A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Citigroup Cuts Estimates and Price Target on Amazon.com (AMZN) Due To Flat Online Retail Growth
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Farewell To Okada In PortHarcourt
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Books: Top executives to leave Random House
Citigroup is lowering estimates and its price target on Amazon.com (Nasdaq: AMZN), citing the comScore online retail report predicting a 0% Nov-Dec year-over-year growth. The firm lowered Amazon's Q4 year-over-year growth from 16% to 7% and Amazon's

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne



J >> Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15



Indien sommigen het slechts beschouwden als een wetenschappelijk
raadsel, hetwelk moest worden opgelost, dan dachten anderen vooral in
Amerika en Engeland, met vrij wat practischer zin er aan om den Oceaan
van dit vreeselijk monster te bevrijden, om de groote vaart daardoor te
beveiligen. Dagbladen en tijdschriften aan de belangen van nijverheid
en handel maar vooral aan het assurantiewezen gewijd, behandelden
de zaak voornamelijk uit dit oogpunt, en waren hierin eenstemmig;
de verzekeringmaatschappijen dreigden zelfs hare premien te verhoogen.

Toen de openbare meenig uitspraak gedaan had, verklaarden de Vereenigde
Staten zich het eerst. Men maakte te New-York toebereidselen voor een
tocht om den eenhoorn te vervolgen. Een fregat met eene spoor voorzien
en van groote snelheid, de Abraham Lincoln, werd uitgerust om zoodra
mogelijk zee te kiezen. De kapitein Farragut had vrije beschikking
over de tuighuizen, en hij maakte daarvan een goed gebruik om zijn
fregat zoo snel mogelijk uit te russen.

Zooals het wel eens meer gebeurt geschiedde het ook thans; toen
men besloten had om het monster te vervolgen, verscheen dit niet
meer. Gedurende twee maanden hoorde niemand er over spreken,
geen schip ontmoette het dier. Het was alsof die eenhoorn kennis
droeg van de samenzwering welke tegen hem gesmeed werd; men had er
zooveel over gesproken en zelfs door middel van den transatlantischen
telegraafkabel! Daarom beweerden enkele spotters dat die slimme kwant
eenig telegram had opgevangen, waarmede hij nu zijn voordeel deed.

Derhalve wist men niet waarheen het fregat gezonden moest worden, nu
het voor een verren tocht uitgerust--en van verbazende vischtoestellen
voorzien was. Men werd hoe langer hoe ongeduldiger toen men den 2den
Juli vernam dat de Tampico, eene boot van San Francisco naar Shangai,
het dier drie weken geleden wederom in het noordelijk gedeelte van
de Stille Zuidzee gezien had. De ontroering, welke deze tijding
veroorzaakte, was buitengemeen groot. Men liet den kapitein Farragut
geen vierentwintig uur beraad; zijne victualie was aan boord;
hij had kolen in overvloed, niemand ontbrak er op de scheepsrol,
hij behoefde zijn schip slechts onder stoom te brengen en het anker
te lichten; men zou hem een dag oponthoud kwalijk genomen hebben,
bovendien verlangde de kapitein niets liever dan te vertrekken.

Drie uur voordat de Abraham Lincoln van de kaai van Brooklijn werd
losgemaakt, ontving ik den volgenden brief:


Mijnheer, 3 Juli 1867.

"Indien gij lust gevoelt om den tocht met den Abraham Lincoln mede te
maken, zal de regeering der Vereenigde Staten met genoegen zien dat
Frankrijk daarbij door u vertegenwoordigd wordt. De Kapitein Faragut
heeft eene hut ter uwer beschikking.

Met de meeste hoogachting heb ik de eer te zijn.

Uw. Dw. Dienaar, J. B. Hobson, Secretaris aan het Departement van
Marine.

Den WelEdel Hoog Geleerden Heer den Heer Aronnax, professor aan het
museum te Parijs. Hotel der vijfde Avenue te New-York.


HOOFDSTUK III

De trouwe knecht.

