A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Alexie Signs with Little, Brown
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

PW Morning Report, November 21, 2008" class="topstory">The PW Morning Report, November 21, 2008
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

RH Out of Stock on Shadow Country; Norton Back to Press on Hemingses
Fire with Fire will feature the character Thomas Builds-the-Fire, who first appeared in Alexies debut story collection, The Lone Ranger and Tonto Fist-Fight in Heaven (Atlantic Monthly, 1993). V-p and editorial director Reagan Arthur will edit the novel.

De Val van Antwerpen by Jozef Muls



J >> Jozef Muls >> De Val van Antwerpen

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8


DE VAL VAN ANTWERPEN
(10 Oktober 1914)
door Jozef Muls





Inhoudstabel

Bldz.

I. De Laatste Dagen van den Vrede
II. De Oorlogsverklaring
III. Bij de Burgerwacht
IV. In de Celgevangenis
V. Wat Wij van den Oorlog Vernamen
VI. In en Om de Forten van Antwerpen
VII. De Zeppelin
VIII. De Verspieder
IX. In de Ambulances
X. De Zelfmoord
XI. Antwerpen Hoofdstad
XII. Het Uitzicht der Straten
XIII. De Stijgende Neerslachtigheid
XIV. De Beschieting der Forten
XV. Inferno
XVI. Rond de Stad
XVII. Op Sint-Michielstoren
XVIII. Een Nare Dag
XIX. De Kardinaal te Antwerpen
XX. De Groote Vooravond
XXI De Aankondiging van het Bombardement
XXII. De Laatste Uren
XXIII. De Vlucht der Honderd-Duizend
XXIV. Op den Weg der Ballingschap




DE VAL VAN ANTWERPEN
door Jozef Muls



I-De Laatste Dagen Van Den Vrede



Tegen het einde van Juli 1914 ging eenieder gedrukt onder de
hevige spanning die over heel Europa was gekomen. Men voelde
het naderen van de verschrikkelijke orkaan die ging losbarsten. Het
was ontstellend grootsch en tragisch die algemeen-europeesche
ontroering. De menschen wilden niet den oorlog maar gingen voort
naar het onvermijdelijke met den stijgenden angst in hun hart. Wij
wisten op ons machten wegen, zwaarder dan de blokken waaronder
de helden van Aischulos gebogen gingen. Die duister-werkende
machten zouden, fataal, den oorlog ontketenen waarin alle volken
dooreen gingen woelen als in een maalstroom.

's Vrijdags, in den nacht van 31 Juli, hadden de klokken van alle
torens in Belgie storm geluid, als in de tijden der oude Gemeenten.
De groote klok, Carolus, bromde een uur lang, hoog in den hemel,
boven het donkere Antwerpen en alle klokken van alle kerken, ver
en bij in de stad, beantwoordden de zware en sombere stem die nu
den nood verkondde. Tusschen twee fakkeldragers, in den rooden
gloed hunner brandende toortsen, had een politie-officier, op de pui
voor het stadhuis, het bevel tot de algemeene mobilisatie afgelezen.
De nachtelijke straten zagen zwart van 't krielende volk dat rondliep
in groote opgewondenheid. De politie-agenten gingen van deur tot
deur en riepen overal: "Met of zonder brief eenieder moet zijn depot
vervoegen"--Want er was haast bij en alle soldaten konnen niet
regelmatig aan huis verwittigd worden.

Maar die algemeene mobilisatie was toch maar om de grenzen te
bewaken, om, als in 't jaar 70, de overloopende vijandelijke
soldaten te ontwapenen en onze onzijdigheid te doen eerbiedigen
zoo dachten we toen nog... Het was wel hard in den vroegen morgen,
van zaterdag, al die reeds bejaarde mannen in hunne vaak-niet-meer-
passende militaire uniformen afscheid te zien nemen van vrouw
en kinders, maar gevaar zouden zij toch niet lijden. Het was een
drukte aan alle stations. Ik zag moeders weerkeeren met betraande
oogen als van een laatst en hopeloos vaarwel...

