A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Layoffs at Random House, Simon & Schuster
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Citigroup Cuts Estimates and Price Target on Amazon.com (AMZN) Due To Flat Online Retail Growth
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Farewell To Okada In PortHarcourt
'Yes, Virginia, book publishing is NOT recession proof,' said Patricia Schroeder, president and chief executive officer of the Association of American Publishers. 'It's sad day.' At Random House, the country's largest general trade publisher, the man who

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne



J >> Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15



De equipage wachtte ongeduldig de bevelen van den kapitein af; toen
deze het dier nauwkeurig bekeken had, liet hij den machinist roepen;
deze kwam: "Mijnheer," vroeg de kapitein, "hebt gij stoom genoeg!"

"Jawel kapitein," was het antwoord.

Drie hoezee's volgden op dit bevel. Het uur van den strijd had
geslagen; eenige oogenblikken later braakten de beide schoorsteenen
van het fregat wolken zwarten rook uit, en het dek trilde onder de
heftige beweging der machine.

De Abraham Lincoln, door zijne sterke schroef vooruitgestuwd, stoomde
recht op het dier aan. Dit liet zich tot op eene halve kabellengte
naderen; toen nam het den schijn aan van niet eens te willen duiken,
maar zoowat te vluchten, en stelde zich tevreden met den afstand
te bewaren. Deze vervolging duurde ongeveer drie kwartier, zonder
dat het fregat twee vadem op het dier won; het was dus duidelijk,
dat door zoo voort te gaan men het nooit bereiken zou. De kapitein
trok zich woedend aan den baard.

"Ned Land!" riep hij; deze kwam op dit bevel.

"Zeg eens, Land," vroeg de kapitein, "raadt gij mij nog aan de sloepen
in zee te laten?"

"Neen kapitein," antwoordde Ned, "want dat dier zal zich niet laten
vangen dan als het wil."

"Wat dan te doen?"

"Als gij kunt nog harder stoomen, kapitein; indien gij het mij toestaat
ga ik op den boegspriet zitten, en als ik er dan kans toe zie, zal
ik het mijn harpoen in 't lijf gooien."

"Ga je gang," antwoordde de kapitein. "Machinist" riep hij toen,
"vermeerder de drukking!"

Ned Land ging op zijn post zitten. Het vuur werd ferm aangestookt,
de schroef draaide 43 maal in de minuut en de stoom perste door
de kleppen. Toen men de log uitwierp, kon men zien, dat de Abraham
Lincoln met eene vaart van 18,5 kilometer in 't uur liep; maar het
verwenschte dier liep even snel. Gedurende een uur ongeveer, bleef
het fregat dezelfde snelheid behouden zonder een vadem te winnen. Het
was vernederend voor een van de snelste schepen der Amerikaansche
vloot. Doffe woede bezielde de equipage; de matrozen scholden op
het monster, dat overigens zich niet verwaardigde eenig antwoord te
geven. Kapitein Farragut trok niet alleen aan zijn baard, maar hij
kauwde er op. Hij riep den machinist nog eens.

"Hebt gij de hoogste drukking?" vroeg de kapitein driftig.

"Ja kapitein," antwoordde de machinist.

"En zijn de veiligheidskleppen belast?"

"Tot op 6 1/2 atmosfeer."

"Belast ze tot op tien atmosferen!"

Dit was een echt Amerikaansch bevel; op den Mississipi zou men niet
anders gehandeld hebben om een concurrent vooruit te komen.

"Weet gij wel Koen," zeide ik tegen mijn trouwen knecht die naast
mij stond, "dat wij waarschijnlijk in de lucht zullen vliegen?"

"Zooals mijnheer belieft!" antwoordde Koenraad.

Welnu, ik moet bekennen, dat het mij niet onaangenaam was, deze kans
te loopen.

De kleppen werden belast, de fornuizen werden volgepropt met kolen;
de wind vangers wierpen stroomen lucht in de machinekamer; de snelheid
van de Abraham Lincoln werd nog grooter. De masten trilden over hunne
geheele lengte, en de schoorsteenen konden ter nauwernood de dikke
rookwolken den doorgang verschaffen.

De log werd ten tweeden male uitgeworpen.

