20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne
J >>
Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15
"Ja wel, dat begrijp ik," antwoordde Ned, die wat oplettender was
geworden, "omdat het water mij omringt, en niet in mijn lichaam
doordringt."
"Juist Ned; derhalve ondergaat gij 32 voet onder water eene drukking
van 17568 kilogram; en zoo voortgaande hebt gij bijvoorbeeld op
eene diepte van 32000 voet een gewicht op u van 17,568,000 kilogram,
gij zoudt dan zoo platgedrukt zijn, alsof gij uit eene hydraulische
pers kwaamt."
"Drommels," zeide Ned.
"Welnu mijn waarde harpoenier, als gewervelde dieren van eenige
honderden meter lang, en dik naar evenredigheid, zich in zulke diepten
ophielden, zouden zij omdat de oppervlakte van hun lichaam zooveel
grooter is, een gewicht van millioenen maal millioenen kilogrammen te
dragen hebben; en bereken dan maar eens welk een weerstandsvermogen
hun skelet en welke kracht hun samenstel hebben moet om zulk eene
drukking te weerstaan."
"Dan zouden ze van achtduims staalplaten gemaakt moeten zijn, zooals
de gepantserde fregatten."
"Zoo is het Ned, en denk dan eens aan de verwoesting, welke zulk een
massa kan te weeg brengen, als zij met de snelheid van een spoortrein
tegen den romp van een schip aankomt."
"Ja ... inderdaad ... misschien", antwoordde Ned, in de war gebracht
door de cijfers, hoewel hij zich nog niet wilde gewonnen geven.
"Welnu, heb ik u overtuigd?"
"Gij hebt mij van eene zaak overtuigd, mijnheer de natuurkenner,
en dat is dat als zulke dieren in de diepten der zee bestaan, zij
noodzakelijk zoo sterk moeten zijn als gij zegt."
"Maar als zij niet bestaan, koppige harpoenier, hoe verklaart gij
dan het ongeluk van de Scotia?"
"Het is misschien...." zeide Ned aarzelend.
"Wat dan?"
"Omdat ... omdat het niet waar is!" antwoordde Ned, terwijl hij
zonder het te weten een beroemd antwoord van Arago herhaalde. Doch
dit antwoord bewees de stijfhoofdigheid van den harpoenier en anders
niets. Dien dag klampte ik hem niet verder aan boord. Het gebeurde
met de Scotia kon niet ontkend worden; het gat bestond, en men had dit
moeten dicht maken, dat wel het beste bewijs zal zijn voor het bestaan
van het lek. Dat gat was er niet van zelf ingekomen, en omdat het
niet door onderzeesche rotspunten of onzichtbare vernielingswerktuigen
er ingeboord was, moest het natuurlijk aan het werktuig van een dier
worden toegeschreven.
Volgens mij was het dier om alle opgesomde redenen een eenhoorn; om
dien behoorlijk te kennen moest men het onbekende monster in stukken
kunnen snijden; om het stuk te snijden moest men het vangen; om het te
vangen harpoenen, en dat was de zaak van Ned Land, om het te harpoenen
zien, dat was de zaak van de equipage, en om het te zien ontmoeten,
dat was de zaak van het toeval.
HOOFDSTUK V
Op avontuur.
De reis van de Abraham Lincoln werd gedurende eenigen tijd door
niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Ned
Land een proefje van zijne bewonderenswaardige handigheid toonde,
en dat bewees welk vertrouwen men in hem stellen kon.
Op de hoogte van de Malouinen, praaide het fregat op 30 Juni
Amerikaansche walvischvaarders, die ons verzekerden dat zij niets van
den eenhoorn gemerkt hadden. Maar toen een hunner, de kapitein van
de Monroe, hoorde dat Ned Land bij ons aan boord was, verzocht hij
om zijne hulp om een walvisch te vangen, die in het gezicht was. Onze
kapitein, die begeerig was om Ned Land eens in zijne kracht te zien,
gaf hem verlof om aan boord van de Monroe te gaan. En het toeval
begunstigde Ned zoo zeer dat hij in plaats van een, twee walvisschen
harpoende; den eenen trof hij midden in het hart, en van den anderen
maakte hij zich na eene vervolging van weinige minuten meester. Als
het monster ooit onder het bereik kwam van Neds harpoen zou ik waarlijk
geene weddenschap voor het monster hebben willen aangaan.