De angst der menschen uitte zich te Antwerpen, lijk overal, door het
loopen naar de winkels om hun noodrust, door het bestormen der
Banken voor hun geld. Honderden en honderden stonden te
wachten voor de gesloten poort der Nationale Bank en de opeen-
gepakte drom slingerde weldra, langs het voetpad, heel het gebouw
rond. Aan de deuren der kruideniers wachtten de koopers hunne
beurt af en stonden in lange rijen tot op de straat. Het was te zien
hoe vooral de rijken nu met zich zelf bekommerd waren; zij reden
huiswaarts in met eetwaren-volgestapelde koetsen en deftige stijve
burger-vrouwen waren niet verlegen om, met zijn tweeen, zware
pakken naar huis te dragen.

De oorlog was verklaard door Oostenrijk aan Serbie en achter-
eenvolgens ook door Duitschland aan Rusland en Frankrijk. Hoe
had die oude vermolmde Habsburger, Frans-Jozef, het aangedurfd,
met een voet in 't graf, nog te bevelen dat honderd-duizenden
jonge menschen voor hem zouden sterven! Ik hoor nog het
onheilspellende roepen "la guerre! la guerre!" van de gazetleurders
die langs mijn vensters draafden. Tegelijk kwam ons het nieuws toe
van den moord op Jaures. Ging er misschien revolutie ontvlammen
in Frankrijk, na al wat er in de laatste dagen voorviel. Alle horizonten
waren vol verschrikking.

Ik voelde seffens die beklemdheid om het hart die de voorbode is
van alle geweldige dingen die met ons gebeuren.

Verantwoordelijkheden schoten wakker. Wat moest er gedaan
worden? Kommernissen kwamen op. Wat ging er met ons land, met
nabestaanden en vrienden niet gebeuren? Het was uit met de orde,
de rust, het schoone harmonische bewegen van het vredevolle
leven, het stille en zekere wentelen van de dagen.

En toch bleef er hoop dat wij in Belgie buiten het groot conflict
zouden zijn gebleven. Het was wel beangstigend de orkaan zoo
nabij te weten, maar wij voelden ons nog veilig in ons land. Waren
wij geen onzijdige staat, door de oorlogvoerenden plechtig erkend
en beschermd?

Ik herdenk nog altijd dien zondag, 2 Augustus. Wij genoten in Belgie
de laatste uren van den vrede... Ik was met mijn gezin in ons
zomerhuisje te Capellenbosch. Door de groote spiegelruit van het
lange lage raam der leefkamer, lag het schoone landschap van
onzen hof, open, in al zijne groene zomersche pracht. De
schildering der kamer in oranje-roze kleur, de antieke meubels, de
bloemen die de kamer versierden, alles rondom ons sprak
van geruste weelde. De groene muziekkamer lag zoo stemmig,
tusschen de opengeschoven, rood-gebloemde zijden gordijnen en,
in de kleur-ramen boven het klavier, droomden donkere populieren
bij spiegelend water. Door het kleine venstertje dat van mijn
werkplaats op de leefkamer uitzicht geeft, kwam een roze schijn van
de donker-rood geschilderde muren. Wonderbaar samentreffen, na
het middagmaal, bij de koffie, had ik voorgelezen uit het boek van
Leon Bloy, "Sueur de Sang," waarin de baldadigheid der Duitschers
beschreven staat in 't jaar '70. Wij dachten toen nog dat het maar
literatuur was. Hoe rap zouden wij leeren dat het slechts,
getemperd, de afschuwelijkste werkelijkheid weergaf.

Ik ging daarna in den gang zitten in een ligstoel met Oorlog en
Vrede van Tolstoj, open op mijn knieen. Maar ik las niet. Is het
noodig te lezen wanneer je eigen gedachten bewegen schooner
dan je ze in een boek kunt vinden? Ik zag alles in een wonderen
glans. Het was of ik het waarlijk met weemoed,--te veel angsten
waren reeds geboren,--voor het laatst zoo rustig zien zou. Ik
mijmerde op een tekst uit het evangelie van den dag: "Gij hebt
uwen vrede niet gekend..." De purper-blauwe muren van den hall
waren rondom mij, ginder hoog was een fries van oranje rooskens
en boven mijn hoofd de kleurige koepel met een roode bloem in 't
midden. Boven de groote openstaande huisdeur waren drie
engelen in geschilderd gebrand glas, met amethisten vleugels en
oranje bloemen aan hunne voeten. Achter mij wist ik het perspektief
van ronde bogen die den gang vormen en uitzicht geven op de
rosse stammen en het grijze groen van ons mastenbosch, waaruit
nu bij poozen een zacht gemurmel werd vernomen. In den grooten
boog der open poort, als in een kader, lag de hof en de blauwe
hemel daar boven, als een wonderschoon schilderij. Het had nu en
dan zoo wat geregend, van dien zilveren zachten zomerregen die
alles nog schooner maakt. Het regende nu niet meer. De witte en
gouden wolken dreven lijk schepen door de blauwe lucht. Soms
hoopten zij te samen achter en boven de boomen van het eilandje,
in den vijver voor het huis, tot hooge ontzaglijke bergen en reuzige
ijstoppen. Er kwam een windje door de witte berken, in de
grasvlakte, en er regenden blinkende druppeltjes van de fijne
trillende blaadjes. Het was of de boomen rilden van een heimelijken
wellust in de warme gulden zon...