Drie seconden voor ik den brief van den heer Hobson kreeg, dacht ik
er evenmin aan om den eenhoorn te vervolgen als om de Noordwestelijke
doorvaart te gaan zoeken, maar drie seconden na den brief te hebben
gelezen, begreep ik eindelijk dat mijne wezenlijke roeping, het
eenige doel van mijn leven was om dit onrustbarende monster op te
jagen en er de aarde van te bevrijden. Doch ik kwam pas van eene
moeilijke reis terug, was zeer afgemat en verlangde naar rust;
voor weinige oogenblikken reikhalsde ik er naar om mijn vaderland
en mijne vrienden terug te zien, en weder rustig in mijne kleine
woning in den Plantentuin te midden mijner kostbare verzamelingen te
zitten. Maar niets kon mij nu terughouden; ik vergat alle vermoeienis,
vrienden, verzamelingen, alles, en zonder er lang over te denken nam
ik het aanbod der Amerikaansche regeering aan. Overigens dacht ik,
dat elke andere weg mij ook wel naar Europa kon terugbrengen, en dat
de eenhoorn beleefd genoeg zou zijn om mij naar de Fransche kust te
voeren! Dat dier, hoopte ik, zou zich in de eene of andere Europeesche
zee, al was het alleen om mij genoegen te doen, wel laten vangen,
en dan bracht ik op zijn minst een halven meter van zijn ivoren hoorn
mede voor het museum van natuurlijke historie.

Maar intusschen moest ik het dier in het noordelijk deel der
Stille Zuidzee helpen opzoeken, en dat was zoo wat de weg naar onze
tegenvoeters in plaats van naar Frankrijk.

"Koen!" riep ik ongeduldig.

Koenraad was mijn knecht, een trouwe jongen, die mij op al mijne
reizen vergezelde; een brave Vlaming van wien ik veel hield, en die
mij met gelijke munt betaalde; hij was zeer bedaard van natuur,
nauwgezet van beginselen, ijverig uit gewoonte, verwonderde zich
bijna nimmer over eenig toeval in dit leven, was zeer handig,
geschikt voor allerlei diensten, en gaf, in spijt van zijn naam,
nimmer eenigen raad, zelfs als men er hem om vroeg. Door zijn verkeer
te midden van de geleerden van den Plantentuin had Koenraad ten slotte
nog al een en ander geleerd. Ik bezat in hem eene specialiteit voor
het verdeelen in klassen van voorwerpen uit de natuurlijke historie;
hij was bijzonder vlug in het ordenen van alle vertakkingen, groepen,
klassen, orden, familien, geslachten, soorten, verscheidenheden, maar
daartoe bepaalde zich ook zijne geheele kennis. Klassenverdeeling was
zijn leven, en hij wist niets meer. Hoe bekwaam ook in de theorie der
klassen, was hij het volstrekt niet in de practijk, en ik geloof dat
hij geen potvisch van een walvisch had kunnen onderscheiden. En toch
was het een brave en flinke jongen!

Koenraad was mij nu gedurende ongeveer tien jaar overal gevolgd waar
mijn wetenschappelijk onderzoek mij heen voerde. Nooit had hij eenige
aanmerking gemaakt over den langen duur of over de vermoeienis eener
reis; nimmer verstoutte hij zich een woord tegen te spreken als hij
zijn valies moest pakken om mij naar eenig land, China of Congo,
hoe ver afgelegen ook, te volgen. Hij trok overal mede heen, zonder
naar eenige reden te vragen. Overigens had hij een sterk gestel,
dat met alle kwalen den spot dreef; stevige spieren, maar geen zweem
van zenuwen--in zedelijken zin altijd.

Die jongen was dertig jaar oud; zijn leeftijd stond tot die van zijn
meester als 3 tot 4, ik behoef dus niet te zeggen dat ik 40 jaar oud
was. Koenraad had slechts een gebrek; hij nam de vormen tot in het
bespottelijke in acht, zoodat hij mij altijd in den derden persoon
aansprak--soms tot tergens toe.

"Koen!" riep ik nog eens, terwijl ik in koortsige haast toebereidselen
tot mijn vertrek begon te maken.

Ik was zeker van den trouwen jongen; gewoonlijk vroeg ik hem nooit
of hij mij op mijne reizen verkoos te volgen of niet, maar ditmaal
gold het een tocht, die tot in 't oneindige kon duren, en dan nog wel
een zeer gevaarlijken tocht om een dier te vervolgen, dat in staat
was om een fregat als een notedop te doen zinken! Er was wel reden
om er eens over na te denken, zelfs voor den kalmsten mensch van de
wereld. Wat zou Koenraad wel zeggen?

