A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Alexie Signs with Little, Brown
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

PW Morning Report, November 21, 2008" class="topstory">The PW Morning Report, November 21, 2008
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

RH Out of Stock on Shadow Country; Norton Back to Press on Hemingses
Fire with Fire will feature the character Thomas Builds-the-Fire, who first appeared in Alexies debut story collection, The Lone Ranger and Tonto Fist-Fight in Heaven (Atlantic Monthly, 1993). V-p and editorial director Reagan Arthur will edit the novel.

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne



J >> Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15



Ik ging naar het salon en omdat ik er niemand vond, waagde ik het om
aan de deur van Nemo's kamer te tikken.

"Binnen!" riep men; ik trad binnen en vond den kapitein verdiept in
eene berekening, waarin allerlei stelkundige formulen de hoofdrol
speelden.

"Hinder ik u ook?" vroeg ik uit beleefdheid

"Ja, mijnheer," was het korte antwoord; "doch ik geloof dat gij
ernstige redenen hebt om bij mij te komen!"

"Inderdaad; wij zijn omringd door prauwen, en zullen binnen weinige
minuten zeker door honderden wilden worden aangevallen.'"

"Zoo," zeide de kapitein bedaard, "zijn zij met hunne prauwen gekomen?"

"Ja kapitein."

"Welnu, dan is het immers genoeg als het luik gesloten wordt?"

"Juist, en ik kwam u zeggen...."

"Niets is gemakkelijker," zeide Nemo, en op een electrieken knop
drukkende, gaf hij daartoe aan de wachthebbende matrozen bevel.

"Het is reeds geschied, mijnheer," zeide hij na eenige
oogenblikken. "De sloep is op hare plaats en het luik is dicht. Gij
vreest toch zeker niet dat die heeren de wanden van mijn vaartuig
verbrijzelen zullen, waar de kogels van uw fregat zelfs geen schade
aan toebrachten!"

"Neen, kapitein, maar er bestaat nog een ander gevaar."

"Welk, mijnheer?"

"Morgen ochtend moet gij het luik weder openen om de lucht in de
Nautilus te ververschen."

"Zeker, mijnheer, omdat ons vaartuig evenals de walvisschen ademt."

"Maar als op dat oogenblik de Papoea's op het plat zijn, dan zie ik
niet in hoe gij ze beletten zult om binnen te komen."

"Denkt gij dan mijnheer, dat zij aan boord zullen komen?"

"Ik ben er zeker van."

"Welnu, laat ze komen; ik zie geen enkele reden om hun dat te
beletten; het zijn toch arme duivels, die Papoea's en, ik wil niet
dat mijn bezoek in de buurt van hun eiland het leven aan een van die
ongelukkigen kost."

Na deze woorden wilde ik heengaan, doch de kapitein hield mij terug, en
verzocht mij bij hem plaats te nemen. Hij vroeg met veel belangstelling
naar onzen tocht op het land, naar onze jacht, en scheen niet te
begrijpen hoe die Amerikaan zoo vurig naar vleesch verlangde. Daarna
spraken wij over verschillende onderwerpen, en zonder daarom veel
mede te deelen, was de kapitein inderdaard veel hartelijker.

Onder anderen spraken wij over de ligging van de Nautilus, die juist
gestrand was in die zeestraat, waar Dumont d'Urville op het punt was
geweest van te vergaan.

"Die d'Urville was een van uwe grootste zeelieden," zeide de
kapitein, "een van de verstandigste zeevaarders, Het is een
Fransche Cook. Ongelukkige geleerde! De ijsbanken aan de zuidpool,
de koraalriffen en de kannibalen in den Grooten Oceaan getrotseerd te
hebben om ellendig in een spoortrein om te komen! Als die krachtige
man in de laatste oogenblikken van zijn leven heeft kunnen denken,
wie weet wat die laatste gedachten dan geweest zijn?"

Zoo sprekende, scheen Nemo bewogen.

Daarna gingen wij, met de kaart in de hand, de tochten van den
Franschen zeereiziger na, zijne reis om de aarde, zijne beide pogingen
om aan de zuidpool door te dringen, waardoor de landen Amalia en
Lodewijk Filips ontdekt werden, en eindelijk zijne opmetingen van de
voornaamste eilanden in den Grooten Oceaan.

