hand geleid. Gaarne
zeg ik mede dank aan den Heer W.C. Muller, Adjunct-Secretaris van
het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van
Ned.-Indie, wiens kunde en hulpvaardigheid mij van groot nut zijn
geweest.

Moge deze uitgaaf van Hamel's "Journaal" er toe leiden dat het aandeel
van Nederlanders in de "ontdekking" van Korea, opnieuw bekend wordt
en belangstelling vindt.

Den Haag, 1920. B.H.



GEBRUIKTE AFKORTINGEN.


Dagr. Bat.
Dagh-Register gehouden int Casteel Batavia vant passerende daer ter
plaetse als over geheel Nederlandts India.

Dagr. Jap.
Dagregister gehouden door het Opperhoofd van de Compagnie in Japan,
eerst te Firando en later te Nagasaki.

Res.
Resolutie van Gouverneur Generaal en Raden van Indie.

Gen. Miss.
Generale Missive, d.i. brief van de Indische Regeering aan Heeren XVII.

Patr. Miss.
Patriasche Missive, d.i. brief van Heeren XVII aan de Indische
Regeering.





INLEIDING.


Van de schepen welke in de 17e eeuw hebben behoord tot de navale macht
der Oost-Indische Compagnie, is geen ander zoo bekend geworden en
gebleven als het jacht "de Sperwer". Vaartuigen der Compagnie bleken
zoo vaak niet bestand tegen de stormen welke in de gevaarlijke wateren
van Oost-Azie voorkwamen, dat het buiten den kring van belanghebbenden
nauwelijks zal zijn opgemerkt toen dit jacht in 1653, op zijne reis
van Formosa naar Japan, de haven van bestemming niet bereikte. Het
waren de avontuurlijke lotgevallen van eenige geredde opvarenden,
gedurende een verblijf van dertien jaren in onbekende streken, welke
op hunne tijdgenooten indruk hebben gemaakt en het verhaal van hun
wedervaren mag ook thans nog op belangstelling aanspraak maken,
omdat daarin de eerste uitvoerige en betrouwbare inlichtingen van
ooggetuigen worden gegeven aangaande een land dat toen ter tijde, en
nog lang daarna, ontoegankelijk was voor vreemdelingen en zich verre
hield van handelsbetrekkingen met Westerlingen. Wat twee eeuwen lang
in Europa is bekend geweest omtrent het geheimzinnige rijk Korea,
was te danken aan een schipbreukeling van het jacht "de Sperwer".

In het voorjaar van 1653 moest de Indische Regeering overgaan tot de
benoeming van een Gouverneur van onze vestiging op het eiland Formosa
[1], ter vervanging van den in 1649 opgetreden Nicolaas Verburg [2],
die zijn ontslag had gevraagd en op wiens aanblijven blijkbaar ook
geen prijs werd gesteld [3]. Er was reden om voor het Bestuur van dit
"costelijck pant", van dit Gouvernement "van overgroote importantie",
een Compagnie's dienaar uit te kiezen van "bijzondere wijsheijt,
discretie ende cloeckheijt" [4].

Op 7 September van het jaar te voren (1652) hadden Chineesche
kolonisten het vlek Provintien [5] afgeloopen en acht der onzen
vermoord, waarop militairen en inboorlingen waren uitgezonden die,
onder het neerleggen van eenige duizenden Chineezen, in twaalf dagen,
de rust herstelden [6]. Naar het oordeel van de Bataviasche Regeering
was het verzet der Chineezen eene waarschuwing dat te hunnen opzichte
minder vrijgevigheid moest worden betracht dan tot nog toe het geval
was geweest en dat zij dienden besnoeid te worden in de vrijheden
waaraan zij in hun eigen land niet gewoon waren [7].

Geschillen tusschen "Compagnie's principale ministers in kercke
ende politie" [8] hadden aanleiding gegeven tot verdeeldheid en het
ontstaan van partijschappen. Door overplaatsingen hieraan een einde
te maken, liet de dienst der Compagnie niet toe en om te verhoeden
dat de slechte verstandhouding tusschen bestuurders en predikanten
de belangen der Compagnie zou schaden, kwam het noodig voor het gezag
te leggen in handen van iemand van "meer dan gewone authoriteijt".