"Hoeveel, stuurman?" riep de kapitein.

"19,3 kilometer, kapitein!"

"Stook op!" beval Farragut.

De machinist gehoorzaamde; de manometer teekende tien atmosferen;
maar de visch schoot ook vooruit, want zonder moeite liep hij ook 19,3
kilometer. Welke jacht! Neen, ik ben niet in staat om de ontroering
te beschrijven, welke mijn geheele lichaam deed trillen. Ned Land
was op zijn post met de harpoen in de hand. Verscheidene malen liet
het dier zich naderen.

"Wij halen hem in! Wij halen hem in!" riep Ned, maar op het oogenblik
dat hij wilde werpen, zwom het dier vooruit met eene snelheid, welke ik
op niet minder dan dertig kilometer in het uur schatte. En zelfs toen
wij ons maximum van snelheid bereikt hadden, stak het den draak met het
fregat, door er om heen te zwemmen! Een kreet van woede ontsnapte ons.

Om twaalf uur waren wij niet verder dan om acht uur 's morgens. Toen
besloot kapitein Farragut andere middelen aan te wenden.

"Zoo," zeide hij, "loopt dat beest sneller dan de Abraham Lincoln,
dan zullen wij eens zien of het onze puntkogels vooruit blijft. Mannen
aan het voorstuk!"

Het stuk op den voorsteven werd onmiddellijk geladen en gericht;
het schot ging af, maar de kogel vloog eenige voeten te hoog en over
het dier heen, dat op een halven kilometer voor ons uit zwom.

"Een ander die beter bij de hand is!" schreeuwde de kapitein, "500
dollars voor hem die het verwenschte beest raakt!"

Een oude kanonnier met grijzen baard, ik zie hem nog, naderde bedaard
en kalm het stuk, richtte het en mikte lang. Een zware slag dreunde,
en de equipage stiet een vreugdekreet uit. De kogel had het dier
getroffen, maar niet vlak op zijn lichaam, want hij gleed langs de
ronde oppervlakte af, en vloog twee kilometer verder in zee.

"Wat drommel," riep de oude kanonnier woedend, "is die schelm dan
met zesduims platen gepantserd?"

"Vervloekt!" riep de kapitein.

De jacht begon op nieuw, de kapitein wendde zich tot mij en zeide:
"ik zal het vervolgen tot mijn fregat in de lucht vliegt."

"Gij hebt gelijk!" antwoordde ik.

Men hoopte dat het dier uitgeput zou raken, en dat het niet evenals
een stoommachine onvermoeid zijn zou, maar verre van dien; het
eene uur verliep na het andere, zonder dat het eenig teeken van
afmatting gaf. Ik moet der Abraham Lincoln ter eere nageven, dat
zij met onvermoeide inspanning volhield, ik bereken dat het schip op
dien ongelukkigen zesden November wel 500 kilometer aflegde; maar de
duisternis viel, en overdekte de onstuimige zee met haren sluier. Op
dat oogenblik meende ik, dat onze tocht geeindigd was, en wij het
bovennatuurlijke dier niet terug zouden zien; maar ik bedroog mij. 's
Avonds tien minuten voor elven zagen wij het electrieke licht weder
op drie kilometer voor ons uit; het was even helder, even glanzend
als den vorigen nacht.

De eenhoorn scheen onbeweeglijk. Misschien was hij vermoeid van
den wedren, en sliep hij, of liet hij zich door de golven zachtkens
voortwiegelen. Dit was eene kans, waarvan de kapitein gebruik wilde
maken. Hij gaf dienovereenkomstig zijne bevelen. De Abraham Lincoln
naderde voorzichtig en langzaam onder halven stoom om de aandacht van
zijn tegenstander niet op te wekken. Men ontmoet niet zelden in volle
zee walvisschen in diepe rust, welke men dan met goed gevolg aanvalt,
en Ned Land had er meer dan een in den slaap geharpoend; hij ging weder
op zijn post op den boegspriet. Het fregat naderde zonder veel geraas,
stopte op twee kabellengte afstands van het dier, en dreef langzaam
voort: men haalde bijna geen adem meer; diepe stilte heerschte op
het dek. Wij waren op geen honderd voet afstands van het licht, dat
in onze oogen nog helderder en schitterender werd. Op dat oogenblik
zag ik Ned Land over de verschansing leunen, terwijl hij zich met de
eene hand aan een touw vasthield, en met de andere zijn vreeselijken
harpoen drilde. Hij was nauwelijks twintig voet van het onbeweeglijke
dier verwijderd. Eensklaps strekte hij zijn arm uit en de harpoen
vloog weg. Ik hoorden den doffen slag van het wapen, dat op een hard
voorwerp scheen te stooten. Plotseling doofde de electrieke glans uit,
en twee groote waterstralen stortten op het dek neer; als een woedende
stroom ging het over het dek, wierp de menschen omver en verbrijzelde
alles wat in den weg kwam. Toen voelden wij een vreeselijken schok,
en zonder dat ik tijd had mij ergens aan vast te grijpen, werd ik
over de verschansing in zee geworpen.