"Wat uw d'Urville aan de oppervlakte de zee verricht heeft," zeide
kapitein Nemo, "dat doe ik onder zee, en veel gemakkelijker en
vollediger dan hij. De Astrolabe en de Zelee werden onophoudelijk
door de golven heen en weder geslingerd en konden dus niet tegen de
Nautilus opwegen, welke in het midden der wateren stil ligt, en dus
een kalme studeerkamer heeten mag."

"En toch," zeide ik, "is er een punt van overeenkomst tusschen de
korvetten van Dumont d'Urville en de Nautilus."

"Welk, mijnheer?"

"Dat de Nautilus evenals zij gestrand is."

"De Nautilus is niet gestrand, mijnheer," antwoordde de kapitein
bedaard; "de Nautilus is gemaakt om kalm op het water te liggen,
en ik zal al die moeilijke manoeuvres niet beginnen, welke d'Urville
met zijn korvetten aanving om weder vlot te raken. De Astrolabe en
de Zelee zijn vergaan, doch mijn Nautilus loopt geen gevaar. Morgen
zal het hoogtij op het bepaalde uur het vaartuig oplichten, en wij
zullen onzen tocht door de zee kunnen voortzetten."

"Kapitein," zeide ik, "ik twijfel niet...."

"Morgen," voegde de kapitein er bij, terwijl hij opstond, "morgen
middag twintig minuten voor drieen, zal de Nautilus vlot worden,
en zonder schade de Torrestraat verlaten."

Toen hij deze woorden kortaf gezegd had, maakte hij eene lichte
buiging; hij gaf mij dus mijn afscheid, en ik ging naar mijne hut. Daar
vond ik Koenraad, die wenschte te weten welken uitslag mijn gesprek
met den kapitein gehad had.

"Mijn jongen," zeide ik, "toen ik de meening uitte dat zijn Nautilus
door de wilden bedreigd werd, heeft de kapitein mij op schertsenden
toon geantwoord. Ik kan u dus slechts een ding antwoorden: vertrouw
op hem, en ga gerust slapen."

"Heeft mijnheer mij niet noodig?"

"Neen, mijn vriend, maar wat doet Ned Land?"

"Vriend Ned maakt eene kangoeroe-pastij klaar, die verbazend lekker
moet worden," antwoordde Koenraad.

Ik bleet alleen, en ging naar bed, doch sliep vrij slecht. Ik hoorde
de wilden op het plat heen en weder loopen en tusschen beiden een
oorverdoovend geschreeuw aanheffen. Zoo ging de nacht voorbij,
zonder dat de epuipage uit hare gewone traagheid scheen opgewekt
te worden. Zij scheen zich evenmin om die wilden te bekreunen,
als de bezetting van een geblindeerd fort om de muizen, die over de
blindeering loopen.

Ik stond 's morgens om zes uur op. Het luik was niet open. De lucht
werd dus niet ververscht, maar de vergaarbakken, welke om alle
mogelijke gebeurtenissen te voorkomen, gevuld waren, begonnen te
werken en brachten eenige kubieke meter zuurstof in de Nautilus.

Ik bleef tot twaalf uur in mijne kamer zitten werken, zonder den
kapitein slechts een oogenblik gezien te hebben. Men scheen aan boord
geen enkel toebereidsel te maken om te vertrekken. Ik wachtte nog
eenigen tijd en ging toen naar het salon. De pendule wees half drie;
in tien minuten moest de vloed zijne grootste hoogte bereikt hebben,
en als de kapitein geen dwaze belofte gedaan had, dan zou de Nautilus
onmiddellijk vlot raken; anders zouden er heel wat maanden verloopen,
voordat zij deze klippen verlaten kon.

Weldra voelde ik echter eenige trilling in het vaartuig; ik hoorde
de kalk- en koraalpunten tegen den buitenwand schuren.

Vijf minuten over half drie kwam kapitein Nemo in het salon.

"Wij gaan vertrekken," zeide hij.

"Zoo?" antwoordde ik.

"Ik heb bevel gegeven, om het luik te openen."

"En de Papoea's?"

"De Papoea's?" antwoordde de kapitein schouderophalend.

"Zullen zij niet in de Nautilus komen?"

"Hoe zoo?"

"Wel, door het luik, als gij het laat open zetten."

"Mijnheer Aronnax," zeide Nemo bedaard, "men komt het luik van de
Nautilus zoo maar niet binnen, al staat het open."

Ik keek hem eens aan.

"Begrijpt gij mij niet?" vroeg hij.