Over den weg, van aan de verre hof-poort, kwamen toen buren
aangewandeld. Ik dacht aan een gewoon bezoek, maar zij stonden
daar voor mij met kommervolle gezichten.

--"Luxemburg is bezet! Weet ge 't al? ... Het lijdt geen twijfel of Belgie
zal worden overrompeld."

Zij vroegen om raad wat ze doen moesten. Zij dorsten niet meer
buiten te blijven, zij waren bezorgd voor hun meisje. Ik ontwaakte uit
mijn droom en werd daar, opeens, gesteld voor een oorlogsvizioen:
overrompeling, brandstichting, moord, plundering, verkrachting...

Mijn huisgenooten kwamen toen ook buiten en er werd gesproken,
bekommerd en vertrouwend dooreen. Mijn oude vader lachte "met
al dien ongewettigden schrik" zooals hij 't noemde. Zijn hof was de
wereld en hij zag hoe rustig de blauwe hemel er boven stond, hoe
goed de perzikken rijpten op zijne fruitboomen, hoe weelderig de
erwten en de boonen oprankten langs de staken. Het kon niet zijn
dat de Duitschers onze onzijdigheid zouden schenden...

Maar van af dat oogenblik was alle rust uit mij heen en ik
voorvoelde, vaag en onduidelijk, al de ellenden die over ons
land en ons zelf gingen komen. Het is zoo altijd met groote
bekommernissen. Je weet niet juist wat het is of wat zal gebeuren
maar je hart wordt zwaar van drukkend en nijpend wee en het
harmonische bewegen van den geest verzwindt in een chaos van
duister-woelende gedachten en onbestemde angsten.

Dienzelfden avond, om 7 uur, overhandigde de duitsche gezant te
Brussel eene nota aan onze Regeering waarbij vrije doorgang
gevraagd werd voor het duitsche leger op ons grondgebied. Het
was de onvermijdelijke oorlog.

Maar dat wisten wij toen nog niet, dien zachten schoonen avond,
den laatsten avond van den vrede.




II-De Oorlogsverklaring



Ik reed 's anderdaags, 3 Augustus, als naar gewoonte naar
Antwerpen met den morgentrein. De stad was vol soldaten. De
Kipdorpvest werd door linietroepen afgesloten. Generaal Dufour, de
militaire gouverneur, had er zijn hoofdkwartier in de kazerne.

Al voortstappende door de straten, ontmoette ik de trommelaars die
de burgerwachten opriepen en, op de hoeken, hier en daar, zag ik
menschen samenscholen om een wit plakkaat te lezen: Hollandsch
Limburg was, zoo gezegd, reeds bezet door de Duitschers en
Antwerpen werd in staat van beleg verklaard. "Staat van beleg!" Dat
klonk zoo akelig in de ooren. Wij gingen dan toch heelemaal
aan den dans komen. Overal reeds zag ik de shako's van de
burgerwachten opdagen. Voor het paleis van den koning op de Meir
stonden zij in gelid. De belgische driekleur woei boven den geveltop
met zijn bloemenslingers en vazen. Ja het was de oorlog en
wanneer ik terug trok, naar het station, kon ik met moeite de tranen
terugdringen die uit mijn oogen wilden breken. Ik was innerlijk
verlegen om mijne gevoeligheid. Wij moesten mee in de ontzaglijke
menschen-slachting.