HOOFDSTUK VII

Een vreemdsoortige walvisch.

Hoewel ik door dien overwachten val geheel uit het veld was geslagen,
wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zonk ik ongeveer
twintig voet diep in zee, doch daar ik goed zwemmen kan, zonder
daarom nog zoo'n held er in te zijn als b.v. Byron, die de straat
van Konstantinopel over zwom, verloor ik den kop niet, en door een
paar ferme slagen kwam ik weder boven. Mijn eerste werk was om eens
naar het fregat rond te zien. Had de equipage mijne verdwijning
opgemerkt? Had de Abraham Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een
sloep in zee gezet? Kon ik hoop op redding koesteren?

Het was verschrikkelijk donker; ik zag nog even een zwarte
massa, welke zich naar het oosten verwijderde, en welker lichten
langzamerhand verdwenen; het was het fregat, ik voelde dat ik verloren
was. "Help! help!" riep ik, terwijl ik een wanhopige poging aanwendde,
om naar de Abraham Lincoln te zwemmen. Mijn kleeren hinderden mij;
het water plakte ze vast aan mijn lichaam; mijne bewegingen werden
er door verlamd; ik zonk; ik stikte.

"Help!" het was mijn laatste kreet; mijn mond kwam vol water; ik
worstelde en zonk naar den afgrond....

Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleeren gegrepen;
ik voelde mij naar de oppervlakte slepen, en ik hoorde--ja waarachtig
ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen:

"Als mijnheer zoo goed wil zijn om op mijne schouders te leunen,
zal hij veel gemakkelijker zwemmen."

Ik greep den arm van mijn trouwen Koenraad.

"Hoe, zijt gij het?" vroeg ik.

"Ik zelf mijnheer," antwoordde Koen, "tot mijnheers dienst."

"Heeft die schok u te gelijk met mij in zee geworpen?"

"Neen mijnheer, maar daar ik in mijnheers dienst ben, ben ik mijnheer
gevolgd."

De brave jongen vond dit zeer natuurlijk.

"En het fregat?" vroeg ik.

"Het fregat," antwoordde Koenraad, terwijl hij zich op den rug draaide,
"ik geloof dat mijnheer er maar niet meer op rekenen moet."

"Wat zegt gij?"

"Ik zeg dat op het oogenblik dat ik in zee sprong, ik de stuurlui
hoorde zeggen: "de schroef en het roer zijn stuk...."

"Stuk?"

"Ja! door den tand van het monster verbrijzeld; het is geloof ik de
eenige averij, welke het schip gekregen heeft; maar het is ongelukkig
voor ons, omdat er geen stuur meer in zit."

"Dan zijn wij verloren."

"Misschien," antwoordde Koenraad bedaard; "maar wij hebben toch nog
eenige uren voor ons, en in eenige uren kan er heel wat gebeuren."