"Geenszins."

"Welnu, kom dan mede en zie."

Ik ging naar de groote middeltrap; daar stonden Ned Land en Koenraad
zeer nieuwsgierig naar eenige matrozen te kijken die het luik
openden, terwijl kreten van woede en afgrijselijk geschreeuw daar
buiten weerklonken. Eindelijk was het luik open, en een twintigtal
afschuwelijke tronies verschenen. Maar de eerste van die wilden,
die de hand aan de trapleuning sloeg, werd door ik weet niet welke
onzichtbare kracht achteruitgeworpen, en vluchtte onder vreeselijk
geschreeuw en met ontzaglijke sprongen. Tien van zijne makkers wilden
ook naar binnen komen, en ondergingen hetzelfde lot.

Koenraad was in verrukking; Ned Land, slechts aan zijne hevige driften
gehoor gevende, vloog naar de trap, maar, nauwelijks had hij de
trapleuning aangegrepen, of hij werd op zijne beurt terug geslingerd.

"Duizend duivels!" riep hij, "ik ben door den bliksem getroffen!" Die
uitroep verklaarde mij alles; het was geene trapleuning meer, maar
een metalen ketting met electriciteit geladen, welke tot op het plat
ging. Ieder die er aan raakte kreeg een vreeslijken schok, en zulk een
schok zou doodelijk geweest zijn als de kapitein dien geleider met
den geheelen electrieken stroom van zijne machine geladen had. Men
kon letterlijk zeggen dat hij tusschen zijne aanvallers en zich een
elektriek net gespannen had, waar niemand ongestraft over heen kon.

Ondertusschen hadden de ontstelde Papoea's de vlucht genomen; wij
troostten en wreven half lachende den ongelukkigen Ned Land, die
vloekte als een bezetene. Doch op dit oogenblik werd de Nautilus
door de laatste vloedgolven opgelicht van het rif, en dat juist op
dezelfde minuut waarop de kapitein het voorspeld had. De schroef begon
langzaam te werken; de snelheid nam hand over hand toe, en aan de
oppervlakte van het water blijvende verliet het vaartuig onbeschadigd
de gevaarlijke Torresstraat.



HOOFDSTUK XXIII

Slaapdronken.

Den volgenden dag, 10 Januari, hervatte de Nautilus haar tocht weer
onder water, maar met zulk eene snelheid dat ik haar op niet minder
dan 35 kilometer in het uur schatte. De snelheid van de schroef was
zoo groot dat ik de omwentelingen niet tellen kon.

Als ik er aan dacht dat deze voortreffelijke electrieke machine,
beweging, warmte en licht aan de Nautilus schonk, en haar bovendien
nog verdedigde tegen aanvallen van buiten, zoodat het vaartuig in
eene heilige ark veranderd werd, welke niemand kon aanraken zonder
verpletterd te worden, kende mijne bewondering geene grenzen meer,
en van de machine ging die over op den bouwmeester, die dit alles
gewrocht had.

Wij liepen recht naar het westen en den 11den Januari voeren wij om
Kaap Wessel, die op 135 deg. O.L. en 10 deg. N.B. de westpunt van de golf van
Carpentaria vormt. Er waren nog tal van klippen, doch zij lagen verder
uit elkander, en waren op de kaart met buitengewone nauwkeurigheid
aangeteekend. De Nautilus vermeed gemakkelijk de branding van Money
aan bakboord, en de klippen Victoria aan stuurboord, en bleef den
tienden parallel volgen.

Den 13den Januari kwamen wij in de zee van Timor, en de kapitein
verkende het eiland van dien naam op 122 deg. O.L. Dit eiland, dat eene
oppervlakte heeft van 36000 vierkante kilometer, wordt door radjah's
bestuurd. Die vorsten noemen zich zonen van krokodillen, dat is te
zeggen van de hoogste geboorte waarop een sterveling aanspraak kan
maken. Ook wemelt het van die dieren in de stroomen van dit eiland,
waar zij bijzonder vereerd worden. Men beschermt en vereert ze,
men bidt ze aan en voedt ze; men geeft hun zelfs jonge meisjes ten
voedsel, en wee den vreemdeling, die de hand aan een dier gewijde
monsters slaat.