Van verschillende kanten was de Regeering gewaarschuwd tegen "de sone
van den grooten mandarijn Equan" [9], d.i. Koksinga, die van plan zou
wezen om als hij den strijd op en om het vaste land van Zuid-China
tegen de opdringende Tartaarsche overheerschers zou moeten opgeven,
zich meester te maken van onze nederzetting op het eiland Formosa en
zich daar met zijn aanhang te vestigen [10]. Na weinige jaren heeft
de uitkomst bewezen dat de vrees voor aanslagen van die zijde niet
ongegrond is geweest, dat de donkere wolk welke in 1652 Compagnie's
bezit op Formosa boven het hoofd hing, niet was voorbij gedreven. In
1662 toch slaagde Koksinga er in aan ons gezag over dat eiland voorgoed
een einde te maken.

Met eenparige stemmen werd in de vergadering der Bataviasche Regeering
van 21 Maart 1653 voor den gewichtigen post op Formosa gekozen de
Ordinaris Raad van Indie Carel Hartsingh, "die de Taijouanse gewesten
voor desen lange jaren bijgewoont" had [11]. Deze nam de benoeming
aan en maakte zich reisvaardig, maar toen Gouverneur Generaal Carel
Reniersz den 18en Mei 1653 kwam te overlijden, gaf Hartsingh er de
voorkeur aan te Batavia te blijven en den nieuwen Gouverneur Generaal
Maetsuijker als Directeur Generaal op te volgen [12].

Alsnu werd besloten "tot het Taijouanse Gouvernement te qualificeeren
en te gebruijcken" den Extra Ordinaris Raad van Indie Cornelis Caesar
[13] wien werd "opgedragen met de laetste besendinge daerna toe als
Gouverneur sich... te vervoegen" [14].

Den 16en Juni 1653 richtte de nieuwe Gouverneur Generaal Maetsuijker
een "vrolijck scheijdmael" [15] aan ter eere van den op vertrekken
staanden Gouverneur Caesar, die den 18en Juni, vergezeld van zijne
familie, van de reede van Batavia onder zeil ging [16]. Voor zijn
transport was aangewezen het jacht "de Sperwer" [17]. Aanvankelijk was
dit vaartuig bestemd om deel uit te maken van "de eerste besendinge"
naar Taijoan; het was echter aangehouden om daarop eenig krijgsvolk te
laten overgaan dat uit het vaderland werd verwacht. Toen dit uitbleef
en "het moeson al hoog begon te verloopen", werd besloten om in de
behoefte aan soldaten voor Formosa op andere wijze te voorzien en aan
"de Sperwer" "zijn affscheijt te geven" [18].

Voor het overbrengen van een hoogen Compagnie's dienaar is "de Sperwer"
misschien bij uitstek geschikt geweest; ook de Ed. Heer Joan Cunaeus
"Raad Ordinaris van India en expres Ambassadeur aan den Grootmogenden
Coninck van Persia" had, twee jaren te voren, aan boord van dit jacht
de reis ondernomen [19].

Dat het wat laat in zee stak, heeft het op zijne reis naar Formosa
niet geschaad; zonder tegenspoed te hebben ondervonden kwam het den
16en Juli 1653 te Taijoan aan [20], zoodat het fortuinlijker was dan
het fluitschip "de Smient", dat kort te voren (27 Mei) als behoorende
tot de eerste bezending, van Batavia rechtstreeks naar Taijoan was
uitgezeild en waarvan nooit meer is gehoord [21].

Lang heeft "de Sperwer" niet te Taijoan gelegen; na zijne lading te
hebben gelost en een nieuwe voor Japan te hebben ingenomen, lichtte
schipper Reijnier Egberts den 29en Juli 1653 het anker voor de reis
naar Nagasaki [22]. Toen het jacht daar niet kwam opdagen en geen
enkel bericht of gerucht over zijn wedervaren werd vernomen, lag de
veronderstelling voor de hand dat het met man en muis was vergaan in
den storm die kort na zijn vertrek was opgestoken, zoodat de Compagnie
het verlies van dit hechte schip met zijne lading had te boeken en het
"costelijck volck", sterk 64 koppen, was omgekomen.