Wat te doen? Ik vond het voor mijn huisgenooten toch geruster in
de stad, binnen de vesten. Wij hadden toen nog onze illuzie's over
versterkte steden en maanden-lange belegeringen.

Toen ik met den middagtrein, om een uur op den buiten kwam,
geraakte mijn gemoed weer eenigzins tot kalmte. Was het dan toch
wel oorlog? Wij zaten zoo rustig aan tafel bij het open raam. De
natuur was toch zoo schoon en zoo vreedzaam rondom ons. Geen
geluid dan het zacht geruisch der berken in de grasvlakte en het ver
en staag gemurmel van het dennenbosch.

Waarom de menschen uit dien vrede weghalen en brengen in de
koorts en de opwinding der groote stad. Maar toch het moest, het
was beter, voorzichtiger, allen meenden 't zoo. Alles scheen toch
zoo verschrikkelijk snel te zullen toegaan. Wie kon vandaag weten
wat morgen zou gebeuren? Geen tijd mocht verloren. Alles werd
ingepakt. De tapijten werden opgerold, naar den zolder gesleurd en
geborgen onder de balken. Wij sloten de luiken. Ons lachend
zomerverblijf scheen in enkele oogenblikken een doodenhuis
geworden.

Over den anders-zoo-rustigen steenweg, voor ons hof, zagen wij,
als in waanzinnige vlucht, auto's en rijtuigen van alle slag voorbij
snellen, volgeladen met kisten en pakken. De stad scheen voor
eenieder het zekere toevluchtsoord. Het vreedzame platte land
werd verlaten voor de ingebeelde zekerheid eener vesting.

Ik kwam rond vijf uur in de stad terug. Op de Keizerlei waren er
groote samenscholingen van menschen. Men huilde en tierde voor
de duitsche koffiehuizen. Uithangborden vielen aan scherven,
blazoenen van duitsche maatschappijen werden neergehaald.

De belgische vlaggen verschenen aan alle gevels. Het was nu
bekend geworden dat het groote duitsche rijk zijn ultimatum had
gezonden en den oorlog verklaarde aan het kleine en vreedzame
Belgie. Dienzelfden morgen om 7 uur was het antwoord onzer
regeering reeds overhandigd met de bevestiging dat elke aanslag
op ons recht van onschendbare natie door alle middelen zou
worden afgeweerd.

Door de van-volk-krielende straten schreeuwden de krantventers
langs alle kanten oorlogsnieuws: De engelsche vloot bewoog
voorbij de Oosterschelde; het gerucht liep zelf dat zij de Schelde op
vaarde en dat de engelsche soldaten nog dienzelfden avond bij de
antwerpsche burgers zouden worden ingekwartierd. De russische
legers rukten op Koenigsberg af, maar de bezetting van hollandsch
Limburg was onwaar bevonden, de staat van beleg werd opgeheven...

Ik verademde. Wij konden dan nog wat buiten blijven. Het was toch
zoo rustig ginder in de bosschen. Men hoorde er niets van al 't
gewoel hier en het schrikbarend nieuws. Zoo was mijn gevoelen
toen ik dien avond weer op ons landhuis kwam in de stilte der
natuur.

Wij woonden er nog tot woensdag 5 Augustus. Doch het waren
droeve dagen. De luiken bleven dicht. De keuken en een klein
kamertje daarnaast alleen waren open nog en in gebruik. Wij zaten
er lijk landverhuizers met onze kisten en manden. De oorlog was
dan toch onwederroepelijk begonnen voor ons landje... De vrouwen
lazen toen reeds met verkropt gemoed en snikken in hare keel het
nieuws van het eerste belgisch bloed dat voor het vaderland
vloeide. Want in den nacht van 3 tot 4 Augustus waren de duitsche
troepen gewelddadig onze grens overgeschreden. Twaalf regimenten
ruiterij hadden het land van Herve overrompeld en de eerste botsing
gebeurde tegenover de vernielde Maasbrug van Vise.

Maar wij waren fier over het nobele antwoord dat onze regeering op
het duitsche ultimatum had gegeven. De besluiten genomen in de
buitengewone Parlements-zitting van 4 Oogst, waar heel ons
Vorstenhuis aanwezig was, vervulde ons gemoed met nationale
trots en ons hart bonsde bij de proclamatie van den koning aan
het leger "Vlamingen denkt aan den Guldensporenslag! Walen
herinnert u de 600 Franchimontezen!" Dat klonk heroisch want wij
wisten dat onze jeugdige, vroeger zoo stille vorst, nu zelf naar de
grens trok om aan het hoofd van zijn leger den vadergrond te
verdedigen.