Maar de Nautilus had niets met die leelijke dieren uit te staan. Timor
was voor een oogenblik slechts zichtbaar, namelijk om twaalf uur, toen
de eerste stuurman de hoogte der zon nam. Ook zag ik slechts even het
kleine eiland Rotti, dat tot dezelfde groep behoort, en welks vrouwen
op de Maleische slavenmarkten een grooten naam van schoonheid bezitten.

Van nu af richtte de Nautilus zich naar het zuidwesten, en zette
koers naar den Indischen Oceaan. Waar zou de kapitein ons nu heen
voeren? Zou hij de Aziatische kust weder opzoeken, of zou hij naar
Europa gaan? Dit was niet zeer waarschijnlijk van iemand, die het
bewoonde land vermeed. Zou hij den steven zuidwaarts richten? Zou
hij om de Kaap de Goede Hoop en verder om Kaap Hoorn varen om tot
aan de Zuidpool door te dringen. Zou hij soms ook naar den Grooten
Oceaan terug keeren waar zijn Nautilus zulk een gemakkelijk vaarwater
vond? De toekomst zou het ons leeren.

Den 14den Januari waren wij tusschen alle klippen en eilanden door
eindelijk weder in volle zee. De snelheid van de Nautilus werd
aanmerkelijk minder, en zeer wispelturig in hare bewegingen, dreef
zij dan eens onder dan op de zee.

Gedurende dit gedeelte der reis nam de kapitein belangrijke
proeven voor den verschillenden warmtegraad der zee op onderscheiden
diepte. Gewoonlijk verkrijgt men die gegevens met vrij samengestelde
instrumenten, wier opgaven op zijn minst genomen twijfelachtig zijn,
hetzij men daartoe peilingen doet met thermometers; wier glazen
buizen dikwijls door den druk van het water breken, hetzij men dit
ten uitvoer brengt met werktuigen wier samenstelling gegrond is op
de veranderlijkheid van weerstand der metalen tegen de electrieke
stroomen. De aldus verkregen resultaten kunnen niet genoegzaam worden
nagerekend. Kapitein Nemo ging die temperatuur daarentegen in de
diepten der zee zelve zoeken; zijn thermometer daar met het water
in aanraking gebracht, gaf hem aanstonds en met groote juistheid de
verlangde aanwijzing.

Zoo ging de Nautilus soms langzaam, soms snel naar beneden, en bereikte
achtereenvolgens eene diepte van drie, vier, vijf, zeven, negen tot
zelfs tienduizend meter, en de uitslag van deze proeven was, dat de zee
op duizend meter diepte onder alle breedten eene vaste temperatuur van
4 1/2 deg. had. Ik volgde die proefnemingen met de grootste belangstelling:
de kapitein legde er zich met den meesten ijver op toe. Dikwijls vroeg
ik mij zelven af, waarom hij deze proeven nam; was het ten voordeel van
zijne natuurgenooten? Dit was niet waarschijnlijk, want den eenen of
anderen dag zouden zijne aanteekeningen met hem in eenige onbekende
zee verzinken. Of hij moest den uitslag zijner onderzoekingen soms
voor mij bestemmen. Doch dit kon niets beteekenen als ik niet aannam
dat mijne reis eens eindigen zou, en dat einde zag ik nog niet.

Hoe het ook zij, de kapitein deelde mij ook verschillende cijfers
mede, welke het resultaat waren van zijn onderzoek naar de dichtheid
van het water in verschillende zeeen der aarde. Eens op een morgen,
het was op den 15den Januari, wandelde ik met den kapitein op het plat;
hij vroeg mij of ik de verschillende dichtheid van het zeewater kende;
ik antwoordde ontkennend, en voegde er bij dat de wetenschap daarvoor
nog geen juiste gegevens had.

"Ik heb de proeven genomen," zeide hij, "en ik kan de zekerheid mijner
gegevens bevestigen."

"Goed," antwoordde ik, "maar de Nautilus is eene wereld op zich zelf,
en de geheimen van uwe geleerdheid zullen op de bewoonde aarde nooit
bekend worden."

"Gij hebt gelijk, mijnheer," zeide hij, na eenige oogenblkken gezwegen
te hebben; "het is eene wereld op zich zelf. Mijn vaartuig is voor de
aarde hetzelfde als de planeten, welke haar om de zon vergezellen;
men zal immers de werken der geleerden die op Saturnus of Jupiter
leven, ook nooit op aarde leeren kennen? Omdat het toeval ons bij
elkander gebracht heeft, kan ik u den uitslag van mijn onderzoek
echter wel mededeelen."

