A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Can E-Books On iPhones Outdo The Amazon Kindle?
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fiction Springs Forward in 2009
Ad - Finally, A Diet That Really Works!As Seen On CNN, CBS, NBC & Fox!

Art Books in a Booming Art Market
Extract not available.

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne



J >> Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15


Jules Verne.

20.000

Mijlen onder Zee

Oostelijk Halfrond.




Inhoud.




I. Een onbeweeglijke klip
II. Het voor en tegen
III. De trouwe knecht
IV. Ned Land
V. Op avontuur
VI. Met vollen stoom
VII. Een vreemdsoortige walvisch
VIII. Mobilis in Mobile
IX. Woede van Ned Land
X. De man der zee
XI. De Nautilus
XII. Alles door electriciteit
XIII. Eenige cijfers
XIV. De zwarte stroom
XV. Eene schriftelijke uitnoodiging
XVI. Jachtavonturen
XVII. Een onderzeesch woud
XVIII. De Stille Zuidzee
XIX. Vanikoro
XX. De Torresstraat
XXI. Aan land
XXII. Nemo's Bliksem
XXIII. Slaapdronken
XXIV. Het rijk der koralen






HOOFDSTUK I

Een beweeglijke klip.


Het jaar 1866 werd gekenmerkt door eene zonderlinge gebeurtenis,
namelijk eene onverklaarbare verschijning, welke niemand zeker
vergeten heeft. Zonder nog te gewagen van de praatjes, welke de
bewoners der zeeplaatsen ongerust maakten en over het algemeen hen,
die meer binnenslands woonden, in opgewonden toestand brachten, waren
het vooral de zeelieden, die bijzonder in angst verkeerden. Kooplieden,
reeders, scheepsbevelhebbers in Europa en Amerika, zeeofficieren van
allerlei natie en zelfs de regeeringen van de onderscheidene staten der
beide werelddeelen hielden zich met deze zaak in ernstige mate bezig.

En inderdaad, sinds eenigen tijd hadden verscheidene schepen een
verbazend groot voorwerp ontmoet, dat den vorm had van eene spil,
soms licht van zich gaf, en oneindig veel grooter en sneller was dan
een walvisch. De scheepsjournalen kwamen vrij nauwkeurig met elkander
overeen in de beschrijving van den vorm van dat voorwerp of wezen,
van de onberekenbare snelheid zijner bewegingen, de verbazende kracht
waarmede het zich verplaatste, en zijne bijzondere levenswijze. Als
het een walvisch was, overtrof hij in grootte al wat de wetenschap
en het onderzoek tot nog toe hadden doen kennen; noch Cuvier, noch
Lacepede, noch Dumeril, noch Quatrefages zouden zoo iets geloofd
hebben--of zij moesten het monster hebben gezien, dat is te zeggen,
gezien met de oogen van een geleerde!

Als men de gulden middelmaat betrachtte tusschen al de opmerkingen, die
nu en dan gemaakt waren, door zoowel de te kleine opgave te verwerpen,
welke aan dat voorwerp eene lengte gaf van slechts 200 voet, als de
overdreven meening dat het een kilometer breed en drie lang zou zijn,
zoo kon men toch wel aannemen dat dit buitengewone wezen in grootte
verreweg alle berekeningen overtrof, welke ichthyologen tot nog toe
gemaakt hadden, altijd--als het al bewezen kon worden, dat het bestond.

Maar dat het bestond kon niet ontkend worden, en men zal zich een
denkbeeld kunnen vormen van de ontroering, welke deze bovennatuurlijke
verschijning in de geheele wereld te weeg bracht, als men slechts
in het oog houdt dat er in den menschelijken geest eene neiging voor
het wonderbaarlijke bestaat.

Inderdaad had de stoomboot Gouverneur Higginson van de Calcutta-
en Burmah-Compagnie, op 20 Juli 1866, deze beweegbare massa op vijf
kilometers van de oostkust van Australie ontmoet. De kapitein Baker
geloofde eerst dat het een onbekende klip was; hij wilde er reeds de
juiste ligging van bepalen, toen het onverklaarbare ding sissend twee
waterstralen 50 meter hoog in de lucht spoot. Als dat nu geen klip
was waar een onderaardsche warme bron tusschenbeiden met geweld in
de hoogte werd gedreven, dan had de Gouverneur Higginson hier goed en
wel te doen met eenig tot nog toe onbekend zoogdier, dat waterstralen
met lucht en damp vermengd uit zijne kieuwen uitblies.