De onwrikbare kalmte van Koenraad beurde mij wat op. Ik zwom met meer
kracht, maar daar mijne kleeren zoo zwaar als lood waren geworden, kon
ik mij bijna niet boven houden. Koenraad merkte het. "Als mijnheer
mij veroorlooft ze los te snijden," zeide hij, en hij sneed met
zijn mes mijne kleeren over hunne geheele lengte open; daarop trok
hij ze mij handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op
mijne beurt bewees ik hem denzelfden dienst, en wij zwommen daarna
weder naast elkander voort. Onze toestand was echter met dat al
vreeselijk; misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al
was dit het geval, dan kon het fregat toch tegen den wind in niet
naar ons toekomen, daar het van zijn roer beroofd was; wij konden
dus slechts op de sloepen rekenen. Koenraad redeneerde kalm voort,
en maakte dienovereenkomstig zijn plan; zonderling karakter! die
flegmatieke jongen praatte alsof hij thuis was!

Daar onze eenige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van
de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen
om ons zoo lang mogelijk boven water te houden, ten einde ze af te
wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdeelen, ten einde ze
niet gelijktijdig uit te putten, en ziehier wat wij besloten: terwijl
een van ons beiden onbeweeglijk met over elkander gekruiste armen en
gestrekte beenen op den rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem
voorwaarts duwen. Wij zouden elk niet meer dan tien minuten die rol
van sleper vervullen, en als wij elkander aldus aflosten, zouden wij
nog uren lang, misschien wel tot den morgen toe kunnen boven blijven.

Het was eene geringe kans, maar de hoop is in het menschelijke hart
zoo diep ingeworteld; en ik beken het, hoewel het onwaarschijnlijk
lijkt, dat als ik mij alle illusie trachtte te benemen, of als ik
aan ons behoud wilde wanhopen, ik het niet kon.

De ontmoeting tusschen het fregat en het monster had omstreeks elf uur
's avonds plaats gehad; ik rekende er dus op, dat wij tot zonsopgang
acht uur moesten zwemmen, dit was wel te doen als wij elkander
aflosten; de zee, die vrij kalm was, vermoeide ons weinig door den
golfslag; soms beproefde ik door de dikke duisternis heen te zien,
welke door niets werd afgebroken dan enkele malen door het lichten der
zee vlak voor ons; ik zag die lichtende golven, welke op mijn lichaam
braken, en die dan eenigermate schitterden; men zou gezegd hebben,
dat wij in een bad van kwik lagen. Tegen een uur 's morgens was ik
erg vermoeid; mijne leden verstijfden door hevige krampen; Koenraad
moest mij ondersteunen, en nu rustte de zorg voor ons behoud op hem
alleen. Ik hoorde den armen jongen hijgen; zijn ademhaling werd kort
en gejaagd. Ik begreep dat het niet lang meer duren kon.

"Laat mij los, laat mij los!"

"Mijnheer los laten? nooit," riep hij, "ik hoop nog voor mijnheer
te verdrinken."

Op dat oogenblik kwam de maan tusschen de wolken, welke de wind naar
het oosten joeg, te voorschijn. De zee schitterde door hare stralen;
dit weldadige licht deed onze krachten herleven. Ik richtte mijn
hoofd weer op; ik keek naar alle kanten rond en zag het fregat; het
was vijf kilometer van ons af, en vertoonde slechts een somberen,
nauw merkbaren klomp. Maar geen enkele sloep! Ik wilde roepen;
wat zou dit op zulk een afstand helpen! Mijne opgezwollen lippen
lieten geen enkel geluid door; Koenraad kon eenige woorden stamelen,
en ik hoorde hem eenige malen: "help! help!" roepen. Wij hielden ons
een oogenblik stil en luisterden. Was het misschien het suizen in
mijn oor, veroorzaakt door het bloed dat mij naar het hoofd joeg,
of hoorde ik inderdaad een kreet, die op Koenraads geroep antwoord gaf?

"Hebt gij het gehoord?" stamelde ik.

"Ja, ja!" en Koenraad riep nogmaals op wanhopigen toon. Ditmaal
vergisten wij ons niet; eene menschelijke stem gaf ons antwoord;
was het de stem van een ongelukkige of eenig ander slachtoffer van
den schok, dien het fregat ondervonden had? Of was het wellicht eene
sloep van de Abraham Lincoln, die ons in de duisternis zocht?

Koenraad spande eene laatste poging in; hij richtte zich op mijne
schouders op, terwijl ik hem met inspanning mijner laatste krachten
ondersteunde, hij hief zich ten halvenlijve uit het water op en viel
toen uitgeput weer neer.

"Wat hebt gij gezien?"