Aan Heeren XVII gaf deze ramp aanleiding de Indische Regeering op het
hart te drukken om "wel te letten op de moussons en de schepen niet
te laet derwaerts aff te senden, alsoo ons daer uijt groote onheijlen
voortcomen," [23] maar het belang van den handel, "de Bruijdt daer
omme gedanst werd" [24], zal niet altijd hebben toegelaten zich aan
dit voorschrift te houden en de zeelui uit dien tijd, die aan zoo
veelvuldige gevaren gewend waren, zullen zich evenmin angstvallig
hebben afgevraagd of het voor het uitvaren wel de gunstige tijd was.

Al noemden zij het verlies van "de Sperwer" een zware slag voor de
Compagnie, de machthebbers te Batavia en in het vaderland konden
daarin zonder veel beklags berusten; ondanks de tegenvallers [25],
bleven de winsten welke de handel op Japan afwierp, in de zeventiende
eeuw zoo aanzienlijk dat de deelhebbers in de Compagnie volop reden
hadden dankbaar gestemd te wezen [26].

De dienaren der Compagnie die hare belangen in Japan behartigden [27],
zullen van het vergaan van het jacht "de Sperwer" tenauwernood kennis
hebben gedragen en aan die scheepsramp stellig niet hebben gedacht
toen de kleine Nederlandsche gemeente te Nagasaki [28] in het begin
van September 1666 in opschudding werd gebracht door het gerucht dat
eenige vreemd uitgedoste Europeanen met een eigenaardig vaartuig op
een van de Goto eilanden [29] waren aangekomen. Hoe zullen zij zich
hebben verbaasd en verblijd toen weinige dagen later (14 September
1666) dit gerucht werd bevestigd en een achttal schipbreukelingen van
"de Sperwer" in hun kwartier werden gebracht. In het eentonige leven
der op het eilandje Decima [30] als het ware opgesloten Nederlanders
[31] zal elke afwisseling welkom zijn geweest en de verhalen welke deze
acht als uit de lucht gevallen landgenooten konden opdisschen, waren
bij uitstek geschikt om de verbeelding te treffen en het luisteren tot
een genot te maken. Immers wisten zij te vertellen van een Oostersch
land waarin, voor zooveel bekend was, tot nog toe geen enkele Europeaan
was doorgedrongen en met welks bevolking zij daarentegen dertien jaren
lang in nagenoeg volle vrijheid hadden verkeerd; het verhaal van het
leven dat zij en hunne kameraden daar hadden geleid, eerst op het
eiland waar zij aan wal waren gesmeten en daarna op het vasteland van
Korea, zal door hunne toehoorders met spanning zijn gevolgd en aan
dezen menige vraag in den mond hebben gegeven welke eveneens opkomt
bij het lezen van het te boek gestelde verslag, maar het antwoord
waarop ons blijft onthouden; het relaas van hunne wederwaardigheden,
van hunne avontuurlijke vlucht en vooral van hunne ontmoeting met een
landgenoot, Jan Janse Weltevree, die ruim een kwart eeuw voor hen in
Korea was gestrand, zal een diepen indruk hebben gemaakt.

Eveneens zullen de schipbreukelingen gretig hebben aangehoord wat
hunne landgenooten te Decima konden vertellen van hetgeen in het
vaderland en in Indie was voorgevallen sedert "de Sperwer" van Batavia
was uitgezeild. De uitvoerige aanteekening in het te Nagasaki gehouden
Dagregister [32] en het ambtelijke bericht aan de Regeering te Batavia
[33] getuigen ervan dat het lot der vluchtelingen het medelijden heeft
gewekt zoowel van hunne landgenooten als van de Japansche overheid,
zoodat mag worden aangenomen dat het verblijf op Decima hun zoo
aangenaam mogelijk zal zijn gemaakt. Toch kan dit eiland in hun oog
niet anders zijn geweest dan de eerste en welkome pleisterplaats op
den terugweg naar Batavia en het vaderland; met klimmend ongeduld
zullen zij hebben gewacht op het aanstaande vertrek van het schip
aan boord waarvan zij de reis naar Batavia hoopten te ondernemen. Zij
hadden echter gerekend buiten de Japansche "precisiteyt" [34].