Iets dergelijks werd 23 Juli van hetzelfde jaar in de Stille
Zuidzee opgemerkt door de Christobal Colon van de West-Indische en
Zuidzee-Compagnie. Derhalve kon die buitengewone visch zich met eene
verbazende snelheid van de eene plek naar de andere bewegen, want
genoemde schepen hadden het monster slechts drie dagen na elkander
op twee verschillende punten van den aardbol ontmoet, welke meer dan
2800 kilometer van elkander lagen.

Veertien dagen daarna zeilden de Helvetia van de Nationale Compagnie
en de Shannon van de Koninklijke Mail op 800 kilometer afstand van
laatstbedoelde plek in elkanders nabijheid; zij zagen het monster op
42 deg. 15' N.B. en 60 deg. 35' W.L. van Greenwich. Bij deze gelijktijdige
ontmoeting meende men de lengte van het zoogdier op minstens 106 meter
te kunnen bepalen, daar beide schepen van kleiner afmeting waren,
hoewel zij van den voor- naar den achtersteven ongeveer 100 meter
lengte hadden. En de grootste walvisschen, die men in den omtrek der
Alcuten vindt, waren niet langer dan 56 meter, als zij die lengte
al hadden.

Over het algemeen was men in gespannen verwachting door die berichten,
welke zoo snel na elkander kwamen. Aan boord van de Transatlantische
boot de Pereira had men het dier gezien; de Etna van de Inmanlinie
had het monster ontmoet; de officieren van het Fransche fregat de
Normandie hadden een proces-verbaal over eene ontmoeting opgesteld,
de officieren van den commodore Fitz-James aan boord van den Lord
Clyde hadden een zeer ernstig bericht gegeven, enz. In sommige landen
had de luchthartigheid der bewoners met het verschijnsel gespot,
maar in ernstiger en vooral practische landen, zooals Engeland,
Amerika en Duitschland, hield men zich er ernstig mede bezig.

Overal kwam het monster in de mode: in koffiehuizen werd het
bezongen, in de dagbladen bespot, zelfs op het tooneel opgevoerd;
het gaf schoone gelegenheid om er tal van leugens op te verzinnen;
als de dagbladen gebrek aan stof hadden, werden wederom allerlei
denkbeeldige en reusachtige wezens besproken van den witten walvisch,
dien vreeslijken "Maby Dick" uit de poolstreken tot den onmetelijken
Kraken toe, wiens voelarmen een schip van 500 ton konden omvatten en
het in de diepten van den Oceaan medeslepen. Men haalde zelfs verhalen
op uit de oudheid, de meeningen van Aristoteles en Plinius, die aan het
bestaan van zulke monsters geloof hechtten, vervolgens de verhalen van
den Noorweegschen bisschop Pontoppidan, het relaas van Paul Heggede,
en eindelijk het verslag van Harrington, wiens goede trouw men niet
kan verdenken als hij de verzekering geeft dat hij in 1857 aan boord
van den Castillaan de groote zeeslang gezien heeft, welke tot nog toe
slechts in de verbeelding van vroegere dagbladschrijvers bestaan had.