"Ik zag," stamelde hij, "ik zag ... maar laat ons niet praten ... laten
wij al onze krachten bewaren?"

Wat had hij gezien? Toen kwam, ik weet niet hoe, het monster mij voor
de eerste maal in de gedachten.... Maar die stem dan? De tijden waren
toch voorbij dat een Jonas in den buik van een walvisch zat.

Koenraad stiet mij altijd voor zich uit; nu en dan lichtte hij het
hoofd op, zag voor zich uit en riep, waarop eene andere stem, welke
ons hoe langer hoe meer naderde, het antwoord gaf. Mijne krachten
waren uitgeput; mijne vingers waren verstijfd; ik kon niet meer op
mijn handen steunen; mijn mond, dien ik zenuwachtig opende, liep vol
zeewater; ijskoude overviel mij; eene laatste maal lichtte ik het
hoofd nog eens op, en toen zonk ik in de diepte....

Op dit oogenblik stiet ik op een hard voorwerp; ik klampte mij er
aan vast; toen voelde ik dat men mij optrok en uit het water haalde;
ik haalde ruimer adem en viel in zwijm....

Ik kwam spoedig weer tot mijn bewustzijn, omdat men mij duchtig wreef;
ik opende de oogen....

"Koenraad!" fluisterde ik.

"Heeft mijnheer mij gebeld?" antwoordde Koenraad.

Op dat oogenblik bemerkte ik bij het licht der reeds ondergaande
maan een gelaat, dat niet van Koenraad was, maar hetwelk ik aanstonds
herkende.

"Ned!" riep ik uit.

"Hij zelf, mijnheer, en ik loop mijne premie na," antwoordde Ned Land.

"Zijt gij door den schok in zee geworpen?"

"Ja mijnheer de professor, maar gelukkiger dan gij ben ik bijna
onmiddellijk op een drijvend eiland neergekomen."

"Een eiland?"

"Ja of beter gezegd op uw reusachtigen eenhoorn."

"Verklaar u duidelijker Ned."

"En nu begreep ik aanstonds waarom mijn harpoen hem niet heeft
getroffen, en op zijn huid is afgesprongen."

"Waarom dan Ned, waarom?"

"Omdat dit beest, mijnheer de professor, van stalen platen gemaakt is."

Ik moest een oogenblik tot mijne zinnen komen en mijn
herinneringsvermogen te hulp roepen, ik moest mijne eigene beweringen
nog eens nagaan. De laatste woorden van Ned hadden een plotselingen
omkeer in mijne hersens te weeg gebracht. Ik kroop naar het hoogste
gedeelte van het wezen of het voorwerp, dat half in zee was weggezonken
en waarop wij eene toevlucht hadden gevonden. Ik stampte er met den
voet op; het was klaarblijkelijk een hard, ondoordringbaar voorwerp en
niet die weeke zelfstandigheid waaruit de massa der groote zeedieren
is samengesteld. Maar dit harde lichaam kon een beenachtig schild zijn,
zooals dat van voorwereldlijke dieren, en ik zou het monster misschien
kunnen rangschikken onder de kruipende dieren, zooals schildpadden
en alligators.

Welnu, dit was niet het geval; de zwartachtige rug, waarop wij zaten,
was glad, gepolijst, ongerimpeld; als men er op stampte gaf hij een
metaalklank van zich, en hoe ongeloofelijk het ook schijnen moge, hij
scheen van ijzeren platen gemaakt en met nagels in elkander geklonken
te zijn. Er was geen twijfel meer mogelijk; het dier, het monster,
het wonderlijke verschijnsel dat de geheele wereld in spanning had
gehouden, dat de verbeelding der zeelieden van de beide halfronden
had opgewonden en getroffen, was, ik moest het erkennen, een nog veel
wondelijker verschijnsel, namelijk een wonder door menschenhanden
gemaakt. De ontdekking van het fabelachtige wezen uit de mythologie
zou mij niet zoo verbaasd hebben. Dat al wat wonder heet uit des
Scheppers hand komt is dood eenvoudig, maar dat men plotseling iets
onmogelijks voor zijne oogen ziet, dat op geheimzinnige wijze door
's menschen hand tot iets wezenlijks geworden is, dat was om iemand
geheel uit het veld te slaan!