Het was een grootsch en onvergetelijk ogenblik! Wij waren een land
en een volk dat vastberaden zijn stem had laten hooren in de
wereld en wij waren de eersten om den ontzaglijken strijd te
beginnen, waar niemand nog de afschuwelijkheid van vermoedde.
In de heerlijkste tijden onzer geschiedenis, wanneer de trotsche
gemeenten bloeiden en de belforten werden gebouwd, hingen wij
nog, door onze prinsen, van het Huis van Frankrijk, van het Huis
van Burgondie, van Spanje of Oostenrijk af en onze akkers waren
steeds de slagvelden geweest van voor ons vreemde belangen en
heerschzuchtigheden.

Maar nu eindelijk hadden wij de kans om voor ons zelf te vechten.
Wij maakten geschiedenis, of beter gezegd, wij zetten nu eens voor
goed onze meest eigen geschiedenis voort, van de stammen die
vochten tegen Caesar tot de wevers en beenhouwers die streden
op den Groeninger kouter en de vrijschutters der brabantsche
omwenteling in de 18e eeuw. Wij werden een factor in de
wereldhistorie. En de Koning, die bij den aanvang van den
reusachtigen strijd de herinnnering opriep der oude gemeenten, die
stelde de poorten van 't Verleden wagenwijd open om den
onafgebroken stoet te wijzen van helden die vochten en stierven
voor dezen grond en waar de jeugd van nu haar plaats ging achter
nemen. Door zijn woorden had die Koning het heden met het
verleden verbonden. Hij was niet langer meer de afstammeling van
die kleine duitsche prinsen van het Huis van Saxen-Coburg-Gotha,
maar de rechtstreeksche erfgenaam der graven van Vlaanderen en
Namen, der hertogen van Brabant en Burgondie. Hij werd de vorst
van een eeuwenoud volk dat altijd voor zijn vrijheid gevochten had
en nooit ten onder was gegaan.




III-Bij De Burgerwacht



Ik ging mij aanbieden hij de burgerwacht waarvan ik tot dan toe was
ontslagen geweest. Zij was belast met het bewaken der omheining
van Antwerpen. Ik aanzag het als een ernstige taak. Wij stonden
onder algemeen legerbevel.

Het militarisme bestond niet in Belgie. Maar de militaire geest was er
levend, die geest die van elk burger een soldaat maakt die zijn
leven veil heeft voor het land. Hoe onbeholpen en nutteloos de
inrichting later ook mocht blijken, het was die militaire geest die de
burgerwachten van Antwerpen en elders gewetensvol hun plicht
deed doen. Het was die geest die in de eerste dagen van den
oorlog meer dan 30000 vrijwilligers deed opkomen uit alle streken.
Ik zag heele scharen van jonge mannen stoetsgewijs naar de
kazernen trekken onder de toejuichingen der bevolking. Iedereen
was blij het uniform en de wapens te dragen en zich zoo een lid van
de landsverdediging te weten in dezen grooten nood.

Op donderdag, 6 Augustus, betrok ik voor 't eerst de wacht op de
vesten aan de Berchemsche poort en dienzelfden nacht sliep ik
voor 't eerst ook in een soldatenbed in de Sint Joris Kazerne. Ik
herinner mij nog die lange witgekalkte slaapzalen met ijzeren
bedden. De geweerkolven bonsden telkens op de houten vloeren.
De ransels werden losgegespt. Een tijd werd er nog gegekt en
geroepen maar weldra lagen al de lijven onder de dekens. In den
schijn van een enkel verouderd olielampje ging er soms een arm
omhoog of een jongen die luidop droomde verbrak de ronkende
stilte.

Dienzelfden nacht werd ik, met een patroelje, naar het militaire
gasthuis gezonden, in de Maria-lei. Er was een trein van gekwetsten
verwacht, de eersten die daar aankwamen, en wij zouden voor de
poort de orde handhaven.