"Koen!" riep ik voor de derde maal.

Koenraad verscheen.

"Roept mijnheer mij?" vroeg hij binnenkomende.

"Ja mijn jongen. Pak mijn goed, en maak u gereed; wij vertrekken over
twee uur."

"Zoo als mijnheer belieft," antwoordde Koenraad bedaard.

"Wij hebben geen oogenblik te verliezen; stop zonder te tellen al
mijne reisbenoodigdheden in mijn koffer; kleeren, hemden, laarzen
zooveel als gij maar kunt, en haast u!"

"En mijnheers verzamelingen?" vroeg hij.

"Daar zal ik mij later mede bemoeien."

"Wat! de archiotheriums, hyracotheriums, oreodons, cheropotamussen
en andere skeletten?"

"Men zal die in 't logement wel voor mij bewaren."

"En mijnheers levende babiroussa?"

"Men zal die in mijne afwezigheid wel voeren. Bovendien zal ik order
geven om onze geheele menagerie naar Frankrijk te zenden."

"Keeren wij dus niet naar Parijs terug?" vroeg Koenraad.

"Ja ... zeker...." antwoordde ik eenigszins ontwijkend, "maar langs
een omweg."

"Zoo als mijnheer belieft."

"'t Is maar eene kleinigheid, een eenigszins minder rechte weg,
dat is alles; wij gaan met den Abraham Lincoln."

"Zooals mijnheer goedvindt," antwoordde Koenraad bedaard.

"Gij weet, mijn vriend, er is sprake van een monster ... een
verschrikkelijken eenhoorn,... wij gaan de zee er van bevrijden!... De
schrijver van een werk in twee quarto deelen over de "Geheimen van de
diepten der zee," mag niet nalaten om zich met kapitein Farragut in
te schepen. Een roemvolle tocht,... maar gevaarlijk ook. Men weet niet
waar men heen gaat. Die dieren kunnen allerlei grillen hebben; maar wij
gaan toch; wij hebben een kapitein, die goed uit zijne oogen kijkt."

"Zooals mijnheer doet, doe ik ook," zeide Koenraad.

"Denk er goed over na, want ik wil u niets verbergen; het is eene
reis waarvan men niet altijd terugkeert."

"Zooals mijnheer goedvindt."

Een kwartier daarna waren onze koffers gepakt: Koen was in een
ommezien gereed, en ik was zeker dat er niets vergeten was, want die
jongen rangschikte mijne hemden en bovenkleeren even goed als vogels
en zoogdieren.

De hijschmachine van het hotel bracht ons in den grooten gang; ik ging
een paar trappen lager naar het kantoor om mijne rekening te betalen;
ik gaf bevel om mijne opgezette dieren en gedroogde planten naar Parijs
te verzenden en om de babirousa te voeren, en stapte gevolgd door
Koenraad in een rijtuig. De wagen reed Broadway af naar Unionsquare,
volgde de Vierde Avenue tot aan hare vereeniging met de Bowerystraat,
sloeg toen de Katharinestraat in en hield bij den 34en steiger stil;
daarvandaan bracht ons de Katharinaboot met paarden en rijtuig over
naar Brooklyn, de groote voorhaven van New-York, hetwelk op den
linkeroever der Oost-rivier ligt, en in weinige minuten waren wij op
de kaai, waar de Abraham Lincoln vervaarlijke rookwolken door hare
beide schoorsteenen naar boven stuwde.

Onze bagage werd onmiddellijk op het dek van het fregat gebracht. Ik
haastte mij aan boord te komen en vroeg naar den kapitein. Een der
matrozen bracht mij op de kampanje, waar ik een officier vond met
een goed voorkomen, die mij de hand toestak.

"Mijnheer Pierre Aronnax?" vroeg hij.

"Dat ben ik," antwoordde ik hem. "Kapitein Farragut?"

"In eigen persoon. Wees welkom, mijnheer de professor; uw hut is voor
u gereed."

Ik groette hem, en liet den kapitein verder voor het uitzeilen zorgen,
terwijl ik mij de hut deed aanwijzen, welke voor mij bestemd was.