Wij behoefden evenwel niet te aarzelen, wij bevonden ons boven op
een soort van onderzeesch vaartuig dat voor zoover als ik er over kan
oordeelen, den vorm had van een metalen visch. Ned Land had er zijn
meening reeds over gevormd; Koenraad en ik konden er zoo spoedig niet
toe komen.

"Maar dan bevat dit toestel," zeide ik, "een werktuig om het in
beweging te brengen en eene equipage om er mede om te gaan?"

"Natuurlijk," antwoordde de harpoenier, "en toch heeft dit drijvend
eiland gedurende de drie uur dat ik er op zit, nog geen teeken van
leven gegeven."

"Heeft het schip zich dan niet bewogen?"

"Neen mijnheer Aronnax; het laat zich door de golven voortwiegelen,
maar het beweegt zich niet."

"Wij weten toch zonder er aan te mogen twijfelen, dat het met groote
snelheid vooruit kan komen; en daar er eene machine noodig is om die
snelheid voort te brengen, en een machinist om de machine te besturen,
zoo houd ik het er voor, dat wij gered zijn."

"Hm!" zeide Ned, zonder zich verder uit te laten.

Op dat oogenblik, als om mijne bewijsvoering te bevestigen, begon
het water aan de achterste punt van dit zonderlinge werktuig heftig
op te borrelen, zoodat de beweging zeker door eene schroef moest
worden voortgebracht. Het schip stoof vooruit, wij hadden slechts den
tijd om ons aan de bovenzijde, welke ongeveer tachtig centimeter uit
het water stak, vast te klampen. Gelukkig was de snelheid niet zoo
buitengewoon groot.

"Zoolang het ding horizontaal doorvaart," mompelde Ned Land, "heb ik
niets te zeggen; maar als het de aardigheid heeft om eens te duiken,
dan geef ik geen twee dollars voor mijn huid."

Ned had er nog wel minder voor kunnen geven; het werd dus noodzakelijk
om ons in gemeenschap te stellen met de wezens, van welke soort ook,
die in dit ding zaten opgesloten; ik zocht aan de oppervlakte eene
opening, of een luik, maar de rijen bouten, welke vast aan de randen
der platen waren ingeklonken, waren allen hetzelfde. Bovendien verdween
de maan, en liet ons in volslagen duisternis. Wij moesten den dag
afwachten om op middelen te peinzen, hoe wij binnen in dit onderzeesche
schip zouden doordringen. Derhalve hing ons behoud alleen af van een
gril der geheimzinnige stuurlieden, die dit vaartuig bestuurden, en als
het dook waren wij verloren. Behalve in dit geval twijfelde ik er geen
oogenblik aan of wij konden ons met hen wel in gemeenschap stellen;
en inderdaad, als zij zelven geen lucht vervaardigden, moesten zij van
tijd tot tijd wel op de oppervlakte komen om hun voorraad versche lucht
te vernieuwen; er moest dus eene opening zijn, welke het binnenste
van het vaartuig met de buitenlucht in gemeenschap stelde.

Wij moesten de hoop geheel opgeven om door kapitein Farragut gered
te worden: wij werden naar het westen medegesleept, en ik berekende,
dat onze snelheid zoo wat twaalf kilometer in het uur bedroeg. De
schroef bewoog zich met wiskunstige regelmatigheid in het water,
en deed enkele malen als zij boven kwam het lichtende zeewater met
groote kracht opspuiten.

Tegen vier uur in den morgen nam de snelheid toe, en het was moeielijk
om ons bij die snelle vaart vast te houden, vooral als de golven
onze lichamen zweepten. Gelukkig ontmoette Ned's hand een grooten
ankerring, die aan het bovenvlak was vastgemaakt, en waaraan wij ons
stevig vastklampten. Eindelijk ging de lange nacht voorbij. Mijne
herinnering roept mij alle indrukken niet meer voor den geest, maar
eene bijzonderheid valt mij nog in. Als zee en wind eens voor een
oogenblik zwegen, meende ik verscheidene malen, een vaag geluid,
een soort van vluchtige harmonie, van verwijderde akkoorden te
hooren. Wat was dan toch het geheim van die onderzeesche vaart, naar
welker verklaring de geheele wereld te vergeefs zocht! Welke wezens
leefden er in dit zonderlinge vaartuig? Welk werktuig zou het met
zulk eene verbazende snelheid in beweging brengen?