Er stond een almoezenier in het portaal, een majoor-dokter deed de
berrie's gereed zetten en gaf vermaningen om kalm te blijven. Wij
gingen dan de eerste bloedige wrakken zien uit dezen geweldigen
oorlog, misschien van dat skadron lanciers, van het 2de regiment,
die te Plainevaux, ten zuiden van Luik, een heel regiment duitsche
ruiters hadden gechargeerd en aldus de drie-vierden hunner
manschappen in een ongelijken strijd verloren. Wij waren ontroerd.
Maar het bericht kwam dat de aangekondigde trein in een andere
richting was gezonden. Wij stonden daar doelloos, in eene
eenzame straat, waar het regende...

Wij kregen verlof om in een wachtzaal van het gasthuis den morgen
af te wachten. Een dokter, die mij kende, nam mij mee in een der
groote slaapzalen, waar ik mij in volle uitrusting op een bed
neerstrekte. Ik sliep niet. Het was zoo vreemd in dat gasthuis te
liggen naast die ontelbare rijen lege beddekens en in den reuk van
iodoform die alles doortrok. Ik wist toen nog niet hoe ik later in mijn
ballingschap, zoovele lange lijdensweken zou doorgebracht hebben
in de droeve hospitalen van vreemde steden. Maar een geheim
voorgevoel beklemde mij. Ik kreeg een voorsmaak van de lichamelijke
miseres die mij te wachten stonden. Geluidloos kwam er nu en dan
door het halfduister een kloosterzuster voorbij.

Wij hadden 24 uren dienst in de kazerne of op wacht en 12 uren
rust, dat wij naar huis mochten. Ik zou onder de wapens echter niet
veel uitrichten. Het was op wacht staan of op een bank aan de
stadspoorten zitten,--voor wie niet mee deed aan de gelagen in de
herbergen,--en 's avonds van den tweeden dag, in regiment, van
Berchem naar de kazerne stappen.

Luid en blij zongen toen de wachten op marsch. Het scheen wel
een parade in 't begin, als zij hunne hooge zwarte vilten hoeden
droegen met de waaiende zwart-blauwe haneveren en hunne lange
blauwe mantels die links en rechts, hoeksgewijs, moesten worden
opgeknoopt om den gang niet te hinderen. Er hing als een
feestlucht over de stad: door alle straten het kleurgewemel der
waaiende vlaggen, de menschen alle dagen van de week in hun
zondagsche pak, kuierend of verteer makend in de volgepropte
koffiehuizen en terrassen alsof het kermis ware geweest. Engeland
was nu ook in den oorlog gekomen. Duitschland stond alleen tegen
half Europa. De overwinning aan onze zijde scheen onvermijdelijk
en in een nabije toekomst. De Franschen zegevierden reeds te
Altkirch en Mulhouse was ingenomen. De vlaggen onzer bondgenooten
werden geestdriftig begroet aan de gevels op onzen weg. Gehuil en
gefluit en geroep van "er aus" klonk voor de deuren der gekende
duitsche huizen.

Wij aten op de groote koer der Sint Joris kazerne, ieder in zijn
hoekje, uit eene gamelle, gingen daarna slapen in de zwart-ijzeren
bedden, om dan weer 's nachts in de stad te patroeljeeren of hier of
daar een post te bezetten.

Ik moet wel geen vechtersbloed in mijn aderen hebben, want
wanneer ik op wacht stond, op de vesten, droomden mijne oogen
over de pracht der velden en door de heilige rust der nachten of ik
keek naar de groote stad. Van af de hooge groene wallen gezien,
was zij zoo schoon met al hare torens en de groezeling der daken.
Ik keek er naar als naar iets dat misschien zou vergaan...