De Abraham Lincoln was voor hare nieuwe bestemming goed gekozen en
uitgerust. Het was een snelzeilend fregat, met eene machine, welke
eene stoomspanning van zeven atmosferen toeliet. Met deze drukking
had de Abraham Lincoln een gemiddelde snelheid van 18,3 kilometer
in het uur, eene aanzienlijke snelheid, maar onvoldoende om met den
reusachtigen visch te wedijveren.

De inwendige inrichting van het fregat beantwoordde aan het overige. Ik
was zeer tevreden over mijne hut, welke zich in het achterschip bevond
en uitkwam in het officierssalon.

"Wij zullen hier op ons gemak zijn," zeide ik tegen Koenraad.

"Even goed als een slak in haar schelp!" antwoordde Koenraad.

Ik liet Koenraad onze koffers behoorlijk plaatsen en ging zelf
weer naar boven om de toebereidselen tot de afvaart te zien. Op dit
oogenblik liet de kapitein de laatste trossen, welke het fregat aan
de kaai van Brooklijn bevestigden, losgooien. Als ik dus een kwartier
later gekomen was, zou het schip zonder mij vertrokken zijn, en ik
had dien buitengewonen, bovennatuurlijken en onwaarschijnlijken tocht
niet medegemaakt, waarvan het ware verhaal evenwel niet overal geloof
zal vinden. Maar de kapitein wilde geen dag, geen uur zelfs verliezen
om de zee te bereiken waar het dier het laatst gezien was. Hij liet
den machinist op het dek komen.

"Hebben wij drukking genoeg?" vroeg hij.

"Ja wel, mijnheer," antwoordde de machinist.

"Go head!" riep daarop kapitein Farragut.

Dit bevel werd naar de machinekamer overgebracht door middel van een
toestel met samengeperste lucht, en de onder-machinist draaide de kruk
om, welke de machine in beweging moest brengen; de stoom drong sissende
in de geopende pijpen; lange horizontale stampers zuchtten en brachten
de zuigerstang in beweging, de schroef draaide met toenemende snelheid
in het water rond, en de Abraham Lincoln stoomde statig voorwaarts, te
midden van een honderdtal kleine schepen en bootjes vol toeschouwers,
die het fregat uitgeleide deden.

De kaaien van Brooklyn en van New-York langs de Oostrivier wemelden
van nieuwsgierigen. De hoezee's van 500,000 monden barstten
achtereenvolgens los. Duizenden zakdoeken wuifden boven de dichte
menigte en riepen de Abraham Lincoln een laatst vaarwel toe,
totdat het schip in de Hudson kwam, tegenover het uiteinde van het
schiereiland, waarop New-York gebouwd is. Toen volgde het aan de zijde
van New-Jersey den schoonen, met buitenplaatsen bezaaiden rechteroever
van den stroom, en stoomde tusschen de forten door, welke het met
kanonschoten begroetten. De Abraham Lincoln beantwoordde dien groet
met het driemaal hijschen van de Amerikaansche vlag, waarvan de 39
sterren aan de bazaansmast prijkten; daarop verminderde het fregat
zijne snelheid om het afgebakende vaarwater te houden, hetwelk met
eene bocht door de binnenbaai bij Kaap Sandy-Hook loopt, en stoomde
strijkelings voorbij deze zandige landtong waar duizenden toeschouwers
het nog eens toewuifden.

De vloot van scheepjes en booten volgde het fregat nog altijd en
verliet het niet eer dan op de hoogte van het vuurschip, welks beide
lichten den ingang van het nauwe vaarwater te New-York aanduiden.

Het sloeg toen drie uur. De loods ging weer in zijne boot en roeide
naar den schoener, die hem onder den wind wachtte. De vuren werden
aangestookt, de schroef draaide sneller in de golven, het fregat liep
langs de gele en lage kust van Long-Island, en om acht uur des avonds
stoomde het met volle kracht over de grauwe golven van den Oceaan
voorwaarts na in het noordwesten de vuur-bakens van Fire-Island uit
het oog te hebben verloren.


HOOFDSTUK IV

Ned Land.