De dag brak aan. Morgennevels omhulden ons, doch begonnen weldra te
scheuren. Ik wilde beginnen om het bovenvlak, dat eene soort van
horizontaal plat vormde, nauwkeurig te onderzoeken, toen ik het
vaartuig langzamerhand voelde wegzinken.

"Duizend duivels," riep Ned Land, terwijl hij met zijn voet op het
dof klinkende metaal stampte, "opent dan, ongastvrije schippers!"

Maar het was moeielijk om zich bij het verdoovende geraas van
de schroef te doen verstaan; gelukkig zonk het vaartuig niet
dieper. Plotseling hoorde ik een gekraak van sterk knarsende sloten
binnen in het vaartuig; eene plaat werd opgelicht, een man verscheen,
gaf een zonderlingen kreet en verdween oogenblikkelijk. Eenige
oogenblikken later verschenen er acht sterke klanten met bedekt gelaat,
en sleepten ons in hunne vervaarlijke machine naar beneden.


HOOFDSTUK VIII

Mobilis in Mobile.

Dat naarbinnenslepen was vrij lomp, doch had met de snelheid van
den bliksem plaats gehad. Wij hadden den tijd niet gehad om tot
ons zelven te komen. Ik weet niet wat mijne makkers ondervonden,
toen zij in die drijvende gevangenis naar beneden werden gehaald,
maar wat mij aanging, ik voelde eene kille huivering door mijne leden
gaan. Met wie hadden wij te doen? Zonder twijfel met zeeroovers van
een nieuwe soort, die op hunne wijze de zee doorkruisten.

Nauwelijks was het enge luik gesloten, of ik bevond mij in volslagen
duisternis. Mijne oogen, die nog verblind waren door het daglicht,
zagen niets. Ik voelde met mijne bloote voeten de treden van eene
ijzeren trap. Ned Land en Koen werden stevig aangegrepen en volgden
mij; onder aan de trap opende zich eene deur, die onmiddellijk achter
ons met dof geluid gesloten werd. Wij waren alleen. Waar? Ik kon het
niet zeggen, mij nauwelijks voorstellen. Alles was donker, maar zoo
volslagen donker, dat na eenige minuten wachtens mijne oogen zelfs
nog geen van die onbepaalde schemeringen zagen, welke men zelfs in
den donkersten nacht bemerkt. Ned Land was woedend over die wijze
van handelen, en liet zijne verontwaardiging den vrijen loop.

"Duizend duivels," riep hij, "dat zijn lui aan wie de Caledoniers nog
een lesje in de gastvrijheid zouden kunnen geven! Het ontbreekt er nog
maar aan, dat het menscheneters zijn! Het zou mij niet verwonderen,
maar ik verklaar, dat ik mij niet zonder tegenstand zal laten opeten."

"Bedaar, vriend Ned, bedaar," antwoordde Koenraad kalm.

"Maak u voor den tijd niet boos; wij liggen nog niet in de pan
te braden!"

"In de pan, neen," zeide Ned, "maar in den oven wel. Het is hier
waarachtig donker genoeg. Gelukkig heb ik mijn mes nog, en ik zie
genoeg om er mij van te bedienen."

Ik liep al tastende vooruit; na vijf of zes stap stiet ik tegen een
ijzeren muur van platen met bouten vastgeklonken. Toen ik mij omkeerde
voelde ik eene houten tafel, waarbij verscheiden bankjes stonden. De
vloer was bedekt met eene dikke mat, welke het geluid onzer schreden
verdoofde. Aan de naakte wanden voelde ik niets wat op deur of venster
geleek. Koenraad, die langs den tegenovergestelden kant had rondgetast,
kwam weder bij mij, waaruit het ons bleek dat de hut zoo wat twintig
voet lang en tien voet breed zijn moest. Wat de hoogte aangaat,
Ned Land kon, hoewel hij nog al lang was, den zolder niet bereiken.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.