"Ik luister, kapitein."

"Gij weet, mijnheer, dat het zeewater meer dichtheid bezit dan het
zoetwater, maar die dichtheid is niet overal dezelfde. Als ik bij
voorbeeld de dichtheid van zoetwater gelijk een stel, dan vind ik
1.028 voor het water van den Atlantischen, en 1.026 voor dat van den
Grooten Oceaan, 1.03 voor het water der Middellandsche Zee....."

"O," dacht ik, "hij waagt zich in die zee."

"Voor het water der Jonische Zee 1.018, en voor dat der Adriatische
1.029."

De Nautilus ontvlood dus de drukst bevaren zeeen van Europa niet, en ik
maakte daaruit op, dat hij ons misschien binnen kort naar beschaafde
streken zou voeren. Ik dacht wel dat Ned Land die bijzonderheid zeer
natuurlijk met groote vreugde zou hooren.

Gedurende verscheiden dagen brachten wij den tijd door met het nemen
van allerlei proeven omtrent het zoutgehalte op verschillende diepte,
omtrent het geleidend vermogen, de kleur en de doorschijnendheid
van het zeewater, en bij dit alles ontwikkelde de kapitein eene
bekwaamheid, welke slechts geevenaard werd door zijne welwillendheid
jegens mij. Daarop zag ik hem gedurende eenige dagen weder niet,
en bleef ik als verlaten zitten.

Den 16den Januari scheen de Nautilus op eenige meters diepte als
ingeslapen; de electrieke toestellen waren werkeloos, en het vaartuig
werd slechts door den zeestroom voortgestuwd, terwijl de schroef
onbeweeglijk bleef. Ik veronderstelde dat de equipage bezig was in
het inwendige eenige herstellingen te verrichten, welke noodig waren
geworden wegens de bijzonder snelle beweging van de laatste dagen.

Wij waren toen getuigen van een zonderling schouwspel. De wanden in
het salon waren weggeschoven, en daar de electrieke lantaarn van de
Nautilus geen licht gaf, heerschte er eene onbepaalde duisternis in
het water. De met dikke wolken bedekte hemel deed slechts weinig licht
in de zee doordringen. Ik zat naar dit sombere schouwspel te kijken,
en de grootste visschen schenen mij niet meer dan zeer onduidelijke
schaduwen, toen de Nautilus plotseling in het volle licht kwam. Eerst
dacht ik dat de lantaarn aangestoken was en het electrieke licht in
het water scheen; ik bedroog mij en herkende spoedig mijne dwaling;
de Nautilus dreef in 't midden eener lichtgevende streep of laag
in het water, welke, in deze duisternis schitterend werd. Deze werd
veroorzaakt door duizenden lichtgevende diertjes, wier schittering nog
toenam als zij langs de metalen wanden van ons vaartuig streken. Dan
zag ik zelfs flikkeringen in deze lichtende omgeving alsof een stroom
kokend lood in een vuurhaard geworpen, of een stuk metaal tot roode
gloeihitte gebracht werd; dit was zelfs zoo sterk, dat eenige deelen
van dezen schitterenden stroom nog schaduw wierpen, hoewel alle schaduw
daaruit verbannen scheen. Neen, dit was de kalme flikkering niet van
ons gewone lichttoestel, hier zag men kracht en eene ongewone beweging;
men gevoelde dat dit licht leefde!

Inderdaad, het was eene oneindig groote opeenstapeling van weekdieren,
van millioenen lichtgevende diertjes, ware bolletjes van doorschijnende
gelei, met voelarmen zoo fijn als draadjes, en van welke men er
ruim 800 in een kubieken centimeter water geteld heeft. De Nautilus
dreef gedurend verscheidene uren in dien schitterenden stroom,
en onze verbazing steeg ten top toen wij groote zeemonsters en
allerlei visschen daarin zagen rondspartelen en spelen, evenals de
legende vertelt dat de salamanders in het vuur doen. Te midden van
dit onbrandbare vuur zwommen vlugge bruinvisschen, die onvermoeide
clowns onder het visschenheir, en zwaardvisschen van drie meter
lengte, die voorloopers van orkanen, wier vreeselijk zwaard soms het
glas raakte. Het was een betooverend schouwspel! Misschien werd de
sterkte van het licht door den toestand van de atmosfeer vergroot:
misschien woedde een hevig onweer boven het zeevlak; doch op eenige
meters diepte bemerkte de Nautilus niets van den woedenden storm en
dreef kalm te midden van het stille water.

