20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne
J >>
Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 | 12 |
13 |
14 |
15
Kapitein Nemo liet mij een blikken doos zien, waarop het wapen van
Frankrijk stond ingeslagen, en die geheel door het zeewater was
ingevreten. Hij opende haar en ik zag een aantal geel geworden, doch
nog leesbare papieren. Het waren de instructien van den Minister van
Marine aan La Perouse, op welker kant Lodewijk XVI eigenhandig eenige
aanteekeningen had gemaakt.
"Het is een schoone dood voor een zeeman!" zeide toen kapitein
Nemo. "Het is een kalm graf daar onder de koralen, ik wensch dat de
hemel mij en mijne makkers nimmer ander graf schenke!"
HOOFDSTUK XX
De Torrestraat.
In den nacht van 27 op 28 December verliet de Nautilus de kusten
van Vanikoro met buitengewone snelheid. Zij richtte zich naar het
zuidwesten, en in drie dagen doorliepen wij de 750 kilometer, welke
dit eiland van de zuidoostpunt van Nieuw-Guinea scheidt.
Den 1sten Januari 1868 kwam Koenraad zeer vroeg in den morgen op het
plat bij mij.
"Mijnheer," zeide de brave jongen, "zal mij toch niet kwalijk nemen
als ik hem een gelukkig nieuwjaar wensch?"
"Wat, Koen? Evenmin als te Parijs in mijne studeerkamer; ik neem uw
wensch aan en dank u er voor; alleen wil ik u vragen wat gij bedoelt
met een gelukkig nieuwjaar in de omstandigheden, waarin wij ons
bevinden? Is het een jaar dat een einde aan onze gevangenschap maken
moet, of een waarin wij deze vreemdsoortige reis zullen voortzetten?"
"Ik weet niet wat ik mijnheer moet antwoorden," zeide Koenraad. "Zeker
is het dat wij vreemde dingen zien, en dat wij in die twee maanden
geen tijd hebben gehad om ons te vervelen. Het laatste wat wij zien
is altijd nog het meest verbazingwekkende, en als dat zoo doorgaat,
weet ik niet waarmede het eindigen moet. Ik geloof dat wij zulk eene
gelegenheid nooit weder krijgen."
"Nooit, Koen."
"En bovendien is die mijnheer Nemo, die een goeden naam draagt,
ons evenmin hinderlijk alsof hij niet bestond."
"Het is zooals ge zegt, Koen."
"Ik denk dus, als mijnheer 't mij niet kwalijk neemt, dat een gelukkig
jaar er een is, waarin wij alles zouden kunnen zien."
"Alles zien, Koen? Dat zou misschien wat lang duren. Maar wat denkt
Ned Land er van?"
"Ned Land denkt juist het tegenovergestelde als ik," antwoordde
Koenraad. "Hij is veel te veel aan het stoffelijke gehecht, en maakt
een afgod van zijn maag. Visschen bekijken en altijd visschen eten
is voor hem niet genoeg. Dat hij wijn, brood en vleesch moet missen
bevalt niemendal aan onzen Amerikaan, die gewoon was biefstuk te eten,
en niet bang was voor brandewijn of jenever, hoewel altijd met mate."
"Wat mij betreft, Koen, daar heb ik geen verlangst naar, en ik kan
mij in den leefregel hier aan boord nog wel schikken."
"Ik ook," antwoordde Koenraad; "ik denk er dus even sterk over om te
blijven als Ned om te vluchten. Als dus het nieuw begonnen jaar voor
mij niet goed is, dan zal het voor hem goed zijn, en omgekeerd. Op
die wijze zal er toch altijd iemand tevreden zijn. Kortom, ik wensch
mijnheer veel heil en zegen in 't nieuwe jaar."
"Ik dank u, Koen; doch gij moet uw nieuwjaarsfooi tot later uitstellen,
en u daarvoor nu maar tevreden stellen met een hartelijken handdruk. Ik
heb niets anders te geven."
"Mijnheer is nooit zoo gul geweest," zeide Koenraad, en daarmede ging
hij heen.
Den volgden dag hadden wij reeds 11340 kilometer afgelegd sedert
ons vertrek uit de Japansche zee. Voor de Nautilus strekte zich de
gevaarlijke Koralenzee uit aan de noordoostkust van Australie. Ons
vaartuig liep op eenige kilometers afstands langs die gevaarlijke bank,
waarop de schepen van Cook 10 Juni 1770 bijna vergaan waren. Het schip
waarop deze zeevaarder zich bevond stootte op een rif, en zoo het
niet zonk was dit alleen te danken aan de toevallige omstandigheid,
dat het stuk koraal dat door den schok van de klip was afgestooten
in de daardoor ontstane opening bleef vastzitten.
