20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne
J >>
Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15
Er was een half uur voorbijgegaan zonder dat de toestand veranderd
was, toen onze oogen van de diepste duisternis plotseling tot het
scherpste licht overgingen. Eensklaps werd onze gevangenis, verlicht,
dat is te zeggen, dat zij met zulk een schitterend licht vervuld werd,
dat ik het aan de oogen niet verdragen kon. Aan de helderheid en de
witheid herkende ik het als het electrieke schijnsel, dat rondom het
onderzeesche vaartuig dat prachtige lichtverschijnsel had teweeg
gebracht. Nadat ik de oogen eenige oogenblikken onwillekeurig had
gesloten gehouden, opende ik ze weer en zag dat het licht viel uit een
gepolijsten halven bol, welke in de zoldering der hut was aangebracht.
"Nu kan men ten minste zien," riep Ned, die met zijn mes in de hand
zich ter verdediging gereed hield.
"Ja," antwoordde ik, "maar onze toestand blijft er niettemin even
duister om."
"Laat mijnheer slechts geduld nemen," zeide de kalme Koenraad.
De plotselinge verlichting der hut liet mij die in de kleinste
bijzonderheden zien. Er waren slechts een tafel en vijf bankjes in te
vinden; de onzichtbare deur moest hermetisch gesloten zijn; geen het
minste geluid trof ons oor. Alles scheen dood in het vaartuig. Ging
het voorwaarts, dreef het aan de oppervlakte van den Oceaan, of was
het in de diepte gedaald? Ik kon het niet gissen.
Echter was dat licht niet voor niets ontstoken. Ik hoopte dus dat
eenigen van de equipage zich weldra zouden vertoonen. Als men de
menschen wil vergeten, verlicht men hunne gevangenis niet.
Ik bedroog mij niet; een geschuif van grendels deed zich hooren,
de deur ging open en twee mannen traden binnen.
De een was klein maar sterk gespierd, breed van schouders, zwaar
gebouwd van leden, met een krachtig hoofd, zwaar en zwart haar,
en dikken knevel, en een levendig en doordringend oog. Zijn geheele
persoon drukte die zuidelijke levendigheid uit, welke in Frankrijk het
kenmerk is der bewoners van Provence. De tweede onbekende verdient
uitvoeriger beschrijving; een gelaatkundige zou op diens aangezicht
als in een open boek gelezen hebben. Ik herkende zonder aarzelen een
heerschzuchtig karakter, vol vertrouwen op zich zelven, want zijn
hoofd stond edel op zijne schouders, en zijne zwarte oogen zagen u
aan met koele zekerheid; hij was kalm van natuur, want aan de licht
gekleurde huid was het te zien, dat zijn bloed langzaam stroomde; hij
bezat geestkracht, blijkens het snel samentrekken zijner wenkbrauwen;
eindelijk moest hij moed bezitten, want zijne ademhaling bewees,
dat hij groote levenskracht bezat. Ik voeg er nog bij dat die man
trotsch was, dat zijn vaste en kalme blik groote gedachten verried,
en dat hij stellig openhartig zijn moest, omdat de uitdrukking zijner
bewegingen geheel met die van zijn gelaat overeen kwam.
Onwillekeurig voelde ik mij in zijne tegenwoordigheid zeker, en ik
voorspelde mij veel goeds van die samenkomst. Was die man 35 of 50
jaar; ik zou het niet juist hebben kunnen zeggen. Hij was lang van
gestalte, had een breed voorhoofd, een fijnen rechten neus, een scherp
geteekenden mond, prachtige tanden en schoone lange handen. Hij was
zeker wel de verwonderlijkste type, welke ik ooit ontmoet had. Als iets
bijzonders merkte ik op, dat zijne oogen, welke een weinig ver van
elkander stonden, tegelijk een vierde gedeelte van den gezichteinder
konden omvatten, waardoor, zooals mij later bewezen werd, zijn gezicht
nog veel scherper was dan dat van Ned Land. Als die onbekende naar
eenig voorwerp zag, fronste hij de wenkbrauwen, trok het oog zoo te
samen, dat slechts de pupil zichtbaar bleef, beperkte daardoor den
blik alleen tot het bedoelde voorwerp en keek. Maar met welk een
blik! Hoe werden de door den afstand kleiner wordende voorwerpen
verduidelijkt! Hoe drong die blik in de ziel door! Hoe drong hij ook
door in die vloeistof, welke voor ons oog ondoorzichtig is; hoe las
hij in de diepten der zee!
