20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne
J >>
Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 | 11 |
12 |
13 |
14 |
15
Den 26sten November ging de Nautilus op 172 deg. lengte over den
Kreeftskeerkring; den volgenden dag kregen wij de Sandwichseilanden in
het gezicht, waar de beroemde Cook 14 Februari 1779 vermoord werd. Wij
hadden toen van ons punt van uitgang af bijna 20,000 kilometer
afgelegd. Toen ik 's morgens op het plat kwam, zag ik twee kilometer
onder den wind Hawai, het voornaamste der zeven eilanden waaruit
deze Archipel bestaat. Ik zag duidelijk den weelderigen plantengroei
langs de kust, de verschillende bergketenen, welke evenwijdig met het
strand loopen en de vulkanen, onder welke de Mouna Rea de hoogste is,
daar hij 5000 meter boven het vlak der zee uitsteekt.
De Nautilus bleef in zuidoostelijke richting voortvaren, en kwam op
142 deg. lengte den 1sten December over den evenaar; drie dagen later
kregen wij na eene zeer snelle vaart, welke zich door geen enkel
voorval kenmerkte, de Markiezen-eilanden in het gezicht. Op drie
kilometer afstand zag ik op 8 deg. 57' Z.B. en 139 deg. 32' W.L. het hooge
Toviiplateau van Nouka-Hiwa, het voornaamste eiland van den aan
Frankrijk behoorenden archipel. Ik kon het met bosschen bekroonde
gebergte slechts uit de verte beschouwen, want kapitein Nemo hield
er niet van om dicht bij het land te komen. De netten leverden ons
daar evenals bij Hawai schoone visschen, bijvoorbeeld eene soort
(choryphenen) met hemelsblauwe vinnen en gouden staart, die heerlijker
van smaak waren, dan eenige visch op de wereld, anderen geheel zonder
schubben, maar ook zeer lekker. Na deze schoone eilanden, welke onder
bescherming der Fransche vlag staan, achter ons te hebben gelaten,
doorliep de Nautilus van 4 tot 11 December ongeveer 2000 kilometer;
op deze vaart ontmoetten wij een onnoemelijk aantal inktvisschen;
zij behooren tot de koppootige dieren, en werden vooral door de
natuuronderzoekers der oudheid bestudeerd. Als men Athenaeus gelooven
wil, werden zij door de rijken in Griekenland en Italie gegeten.
In den nacht van 9 op 10 December ontmoette de Nautilus een heirleger
van weekdieren, welke vooral bij nacht in beweging zijn. Men kon ze
bij millioenen tellen; zij verhuisden van de gematigde naar warmere
luchtstreken en volgden dus in dat opzicht de gewoonte der haringen
en sardijnen. Wij zagen ze door het glas zeer snel achteruit zwemmen
en visschen vervolgen, de kleinere opeten, doch zelve wederom door de
grootere verslonden, terwijl zij in onbeschrijfelijke verwarring de
tien pooten bewogen, welke de natuur hun op den kop als een haarbos
van slangen heeft ingeplant. Niettegenstaande hare snelheid voer
de Nautilus gedurende eenige uren door de menigte dieren waarvan
een aantal in de netten gevangen werden en waaronder ik de negen
verschillende soorten herkende, welke d'Orbigny voor den Grooten
Oceaan heeft opgegeven.
Men ziet het dat de zee ons gedurende onze reis de schoonste wonderen
vertoonde. Zij wisselde die in het oneindige af. Zij veranderde elk
oogenblik haar schouwspel tot ons genoegen, en wij waren daardoor
niet alleen getuigen van Gods werken te midden van het vloeibaar
element, maar konden ook in de vreeselijkste geheimen van den Oceaan
doordringen.
Den 11den December zat ik in het salon te lezen; Koenraad en Ned
Land bekeken het electriek verlichte water door de ramen. De Nautilus
lag onbeweeglijk. De vergaarbakken waren vol water, zoodat het schip
duizend meter onder het vlak der zee lag, eene diepte welke weinig
bewoners telt, en waar de groote visschen slechts hoogst zelden
verschijnen. Plotseling stoorde Koenraad mij in mijne lectuur.
"Wil mijnheer eens een oogenblik hier komen?" vroeg hij met zonderlinge
stem.