Ik had gaarne dit 1400 kilometer lange rif eens bezocht, waartegen
de altijd ontstuimige zee met donderend geweld breekt. Maar op dat
oogenblik sleepte de Nautilus ons naar de diepte, en ik zag niets van
die hooge door koralen gevormde muren. Ik moest mij tevreden stellen
met eenige staaltjes van visschen, welke in de netten gevangen waren.
Twee dagen na de Koralenzee te zijn doorgevaren, den 4den Januari,
verkenden wij de kust van Nieuw-Guinea. Bij die gelegenheid deelde
kapitein Nemo mij mede dat hij het plan had om door de Torrestraat
naar den Indischen Oceaan te gaan; meer zeide hij niet. Ned zag met
genoegen dat die reis ons nader bij Europa brengen zou.
Die straat Torres wordt even gevaarlijk beschouwd om de klippen, die
men er talrijk aantreft, als om de woestheid der kustbewoners. Zij
scheidt Nieuw-Holland van Nieuw-Guinea. Dit laatste eiland is
ruim 1600 kilometer lang en 520 breed, en heeft eene oppervlakte
van 640,000 vierkante kilometer. Het ligt tusschen 0 deg. 19' en 10 deg.
2' Z.B. en tusschen 128 deg. 23' en 146 deg. 15' O.L. Om twaalf uur, toen
de eerste stuurman de hoogte der zon nam, zag ik de toppen van den
Owen-Stanley-bergketen, welke langzaam opliep en in scherpe punten
eindigde.
Dit land in 1511 door den Portugees Francisco Serrano ontdekt, werd
achtereenvolgens bezocht door don Jose Meneses in 1526, door Gryalva
in 1527, door den Spaanschen generaal Alvar de Saavedra in 1528, door
Juigo Ortez in 1545, door Schouten in 1616, door Tasman, Carteret,
Bougainville, Cook, Mac Clure, Dumont d'Urville en anderen. "Het
is de bakermat der Maleische kleurlingen," zeide de Rienzi, doch ik
dacht niet dat het toeval mij ooit in zijne nabijheid brengen zou.
De Nautilus kwam dus voor den ingang der gevaarlijkste zeestraat van
den aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwernood door
durven varen, eene straat waar Luiz paz de Torrez zich doorwaagde,
toen hij uit de Stille Zuidzee naar den Indischen Archipel ging, en
waar in 1840 de korvetten van Dumont d'Urville op het punt waren van
met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zeegevaren scheen
te kunnen trotseeren, zou zij met deze koraalriffen toch kennis maken.
De Torrestraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zoo vol
klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaart er bijna onmogelijk
is; derhalve nam kapitein Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door
te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts
bedaard voorwaarts; de schroef bewoog zich slechts langzaam.
Hiervan gebruik makende, hadden mijne twee makkers en ik op het plat
plaats genomen. Voor ons was het kastje van den stuurman, en ik moet
mij al zeer bedriegen als de kapitein zelf er zich niet bevond om
zijn Nautilus te besturen.
Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met
de grootste oplettendheid onzen tocht; rondom de Nautilus kookte en
bruiste de zee. De golven, met eene snelheid van twee en een halven
kilometer door den zeestroom van het zuidoosten naar het noordwesten
gedreven, braken op de koraalriffen, wier toppen hier en daar te
voorschijn kwamen.
"Dat is een leelijke zee!" zeide Ned Land.
"Afschuwelijk," antwoordde ik, "zij is niet best voor de Nautilus."
"Die vervloekte kapitein," hernam de Amerikaan, "moet wel zeker van
zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zijne schuit in duizend
stukken zou splijten als hij er slechts aanraakte."
Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen
als door eene betoovering midden tusschen deze vreeselijke klippen
door te komen. Zij volgde niet juist den weg van de Astrolabe welke
voor Dumont d'Urville zoo noodlottig was; het vaartuig nam den koers
meer noordelijk, voer langs het eiland Murray, en richtte zich toen
zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberland. Ik dacht dat het
schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weder noordwestwaarts
wendde en tusschen een groot aantal weinig bekende eilandjes en rotsen
door naar het eiland Tound en het Slechte Kanaal voer. Ik vroeg mij
zelven af of kapitein Nemo onvoorzichtig was en zijn schip in dezen
doorgang wilde wagen, waar de twee korvetten van d'Urville op de
rotsen stootten, toen hij voor de tweede maal van richting veranderde
en westwaarts naar het eiland Gueboroar liep.