Zoo gingen wij voort en werden elk oogenblik door nieuwe wonderen
in verrukking gebracht. Koenraad keek zijne oogen uit, en deed
niets als zooephyten, geleede dieren, weekdieren en visschen in
klassen ordenen. De dagen gingen snel voorbij, ik telde ze niet eens
meer. Volgens zijne gewoonte trachtte Ned voortdurend ons menu af te
wisselen. Wij hadden veel van slakken, die voor deze schelp gemaakt
waren, en ik moet bekennen dat het op die wijze gemakkelijk is om eene
slak te worden. Wij sleten dus een gemakkelijk en natuurlijk leven, en
verbeeldden ons dat dit niet zeer verschilde van het leven op het land,
toen eene gebeurtenis ons het vreemde van onzen toestand herinnerde.

De Nautilus bevond zich den 18den Januari op 150 deg. O. L. en 15 deg. Z. B.;
het weder was ruw, en de zee onstuimig; het woei vrij sterk uit
het oosten; de barometer, die sinds eenige dagen daalde, kondigde
een naderenden strijd der elementen aan. Ik stond op het plat op
het oogenblik dat de tweede stuurman de hoogte nam; ik wachtte
zooals gewoonlijk de dagelijks uitgesproken formule; maar in plaats
daarvan riep hij eenige andere niet minder onbegrijpelijke woorden;
bijna onmiddellijk verscheen de kapitein, die een kijker naar
den gezichteinder richtte. Hij bleef gedurende eenige oogenblikken
onbeweeglijk, zonder zijne blikken van een bepaald punt af te wenden;
toen liet hij zijn kijker zakken en wisselde eenige woorden met den
stuurman; deze scheen ten prooi aan eene ontroering, welke hij te
vergeefs trachtte te onderdrukken. De kapitein scheen zich zelven
beter te kunnen beheerschen en bleef koel; overigens scheen hij den
stuurman eenige tegenwerpingen te maken, waarop deze met bepaalde
zekerheid scheen te antwoorden; ten minste ik begreep het zoo uit
verschil van stem en gebaren. Wat mij aangaat, ik keek nauwkeurig in
de aangeduide richting, echter zonder iets te zien. Water en lucht
vloeiden aan den gezichteinder volmaakt in elkander.

De kapitein liep echter zonder mij aan te zien, misschien zelfs zonder
mijne tegenwoordigheid te bemerken, op het plat heen en weder. Hij
stapte met vaste schreden, doch minder geregeld dan gewoonlijk over
het plat; soms stond hij met over de borst gekruiste armen stil, en
liet zijn blik over de zee weiden. Wat zocht hij op die onmetelijke
ruimte? De Nautilus bevond zich toen op eenige honderden kilometer
van de naaste kust verwijderd.

De stuurman had den kijker weder ter hand genomen en keek onophoudelijk
naar den gezichteinder; hij liep heen en weder, stampte met den voet,
en was in tegenstelling met zijn meester in zenuwachtige spanning. Het
geheim zou echter weldra worden opgelost, want op een wenk van kapitein
Nemo vermeerderde de machine hare snelheid. Op dat oogenblik maakte
de stuurman den kapitein op nieuw opmerkzaam; deze staakte zijne
wandeling en richtte den kijker nog eens naar het aangewezen punt;
hij keek lang, ik was zeer nieuwsgierig en ging naar het salon,
van waar ik een uitmuntenden kijker medebracht, dien ik gewoonlijk
gebruikte; ik legde dien op de lantaarn en maakte mij gereed om den
gezichteinder te doorloopen, toen ik, nog voor ik den kijker goed
aan het oog had gebracht, hem mij met drift uit de hand voelde rukken.

Ik keerde mij om; kapitein Nemo stond voor mij, doch ik herkende
hem niet. Zijn gelaat was geheel veranderd, zijn oog schitterde
met doffen glans en was onder de samengetrokken wenkbrauwen bijna
onzichtbaar; zijne geopende lippen lieten de op elkander geperste
tanden gedeeltelijk zien; hij stond recht overeind met gebalde vuisten,
en opgetrokken schouders. Zijn geheele persoon teekende vreeselijken
haat; hij stond onbeweeglijk; hij had mijn kijker aan zijne voeten
laten vallen. Had ik zonder het te willen dien toorn opgewekt? Meende
die ondoorgrondelijke man dat ik eenig geheim doorgrond had, hetwelk
voor de gasten van de Nautilus verborgen moest blijven? Neen, ik
was het voorwerp niet van dien haat, want hij keek mij niet aan,
maar hield het oog gevestigd op het voor mij onzichtbare punt aan
den gezichteinder. Eindelijk werd kapitein Nemo zich zelven weer
meester. Zijn gelaat, dat zoo vreeselijk veranderd was, hernam zijne
gewone kalme uitdrukking. Hij zeide eenige woorden in vreemde taal
tegen zijn stuurman, en wendde zich toen, tot mij.