"Wat is er dan, Koenraad?"
"Mijnheer moet maar eens zien."
Ik stond op, ging voor het glas op de ellebogen liggen en keek. Midden
in het electrieke licht hing eene groote zwarte massa onbeweeglijk
in het water. Ik bekeek het nauwkeurig om daardoor den aard van dit
reusachtige dier, naar ik meende te herkennen. Maar plotseling kwam
mij eene gedachte voor den geest.
"Een schip!" riep ik uit.
"Ja," zeide Ned Land, "een ontredderd vaartuig dat rechtstandig
gezonken is."
De harpoenier bedroog zich niet, wij hadden een schip voor ons,
welks gescheurd want er nog bij hing. De romp scheen in goeden staat
te zijn, en de schipbreuk kon slechts eenige uren geleden hebben
plaats gehad. Drie stompen van masten, welke twee voet boven het
dek waren afgehouwen, toonden aan, dat het door storm beloopen schip
zijn staand want had moeten opofferen; doch op zijde geslagen was het
volgeloopen en gezonken; het helde aan bakboordzijde nog over. Het was
een treurig schouwspel, dat wrak daar onder water te zien drijven,
maar nog treuriger te aanschouwen, hoe eenige lijken op het dek met
touwen vastgesjord lagen. Ik telde er vijf, vier mannen, van wie een
nog aan het roer stond, en verder eene vrouw, welke halfweg uit de
kajuitskap met een kind in den arm te voorschijn kwam; de vrouw was
nog jong; door het licht van de Nautilus beschenen kon ik duidelijk
hare trekken onderscheiden, welke het water nog niet onkenbaar gemaakt
had. Bij eene laatste stuiptrekking had zij haar kind nog opgeheven,
doch het arme kleine wicht hield de armpjes om den hals der moeder
geslagen. De houding der vier matrozen was vreeselijk, verwrongen als
zij waren door stuiptrekkende bewegingen, terwijl zij eene laatste
poging hadden gedaan om zich van de koorden, waarmede zij aan het schip
gebonden waren, te ontdoen. Slechts de stuurman zag er kalmer uit;
zijn gelaat was ernstig, de grijze haren zaten hem tegen de slapen
geplakt, en met de hand aan het roerrad geklemd, scheen hij zijnen
verongelukten driemaster nog door de diepten van den Oceaan te willen
sturen. Welk een tooneel! Wij waren verstomd; ons hart klopte hoorbaar
bij het gezicht van die als 't ware op heeter daad betrapte schipbreuk,
welke om zoo te zeggen in hare laatste oogenblikken gephotographeerd
was! Ik zag reeds vreeselijk groote haaien met vurig oog naderen,
zeker aangelokt door die lekkernij van menschenvleesch. De Nautilus
maakte eene wending en draaide om het gezonken schip heen, zoodat ik
een oogenblik op den spiegel lezen kon:
Florida, Sunderland.
HOOFDSTUK XIX
Vanikoro.
Dit vreeselijk schouwspel was de voorbode van eene menigte zeerampen,
welke de Nautilus op haar weg zou ontmoeten. Sedert wij in meer
bezochte zeeen kwamen, zagen wij dikwijls rompen van schepen, welke
drijvende bijna geheel verrot waren, en dieper op den bodem lagen
kanonnen, kogels, ankers, ketens en duizend andere voorwerpen, die
door den roest werden verteerd.
Altijd medegesleept door de Nautilus, waarin wij geheel afgezonderd
van de wereld leefden, kregen wij 11 December den Pomotu-Archipel in
het gezicht. Het waren de "Gevaarlijke eilanden" van Bougainville,
die zich over eene ruimte van 2000 kilometer van het Oost-Zuid-Oosten
naar het West-Noord-Westen tusschen 253 deg. 50' en 13 deg. 30' Z.B. en 151 deg.