Eer zij op het Nederlandsche Comptoir te Nagasaki waren gebracht,
was hun een verhoor afgenomen [35] dat aan de rijksregeering te Jedo
werd gezonden ter verkrijging van de toestemming om Japan te verlaten
[36]; het gevolg van dezen ambtelijken omslag was dat zij nog een
vol jaar tot de bewoners van Decima bleven behooren. In plaats van
den 23en October 1666 met de "Esperance" naar Batavia te zeilen,
konden de teleurgestelde zwervers dezen bodem met bedroefde oogen
nastaren; de vereischte vergunning was uitgebleven [37] en hoewel
de vertegenwoordiger der Compagnie mondeling en schriftelijk daar om
bleef aanhouden [38], kwam eerst den 22en October van het volgende jaar
(1667) de licentie af welke aan hunne tweede gevangenschap een einde
maakte en hun gelegenheid gaf denzelfden dag zich in te schepen op
de zeilree liggende "Spreeuw" [39], waarmede zij den 28en November
1667 ten langen leste te Batavia aankwamen [40].

Het is zoo goed als zeker dat zeven hunner--de boekhouder Hendrik
Hamel bleef voorloopig in Indie [41]--de reis naar het vaderland
ook met "de Spreeuw" hebben voortgezet. Naar het heet [42], zijn
zij den 20sten Juli 1668 hier te lande teruggekomen. Nu is, volgens
het bericht van Heeren XVII aan de Bataviasche Regeering alleen het
schip "Amerongen"--dat 24 December 1667, alzoo een week vroeger dan
"de Spreeuw", van Batavia was uitgezeild--op 20 Juli 1668 "ons wel
en behouden toegecomen" [43], maar in de toevallig bewaard gebleven
monsterrol voor deze reis van "Amerongen" [44], komen de zeven
schipbreukelingen van "de Sperwer" niet voor onder de 73 gegageerden
noch onder de "ongegageerde coppen". Daarentegen wordt elders vermeld
dat "de Spreeuw" den 20sten Juli 1668 "in dese landen arriveerde"
[45], hetwelk--naar Heeren XVII schreven--den 15en dier maand zou
hebben plaats gehad. Deze tegenstrijdigheid kan worden verklaard
door aan te nemen dat "de Spreeuw" den 15en Juli in Texel of in
het Vlie ten anker is gegaan en den 20en d.a.v. in de haven van
bestemming--Amsterdam--zal zijn aangekomen.

De vrijgevigheid van de Compagnie zou men te hoog aanslaan door te
veronderstellen dat de gewezen schipbreukelingen ditmaal den overtocht
zullen hebben gedaan als passagiers; van Japan tot Amsterdam zullen
zij deel hebben uitgemaakt van de bemanning en scheepsdienst hebben
verricht, waarvoor zij trouwens ook gage hebben genoten.

Het beroep op het medelijden van de Bataviasche Regeering, te hunnen
behoeve gedaan door het Opperhoofd in Japan, Willem Volger, bij diens
komst te Batavia in het laatst van 1666 [46], zal vruchteloos zijn
gebleven. Wanneer toch een Compagnie's schip verloren ging, hield de
gage der bemanning van dat oogenblik op en nam eerst opnieuw koers
zoodra zij weder dienst deed. Zoo was nu eenmaal de vastgestelde regel
[47], op grond waarvan Hendrik Hamel en zijne zeven makkers ook nul
op het rekest kregen toen zij bij hunne verschijning in den Raad
van Indie op 2 December 1667 het verzoek deden tot uitbetaling van
gage voor den duur van hun verblijf in Korea. Hun werd alleen gage
toegekend, gerekend van den dag waarop zij in de loge te Nagasaki
waren aangebracht; voor een paar hunner werd de vroeger genoten gage
met luttele guldens verhoogd voor de thuisreis, maar verder ging de
goedgeefschheid der Bataviasche Regeering niet [48].

In het vaderland aangeland, slaagden zij er evenmin in van Heeren
XVII betaling te erlangen van hun gage, waarop zij opnieuw aanspraak
maakten voor den vollen duur van hun verblijf in Korea; alleen "uit
commiseratie" werd eene "gratuiteyt" ten bedrage van f 1530 onder
hen verdeeld [49].