De twee onbekenden hadden mutsen van bevervel op, en laarzen aan van
de huid van een walrus; zij droegen kleeren van bijzonder weefsel,
die de lichaamsvormen gunstig deden uitkomen, en groote vrijheid van
beweging toelieten.
De grootste van de twee, waarschijnlijk de bevelhebber van het
vaartuig, bekeek ons met bijzondere opmerkzaamheid, zonder een
enkel woord te zeggen; toen wendde hij zich tot zijn makker en
onderhield zich met hem in eene mij geheel onbekende taal. Het was
eene welluidende, harmonische, buigzame taal, welker klinkers op
verschillende wijzen schenen te kunnen worden uitgesproken. De ander
antwoordde met een hoofdschudden, en voegde er slechts twee of drie
volkomen onverstaanbare woorden bij, daarop scheen hij mij met zijn
blik te willen ondervragen. Ik antwoordde in het Fransch, dat ik
zijne taal niet verstond, maar hij scheen mij niet te begrijpen;
die toestand werd vrij lastig.
"Als mijnheer onze geschiedenis eens vertelde," zeide Koenraad,
"dan zouden die heeren er mogelijk eenige woorden van begrijpen."
Ik begon het verhaal van onze lotgevallen, terwijl ik op al mijne
woorden een bijzonderen nadruk legde, en geen enkele bijzonderheid
vergat. Ik gaf onze namen en hoedanigheden op, daarop stelde ik hem
volgens de wetten der wellevendheid den hoogleeraar Aronnax, zijn
knecht Koenraad en meester Ned Land den harpoenier voor.
De man met dien zachten en kalmen oogopslag, hoorde mij bedaard,
beleefd en met de grootste oplettendheid aan. Maar geen trek van zijn
gelaat verried, dat hij mij begrepen had. Toen ik gedaan had, sprak hij
geen woord. Ik kon nu nog beproeven hem in het Engelsch aan te spreken;
misschien verstond hij die taal; ik kende haar en ook Hoogduitsch;
maar beiden slechts genoeg om ze vlug te lezen, doch niet om ze vlot
te spreken. En hier kwam het er vooral op aan om mij te doen verstaan.
"Nu is het uwe beurt," zeide ik tot den harpoenier, "praat gij nu
eens in het beste Engelsch, dat ooit een Angelsaks gesproken heeft,
en beproef eens of gij gelukkiger zijt dan ik."
Ned liet het zich geen tweemaal zeggen en begon hetzelfde verhaal
als het mijne; het was in den grond hetzelfde, alleen de vorm
verschilde. De harpoenier door zijn driftig karakter medegesleept,
sprak met zeer veel vuur. Hij beklaagde zich hevig dat hij tegen
alle recht en billijkheid in gevangen werd gehouden, vroeg volgens
welke wet men hem vasthield, riep de habeas corpus-akte in, dreigde
hen te vervolgen, die hem onrechtvaardig opsloten, zwaaide met zijn
armen, schreeuwde en gaf eindelijk door zijne gebaren te kennen,
dat wij van honger stierven. Dit was volkomen waar, doch wij hadden
het bijna vergeten.
Tot zijne groote verbazing scheen het dat Ned evenmin verstaan was als
ik. Onze bezoekers vertrokken zelfs geen wenkbrauw, het was duidelijk
dat zij Fransch, noch Engelsch verstonden. Ik was verlegen omdat wij
onze welsprekendheid te vergeefs hadden uitgeput, en wist niet meer
wat te doen, toen Koenraad mij vroeg: "als mijnheer het goedvindt,
zal ik de zaak eens in 't Hoogduitsch vertellen."
"Wat, kent gij Duitsch?" riep ik uit.
"Een weinig, zooals bijna elk Nederlander, mijnheer!"