Het was toen drie uur; het getij was bijna vol; de Nautilus naderde
het eiland, dat ik met zijne prachtige groene omzooming nog voor
mij zie liggen; wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er
langs. Plotseling werden wij door een schok omvergeworpen; de Nautilus
had op een klip gestooten; het schip bleef onbeweeglijk liggen,
doch helde naar bakboordzijde eenigszins over. Toen ik opstond zag
ik den kapitein en den eersten stuurman op het plat; zij namen den
toestand van het vaartuig op en wisselden eenige woorden in hunne
onverstaanbare taal.
Ziehier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan
stuurboordzijde het eiland Gueboroar, welks kust zich als een lange
arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten
vertoonden zich reeds eenige toppen van koraalriffen, welke het
afloopend getij bloot liet. Wij zaten geheel vast en dat wel in eene
zee waar het getij slechts middelmatig was; dit was eene noodlottige
omstandigheid om de Nautilus weer vlot te krijgen. Echter had het schip
niets geleden, zoo stevig was de huid gesmeed. Maar als het al niet
zinken of barsten kon, dan liep het toch gevaar voor eeuwig op die
rotsen te blijven zitten, en dan was het gedaan met het onderzeesche
toestel van kapitein Nemo.
Zoo peinsde ik, toen de kapitein, kalm en bedaard als altijd zonder
eenige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde.
"Een ongeluk?" vroeg ik.
"Neen, een toeval," was zijn antwoord.
"Maar een toeval," hernam ik, "dat u misschien verplichten zal om
het land, dat gij zoozeer ontvlucht, weder te gaan bewonen."
De kapitein keek mij met een zonderlingen blik aan, en schudde met
het hoofd; dit was duidelijk gezegd, dat niets hem ooit zou dwingen
om den voet weder op het land te zetten. Toen zeide hij: "Bovendien
mijnheer Aronnax, de Nautilus is niet weg; zij zal u nog de wonderen
van den Oceaan laten zien. Onze reis begint eerst, en ik hoop nog
zoo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden."
"Maar toch kapitein," antwoordde ik, zonder acht te geven op de
spotternij, die in zijne woorden doorstraalde, "de Nautilus is gaan
vast zitten bij hoog tij. Nu zijn de getijen in den grooten Oceaan
niet zeer sterk, en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt
(hetgeen mij onmogelijk schijnt), dan begrijp ik niet hoe gij weder
vlot zult komen."
"Gij hebt gelijk, mijnheer de professor, de getijen zijn in dezen
Oceaan niet sterk, maar in de Torrestraat is er toch nog een verschil
van anderhalven meter, tusschen de hoogste en laagste standen der
zee met andere deelen van den Oceaan. Het is van daag 4 Januari,
en over vijf dagen hebben wij volle maan; ik zou mij zeer moeten
verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was
om de watermassa wat hooger te doen komen, ten einde mij daardoor een
dienst te bewijzen, welken ik alleen aan de maan wil te danken hebben."
Toen de kapitein dit gezegd had ging hij met zijn eersten stuurman
weder naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onwrikbaar
vast liggen, alsof de koralen het vaartuig reeds voor goed hadden
ingemetseld.
"Welnu mijnheer!" zeide Ned Land, die na het vertrek van den kapitein
naar mij toe kwam.
"Welnu, vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 Januari afwachten,
want het schijnt dat de maan zoo beleefd zal zijn om ons weder vlot
te maken."
"Meent gij dat?"
"Ja zeker."
"En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hieraf te
brassen, en zijne machine niet laten werken, en alles doen om van
die verwenschte klip te komen?"
"Het tij is immers voldoende," antwoordde Koenraad bedaard.
De Amerikaan keek hem aan, en trok zijne schouders op; het was de
zeeman, die uit hem sprak.
"Mijnheer," antwoordde hij, "geloof mij, als ik u zeg, dat dit stuk
ijzer nooit meer op of onder zee varen zal, het is goed om bij 't
pond verkocht te worden. Ik geloof dat het oogenblik gekomen is om
dien kapitein Nemo de hakken te laten zien."
"Vriend Ned," antwoordde ik, "ik wanhoop niet zooals gij aan dit flinke
vaartuig; in vier dagen zullen wij zien waar wij ons met die getijen
in dezen Oceaan aan te houden hebben. Overigens kon die raad om te
vluchten goed zijn, als wij de Engelsche of Fransche kust in 't gezicht
hadden, maar hier in de buurt van Nieuw-Guinea is 't eene andere zaak;
het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot dit uiterste te komen, als
de Nautilus niet los raakt, ik zou dit als een erge ramp beschouwen."