Nu ontstond er in geleerde genootschappen en wetenschappelijke bladen
een eindeloos twistgeschrijf tusschen geloovigen en ongeloovigen; het
vraagstuk van het monster ontvlamde de geestdrift. Dagbladschrijvers,
die zich slechts op wetenschappelijk terrein bewogen, verschreven
in den merkwaardigen strijd stroomen van inkt tegen sommigen hunner
confraters, die er zich op toelegden om geestig of vernuftig te zijn;
enkelen zelfs hadden er hun bloed veil voor, want bij het bespreken
van het zeegedrocht wierpen zij elkander de grofste beleedigingen
naar het hoofd. Gedurende zes maanden duurde die strijd onafgebroken
voort. De kleine bladen beantwoordden met onuitputtelijke geestigheid
de degelijke stukken van het aardrijkskundig instituut van Brazilie,
van de koninklijke academie van wetenschappen te Berlijn, van het
Britsch genootschap, van het Smithsoniaansch instituut te Washington,
zelfs het onderzoek van het tijdschrift "The Indian Archipelago," van
den "Cosmos" van den abt Moigno, van de "Mittheilungen" van Peterman en
de wetenschappelijke beoordeelingen van de groote dagbladen. Geestige
schrijvers parodieerden een gezegde van Linnaeus, dat door hunne
tegenstanders was aangehaald, en hielden vol dat "de natuur geen
gekken voortbracht," waarom zij hunnen tijdgenooten bezwoeren de natuur
niet tot leugenaarster te maken door aan het bestaan van een Kraken,
een zeeslang, een "Maby Dick" en andere buitensporigheden van dwaze
zeelieden te gelooven. Eindelijk richtte een gevierd schrijver in een
zeer gevreesd satiriek blaadje zijne pen tegen het monster en bracht
het onder een algemeen gelach den laatsten slag toe; het vernuft had
de wetenschap overwonnen.

Gedurende de eerste maanden van 1867 scheen het vraagstuk dus in
den doofpot gestoken te zijn, zonder immer weder te voorschijn te
zullen komen, toen nieuwe gebeurtenissen de zaak evenwel anders
beslisten. Er was toen geen sprake meer van het oplossen van
een wetenschappelijk raadsel, maar wel van een ernstig gevaar,
dat vermeden moest worden. De zaak nam een geheel andere wending;
het monster werd wederom een eilandje, of rots, of klip, maar een
beweegbare, onbeschrijfelijke klip.

In den nacht van den 5den Maart 1867 bevond zich de Moravian van
de Montreal Oceaan Compagnie op 27 deg. 30' N.B. en 72 deg. 15' W.L., toen
het schip aan stuurboordzijde op een rotspunt stootte, welke geene
zeekaart aanwees. Met behulp van een goeden wind en eene stoommachine
van 400 paardekracht, stoomde het schip met eene snelheid van dertien
knoopen. Zonder de voortreffelijkheid van den romp zou de Moravian
lek gestooten en met de 237 passagiers, die het schip uit Canada
medebracht, gezonken zijn. Dit ongeval had plaats ongeveer vijf uur
in den morgen, toen het daglicht begon door te breken. De officieren
van de wacht snelden naar het achterschip, en onderzochten nu de
zee in de rondte met de grootste nauwkeurigheid; zij zagen niets
behalve een sterk bewogen zog, dat op drie kabellengten afstands
eene branding vertoonde alsof de golven heftig in beweging waren
gebracht. De plaats werd nauwkeurig bepaald, en de Moravian vervolgde
zonder schijnbare averij haar koers. Men kon niet te weten komen of
het schip op een onderzeesche klip of op eenig groot voorwerp uit
eene schipbreuk herkomstig gestooten had. Toen men het in het dok
onderzocht, ontdekte men dat een gedeelte van de kiel gebroken was.

Hoewel dit op zich zelve een zeer ernstig feit was, zou het wellicht
als zoovele andere zaken vergeten zijn, indien er niet drie weken
later iets dergelijks onder gelijksoortige omstandigheden had plaats
gehad. Doch deze gebeurtenis kreeg bijzonder groote ruchtbaarheid,
en door de herkomst van het schip, waarmede het plaats vond, en door
den grooten naam van de maatschappij, waartoe het behoorde.