Het fregat stoomde met bijzondere snelheid langs de zuidoost-kust
van Amerika. Den 3den Juli waren wij voor de straat van Magelhaen
op de hoogte van de Maagdenkaap. De kapitein wilde zich echter
liever niet in deze bochtige doorvaart wagen, en veeleer Kaap
Hoorn omzeilen. De equipage gaf hem eenparig gelijk; en inderdaad,
was het wel waarschijnlijk dat wij den eenhoorn in die nauwe straat
ontmoetten? Verscheidene matrozen verzekerden dat het dier er niet
door kon, "omdat het er te dik voor was!"
Op den zesden Juli zeilde de Abraham Lincoln op 15 kilometer om
de zuid van het eenzame rotseilandje, dat zoo verloren tegenover
het uiteinde van het Amerikaansche vasteland ligt en waaraan de
Hollandsche zeevaarder Schouten den naam van zijne vaderstad Hoorn
gaf. De steven werd naar het noordoosten gewend en den volgenden dag
kliefde het fregat eindelijk de golven van de Stille Zuidzee.
"Nu de kijkgaten open!" zeiden de matrozen op de Abraham Lincoln,
en zij spalkten de oogen wijd op. Men gunde oogen en kijkers geen
oogenblik rust, omdat elk begeerig was naar den uitgeloofden prijs
van 2000 dollars voor hem, die het monster het eerste zag. Nacht en
dag liet men het oog over het vlak der zee weiden; en zij die beter
bij nacht dan bij dag konden zien, deden al hun best om den prijs te
verdienen, waardoor de kans om het monster te ontdekken 50 percent
grooter werd.
Hoewel geene geldelijke belooning mij aanzette, was ik toch niet de
minst oplettende aan boord. Ik besteedde maar enkele minuten aan mijn
middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillig voor
regen of wind, en van het dek niet af te slaan. Dan hing ik eens voor
dan achter op het dek over de verschansing, en staarde met begeerige
blikken op 't schuimende kielwater, dat zoover het oog reikte achter
het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering
van de officieren en van de equipage als een dartele walvisch soms
zijn zwarten rug uit de golven omhoog stak. In een oogenblik was
dan het dek vol; officieren en matrozen stormden door de luiken
naar boven. Elk staarde met hijgende borst en vorschend oog naar den
gang van het dier. Ik keek zelf alsof ik er mijn netvlies bij wilde
verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaard en
kalm tot mij zeide:
"Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijne oogen minder wijd open te
spalken, dan zou mijnheer vrij wat beter kunnen zien."
Maar ijdele hoop! De Abraham Lincoln veranderde van koers, stoomde
op het aangewezen dier los, en als men het naderde bleek het slechts
een gewone walvisch of gemeene potvisch te zijn, die weldra onder
tal van verwenschingen verdween.
Het weer bleef echter goed en de reis werd onder de gunstigste
omstandigheden voortgezet. Het slechte jaargetijde was anders in
die streken ingevallen, want de maand Juli komt daar met onze maand
Januari overeen; maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grooten
afstand overzien.
Ned Land toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof; hij hield
zich zelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht
had--ten minste als er geen walvisch in het gezicht was. En toch zou
zijn scherp oog groote diensten hebben kunnen bewijzen. Maar gedurende
acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijne hut, waar
hij las of sliep. Honderdmaal verweet ik hem zijne onverschilligheid.
"Och, kom," antwoordde hij "er is niemendal, mijnheer Aronnax,
en al was er eens een beest, welke kans hebben wij dan nog om het
te zien? Dwalen wij niet op avontuur rond? Men heeft, zegt men, dat
ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien, ik wil dat eens aannemen;
maar er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan sedert dit gebeurd
is, en als ik let op den aard van uw eenhoorn dan houdt hij er niet
van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer
gemakkelijk; welnu, gij weet het beter dan ik, mijnheer de professor,
de natuur doet niets in verkeerden zin, en zij zou aan geen dier
dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen,
als het beest dit niet noodig had; als derhalve uw dier bestaat,
is het reeds ver weg."
Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar, wij zochten in
den blinde rond; maar hoe kon het anders? Onze kansen waren dus zeer
gering. Echter twijfelde niemand nog aan een goeden uitslag, en elk
matroos aan boord zou eene weddenschap hebben willen aangaan dat de
eenhoorn bestond en weldra zou opdagen.
Den 20sten Juli passeerden wij op 105 deg. W.L. den Steenbokskeerkring,
en den 27sten van diezelfde maand den evenaar op 110 deg. W.L. Toen
hiervan hoogte was genomen, richtte het fregat zijn koers meer naar
het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van den Grooten
Oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste
gedeelte van den Oceaan te bevaren, en zich van het vasteland of de
eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te
vermijden, "zonder twijfel omdat hij daar geen water genoeg heeft,"
zeide de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben stoomde het
fregat in de verte langs de Pomotu-eilanden, de Markiezen- en de
Sandwichseilanden, passeerde den Kreeftskeerkring op 132 deg. W.L.,
en zette koers naar de Chineesche zee. Eindelijk waren wij dan in
die streken, waar het monster zich het laatst vertoond had; om de
waarheid te zeggen, men had aan boord maar een half leven. Elks hart
klopte vreeselijk en menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg
eene ongeneeslijke kwaal op den hals; de geheele equipage verkeerde
in zulk eene zenuwachtige spanning dat men er zich ter nauwernood
een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, men sliep bijna niet,
twintig keer daags veroorzaakte eene vergissing of een zinsbedrog
van een der matrozen in de raas eene ondraaglijke teleurstelling,
en die zoo dikwijls herhaalde aandoeningen hielden ons voortdurend
in een staat van al te groote opgewondenheid dan dat er niet spoedig
eene reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende
drie maanden, waarvan elke dag eene eeuw duurde, kliefde de Abraham
Lincoln de golven van het noordelijk deel der Stille Zuidzee; het
fregat vervolgde walvisschen, maakte eensklaps allerlei omwegen, ging
soms plotseling over stag of keerde op zijn koers terug, spande alle
stoomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen, en liet
geen enkel punt van de zee tusschen Japan en Amerika onbezocht. En
niets! niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee! niets
wat geleek op een reusachtigen eenhoorn of op eene onderzeesche rots,
of op een wrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het
ook zij!
Er was dus reactie; moedeloosheid maakte zich van elkeen meester,
en opende ruim baan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich
van het scheepsvolk meester, dat voor drie tienden uit schaamte
en voor zeven tienden uit woede bestond. Men was dom genoeg om
zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak er over
in toorn. Plotseling stortten alle bewijzen in elkander, welke men
sedert een jaar had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om
in te halen, wat men door opoffering van tijd aan eten en slaap was te
kort gekomen. Met de natuurlijke wispelturigheid van den menschelijken
geest wierp men zich van het eene uiterste op het andere. De warmste
voorstanders van de onderneming werden noodlottigerwijze hare hevigste
tegenstanders. De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage en
drong eindelijk zelfs bij de officieren door; zonder eene bijzondere
stijfhoofdigheid van den kapitein zou het fregat zeker den steven
weder naar het zuiden hebben gewend.
Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet;
de Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daar alles gedaan was
om te slagen. Geene equipage van eenig Amerikaansch schip toonde ooit
zooveel geduld en zooveel ijver; het mislukken kon haar niet geweten
worden; men kon niets anders doen dan terugkeeren.
Er werd een verzoek in dien zin aan den kapitein gericht; hij hield
zich evenwel goed; de matrozen ontveinsden hunne ontevredenheid niet,
en de dienst leed er onder. Ik zal niet zeggen dat er een opstand
aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand
had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen
uitstel. Indien in dien tijd het monster niet verschenen was zou de
Abraham Lincoln naar den Atlantischen Oceaan terug keeren.
Deze belofte werd op den 2den November gedaan; zij had ten
minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig
door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde
oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan;
de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog
gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze
kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te
verschijnen.
Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom;
men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier
op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het
geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke
stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot
groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting
rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt
der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4den November kwam,
zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des
middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein,
als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en
de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat
bevond zich toen op 31 deg. 15' N.B. en 136 deg. 42' W.L. De Japansche
kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis
viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der
maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm
tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik
op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij,
en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den
horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner
werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende
duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der
maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder
alle licht in de duisternis van den nacht.
Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen
eenigermate onder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende
het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel
van nieuwsgierigheid.
"Komaan Koen," zeide ik, "nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid
om 2000 dollars in uw zak te steken."
"Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen," antwoordde Koenraad,
"dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie
kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen
duit armer door zijn geworden."
"Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons
te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan,
wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds
naar Frankrijk zijn teruggekeerd...."
"In mijnheers kleine kamer," antwoordde Koenraad, "in mijnheers
museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben
gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin
reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken."
"Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk
zal uitlachen."
"Zeker," antwoordde Koenraad bedaard, "ik denk wel dat men mijnheer
zal uitlachen, en--mag ik het zeggen?
"Wel zeker, Koen."
"Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient."
"Waarlijk?"
"Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet
bloot aan...."
Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene
stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land,
die schreeuwde:
"Ohe, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!"
HOOFDSTUK VI
Met vollen stoom.
Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier;
kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs
de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den
steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep
nog slechts langzaam vooruit.
Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook
waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezien had;
mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet
bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees.
Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham
Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet
het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich
daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder
het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren
glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins
gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote
lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte
beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden
zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans
langzamerhand verminderde.
"Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes," riep een
van de officieren.
"Neen mijnheer," antwoordde ik met overtuiging, "nooit hebben
steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans
moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens,
het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren
... het snelt naar ons toe!"
Een algemeene kreet verhief zich van het fregat.
"Stilte," beval de kapitein, "het roer in den wind, achteruit!"
De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze
werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde
wendende, beschreef een halven cirkel.
"Roer recht! Vooruit!" riep de kapitein.
Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde
zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het
wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met
dubbele snelheid.
Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom
en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het
fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde
het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop
verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende
streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van
een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den
gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp
het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield
eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht
uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde
niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien
schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen
het aan de andere zijde van het fregat, hetzij dat het er omheen was
gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik
kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn.
Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat;
het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf
vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op
zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing
te lezen.
"Mijnheer Aronnax," antwoordde hij, "ik weet niet met welk
verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze
duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende
dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht
afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen."
"Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?"
"Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn,
maar een electrieke tevens."
"Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?"
"Misschien," antwoordde de kapitein, "maar als het electrieke kracht
bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper
ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer."
De geheele equipage bleef des nachts op de been; niemand dacht
aan slapen. De Abraham Lincoln kon niet het dier in snelheid niet
wedijveren, daarom had het fregat zijn gang verminderd en bleef onder
halven stoom. Van zijn kant deed de eenhoorn hetzelfde; hij liet zich
door de golven voortwiegen en scheen vast besloten om het tooneel van
den strijd niet te verlaten. Omstreeks middernacht verdween hij, of
liever om een juister uitdrukking te bezigen "ging hij uit" evenals
een groote glimworm. Was hij gevlucht? men moest het vreezen, maar
niet hopen. Nog geen uur later liet zich een verdoovend gesis hooren,
gelijk aan dat, hetwelk eene kolom water veroorzaakt, welke ergens
met geweld wordt uitgespoten.
De kapitein, Ned Land en ik stonden op dat oogenblik op de kampanje,
en wierpen nieuwsgierige blikken in de dikke duisternis.
"Ned Land," vroeg de kapitein, "hebt gij dikwijls het geblaas van
walvisschen gehoord?"
"Dikwijls kapitein, maar nooit van een dier, welks gezicht alleen
mij 2000 dollars opbracht."
"Het is waar ook, gij hebt recht op die belooning. Maar zeg mij eens,
is dat geraas niet hetzelfde hetwelk de walvisschen maken, als zij
het water door hunne kieuwen uitblazen?"
"Hetzelfde kapitein, maar dit is oneindig sterker. Men kan er zich
dan ook niet in vergissen; het is wel eene soort van walvisch,
die zich in ons vaarwater ophoudt. Als gij het goed vindt kapitein,
zullen wij morgen met het aanbreken van den dag een paar woorden met
hem wisselen."