"Ga uw gang dan maar, mijn jongen."
En Koenraad vertelde met de grootste bedaardheid voor de derde
maal onze lotgevallen. Maar niettegenstaande de fraaie volzinnen
en het schoone stemgeluid van den verteller, slaagde het Duitsch
evenmin. Eindelijk tot het uiterste gebracht, trachtte ik mij alles nog
te herinneren, wat mij van mijne eerste studien was bijgebleven, en ik
poogde hun onze geschiedenis in het Latijn te vertellen. Cicero zou
zich de ooren hebben toegestopt, en had mij naar de keuken gejaagd;
maar ik bracht het er redelijk wel af, de uitslag echter was even
ontmoedigend.
Toen deze laatste poging bepaald mislukt was, wisselden de beide
onbekenden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal, en vertrokken
zonder ons zelfs met eenige geruststellende beweging te groeten. De
deur ging weer dicht.
"'t Is een schandaal!" schreeuwde Ned Land, die voor de twintigste
maal losbarstte. "Wat, men spreekt hen in het Fransch, Engelsch,
Duitsch en Latijn aan, en geen van die schavuiten heeft de beleefdheid
van te antwoorden!"
"Bedaar, vriend Ned," zeide ik tot den woedenden harpoenier, "uw
toorn leidt tot niets."
"Weet gij dan wel, mijnheer de professor," hernam mijn lichtgeraakte
metgezel, "dat men in die ijzeren kooi best van honger kan sterven?"
"Kom, kom!" zei Koenraad, "met een beetje philosophie kan men het
lang uithouden!"
"Vrienden," zeide ik, men moet niet wanhopen; wij hebben reeds in
vrij wat erger omstandigheden verkeerd. Doet mij dus het genoegen
om nog te wachten, voordat gij een oordeel over den kapitein en de
equipage van dit vaartuig velt."
"Mijn oordeel is reeds gevormd," antwoordde Ned Land, "het zijn
schelmen...."
"Goed, en uit welk land?"
"Uit het land van de schelmen!"
"Mijn beste Ned, dat land staat op de wereldkaart nog niet juist
aangeteekend, en ik beken dat de afkomst van die beide onbekenden
moeielijk te bepalen is. Men kan alleen zeggen, dat het geen Franschen,
Engelschen of Duitschers zijn; evenwel houd ik het er voor, dat die
kapitein en zijn stuurman dicht bij den evenaar geboren zijn; er is
iets zuidelijks in hun voorkomen; maar hun gelaat en vormen kunnen
niet doen beslissen of het Spanjaarden, Turken, Arabieren of Indieers
zijn. Hunne taal is geheel onverstaanbaar."
"Dat is nu het onaangename van niet alle talen te kennen," antwoordde
Koenraad, "of het nadeel van niet eene eenige wereldtaal te bezitten."
"Dat zou tot niets leiden!" sprak Ned Land. "Hoort gij niet dat dit
volk eene taal op hun eigen hand heeft, een gerammel om iemand wanhopig
te maken, die om eten vraagt! Maar begrijpt men in alle landen van
de wereld niet, wat het beteekent als men den mond open doet, zijn
kakebeen op en neer beweegt, en met tanden en lippen klapt? Wil dat
niet overal, in Quebec en op de Pomotu-eilanden, te Parijs en in
Japan zeggen: ik heb honger, geef mij wat eten?"
"Och," zeide Koenraad, "er zijn zulke onbegrijpelijke menschen."
Toen hij dit zeide ging de deur open, er kwam een hofmeester binnen,
die kleeren bracht van eene stof vervaardigd, welke ik niet kende. Ik
haastte mij om ze aan te trekken, en mijne makkers volgden mijn
voorbeeld.
Gedurende dien tijd had de hofmeester, misschien wel een doofstomme,
de tafel voor drie personen gedekt.
"Dat lijkt toch ernst te zijn," zeide Koenraad, "een goed voorteeken!"
"'t Zou wat," antwoordde de haatdragende harpoenier, "wat drommel
zouden wij hier te eten krijgen? Schildpaddenlever, haaiengebraad,
zeehondenbiefstuk!"