Iedereen kent den naam van den beroemden Engelschen reeder Cunard;
deze schrandere industrieel riep in 1840 een postdienst in het leven
tusschen Liverpool en Halifax, waarbij de dienst verricht werd door
drie houten raderstoombooten van 400 paardekracht met een inhoud
van 1162 ton. Acht jaar daarna kwamen er vier schepen bij van 650
paardekracht en 1820 ton, en nog twee jaar later twee nog grooter
schepen. In 1853 liet de Cunard-maatschappij, wier octrooi voor het
brievenvervoer vernieuwd was, achtereenvolgens de Arabia, de Persia, de
China, de Scotia, de Java en de Russia bouwen; het waren allen schepen
van groote snelheid, en de grootste, welke behalve de Great-Eastern,
ooit de zee doorkliefd hadden. Zoo bezat de maatschappij derhalve
in 1867 acht rader- en vier schroefstoombooten. Ik geef deze korte
bijzonderheden op om te doen zien hoe belangrijk deze maatschappij is,
welke overal bekend is om hare soliditeit. Geene enkele onderneming
van overzeeschen stoombootdienst wordt met grooter bekwaamheid
geleid, geen enkele zaak is met beter uitslag bekroond. Gedurende
26 jaar hebben de schepen der Cunard-maatschappij, 2000 maal de reis
over den Oceaan gedaan, en nooit is eene reis mislukt, nimmer heeft
er oponthoud plaats gehad, en geen enkel schip, geen enkel mensch,
zelfs geen enkele brief is er ooit bij verloren gegaan. Daarom kiezen
passagiers niettegenstaande de groote concurrentie van eene Fransche
maatschappij, nog altijd bij voorkeur de schepen der Cunard-lijn,
zooals genoegzaam uit de verslagen der laatste jaren blijkt. Na dit
alles zal niemand zich verwonderen over de ruchtbaarheid, welke een
ongeval kreeg, dat een van hare grootste stoomschepen overkwam.

De Scotia bevond zich 13 April 1867 bij kalme zee en flauwe koelte op
15 deg. 12' W.L. en 45 deg. 37' N.B., en liep met eene snelheid van dertien
en een halven knoop; de raderen bewogen zich zeer regelmatig; de
diepgang was toen 6,7 meter. Zeventien minuten over vieren, terwijl
de passagiers in het salon vereenigd waren om een lunch te gebruiken,
voelde men een niet zeer hevigen schok, die even achter het rad aan
bakboordszijde werd toegebracht. De Scotia had niet gestooten, maar
een stoot ontvangen van een werktuig dat eer snijdend of borend dan
kneuzend was. De schok was zoo gering geweest, dat niemand aan boord
er zich ernstig ongerust over maakte, toen de matrozen uit het ruim
naar boven stormden met den kreet: "wij zinken, wij zinken!" Eerst
waren de passagiers zeer ontsteld, maar kapitein Anderson stelde hen
spoedig gerust; en inderdaad, het gevaar kon zoo dreigend niet zijn;
de Scotia was door waterdichte beschotten in zeven afdeelingen verdeeld
en kon dus zonder vrees een lek velen. De kapitein ging onmiddellijk
naar beneden en bevond dat de vijfde afdeeling vol water liep; dit
geschiedde zoo snel, dat het lek zeer groot zijn moest. Gelukkig
bevond zich de machine niet in dit gedeelte, anders waren de vuren
aanstonds uitgegaan. De kapitein liet onmiddelijk stoppen, en een
matroos dook in het water om te onderzoeken welke averij men had
gekregen; hij vond dat er een gat van twee meter breed in de kiel
was. Zulk een lek kon niet gestopt worden, en de Scotia moest hare
reis vervolgen met de raderen voor de helft in 't water. Men was toen
nog op 300 kilometer van kaap Clear, doch eindelijk liep de boot toch
te Liverpool in het dok der maatschappij binnen; zij kwam drie dagen
te laat aan, waarover men zeer ongerust was geweest.

Toen de Scotia in het droge dok was gehaald, onderzochten de
ingenieurs het schip; zij konden hunne oogen nauwelijks gelooven;
op twee en een halven meter onder de waterlijn was een regelmatig
gat in de gedaante van een gelijkbeenigen driehoek. De breuk van
de ijzeren platen was bijzonder zuiver, en zou in de fabriek niet
beter plaats hebben gehad; het boorwerktuig waarmede dit geschied
was, moest dus van eene buitengewone hardheid zijn, en na met eene
verwonderlijke kracht voortgestooten te zijn om een ijzeren plaat
van vier centimeters dikte te kunnen doorboren, moest het er door
eene achterwaartsche en onverklaarbare beweging van zelf weder zijn
uitgekomen. Dit was een feit waardoor de openbare meening op nieuw in
heftige beweging kwam. Sinds dat oogenblik werden allerlei zeerampen,
welke geene bekende oorzaak hadden, op rekening van het monster
gesteld. Het ingebeelde gedrocht werd verantwoordelijk gesteld voor al
de schipbreuken, wier aantal ongelukkig genoeg zeer aanzienlijk is,
want van de 3000 schepen, welker verlies jaarlijks aan het bureau
Veritas wordt gemeld, bedraagt het getal zeil- of stoomschepen,
welke men veronderstelt dat bij het uitblijven van berichten met man
en muis vergaan zijn, niet minder dan 200!