"Mijnheer Aronnax," zeide hij op gebiedenden toon, "ik eisch van u
de vervulling van eene voorwaarde, welke u aan mij bindt."

"Welke, kapitein?"

"Gij moet u met uwe makkers laten opsluiten tot op het oogenblik dat
het mij zal goeddunken u de vrijheid terug te geven."

"Gij zijt heer en meester," antwoordde ik hem, en keek hem strak aan;
"doch mag ik u eene vraag doen?"

"Neen, mijnheer."

Er viel hiertegen niets te zeggen, maar slechts te gehoorzamen,
omdat alle tegenstand onmogelijk was. Ik ging naar de hut van Ned
Land en Koenraad, wie ik het besluit van den kapitein mededeelde. Men
kan denken hoe die mededeeling door den Amerikaan ontvangen werd;
wij hadden overigens geen tijd tot eenige verklaring; vier matrozen
wachtten aan de deur, en brachten ons naar het vertrek, waar wij den
eersten nacht aan boord van de Nautilus hadden doorgebracht. Ned Land
wilde zich verzetten, doch als antwoord ging de deur achter ons dicht.

"Zal mijnheer mij kunnen zeggen, wat dit beteekent?" vroeg Koenraad.

Ik vertelde mijne makkers wat er gebeurd was. Zij waren evenals ik
verwonderd, maar begrepen er niets van. Ik bleef in een maalstroom
van gedachten verdiept, en de vreemde uitdrukking van het gelaat
des kapiteins wilde mij maar niet uit het hoofd. Ik was niet in
staat om geregeld te denken, en ik raakte verward in de meest dwaze
veronderstellingen, toen ik uit mijne droomerijen werd wakker geschud
door deze woorden van Ned Land:

"Kijk eens, het ontbijt staat op tafel."

Inderdaad. de tafel was gedekt; het was duidelijk dat de kapitein
daartoe bevel gegeven had op hetzelfde oogenblik toen hij den gang
van den Nautilus deed versnellen.

"Zal mijnheer het mij niet kwalijk nemen als ik hem een raad
geef?" vroeg Koenraad.

"Neen, mijn jongen!" antwoordde ik.

"Welnu, dan moet mijnheer ontbijten. Het is voorzichtig, want wij
weten niet wat er gebeuren kan."

"Gij hebt gelijk, Koen."

"Ongelukkig," zeide Ned Land, "heeft men ons slechts de gewone
scheepskost voorgezet."

"Zeg eens, vriend Ned," merkte Koenraad op, "wat zoudt ge wel gezegd
hebben, als er in het geheel niets stond?"

Deze woorden stopten den harpoenier den mond. Wij gingen aan tafel
en aten zonder verder een woord te spreken. Ik at weinig; Koenraad
deed zich, altijd uit voorzichtigheid, geweld aan, en hoezeer
Ned ook geprutteld had, zoo liet hij het zich toch goed smaken;
en toen het ontbijt gedaan was, ging ieder in een hoek zitten. Op
dat oogenblik ging het licht, waaronder wij zaten, plotseling uit,
en liet ons in de diepste duisternis. Ned sliep weldra in, en wat mij
vooral verwonderde, was dat Koenraad eveneens in slaap viel. Ik vroeg
mijzelven af, wat hem zoo vast had doen inslapen, toen ik zelf eenige
zwaarte op mijne oogleden begon te gevoelen. Mijne oogen, die ik met
geweld wilde open houden, sloten zich onwillekeurig. Ik was ten prooi
aan eene smartelijke zinsverbijstering; zeker had men een slaapmiddel
in de door ons genuttigde spijzen gemengd. Het was dus niet genoeg
om ons op te sluiten, ten einde ons het zien te beletten, men moest
ons ook in slaap hebben, om niets van des kapiteins plannen te hooren!

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.