"Dat zullen wij eens zien!" zeide Koenraad.
Eenige schotels met zilveren deksels werden in orde op de tafel gezet,
en wij namen plaats. Het was zeker dat wij met beschaafde lieden
te doen hadden, en zonder het electrieke licht waaronder wij zaten,
zou ik gedacht hebben in een hotel aan de table d'hote te zitten. Ik
moet echter zeggen, dat brood en wijn geheel ontbraken. Het water
was frisch en helder, maar--water viel in 't geheel niet in den
smaak van Ned Land. Onder de opgediende gerechten herkende ik eenige
heerlijk klaargemaakte vischsoorten, maar over eenige overigens lekkere
schotels, kon ik geen oordeel uitspreken en ik zou zelfs niet hebben
kunnen zeggen of ze tot het planten- of dierenrijk behoorden. Het
servies en tafelzilver waren net en smaakvol. Elk stuk, lepel, vork,
mes, bord, enz., was met eene letter geteekend, waaromheen in een
kringetje eenige woorden stonden, op deze wijze:
MOBILIS
N
IN MOBILE
Mobilis in mobile [1], een devies, dat zeker sloeg op het vaartuig,
waarin wij ons bevonden; de letter N was waarschijnlijk de eerste
letter van den naam van den raadselachtigen persoon, die hier in de
diepte der zee bevel voerde.
Ned en Koenraad maakten niet zooveel opmerkingen. Zij aten maar, en
ik volgde weldra hun voorbeeld. Ik was bovendien gerust in ons lot,
daar het duidelijk bleek, dat onze gastheeren ons niet van honger
wilden doen sterven. Alles eindigt evenwel hier beneden, alles, zelfs
de honger van menschen, die in geen vijftien uur gegeten hebben. Toen
onze honger gestild was, deed zich de behoefte aan slaap geducht
voelen. Het was zeer natuurlijk ook, na dien eindeloozen nacht,
gedurende welken wij met den dood geworsteld hadden.
"Nu zal ik wel slapen," zeide Koenraad.
"En ik slaap al!" bromde Ned Land, die even als Koenraad op de
vloermatten ging liggen, waar wij weldra vast sliepen. Ik kon
den slaap nog zoo gemakkelijk niet vatten; te veel denkeelden
doorkruisten mijn geest, te veel onoplosbare vragen kwamen in mij
op, al te veel voorstellingen hielden mijne oogen geopend. Waar
bevonden wij ons? Welke vreemde macht sleepte ons mede. Ik voelde
of liever ik meende te voelen, dat het vaartuig in het diepste
gedeelte der zee daalde; vreeselijke nachtmerrien plaagden mij;
ik zag in die geheimzinnige diepte een wereld van onbekende dieren,
welker samenleving dit onderzeesche vaartuig scheen te deelen, levend,
zich bewegend, even afschuwelijk van gedaante als zij!... Toen werd
het kalmer in mijn geest, mijn denkvermogen loste zich op in eene
onbepaalde lusteloosheid, en ik viel weldra in een doffen slaap.
HOOFDSTUK IX
Woede van Ned Land.
Hoe lang die slaap duurde, weet ik niet; maar het moet lang geduurd
hebben, want wij waren geheel van onze vermoeienissen hersteld. Ik werd
het eerste wakker; mijne makkers bewogen zich nog niet en bleven als
wezenlooze wezens in hun hoek liggen. Nauwelijks was ik van mijn vrij
hard leger opgestaan, of mijn geest was weder helder, mijn denkvermogen
opgeklaard. Ik begon onze cel op nieuw nauwkeurig te onderzoeken. Niets
was er veranderd: wij waren gevangenen gebleven. Gedurende onzen slaap
had de hofmeester de tafel afgenomen; niets duidde dus aan dat onze
toestand spoedig zou veranderen, en ik vroeg mij ernstig af of wij
bestemd waren om altijd in die kooi te leven. Dit vooruitzicht scheen
mij des te onaangenamer toe, omdat, al was mijn hoofd helderder dan
den vorigen dag, ik eene zonderlinge gedruktheid op de borst voelde. Ik
haalde moeielijk adem: de zware lucht was voor mijne longen niet meer
voldoende; hoe groot onze cel ook was, het was duidelijk dat wij het
grootste deel van de daarin aanwezige zuurstof verbruikt hadden; ieder
mensen toch verbruikt in een uur de zuurstof, welke in honderd liter
lucht vervat is, en die lucht met eene bijna even groote hoeveelheid
koolzuur bezwangerd, wordt dan ongeschikt voor de ademhaling.