Rechtvaardig of onrechtvaardig beschuldigde men het monster van de
verdwijning dier schepen; de gemeenschap tusschen de verschillende
tanden werd, dank zij de vrees voor het gedrocht, hoe langer hoe
gevaarlijker, geen wonder dus dat het publiek er zich mede bemoeide
en op stelligen toon eischte, dat de zee eindelijk, het kostte wat
het wilde, van dit vervaarlijk dier zou bevrijd worden.



HOOFDSTUK II

Het voor en tegen.

Toen deze gebeurtenissen plaats vonden, kwam ik juist terug van een
wetenschappelijken tocht door het gebied Nebraska in de Vereenigde
Staten. In mijne betrekking van hoogleeraar bij het museum van
natuurlijke historie te Parijs, had het Fransche gouvernement
mij aan die expeditie toegevoegd. Na zes maanden in Nebraska te
hebben doorgebracht kwam ik tegen het einde van Maart met kostbare
verzamelingen te New-York terug. Mijn vertrek naar Frankrijk was in
het begin van Mei bepaald; ik hield mij dus bezig met het rangschikken
mijner verzamelingen van planten, dieren en mineralen toen het geval
met de Scotia plaats had.

Ik was volkomen op de hoogte van dit vraagstuk van den dag, hoe zou
het ook anders hebben kunnen zijn? Ik had alle Amerikaansche bladen
gelezen en herlezen, zonder er wijzer door geworden te zijn, dit
geheim intrigeerde mij. Het was mij onmogelijk eene vaste meening
te vormen, zoodat ik van het eene uiterste tot het andere verviel;
dat er iets bestond kon niet meer betwijfeld worden; de ongeloovigen
moesten dan het lek in de Scotia slechts eens gaan betasten.

Toen ik te New-York kwam had de belangstelling haar hoogste standpunt
bereikt. Het denkbeeld van een drijvend eiland of van eene onbereikbare
klip, had men geheel en al laten varen; want als die klip geene
machine bevatte, hoe had zij zich dan met zulk eene verbazende snelheid
kunnen verplaatsen?

Evenzeer had men het denkbeeld opgegeven dat het een drijvend wrak zou
zijn, altijd alweer om de snelheid van beweging. Er bleven dus twee
mogelijke oplossingen van die zaak over, zoodat men zich daaromtrent
in twee partijen verdeelde; de eene partij hield vol dat het een
monster was met ontzettende krachten, de andere beweerde dat het een
onderzeesch schip was met eene buitengewone beweegkracht. Deze laatste
veronderstelling was wel aannemelijk, maar hield geen steek tegenover
het onderzoek in beide werelddeelen; het was niet waarschijnlijk dat
een eenvoudig particulier zulk een werktuig ter zijner beschikking
had; waar en wanneer had hij het kunnen doen vervaardigen, hoe
zou hij het geheim gehouden hebben? Slechts eene regeering kon
zulk een vernielend werktuig bezitten, en in deze vernielzuchtige
tijden, waarin de mensch er slechts op bedacht is om de kracht en de
uitwerking der oorlogswapenen te verdubbelen, kon het mogelijk zijn
dat een staat buiten weten van anderen zulk een vreeselijk werktuig
liet beproeven. Na de chassepots, de torpedo's; na de torpedo's,
onderzeesche rammen; daarna reactie; ten minste 't is te hopen!