De schipbreukelingen die uit Korea wisten te ontvluchten, lieten
daar acht kameraden van "de Sperwer" achter, voor wier verlossing
onze Opperhoofden te Nagasaki, Wilhelm Volger en na hem Daniel Six,
de hulp inriepen van de Japansche Regeering [50]. De betrekkingen
welke Japan met Korea onderhield door tusschenkomst van den Daimio
van het Japansche eiland Tsusima [51], maakten zulk een "pieus
officie" [52] mogelijk; ook heeft de Japansche Regeering misschien
van de verschijning van een Koreaansch gezantschap aan het hof te
Jedo gebruik kunnen maken om op de vrijlating der Nederlandsche
gevangenen aan te dringen--in elk geval hebben de achtergebleven
schipbreukelingen aan de bemoeiingen van de Japansche Regeering te
danken gehad dat zij door de Koreanen zijn in vrijheid gesteld [53]
en door den Daimio van Tsusima zijn voortgeholpen op hun tocht naar
Nagasaki, waar zij, zeven in getal, na eene moeilijke zeereis, den 16en
September 1668 bij de onzen te recht kwamen [54]. Van den achtsten,
den kok Jan Claesz. van Dort, wordt in de ambtelijke stukken gezegd
dat hij sedert de ontvluchting van zijne makkers twee jaren te voren,
was komen te overlijden. Daarentegen verhaalt Nicolaas Witsen--die
het kon weten--dat hij er de voorkeur aan heeft gegeven in het land
der vreemdelingschap te blijven: "Hij was aldaer getrouwt en gaf
voor geen hair aen zyn lyf meer te hebben dat na een Christen of
Nederlander geleek" [55].

De nawerking van de vertoogen der Japansche Regeering schijnt een
paar jaren later nog krachtig genoeg te zijn geweest om te voorkomen
dat het jacht Pouleron, toen het zich door storm gedwongen zag aan
het Quelpaerts-eiland te ankeren, daar werd lastig gevallen en dat
de Chineesche bemanning van eene verongelukte jonk van Batavia,
werd aangehouden [56].

Na, evenals hunne voorgangers, door de Japansche autoriteiten te
Nagasaki te zijn ondervraagd over Korea en den handel van Japanners in
dat rijk [57], kregen deze zeven bevrijde Nederlanders vergunning om
Japan te verlaten. Ter versterking van de bemanning, werden zij door
ons Opperhoofd geplaatst aan boord van de "Nieuwpoort" [58], die den
27en October 1668 van Nagasaki onder zeil ging om over Coromandel naar
Batavia te varen. "Door toeval" ging het plan niet door om hen bij
Poeloe Timon te laten overgaan op de "Buijenskerke", die te gelijker
tijd van Nagasaki rechtstreeks naar Batavia vertrok; dientengevolge
zullen zij eerst den 8en April 1669 te Batavia zijn aangekomen [59],
terwijl de "Buijenskerke" hen daar al den 30en November 1668 zou
hebben gebracht [60].

Wanneer en met welken bodem de tweede groep van geredde
schipbreukelingen de reis naar het vaderland heeft ondernomen, is niet
vermeld gevonden. Vermoedelijk heeft de te Batavia achtergebleven
boekhouder zich daar bij hen aangesloten; in Augustus 1670 toch
verschenen twee hunner, benevens Hendrik Hamel, voor Heeren XVII om,
gelijk de in 1668 teruggekeerde kameraden, betaling te verzoeken van
hun gage gedurende hunne gevangenschap in Korea verdiend of van zooveel
als Heeren Meesters hun in redelijkheid wenschten toe te leggen. De
uitkomst was dat zij er genoegen mede moesten nemen op gelijken voet
te worden behandeld als ten aanzien van hunne lotgenooten in 1669
was vastgesteld: met een geschenk in geld werden zij afgescheept
[61]. Hunne verlossing uit de gevangenschap heeft begrijpelijkerwijs
minder opzien gebaard dan die hunner voorgangers; zij is zelfs zoo in
het vergeetboek geraakt dat de schrijver van een standaardwerk over
Korea, waarin een geheel hoofdstuk wordt gewijd aan de Hollandsche
bannelingen, heeft gemeend dat omtrent hun lot nooit iets bekend is
geworden [62].