30' en 125 deg. 30' W.L. uitstrekken van het eiland Ducie tot aan het
eiland Matahiwa (Lazareff). Deze Archipel bedekt eene oppervlakte
van bijna 6,000 vierkante kilometer, en wordt gevormd door een
zestigtal groepen van eilandjes, waaronder de voornaamste zijn de
Gambier-eilanden, welke onder bescherming staan van Frankrijk. Het zijn
allen koraaleilanden. Door het werk van polypen worden zij langzaam,
maar voortdurend opgeheven, en zullen eens met elkander verbonden
zijn. Dan zal dit nieuwe eiland vastgroeien aan de naburige Archipels,
en zoo zal er een vijfde vasteland ontstaan, dat zich van Nieuw-Zeeland
en Nieuw-Caledonie tot aan de Markiezen-eilanden uitstrekt.
Toen ik deze stelling eens tegen kapitein Nemo verdedigde, zeide
hij koeltjes:
"Het zijn geen nieuwe vastelanden, welke de aarde noodig heeft,
maar nieuwe menschen!"
Het toeval misschien had de Nautilus op hare vaart juist bij het eiland
Clermont-Tonnerre gebracht, een van de zonderlingste van deze groep,
welke in 1822 door kapitein Bell ontdekt werd. Ik kon nu de koralen
bestudeeren aan welke de eilanden in dien Oceaan hun ontstaan te
danken hebben.
De koralen worden met eene kalklaag overtrokken; de kleine diertjes,
welke ze vormen, leven bij millioenen in hunne cellen. Het zijn hunne
kalknesten welke tot rotsen, klippen, eilanden aangroeien. Hier
vormen zij atollen, daar maken zij rijen klippen zooals op de
kusten van Nieuw-Caledonie en van verschillende eilanden van den
Pomotu-Archipel. Op andere plaatsen weder, zooals op Reunion en
Mauritius, verheffen zij zich tot afgebrokkelde rotswanden, die recht
oprijzen, en naast welke de Oceaan onmetelijk diep is.
Het eiland Clermont-Tonnerre op eenige kabellengten naderende,
bewonderde ik dit reuzenwerk dat door die microscopisch kleine diertjes
gemaakt was: ik kon die zonderlinge muren van nabij beschouwen, want
onmiddellijk er naast peilden wij meer dan 300 meter; deze prachtige
kalkformatie schitterde in ons electriek licht.
Toen Koenraad mij vroeg, hoe lang het wel duurde eer zulke groote
rotsen gevormd waren, verwonderde hij zich zeer dat de geleerden
meenen, dat zij gedurende eene eeuw slechts een achtste centimeter
groeiden.
"Om die muren te vormen," zeide hij aarzelend, "zijn er dus...?"
"Wel 192,000 jaren noodig geweest, Koen, waardoor de tijdrekening
van den bijbel wel wat langer wordt. Overigens is er nog ontzaglijker
tijdsverloop noodig geweest tot vorming van de steenkolen, de wouden
welke door zondvloeden zijn vernietigd en onder de aarde geraakt, en
tot afkoeling van de basaltrotsen. Maar ik voeg hier ten overvloede
bij, dat die dagen van den bijbel tijdvakken voorstellen, en geene
tijdruimte tusschen twee zonsopgangen, want volgens den bijbel zelven,
dagteekent de zon niet eens van den eersten scheppingsdag."
Toen de Nautilus weder op de oppervlakte kwam, kon ik het lage en
boschrijke eiland Clermont Tonnerre in zijn geheelen omvang zien. De
koraalrotsen waren vermoedelijk door stormen vruchtbaar gemaakt. Eens
is zeker een zaadje door een orkaan van naburige eilanden op deze
kalkrotsen overgewaaid, waarop verrotte visschen en zeeplanten
vruchtbare aarde hadden gevormd. Een kokosnoot werd door de golven
voortgestuwd en op deze kust geworpen; de noot ontkiemde en schoot
wortels; de boom groeide op en hield den waterdamp tegen, zoo ontstond
een stroompje. Langzamerhand nam het plantenrijk toe; eenige diertjes,
wormen, insecten, kwamen op boomstronken aandrijven, welke de wind
op andere eilanden had losgerukt. Schildpadden kwamen hare eieren
leggen, vogels nestelden in den jonge boomen. Zoo ontwikkelde zich
het dierlijk leven en door de vruchtbaarheid aangetrokken verscheen
de mensch. Op deze wijze vormen onzichtbare diertjes eilanden.