"Zouden wij ten minste dat land niet eens onderzoeken?" hernam Ned
Land. "Daar is een eiland, op dat eiland groeien boomen, onder die
boomen loopen dieren; die karbonade en roastbeef aan hun romp hebben,
en daar zou ik wel eens gaarne mijne tanden inzetten."
"Nu heeft vriend Land gelijk." zeide Koenraad, "en ik ben het met
hem eens. Zou mijnheer van zijn vriend, den kapitein, geen verlof
kunnen krijgen om eens aan land te gaan, al was het alleen maar om
de gewoonte niet te verliezen van nu en dan den voet eens te zetten
op het vaste deel van onzen aardbodem?"
"Ik kan het hem wel eens vragen," antwoordde ik, doch hij zal het
weigeren.
"Het is in allen gevalle te wagen," zeide Koenraad, "en dan weten
wij met een waaraan wij ons ten opzichte van zijne vriendelijkheid
te houden hebben."
Tot mijne groote verwondering stond kapitein Nemo toe wat ik hem
vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de
belofte van mij te vorderen, dat ik aan boord zou terug komen. Maar
eene vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk, en ik zou het Ned
Land nooit hebben aangeraden om zoo iets te beproeven. Het was veel
beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn, dan om in de
handen van de Papoea's te vallen!
Den volgenden morgen zou de sloep ter onzer beschikking zijn. Ik zocht
niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen; zelfs
vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mede zou gaan,
en dat Ned Land de boot alleen zou moeten sturen. Overigens was het
land op zijn hoogst op twee kilometer afstands, en het was maar spelen
gaan voor onzen Amerikaan om dat lichtte vaartuig tusschen die voor
groote schepen zoo noodlottige klippen door te brengen.
Den volgenden dag, 5 Januari, werd de sloep losgemaakt en van het plat
in zee gewerkt; twee man waren daarvoor genoeg, de riemen lagen er in,
en wij behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en electrieke
geweren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm;
een kleine bries woei van de landzijde. Koen en ik roeiden flink op,
en Ned stuurde tusschen de klippen door. De sloep was gemakkelijk te
sturen en schoot goed vooruit. Ned kon zijne vreugde niet bedwingen,
hij stelde zich aan als een gevangene, die aan zijne cel ontsnapt is,
en hij dacht er niet aan dat hij er weder in moest.
"Vleesch," riep hij herhaaldelijk, "vleesch zullen wij dan proeven,
en welk vleesch! Echt wild! Geen visch! Ik zeg niet dat visch niet goed
is, maar men moet er geen misbruik van maken, en een stuk versch wild,
op een kolenvuur geroosterd, zal onzen gewonen kost lekker afwisselen."
"Lekkerbek!" zeide Koenraad, "het water komt mij in den mond."
"Wij mogen eerst wel vragen of die bosschen wildrijk zijn," zeide ik,
"en of het wild er niet zoo groot is, dat het den jager wegjaagt."
"Goed zoo, mijnheer Aronnax," antwoordde de Amerikaan, wiens tanden zoo
scherp als een bijl schenen te zijn, "maar ik zal zelfs een tijgerrip
eten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is."
"Vriend Ned maakt ons bang," zeide Koenraad.
"Hoe het ook zij," hernam de harpoenier, "het eerste dier op vier of
op twee pooten, met of zonder vleugels krijgt een schot van mij in
zijn ribben."
"Goed!" antwoordde ik, "daar gaat de onverzichtigheid van meester
Land weer beginnen."
"Wees niet bang, mijnheer Aronnax; roei maar ferm op. Binnen vijf en
twintig minuten zal ik u een kost naar mijn smaak opdisschen."
Om half negen liep de sloep zacht tegen het zandige strand op, na
gelukkig tusschen de koraalriffen doorgekomen te zijn, welke het
eiland Gueboroar omringden.
HOOFDSTUK XXI
Aan land.
Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte
op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar
twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein
Nemo, "passagiers op de Nautilus," maar inderdaad gevangenen van den
kapitein waren.
Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands
van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel
koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik
stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire
aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen
belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren
verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een
licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en
onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en
welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van
de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename
voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige
vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit
met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren
met de gewone spijzen op de Nautilus.
"Uitmuntend!" zeide Ned.
"Uitstekend!" antwoordde Koenraad.
"Ik geloof niet," zeide de Amerikaan, "dat uw vriend Nemo er zich tegen
verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?"
"Ik geloof het ook niet," antwoordde ik, "maar hij zal er niet van
willen proeven."
"Zooveel te erger voor hem," meende Koenraad.