"Als hij u ten minste wil aanhooren, Ned," antwoordde ik op
ongeloovigen toon.
"Laat ik hem maar eens op vier harpoenlengten kunnen naderen," voegde
Ned er bij, "dan zal hij mij wel moeten aanhooren."
"Maar om hem te naderen, moet ik vast eene walvischsloep ter uwer
beschikking stellen?" hernam de kapitein.
"Zeker kapitein."
"Dan zet ik het leven van mijne matrozen op het spel."
"En het mijne!" antwoordde de harpoenier dood eenvoudig.
Om twee uur des morgens verscheen het licht op nieuw,
maar minder helder, op vijf mijl in den wind van de Abraham
Lincoln. Niettegenstaande den afstand en het geraas van wind en zee,
hoorde men het dier duidelijk met den vreeselijken staart slaan,
en zelfs ademhalen. Het scheen dat als het beest aan het oppervlak
der zee kwam om adem te halen, de lucht met zooveel geweld in zijne
longen drong, als de stoom in de groote ketels van eene machine van
2000 paardekracht.
"Nu," dacht ik, "een walvisch zoo sterk als een regiment ruiterij,
dat is nog al zoo iets!"
Men bleef tot aan het aanbreken van den dag op zijne hoede en
bereidde zich voor op den strijd. De vischtoestellen werden langs de
verschansingen gereed gemaakt. De tweede stuurman liet de donderbussen
laden, die een harpoen een kilometer ver werpen, en lange ganzenroeren
met ontplofbare kogels gereed maken, welker wond doodelijk is, zelfs
voor de grootste dieren. Ned Land had zich vergenoegd met zijn harpoen
klaar te maken, een vreeselijk wapen in zijne hand.
Om zes uur begon de dag aan te breken, en bij de eerste stralen van
het morgenlicht verdween de electrieke glans van den eenhoorn. Om
zeven uur was het helder dag, maar een dikke nevel belette ver om
zich heen te zien, en de beste kijkers konden er niet doorheen boren;
dientengevolge was men aan boord teleurgesteld en boos.
Ik klom in den bezaansmast; eenige officieren zaten reeds in de toppen
der masten. Om acht uur begon de mist langzaam op te trekken. De
gezichteinder verwijdde zich en werd helder, evenals den vorigen dag
liet zich nu plotseling de stem van Ned Land hooren: "Daar is het ding
weer, achter ons, aan bakboord," riep de harpoenier. Aller blikken
richtten zich naar het aangewezen punt. Daar stak op anderhalven
kilometer van het fregat een langwerpig zwart lichaam uit de golven;
het dier sloeg geweldig met den staart en liet eene massa zog achter
zich. Nimmer nog was de zee met zulk eene kracht door een staart in
beweging gebracht; eene lange streep helder wit schuim duidde den
weg van het dier aan en beschreef eene lange bocht.
Het fregat naderde den visch; ik beschouwde het beest zoo nauwkeurig
mogelijk. De rapporten van de Shannon en de Helvetia hadden de
afmetingen wat vergroot, en ik hield het er voor, dat het beest
slechts 250 voet lang was. Moeielijk kon ik nagaan hoe dik het was,
maar het dier scheen mij over het algemeen in zijne afmetingen goed
gevormd te zijn.
Terwijl ik dit wonderbare verschijnsel stond te bekijken, spoot het
twee stralen damp en water tot op eene hoogte van 40 meter op; ik
maakte daaruit en uit al het andere op, dat het tot de gewervelde
zoogdieren behoorde, tot welke familie het moest gerekend worden,
wist ik nog niet, omdat er drie familien waren, waartoe het behooren
kon, namelijk die der walvisschen, der potvisschen en der dolfijnen,
waartoe ook de eenhoorns gerekend worden; elk van die familien is
weder in verschillende geslachten ingedeeld, de geslachten in soorten,
de soorten in verschillende onderdeelen, dat alles was mij van dit
dier nog onbekend, maar ik hoopte er achter te komen met de hulp des
Hemels en van kapitein Farragut.
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15