Tegen den avond verdween Clermont-Tonnerre in de verte, en de
richting van de Nautilus veranderde merkbaar. Na op 135 deg. lengte
den Steenbokskeerkring even te hebben aangeraakt, wendde zij zich
W.N.W. Hoewel de zonnestralen krachtig neerschoten, hadden wij geen
hinder van de warmte, daar de temperatuur op 30 of 40 meter onder
water zich niet boven tien of twaalf graad verhief.
Op 15 December lieten wij den schoonen Archipel der Gezelschapseilanden
en het bevallige Taiti, de koningin der Stille Zuidzee oostwaarts
liggen, 's Morgens bemerkte ik eenige kilometer onder den wind de hooge
bergtoppen van die eilanden. In deze streken vingen wij voortreffelijke
visch voor onze tafel.
De Nautilus had 800 kilometer afgelegd. Wij gingen door tusschen
den Archipel van Tonga-Tabou, waar de Argo, de Port-au-Prince en de
Duke of Portland vergingen, en dien van de Schippers-eilanden, waar
kapitein de Langle, de vriend van La Perouse, vermoord werd. Daarna
kwamen wij langs de Witi-eilanden, waar de wilden de matrozen van de
Union en kapitein Bureau van de Aimable Josephine vermoordden. Deze
Archipel, welke zich van het noorden naar het zuiden over eene lengte
van 400 en van het oosten naar het westen van 300 kilometer uitstrekt,
ligt tusschen 6 deg. en 2 deg. Z.B., en 174 deg. en 179' W.L. Hij bestaat uit een
groot aantal eilandjes en klippen, waaronder de eilanden Witi-Lewu
en Wanna-Lewu de voornaamste zijn.
Tasman ontdekte deze groep in 1643, in hetzelfde jaar, waarin Toricelli
den barometer uitvond, en dat Lodewijk XIV den troon beklom. Ik
laat daar, welke van deze drie gebeurtenissen het nuttigst voor de
menschheid geweest is. Daarna kwamen er Cook in 1714, Entrecasteaux in
1793, en eindelijk in 1827 Durmont d'Urville, die dezen geographischen
chaos eerst goed onderzocht en beschreef. De Nautilus naderde de
baai van Wailea, het tooneel van de vreeselijke lotgevallen van dien
kapitein Dillon, die het eerst het geheim ontdekte van de schipbreuk
van La Perouse.
Deze baai, waar wij verscheiden malen de netten uitwierpen, leverde
een overvloed van voortreffelijke oesters op. Wij aten er onbehoorlijk
veel, en maakten ze volgens Seneca's voorschrift zelven aan tafel
open. De oesterbank van Wailea moet verbazend groot zijn; en zonder
veelvuldige oorzaken van vernietiging zou die opeenstapeling van
schelpdieren eindigen met de geheele baai te vullen, omdat een dier
tot zelfs twee millioen eieren kan bevatten. Indien Ned Land bij
die gelegenheid geen berouw over zijne gulzigheid had, dan komt het
alleen daarvandaan, dat de oesters het eenige eten is dat minder eene
indigestie veroorzaakt. Inderdaad men moet niet minder dan zestien
dozijn van die schelpdieren hebben om de 315 gram stikstofhoudend
voedsel te verkrijgen, welke voor het dagelijksch onderhoud van een
mensch noodig zijn.
De Nautilus voer op 25 December midden door den Archipel der Nieuwe
Hebriden, welke Quiros in 1606 ontdekte, die Bougainville in 1768
nader onderzocht, en waaraan Cook in 1773 den tegenwoordigen naam
gaf. Deze groep bestaat uit negen groote eilanden en ligt in eene lijn
van 480 kilometer van het N.N.W. naar het Z.Z.O. tusschen 15 deg.en 2 deg.
Z.B. en 164 deg. en 168 deg. W.L. Wij gingen dicht genoeg langs het eiland
Aurou om te zien dat het bedekt was met bosschen, uit welker midden
een bergtop hoog uitstak.
Het was dien dag Kerstmis, en het scheen mij toe dat Ned Land het zeer
betreurde, dat hij het bij de Engelschen zoo hoog geeerde Kerstfeest
niet te midden der zijnen vieren kon.