"En zooveel te beter voor ons," antwoordde Ned Land "des te meer
houden wij."
"Een woord slechts, Ned," zeide ik tegen den harpoenier, die gereed
stond om een anderen kokosboom te plunderen, "de kokosnoot is goed,
maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij
eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige
zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok
van de Nautilus gretig ontvangen worden."
"Mijnheer heeft gelijk," antwoordde Koenraad, "en ik stel voor om
in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten,
eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog
het minste of geringste niet gezien heb."
"Koen, wij moeten aan niets wanhopen," antwoordde Ned.
"Laat ons dan verder gaan," hernam ik, "maar goed uit onze oogen zien,
want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens
wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van
wild waren!"
"Nu, nu!" riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner
kakebeenen.
"Wat, Ned?" riep Koenraad.
"Ik begin waarachtig te begrijpen," hervatte de Amerikaan, "hoe
pleizierig het menscheneten zijn moet!"
"Ned, Ned, wat zegt gij daar?" antwoordde Koen. "Gij een menscheneter:
maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut
moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?"
"Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u
zonder noodzaak op te pruimen."
"Ik vertrouw het maar half!" zeide Koenraad. "Komaan op de jacht;
wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden
te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden
dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen."
Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het
sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei
richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten,
en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte
ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den
broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze
boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter
hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote
gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten
van een decimeter lang, welke uitwendig zoo met stekels bezet waren,
dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is
een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan
ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen,
gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft.
Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen
meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij
ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet
langer bedwingen.
"Ik mag sterven, mijnheer," zeide hij, "als ik niet van dien broodboom
eet."
"Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te
beproeven; doe het dus."
"Het zal niet lang duren!" zeide de Amerikaan, en met eene lens
gewapend stak hij een hoop dood hout in den brand, dat weldra, helder
opflikkerde. Gedurende dien tijd zochten Koen en ik de beste vruchten
van den broodboom bijeen. Enkelen waren nog niet rijp genoeg, en haar
dikke bast omvatte een wit, doch weinig vezelig merg. Anderen waren
geel en geleiachtig, en wachtten slechts het oogenblik om geplukt
te worden. In die vruchten zat geen kern; Koenraad bracht er een
twaalftal aan Ned, die ze op een kolenvuur legde, nadat hij ze in
schijfjes gesneden had; terwijl hij dit deed, zeide hij:
"Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is."
"Vooral als men in lang geen brood gehad heeft," zeide Koen.
"Het is zelfs geen brood meer," voegde de Amerikaan er bij: "het is
een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?"
"Neen, Ned."
"Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als
gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers
niet meer."
Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van
het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was
een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken
deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk,
en ik at het met groot genoegen.
"Ongelukkig," zeide ik, "kan men zulk een deeg niet versch houden,
en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om
mede te nemen."
"Welnu komaan, mijnheer!" riep Ned Land uit, "gij spreekt als een
natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal
eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer
naar boord gaan."
"En hoe maakt gij die gereed?" vroeg ik.
"Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder te bederven
lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in
de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij
het toch wel lekker vinden."
"Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?"
"Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of
althans groenten er bij!"
"Laat ons die dan zoeken."
Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk
maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen
den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke
vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door
rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven,
eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden
wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone
grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd,
dien wij overigens niet behoefden te betreuren.
Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl
hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen
uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken.
"Ontbreekt u niets?" vroeg Koenraad.
"Hem!" kuchte de Amerikaan.
"Wat beklaagt gij u?"
"Al die planten en vruchten maken geen maal uit," antwoordde
Ned. "Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep,
en het gebraad, waar zijn die?"
"Zeker, Ned," zeide ik, "gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot
het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren."
"Mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "de jacht is niet alleen niet
geeindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar,
wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is
het hier niet, dan is het ergens anders...."
"En is het van daag niet, dan is het morgen," voegde Koen er bij,
"want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar
de sloep terug te keeren."
"Wat, nu reeds?" riep Ned Land.
"Wij moeten voor den nacht terug zijn," zeide ik.
"Maar hoe laat is het dan!" vroeg de Amerikaan.
"Ten minste twee uur," gaf Koenraad ten antwoord.
"Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om," zuchtte Ned Land treurig.
"Op weg," riep Koenraad.
Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen
uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden
bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaar beladen,
toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet
genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij
ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van 8 tot 10 meter
hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als
de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen
Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven
voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen
loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke
boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht
zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen,
wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik
keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand,
die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors
van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange
vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort
van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago,
welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd
wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam
in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij
behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen,
en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten
hard worden.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 | 12 |
13 |
14 |
15