Hier en daar in Korea zijn inboorlingen aangetroffen met blond haar
en blauwe oogen, welke voor afstammelingen van onze schipbreukelingen
zouden kunnen doorgaan, als vaststond dat niet ook andere blanke
zeevaarders daar zijn aangeland, die eveneens met de vrouwen des lands
omgang hebben gehad [63]. Voor de Koreanen ligt de herkomst dezer
blondharige landgenooten in het duister; het verblijf van Hamel en
zijne makkers heeft geen indruk achtergelaten [64], het tegenwoordige
geslacht hoorde er uit den mond van Westerlingen voor het eerst van
[65].

Vele jaren na hunne terugkomst hier te lande worden--zooals wij
hierna zullen zien--twee van de geredde opvarenden van "de Sperwer"
nog genoemd door een geleerd Bewindhebber der Compagnie, aan wien zij
mondelinge inlichtingen hebben verstrekt; behoudens eene uitzondering,
hebben de overigen geen bekend spoor nagelaten.

Een hunner heeft daarentegen zoo groote vermaardheid verworven dat
zijn naam in binnen- en buitenland is bekend geworden. Zijn gedwongen
verblijf op het eiland Decima, heeft namelijk de boekhouder van "de
Sperwer", Hendrik Hamel van Gorkum, zich ten nutte gemaakt door van
het wedervaren van hem en zijne lotgenooten een relaas op te stellen
en daarin op te nemen hetgeen hem omtrent land en volk van Korea
was bijgebleven.

Was aan Hamel en zijne zeven kameraden op 2 December 1667 te Batavia
de onderscheiding te beurt gevallen "in Rade" te mogen verschijnen
[66], in het Bataviasche Dagregister staat onder den 11en dier maand
nog aangeteekend dat Hendrik Hamel toen zijn Journaal "aan Haer
Ede overgelevert" heeft [67]. Op dien datum heeft de Raad van Indie
niet vergaderd, maar Hamel kan andermaal op het Kasteel zijn ontboden
omdat de Gouverneur Generaal uit zijn mond bijzonderheden wilde hooren
over zijn verblijf in Korea of omdat de Directeur Generaal wenschte
te vernemen hoe hij dacht over de kansen voor den handel met dit
rijk. Hamel's Journaal dat, volgens de aangehaalde aanteekening in het
Dagregister, was "leggende onder de papieren desen jaere van Japan [met
"de Spreeuw"] ontvangen", was toen ter Generale Secretarije beschikbaar
en kon van daar worden opgevraagd om hem gelegenheid te geven het aan
"Haer Edele", d.i. aan Gouverneur Generaal en Raden, aan te bieden. Ook
is het niet onwaarschijnlijk dat de aanbieding heeft plaats gehad in
de hiervoor vermelde vergadering der Regeering op 2 December en dat de
Dagregisterhouder, de Eerste Klerk ter Generale Secretarije Camphuijs,
dit eerst den IIen dier maand heeft aangeteekend, zooals meer voorkwam
[68].

Een tweede exemplaar van dit Journaal is blijkbaar in het bezit
geweest van zijne lotgenooten die voor hem, den 20en Juli 1668, in
het vaderland aankwamen, en door hen kort daarna aan Heeren XVII ter
inzage gegeven [69], waarna de tekst in handen zal zijn gekomen van
uitgevers. Dat dezen de gretigheid waarmede Hamel's relaas zou worden
ontvangen, niet hebben overschat, blijkt uit de verschijning hier te
lande van zes verschillende uitgaven, waarvan ten minste drie al in
het jaar 1668. Bovendien zijn in het buitenland weldra ook vertalingen
als afzonderlijke werkjes in het licht gegeven of later opgenomen
in verzamelingen van reisverhalen [70], en voor hen die sedert over
Korea hebben geschreven, bleven Hamel's berichten aangaande dit rijk,
zijne bewoners en zijne instellingen, eene welkome bron, lang zelfs
de eenige van zuiver westersche herkomst.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.