Ik had kapitein Nemo in geen acht dagen gezien, toen hij 27 December
's morgens in het salon kwam, met een gezicht als van iemand, die u
eerst vijf minuten te voren gezien heeft. Ik zag juist op de kaart
den weg van de Nautilus na; de kapitein naderde mij, wees met den
vinger op de kaart, en zeide slechts dit eene woord:
"Vanikoro."
Die naam werkte als een tooverwoord; het was de naam van het eiland,
waar de schepen van La Perouse vergaan waren. Ik stond plotseling op.
"Brengt de Nautilus ons naar Vanikoro?" vroeg ik.
"Ja, mijnheer," antwoordde de kapitein.
"Zal ik dan die beruchte eilanden kunnen bezoeken, waar de Boussole
en de Astrolabe te gronde gingen?"
"Als dat u aangenaam is, ja, mijnheer de professor."
"Wanneer komen wij bij Vanikoro?"
"Wij zijn er al, mijnheer," was het lakonieke antwoord.
Door den kapitein gevolgd, ging ik naar het plat, en keek met begeerige
blikken naar den gezichteinder.
In het noordoosten zag ik twee vulkanische eilanden van ongelijke
grootte, omringd door een koraalrif, dat veertig kilometer in omtrek
had. Wij waren bij het eigenlijk gezegde Vanikoro, waaraan Dumont
d'Urville den naam van Onderzoek-eiland gaf, en lagen juist voor
de kleine haven van Vanou; het eiland scheen van het strand tot op
de bergtoppen binnenslands met groen bedekt te zijn. In het midden
verhief zich de berg Kapogo, die eene hoogte had van 950 meter.
Toen de Nautilus den buitensten rotsrand door eene zeer nauwe opening
was binnen gevaren, vonden wij daar binnen eene branding met dertig
tot veertig vademen diepte. Onder de dichte schaduw der palmboomen
zag ik een dozijn wilden staan, die hoogst verbaasd over onze komst
opkeken. Meenden zij mogelijk dat dit lange zwarte lichaam, dat
slechts even boven water uitstak, een vreeselijk zeemonster was,
waarvoor zij zich in acht moesten nemen?
Op dat oogenblik vroeg mij kapitein Nemo wat ik van de schipbreuk
van La Perouse wist.
"Wat iedereen er van weet," antwoordde ik.
"Zoudt gij mij dan kunnen vertellen wat iedereen weet?" vroeg hij
mij op eenigszins spotachtigen toon.
"Zeer gemakkelijk."
Ik vertelde hem wat de laatste werken van Dumont d'Urville hadden
medegedeeld. La Perouse en de kapitein de Langle werden in 1785 door
Lodewijk XVI uitgezonden om eene reis om de aarde te doen. Zij voerden
het bevel op de Boussole en de Astrolabe, en kwamen nooit terug. Toen
in 1791 de Fransche regeering met recht ongerust werd over het lot van
de twee korvetten, rustte zij twee groote schepen uit, de Recherche en
de Esperance; deze schepen zeilden 28 September uit Brest onder bevel
van Bruni d'Entrecasteaux. Twee maanden daarna vernam men van zekeren
Bowen, kapitein op de Albemarle, dat hij overblijfselen van schepen
gezien had op de kusten van Nieuw-Georgie; maar d'Entrecasteaux, die
deze overigens vrij onzekere mededeeling niet kende, richtte zich
naar de Admiraliteits-eilanden, welke in een verslag van kapitein
Hunter waren aangeduid als de plaats waar de schipbreuk van La Perouse
had plaats gehad. Zijn onderzoek was te vergeefs. De Esperance en de
Recherche zeilden zelfs voorbij Vanikoro zonder er zich op te houden,
en bovendien was deze reis zeer ongelukkig, daar zij het leven aan
d'Entrecasteaux, aan twee zijner stuurlieden en aan verscheiden
matrozen zijner equipage kostte.
Het was een oude bekende op den Grooten Oceaan, de kapitein Dillon,
die het eerst de stelligste sporen van de schipbreuk vond. Den 15den
Mei 1824 kwam hij met zijn schip de Saint Patrick voorbij het eilandje
Tikopia, een van de Nieuwe Hebriden. Daar kwam een inlander in zijne
kano bij hem aan boord en verkocht hem een zilveren degengevest,
waarin letters gegraveerd stonden. Die inlander beweerde overigens
dat hij, zes jaar geleden bij eene reis naar Vanikoro, daar twee
Europeanen gezien had, die behoorden tot de bemanning van schepen,
welke lang te voren op de klippen van het eiland vergaan waren.