De veronderstelling van een oorlogswerkuig viel geheel en al in
't water na de verklaring der onderscheiden mogendheden. Omdat het
hier eene zaak van algemeen belang gold en de groote vaart over den
Oceaan er door leed, mocht men de oprechtheid der gouvernementen
niet in twijfel trekken. Hoe kon men overigens ook aannemen dat
zulk een schip gebouwd was zonder door iemand gezien te zijn? Om in
zulke omstandigheden een geheim te bewaren is reeds moeielijk voor
een bijzonder persoon, maar zeker onmogelijk voor eene regeering,
wier handelingen voortdurend door afgunstige mogendheden worden
gadegeslagen. Toen er dus een onderzoek was ingesteld in Engeland,
Frankrijk, Rusland, Pruisen, Spanje, Italie, Amerika, ja zelfs in
Turkije, werd de veronderstelling van een onderzeeschen Monitor voor
goed verworpen. Nu kwam het monster weder op de baan, ten spijt van
de aardigheden, waarmede het door kleine bladen overstelpt werd; het
is licht te begrijpen dat nu men zich eenmaal tot een levend wezen
bepalen moest, de verbeelding weldra de meest dwaze veronderstellingen
maakte op ichthyologisch gebied.

Bij mijne komst te New-York hadden verschillende personen mij
de eer aangedaan om mij over het wonderbaarlijk verschijnsel
te raadplegen. Ik had in Frankrijk een werk uitgegeven in twee
kwartijnen, waarvan de titel luidde: "De geheimen van de diepten
der zee." Dit boek was nog al in den smaak der geleerden gevallen,
en verhief mij tot eene specialiteit in dat vrij onbekende deel der
natuurlijke geschiedenis. Men vroeg mij om raad; voor zoover als ik
het wezenlijke van de zaak begrijpen kon, bepaalde ik mij tot eene
volstrekte ontkenning; maar weldra dreef men mij zoo in het nauw,
dat ik mij bepaald moest uitdrukken; de "hoog geleerde Pierre Aronnax,
hoogleeraar aan het museum te Parijs" werd door den "New-York Herald"
genoodzaakt zijne meening uit te spreken.

Eindelijk liet ik mij dwingen; ik sprak omdat ik niet meer zwijgen
kon; ik bekeek de zaak van alle kanten, zoowel staatkundig als
wetenschappelijk, en ik geef hier slechts het slot van een zeer
uitvoerig artikel, dat ik in het nommer van den 30sten April schreef:

"Derhalve," zei de ik na alle veronderstellingen afzonderlijk te hebben
nagegaan, "nu elke veronderstelling verworpen is, moet men noodzakelijk
aan het bestaan van een zeedier gelooven dat met buitengewone krachten
begaafd is. De grootste diepten van den Oceaan zijn ons geheel
onbekend; het dieplood heeft ze niet kunnen peilen. Wat geschiedt er
in die afgronden? Welke wezens kunnen er 12 of 15 kilometer onder het
oppervlak der zee leven? Hoe is hun samenstel? Men kan er nauwelijks
naar gissen. De oplossing van het raadsel voor hetwelk wij staan,
kan tweeledig zijn. Of wij kennen al de verscheidenheid der dieren,
welke onze planeet bewonen, of wij kennen ze niet. Indien wij ze niet
allen kennen, indien de natuur nog geheimen voor ons heeft op het
gebied der ichthyologie, dan is niets aannemelijker dan te gelooven
aan het bestaan van walvisschen van eene geheel nieuwe soort, van een
bijzonder maaksel, dat hen geschikt maakt om in de grootste diepte te
leven, waar het dieplood nog niet is kunnen doordringen; een bijzonder
toeval, een gril, een luim, als men wil, brengt hen mogelijk van tijd
tot tijd, doch zeldzaam, aan het oppervlak van den Oceaan.

"Indien wij integendeel alle levende soorten kennen, moet men het hier
bedoelde dier noodzakelijk zoeken onder de reeds bekende zeedieren,
en in dat geval zou ik geneigd zijn om aan het bestaan van een
reusachtigen eenhoorn te gelooven.

"De gewone zee-eenhoorn bereikt soms eene lengte van zestig voet. Neem
die afmeting nu vijf- of zelfs tienvoudig; geef aan dit beest eene
kracht evenredig aan zijne grootte, verzwaar zijn hoorn en gij hebt
het bedoelde dier. Dan heeft het afmetingen zooals de officieren van
de Shannon die hebben beschreven, een hoorn sterk en zwaar genoeg
om een gat in de Scotia te booren, en kracht in overvloed om de kiel
van een stoomschip aan te tasten.