Het was dus hoogst noodzakelijk om de lucht in onze gevangenis
te ververschen, en zonder twijfel ook de lucht in het geheele
vaartuig. Hier deed zich eene vraag bij mij op. Hoe handelde
de kapitein van dit drijvende toestel? Verkreeg hij lucht langs
scheikundigen weg, door de zuurstof door middel van warmte uit
chloorzure potasch af te zonderen, en koolzuur met bijtende potasch
te verbinden? In dat geval moest hij toch in eenige betrekking staan
met het land, ten einde zich de noodige grondstoffen te verschaffen,
welke hiertoe noodig waren. Of bepaalde hij er zich slechts toe
om de lucht onder deze drukking in bewaarplaatsen op te hoopen,
en die te verspreiden, naarmate het scheepsvolk er behoefte aan
had? Misschien. Of gebruikt hij een gemakkelijker, goedkooper en dus
ook waarschijnlijker middel, namelijk om aan het oppervlak der zee
als een walvisch te komen ademhalen, en zijn voorraad lucht voor 24
uur te vernieuwen? Hoe het ook zij en welk zijn stelsel ware, het
kwam mij voor dat hij voorzichtig handelen zou als hij het zonder
lang te wachten in het werk stelde.
Ik moest reeds sneller ademhalen om het weinigje zuurstof, hetwelk
de cel nog bevatte in mijne longen te brengen, toen ik plotseling
verfrischt werd door zuivere zeelucht. Ik opende den mond wagewijd,
en mijne longen werden met versche lucht verzadigd. Tegelijkertijd
voelde ik eene schommeling, een kleine slingering, maar welke volkomen
duidelijk te herkennen was. Het vaartuig, het metalen monster, was naar
de oppervlakte van den Oceaan gerezen om er evenals de walvisschen
adem te halen. De wijze van luchtverversching van het vaartuig had
ik dus duidelijk herkend.
Toen ik die zuivere lucht met volle borst had ingeademd, zocht ik
naar de geleidingsbuizen, welke dien weldadigen luchtstroom tot ons
deden komen, en ik vond die spoedig. Boven de deur was een luchtgat,
waardoor een stroom versche lucht kon binnen komen, om de bedorven
atmosfeer van onze cel te ververschen.
Zoover was ik met mijne opmerkingen gekomen, toen Ned en Koenraad
bijna tegelijk door dien stroom van versche lucht wakker werden. Zij
wreven zich de oogen, rekten de armen uit en waren in een oogenblik
op de been.
"Heeft mijnheer goed geslapen?" vroeg Koenraad mij met zijne gewone
beleefdheid.
"Heel goed, mijn jongen," antwoordde ik, "en gij Ned Land?"
"Als een os, mijnheer de professor. Maar ik weet niet of ik mij vergis,
het is alsof ik zeelucht inadem."
Een zeeman kon zich daarin niet bedriegen, en ik vertelde wat er
gedurende hun slaap had plaats gehad.
"Zoo," zeide hij, "dat verklaart volkomen het gebrul dat wij hoorden,
toen de Abraham Lincoln den zoogenaamden eenhoorn in het gezicht
kreeg."
"Zoo is het Ned, het was zijne ademhaling."
"Maar, mijnheer Aronnax, ik kan in de verte zelfs niet gissen hoe
laat het is, of het moest het uur van het middagmaal zijn?"
"Het uur van ons middagmaal, brave harpoenier? Zeg liever het uur van
't ontbijt, want wij zijn zeker reeds meer dan een dag hier."
"Dat bewijst," antwoordde Koenraad. "dat wij vierentwintig uur
geslapen hebben."
"Zoo denk ik er ook over," antwoordde ik.