Dillon raadde dat dit de schepen van La Perouse konden zijn, wier
verdwijning de geheele wereld ongerust had gemaakt. Hij wilde naar
Vanikoro, waar volgens den Polynesier nog verschillende overblijfselen
van de schipbreuk gevonden werden; hij werd door tegenwind en
zeestroomingen evenwel daarin verhinderd. Dillon kwam te Calcutta;
daar wist hij de Aziatische Maatschappij en de Indische compagnie
voor zijne ontdekking te winnen. Men stelde een schip waaraan men
den naam van Recherche gaf, ter zijner beschikking, en hij vertrok
23 Januari 1827 in gezelschap van een Fransch agent.
Nadat de Recherche op verschillende punten van den Grooten Oceaan reeds
het anker had laten vallen, kwam het schip 7 Juli 1827 voor Vanikoro,
en in diezelfde haven van Vanou, waar de Nautilus op dit oogenblik lag.
Daar verzamelde Dillon talrijke overblijfselen van de schipbreuk,
ijzeren gereedschappen, ankers, blokken, draaibassen, een
achttienponder, stukken van astronomische instrumenten, een bronzen
klok met het opschrift: "Bazin heeft mij gemaakt," en het merk van
de gieterij van het arsenaal van Brest met het jaartal 1785: er was
dus geen twijfel meer mogelijk.
Dillon bleef om zijne inlichtingen te vermeerderen tot October op de
plaats des onheils. Daarop verliet hij Vanikoro, richtte den steven
naar Nieuw-Zeeland, liet het anker 7 April 1828 nogmaals voor Calcutta
vallen, en kwam in Frankrijk terug, waar hij door Karel X hartelijk
ontvangen werd.
Maar op dit oogenblik was Dumont d'Urville, zonder iets van de reis
van Dillon te weten, reeds vertrokken, om elders het tooneel van de
schipbreuk te zoeken. En inderdaad, men had door een walvischvaarder
gehoord, dat er medailles en een kruis van den Heiligen Lodewijk
in handen van wilden van de Louisiaden en Nieuw-Caledonie gezien
waren. Dumont d'Urville, kapitein van de Astrolabe, was dus in zee
gestoken, en liet twee maanden nadat Dillon Vanikoro verlaten had,
het anker voor Hobarttown vallen. Daar vernam hij welke de uitslag
was geweest van Dillons onderzoekingen, en verder hoorde hij dat
zekere James Hobbs, stuurman van de Union van Calcutta eens op een
eilandje aan wal gegaan was, dat op 8 deg. 18' Z.B. en 156 deg. 30' O.L. lag,
en daar ijzeren staven en roode stoffen gezien had, welke de inlanders
gebruikten.
Dumont d'Urville was uit het veld geslagen, en wist niet of hij
geloof moest hechten aan verhalen uit dagbladen, welke zoo weinig
geloof verdienden, doch besloot ten laatste Dillons voetspoor te
volgen. De Astrolabe kwam 10 Februari 1828 voor Tikopia, nam als
gids of als tolk een deserteur aan boord, die zich daar bevond, en
zeilde naar Vanikoro, dat hij 12 Februari in het gezicht kreeg; hij
zeilde langs de klippen tot den 14den liet eerst den 20sten het anker
binnen die klippen in de haven van Vanou vallen. Den 23sten deden
verscheiden officieren een tocht om het eiland, en brachten eenige
weinig beteekenende overblijfselen mede. De inboorlingen hadden een
stelsel van ontkenning en uitvluchten aangenomen, en weigerden om hen
op de plaats van het onheil te brengen. Dit ellendige gedrag deed zien,
dat zij de schipbreukelingen hadden mishandeld, en dat zij schenen
te vreezen dat Dumont d'Urville gekomen was, om La Perouse en zijne
ongelukkige makkers te wreken. Den 26sten brachten zij, overgehaald
door geschenken en begrijpende dat zij geen weerwraak te vreezen
hadden, den stuurman Jaquinot naar de plaats waar de schipbreuk had
plaats gehad. Daar lagen op drie of vier vademen diepte tusschen de
klippen Pacou en Vanou ankers, stukken ijzer en lood, die reeds met
eene kalklaag overdekt waren. De sloepen van de Astrolabe werden
naar deze plek gezonden; de bemanning slaagde er met groote moeite
in om een anker, dat 1800 pond woog, een gegoten achtponder, een
looden blok en twee koperen draaibassen naar boven te halen. Dumont
d'Urville ondervroeg de inboorlingen en vernam ook dat La Perouse,
na zijne beide schepen op de klippen van het eiland te hebben zien
vergaan, een kleiner schip had gebouwd, waarmede hij een tweede maal
schipbreuk had geleden. Waar? dat wist men niet.