"De eenhoorn toch is met een soort van ivoren spoor of met een
hellebaard gewapend, zooals sommige natuurkenners dit voorwerp
beschrijven. Het is een slagtand zoo hard als staal; men heeft
eenige van die tanden gevonden, waarmede het lichaam van walvisschen
doorboord was; deze visch namelijk wordt door den eenhoorn altijd
met goeden uitslag aangevallen. Anderen werden niet zonder inspanning
uit den romp van schepen getrokken, welke zij geheel doorboord hadden,
evenals een drilboor door een vat gaat. Het museum van de geneeskundige
faculteit te Parijs bezit een van die hoorns, welke eene lengte van
2.25 en onderaan eene breedte van O.48 meter heeft.

"Welnu, veronderstel zulk een wapen tienmaal zoo sterk, en het dier
tienmaal zoo krachtig; verbeeld u, dat het zich met eene snelheid
van twintig kilometer in het uur beweegt; vermenigvuldig het gewicht
met de snelheid, en gij verkrijgt tot resultaat een schok, die wel
in staat is om het bedoelde ongeluk te veroorzaken. Voordat ik nader
word ingelicht houd ik het er dus voor dat het een zee-eenhoorn is
geweest van verbazende grootte, niet met een hellebaard, maar met eene
wezenlijke spoor gewapend, zooals gepantserde fregatten of ramschepen
die hebben. Zoo zou dit onverklaarbaar verschijnsel zijn opgelost,
of--er moet niets bestaan, in weerwil van al hetgeen men gegist,
gezien en gevoeld heeft, hetgeen ook nog wel mogelijk is."

Die laatste woorden waren niet vrij van lafhartigheid, maar ik wilde
tot op zekere hoogte mijne waardigheid als professor ophouden, en door
de Amerikanen niet worden uitgelachen. Ik hield een achterdeurtje open,
doch in den grond der zaak geloofde ik aan het bestaan van een monster.

Mijn stuk werd druk besproken, en kreeg daardoor heel wat
ruchtbaarheid; ik had een zeker aantal menschen op mijne hand; de
oplossing, welke ik gaf, leverde overigens stof genoeg op om aan de
verbeelding vrij spel te laten. De menschelijke geest schept behagen
in die grootsche gedachte aan bovennatuurlijke wezens. En de zee is
juist het beste verblijf voor zulke schepsels; zij is het, waar die
reuzen, waarbij landdieren als olifanten of neushoorns slechts dwergen
zijn, zich vrij kunnen ontwikkelen. Het water bevat de grootste
bekende zoogdieren, en misschien verbergt het nog schelpdieren
van onvergelijkelijken omvang, schaaldieren, afschuwelijk om te
aanschouwen, zooals bijvoorbeeld kreeften van honderd meter lengte of
krabben van twee honderd centenaar! waarom niet? In voorhistorische
tijden waren de landdieren, viervoetige, vierhandige, kruipende dieren,
vogels, enz. van reusachtige grootte. De schepper des heelals had ze
in een kolossalen vorm gegoten, welke door den tijd kleiner geworden
is. Waarom zou de zee in hare onbekende diepten geen staaltjes bewaard
hebben van die reusachtige wezens uit de geologische tijdperken der
aarde? de zee toch verandert nooit, terwijl de aardkorst elk oogenblik
verandering ondergaat. Waarom zou zij de laatste verscheidenheden
niet bevatten van die reuzen der voorwereld, voor welke jaren gelijk
zijn aan eeuwen, en eeuwen gelijk aan duizend jaren?

Maar ik laat mij tot zulke droomerijen verleiden nu ik er niet
meer aan mag toegeven; ik laat die hersenschimmen varen, nu de tijd
ze voor mij in eene vreeselijke werkelijkheid veranderd heeft. Ik
herhaal het, men vormde zich toen eene meening over den aard van
het verschijnsel, en het publiek geloofde vrij algemeen aan het
bestaan van een wonderbaarlijk wezen, hetwelk niets gemeen had met
de fabelachtige zeeslangen.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.