Kapitein Farragut was een flink zeeman, en het fregat waard dat hij
commandeerde. Zijn schip en hij vormden slechts een geheel; hij was
er de ziel van. Hij twijfelde geen oogenblik aan het bestaan van den
eenhoorn, en hij duldde niet dat men daarover aan boord twistte. Hij
geloofde er aan, zooals sommige oude wijven aan het bestaan van den
Leviathan gelooven, uit geloofsovertuiging, niet door redeneering. Het
monster bestond, hij zou er de zee van bevrijden, dit had hij
gezworen. Het was een soort van ridder van Rhodus, een Dieudonne
de Gozon, die de slang opzocht, welke dit eiland verwoestte. Of de
kapitein zou den eenhoorn dooden of dit dier zou den kapitein dooden;
een middelweg bestond er niet. De officieren deelden het gevoelen
van den commandant. Men had ze eens moeten hooren spreken over de
verschillende kansen eener ontmoeting, en den uitgestrekten Oceaan zien
bekijken. Meer dan een hield vrijwillig de wacht op de bramsteng,
die zulk een baantje onder andere omstandigheden zou verwenscht
hebben. Zoolang de zon hare dagelijksche loopbaan aan den hemel
beschreef, zat het want vol matrozen, wien de planken onder de voeten
brandden zoodat zij op het dek niet konden blijven staan. En toch
kliefde de Abraham Lincoln de golven van den Grooten Oceaan nog niet!

Wat de equipage betrof, deze verlangde niets liever dan om den
eenhoorn te ontmoeten, hem te harpoenen, aan boord te hijschen en
aan stukken te snijden; de matrozen bekeken de zee met bijzondere
oplettendheid. Bovendien had de kapitein gesproken van eene som van
2000 dollars, welke uitbetaald zou worden aan iedereen, matroos of
kajuitsjongen, bootsman of officier, die het dier zou aanwijzen. Men
kan denken hoe de oogen aan boord van de Abraham Lincoln zich
inspanden.

Ik voor mij bleef bij de overigen niet achter, en ik liet aan
niemand mijn aandeel in het dagelijksch uitkijken over. Het fregat
zou honderdmaal eerder Argus hebben moeten heeten. Koenraad alleen
was onverschillig voor de zaak, welke ons allen gespannen hield,
en deelde niet in de algemeene geestdrift.

Ik heb reeds gezegd dat kapitein Farragut het fregat zorgvuldig
voorzien had van allerlei werktuigen om den grooten visch te
vangen. Een walvischvaarder zou niet beter zijn uitgerust. Wij hadden
alle mogelijke instrumenten, van den harpoen, die met de hand geworpen
wordt, tot de met weerhaken voorziene pijlen, die door donderbussen, en
de ontplofbare kogels, welke door ganzenroeren worden afgeschoten. Op
den voorsteven stond een voortreffelijk achterlaadkanon, met dikke
wanden en nauwe ziel, waarvan een model op de tentoonstelling van 1867
zou worden ingezonden. Dit prachtige stuk geschut van Amerikaanschen
oorsprong slingerde een puntkogel van vier kilogram op een gemiddelden
afstand van zestien kilometer.

De Abraham Lincoln miste dus geen enkel vernielingswerktuig, maar
zij had nog beter, namelijk Ned Land den koning der harpoeniers.

Ned Land was uit Canada afkomstig, en wist zoo buitengemeen handig
met den harpoen om te gaan, dat hij in dat gevaarlijk bedrijf zijn
gelijke niet had. Hij was behendig en koelbloedig, stout en listig
in de hoogste mate, en het moest wel een slimme walvisch, of een
bijzonder listige potvisch zijn, die aan zijn harpoen ontsnapte. Ned
Land was omstreeks veertig jaar oud; hij had eene lengte van meer
dan zes Engelsche voet, was forsch gebouwd, had een ernstig gelaat,
sprak weinig, was soms erg driftig en werd zelfs woedend als men hem
tegenwerkte. Zijn persoon trok de opmerkzaamheid tot zich, en zijn
doordringend oog gaf eene zonderlinge uitdrukking aan zijn gelaat.

Ik geloof dat de kapitein wijs gehandeld had met dien man voor den
tocht aan te werven. Hij was, wat de scherpte van zijn blik en de
kracht van zijn arm aangaat, alleen eene geheele equipage waard. Ik kan
hem nergens beter bij vergelijken dan bij een krachtigen verrekijker,
die tegelijk voor kanon kan dienen.