Toen liet de gezagvoerder van de Astrolabe onder eene groep palmboomen
een grafteeken ter herinnering aan den beroemden zeevaarder en
zijne tochtgenooten oprichten. Het was eene vierhoekige pyramide,
welke op een stuk koraal was gezet, en waaraan geen enkel stuk ijzer
gebruikt werd, om daardoor de hebzucht van de inboorlingen niet op
te wekken. Daarna wilde d'Urville vertrekken, doch zijne manschappen
hadden op deze ongezonde kust de koorts gekregen, en daar hij zelf
ernstig ziek was, kon hij niet voor 17 Maart vertrekken.
De Fransche regeering, bang dat d'Urville niet op de hoogte was
van hetgeen Dillon reeds gedaan had, zond de korvet de Bayonnaise,
onder kapitein Legorant de Tromelin, naar Vanikoro, welk schip op dat
oogenblik ergens op de westkust van Amerika gestationneerd was. De
Bayonnaise liet eenige maanden na het vertrek van de Astrolabe het
anker voor Vanikoro vallen, doch vond niets nieuws; alleen bevond men
dat de inboorlingen het gedenkteeken voor La Perouse hadden ontzien.
Dit was ongeveer het verhaal dat ik aan kapitein Nemo deed.
"Dus weet men nog niet," zeide hij, "waar dit derde schip is vergaan,
hetwelk door de schipbreukelingen op Vanikoro gebouwd werd?"
"Neen, kapitein."
Nemo zeide verder niets doch wenkte mij om hem naar het salon te
volgen. De Nautilus zonk eenige meters onder water en de wanden
openden zich. Ik ijlde naar het glas en zag onder die koralen en
andere zeegewassen overblijfselen van eene schipbreuk, welke de
dreggen niet hadden kunnen losrukken; ijzeren werktuigen, ankers,
kanonnen, kogels, een kaapstander, een brok van een voorsteven,
kortom allerlei voorwerpen van vergane schepen, welke de zee nu met
hare levende bloemen overdekt had.
Terwijl ik die armzalige overblijfselen stond te bekijken, zeide de
kapitein op ernstigen toon:
"Kapitein La Perouse vertrok 7 December 1785 met zijne
schepen; eerst ankerde hij in de Botanybaai, daarop bezocht
hij de Vriendschapseilanden, Nieuw-Caledonie, richtte toen den
steven naar Santa-Cruz en wierp het anker voor Namouka een der
Vriendschapseilanden. Toen kwamen de schepen op de onbekende klippen
van Vanikoro; de Boussole zeilde vooruit, en stootte aan den zuidkant
van het eiland; de Astrolabe kwam te hulp, doch leed eveneens
schipbreuk. Het eerste schip werd bijna onmiddellijk uit elkander
geslagen; het tweede dat onder den wind op het zand geraakt was,
hield het nog eenige dagen uit; de schipbreukelingen werden door de
inlanders vrij goed ontvangen: zij zetten zich op het eiland neder
en bouwden daar een kleiner schip met de overblijfselen van het
groote. Eenige matrozen bleven vrijwillig op Vanikoro; de anderen,
hoewel zwak en ziek, vertrokken met La Perouse. Zij zetten koers naar
de Salomon-eilanden, en vergingen met man en muis op de westkust van
het voornaamste eiland dier groep."
"En hoe weet gij dat?" vroeg ik.
"Ziehier wat ik op de plaats van die laatste schipbreuk gevonden heb."
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 | 11 |
12 |
13 |
14 |
15