Ik herinnner mij nog dit enkel incident uit mijn diensttijd. Men had
ons verwittigd dat er kans bestond dat dien nacht duitsche auto's
probeeren zouden de stad binnen te dringen, zooals er gedaan
geweest was te Luik door vijandelijke officieren die een aanslag
hadden beraamd op het leven van generaal Leman. Wij moesten
dus oppassen. Ik was dien avond van het corps de garde, in de
kazerne aan de Oude-Baan. Ik had wat gegeten en lag uitgestrekt,
in mijn kleeren, op de brits, tusschen mijn luidop ronkende
kameraden. Rond elf uur moest ik, voor twee uren, de wacht
betrekken. Ik kreeg mijn post buiten de poorten, op den berg der
genie-werken, waarover een aarde-weg loopt om langs het spoor
naar Mortsel te gaan. De nacht was schoon, zoo maanhelder dat de
sterren verbleekten. Het was zomer en zoel en zoo rustig alom. Het
deed wee aan het hart niet te kunnen genieten van de pracht der
dagen en te bedenken dat de kanonnen van Luik aan 't bulderen
waren en zoovele belgische jongens ginder in de maanlichte velden
roerloos neerlagen voor eeuwig. Achter mij strekte de donkere lijn
der verouderde wallen met, van afstand tot afstand de hooger
uitstekende mamelons tegen den rossen gloed der nachtelijke stad.
Voor mij en van op mijn hoogte zag ik de velden tot aan Luithagen,
tot aan Deurne. Het graan stond nog in maandels op de akkers. Het
waren lijk donkere tenten van een kamp die scherpe schaduwen
afteekenden in het maanlicht. De geur van het dorrend stroo en van
de warme aarde kwam met vlagen tot mij. Van tijd tot tijd reed door
de velden, in de richting van Brussel of Antwerpen, een lange
reizigerstrein en de lichtende ramen slingerden als een vuurlijn
voorbij. Ik stapte over en weer met mijn geweer op den schouder.
Traag gaan de uren voorbij in de nachtelijke eenzaamheid. Ik telde
de slagen der klok op den nabijgelegen toren van Berchem.
Eindelijk zag ik uit de donkere grot der stadspoort een patroelje,
klein in het maanlicht, verschijnen en toekomen om mij af te lossen.
Ik trok terug naar mijn corps-de-garde en strekte mij uit op de brits.
Ik lag maar nauwelijks neer toen ik, buiten, den korten knal van een
geweerschot vernam. Mijn maten hoorden het ook. Zouden dat die
duitsche auto 's zijn? Wij sprongen allen op, grepen naar onze
geweren, gespten onze bajonetten aan en liepen, onder geleide van
een serjant, naar de bres die in de wallen was aangebracht op den
mechelschen steenweg. Ik hoorde naast mij de geweren openen,
laden en met een knak weer toesluiten. Ik stak ook een kogel op het
mijne. Zou er waarlijk te schieten vallen? Wie zou er getroffen
worden van ons? Wij tuurden uit over de baan: niets te zien in het
licht der maan, de rust van den nacht. Dan plots komt over
den steenweg een man aangeloopen, zijn geweer omhoog. Wij
verkennen een burgerwacht. Buiten adem vertelt hij dat hij, op
wacht staande, twee mannen zag voorbij sluipen. Hij vroeg hun het
wachtwoord. Zij antwoordden niet. Hij vuurde, maar zij waren
verdwenen. Wij bleven nog een tijd op onze hoede, maar niets
kwam opdagen. De wacht trok weer terug. Het was mijn eenig
vechtincident, als ik het zoo mag noemen. Ik bleef talmen bij de
open bres en stapte over en weer tusschen Berchem-kerk en de
hooge groene wallen. De morgen zat reeds in het oosten. Vuurrood
begon de hemel te schemeren. Ik zag toen dat de mogelijke aanval
der duitsche auto's toch als ernstig was opgenomen, want in een
loopgraaf, door de bres, en achter een uitgestrektheid van
prikkeldraadversperringen, zaten soldaten van de linie-troepen
gereed achter een paar mitrailleuzen, de reesem blinkende kogels
op het kanon geschoven. Zij stonden nu ook op en wandelden met
hoog-toegeknoopte mantels in de kille klammigheid van den
wordenden dag. Wij begonnen te praten om den tijd door te krijgen.
Ik voelde mijn voeten verkillen in het nat van het gras der vesten.
Traag klonken de uren van den Berchemschen toren. Eindelijk
sloeg het klokke zes. Ik ging terug naar de kazerne. De gelederen
werden reeds gevormd om terug naar de stad te trekken voor den
rusttijd. Wij gingen weer 12 uur vrij af krijgen. Het was telkens een
genot terug thuis te zijn en mijn burgerpak te kunnen aantrekken. Ik
voelde mij niets geen soldaat. Ik verlangde een onmiddellijk-nuttiger
en daadrijker leven. De burgerwacht gaf dat niet. Het was eene
ontgoocheling. Hoe zou ik 't best naar mijn vermogens het
vaderland dienen?

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.