Wie van Canada spreekt denkt aan Frankrijk, en hoe weinig Ned Land
zich ook met anderen bemoeide, moet ik toch bekennen dat hij eene
zekere vriendschap voor mij opvatte. Mijne afkomst trok hem zeker aan;
hij had daardoor gelegenheid die oude taal van Rabelais te spreken,
welke in sommige streken van Canada nog in gebruik is, en die ik
zoo gaarne hoorde. Het geslacht van den harpoenier was uit Quebec
afkomstig, en telde reeds tal van stoutmoedige visschers in den tijd
toen deze stad aan Frankrijk behoorde.

Ned kreeg langzamerhand meer lust in het praten, en ik hoorde gaarne
het verhaal zijner avonturen in de Poolzeeen. In de verhalen van
zijne vischvangsten en gevechten ademde eene natuurlijke poezie;
zijne geschiedenissen kregen den vorm van heldendichten, en
tusschenbeiden dacht ik een Canadaschen Homerus te hooren, die de
Ilias der poolstreken zong.

Ik beschrijf dien stoutmoedigen makker zooals ik hem nu ken. Wij
zijn oude vrienden geworden, en verbonden door een onverbreekbaren
vriendschapsband, zooals slechts de verschrikkelijkste gebeurtenissen
kan in 't leven roepen! Ik zou honderd jaar willen leven, dappere Ned,
om mij uwer des te langer te kunnen herinneren!

En hoedanig was nu het gevoelen van Ned Land over het zeemonster? Ik
moet bekennen dat hij niet aan den eenhoorn geloofde, en dat hij de
eenige aan boord was, die de algemeene overtuiging niet deelde. Hij
vermeed het zelfs om over die zaak te spreken, waarover ik evenwel
hoopte hem wel eens aan 't praten te krijgen.

Op een prachtigen avond (30 Juni), drie weken na ons vertrek, was
ons fregat op de hoogte van de Witte Kaap, dertig kilometer van de
kust van Patagonie. Wij waren den Steenbokskeerkring gepasseerd, en
de straat van Magelhaen lag op iets minder dan 700 kilometer meer
zuidwaarts. Voor er acht dagen om waren zou de Abraham Lincoln de
golven der Stille Zuidzee klieven.

Op de kampanje gezeten, praatten Ned Land en ik over koetjes
en kalfjes, terwijl wij onze blikken over die geheimzinnige zee
lieten dwalen, wier diepten tot nog toe voor den menschelijken blik
ondoordringbaar waren gebleven. Ik bracht zeer natuurlijk het gesprek
op den reusachtigen eenhoorn, en ik ging de verschillende kansen van
het al of niet gelukken onzer onderneming na. Toen ik zag dat Ned
mij slechts liet praten zonder zelf iets te zeggen, ging ik meer op
den man af.

"Hoe komt het toch Ned," vroeg ik, "dat gij niet overtuigd zijt
van het bestaan van den eenhoorn, dien wij vervolgen? Hebt gij dan
bijzondere redenen om zoo ongeloovig te zijn?"

De harpoenier keek mij eenige oogenblikken aan voor hij een antwoord
gaf; drukte zooals hij gewoonlijk deed de breede hand tegen het
voorhoofd, kneep de oogen toe als om een besluit te nemen, en zeide
eindelijk:

"Misschien wel, mijnheer Aronnax."

"Komaan Ned, gij een walvischvaarder van uw ambacht, gij die met
de groote zoogdieren der zee gemeenzaam geworden zijt, gij die u
gemakkelijk het bestaan van zulke monsters verbeelden kunt, gij moest
de laatste zijn van onder zulke omstandigheden nog twijfel te voeden."

"Daarin bedriegt gij u juist, mijnheer de professor," antwoordde
Ned. "Het domme volk moge geloof slaan aan buitengewone kometen, die
door het hemelruim vliegen, of aan het bestaan van voorwereldlijke
monsters, die nog binnen in de aarde leven, ik laat dat gaan, maar
sterrekundigen noch geologen hechten aan zulke hersenschimmen; met een
walvischvaarder is dit hetzelfde geval. Ik heb er al heel wat vervolgd,
een groot aantal met mijn harpoen getroffen, verscheidene gedood,
maar hoe sterk of hoe goed gewapend zij ook waren, noch hun staart
noch hun tanden of andere verdedigingsmiddelen zouden de ijzeren
platen van een stoomschip ooit hebben kunnen aantasten."

"Maar toch Ned noemt men schepen, die door den eenhoorn doorboord
zijn."

"Houten schepen, dat is mogelijk, maar ik heb ze nooit gezien. Zoolang
ik niet van het tegendeel overtuigd word, ontken ik dat walvisschen,
potvisschen of eenhoorns zoo iets zouden kunnen doen."

"Hoor eens Ned...."

"Neen mijnheer, neen; al wat gij wilt, maar dat nooit. Misschien een
reusachtige polyp?"

"Nog minder Ned. De polyp is een weekdier, en die naam alleen doet u
reeds hooren hoe weinig vastheid haar vleesch heeft. Al was zij ook 500
voet lang, dan nog zou de polyp, die niet tot de klasse der gewervelde
dieren behoort, geheel onschadelijk zijn voor schepen als de Scotia
en de Abraham Lincoln. Verhalen van Kraken of andere monsters van die
soort moet men dan ook geheel naar het gebied der fabelen verbannen.

"Dus mijnheer de natuurkenner, houdt gij het er voor," hernam Ned
Land met ietwat spotachtigs in zijn toon, "dat zulk een groote
eenhoorn bestaat...?"

"Ja Ned, en ik herhaal dit met eene overtuiging, die op feiten
berust. Ik geloof aan het bestaan van een krachtig ontwikkeld zoogdier,
dat tot de gewervelde dieren behoort, zooals walvisschen, potvisschen,
en dolfijnen, en dat met een buitengewoon sterken hoorn voorzien is."

De harpoenier liet een "hm!" hooren, terwijl hij met het hoofd schudde
als iemand, die zich niet wil laten overtuigen.

"Vergeet niet," hernam ik, "dat als zulk een dier bestaat, als het
de diepten van den Oceaan bewoont, als het eenige kilometers onder
de oppervlakte der zee zwemmen kan, dat het dan noodzakelijk een
samenstel hebben moet, welks kracht alle vergelijking te boven gaat."

"En waarom dan?" vroeg Ned.

"Omdat er eene onberekenbare kracht noodig is om zich in zulk eene
groote diepte op te houden, en aan den druk van de massa water boven
zich weerstand te bieden."

"Zoo?" zeide Ned terwijl hij mij aankeek en een oogje knipte.

"Zeker, en eenige cijfers kunnen u dit gemakkelijk bewijzen."

"O cijfers!" antwoordde Ned, "daar doet men mede wat men wil."

"In handelszaken is dit mogelijk Ned, maar niet in de wiskunde. Hoor
slechts: laat ons aannemen dat de drukking van den dampkring wordt
voorgesteld door den druk van eene kolom water van 32 voet hoog;
in wezenlijkheid zou de kolom minder hoog zijn, omdat wij hier
te doen hebben met zeewater, waarvan de dichtheid veel grooter is
dan van zoet water; welnu Ned, evenveel maal 32 voet als gij naar
beneden duikt, even zooveel atmosferen drukken er dan op uw lichaam,
of een even groot aantal kilogrammen op elken vierkanten centimeter
van de oppervlakte uws lichaams. Daarom volgt dat op eene diepte van
320 voet die drukking gelijk staat met die van tien atmosferen, en
als men eene diepte van 32000 voet of ruim tien kilometer bereiken
kon, dan zouden er duizend atmosferen op u drukken; elke vierkante
centimeter derhalve van uwe lichaamsoppervlakte zou een gewicht te
dragen hebben van duizend kilogram; en weet gij nu wel, mijn dappere
Ned, hoeveel vierkante centimeters die oppervlakte bedraagt?"

"In het geheel niet, mijnheer Aronnax."

"Ongeveer 17000."

"Nog zooveel?"

"En daar in de werkelijkheid de drukking van den dampkring nog iets
meer is dan een kilogram op de vierkante centimeter, zoo dragen uwe
17000 vierkante centimeter op dit oogenblik een gewicht van 17568
kilogram."

"Zonder dat ik er iets van merk?"

"Zonder dat gij het bemerkt. En dat gij door zulk een drukking niet
verpletterd wordt, komt omdat de lucht met een even groote drukking
in uw lichaam doordringt, van daar een volmaakt evenwicht hetwelk het
u gemakkelijk doet dragen; maar in het water is het een ander ding."

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.