"Ik spreek u niet tegen," hernam Ned Land, "maar middagmaal of ontbijt,
de hofmeester zal welkom zijn als hij het een en ander brengt."
"Het een en het ander," zeide Koenraad.
"Juist," antwoordde Ned, "wij hebben recht op een dubbel maal, en
wat mij aangaat, ik zal aan beiden eer genoeg bewijzen."
"Welnu Ned, laat ons wachten," antwoordde ik, "het is duidelijk dat
die onbekenden ons niet van honger willen laten sterven, want in dat
geval zou het eten van gisteren avond ongerijmd zijn."
"Of men moest ons willen vetmesten," hernam Ned.
"Dat spreek ik tegen," zeide ik, "wij zijn niet in handen van
menscheneters gevallen."
"Eens is nog geene gewoonte," merkte de harpoenier ernstig op "Wie weet
of die kerels niet sinds lang naar versch vleesch hebben uitgezien, en
in dat geval zijn drie gezonde en goed gebouwde menschen als mijnheer,
Koen en ik...."
"Verban toch die gedachten Ned, en neem daaruit vooral geene aanleiding
om u boos te maken tegen die menschen, want dat zou onzen toestand
slechts verergeren."
"In allen gevalle," sprak Ned, "heb ik een honger als de duivel,
en middagmaal of ontbijt, wij schijnen geen van beiden te krijgen."
"Zeg eens Ned," gaf ik ten antwoord, "wij moeten ons aan de scheepswet
onderwerpen, en ik houd het er voor, dat onze maag voor is bij het
horloge van den kok."
"Welnu dan zal ik haar gelijk zetten," sprak Koenraad bedaard.
"Daaraan herken ik u weder, vriend Koen," zeide de ongeduldige Ned,
"gij zijt niet toornig of zenuwachtig; altijd bedaard! Gij zoudt in
staat zijn om te danken in plaats van te bidden en eerder van honger
te sterven dan u te beklagen."
"Waartoe zou dat ook dienen?" vroeg Koenraad.
"Alleen om maar te klagen, en dat is reeds iets. Als die zeeroovers
(ik noem ze zeeroovers, om mijnheer niet te ergeren, die verbiedt
om ze menscheneters te noemen), als die zeeroovers zich verbeelden
dat zij mij in die stinkende kooi zullen houden, zonder nog eerst
te hooren met welke verwenschingen ik aan mijne woede lucht geef,
dan zullen zij zich bedriegen. Spreek eens vrij uit, mijnheer, zoudt
gij denken dat zij ons lang in die ijzeren kooi houden?"
"Om u de waarheid te zeggen Ned, weet ik er niet veel meer van
dan gij."
"Maar wat veronderstelt gij dan?"
"Ik veronderstel dat het toeval ons in het bezit gesteld heeft van
een belangrijk geheim. Indien dus de equipage van dit vaartuig er
belang bij heeft om het te bewaren, dan geloof ik dat ons leven
groot gevaar loopt. In het tegenovergestelde geval zal het monster,
dat ons heeft ingeslokt, ons wel weder op de bewoonde aarde uitspuwen."
"Of men moest ons onder de equipage opnemen," zeide Koenraad,
"en ons zoo lang houden...."
"Tot op het oogenblik," antwoordde Ned Land, "dat eenig fregat,
dat harder stoomt, en behendiger is dan de Abraham Lincoln, zich
van dit nest van zeeschuimers meester maakt, en de equipage en ons
aan het uiteinde van de groote ra voor de laatste maal een luchtje
laat scheppen."
"Mooi gezegd, Ned," hervatte ik, "maar voor zoover ik weet, heeft men
ons nog geen voorstel in dien geest gedaan. Het is dus onnoodig om te
twisten over de partij, welke wij moeten nemen, als dit gebeurt. Ik
herhaal het u dat wij moeten wachten; laat ons met de omstandigheden
te rade gaan, en niets doen, omdat wij toch niets doen kunnen."
"Integendeel, mijnheer de professor," zeide de harpoenier, die niet
van zijn stuk te brengen was, "men moet iets doen."
"En wat dan, baas Land?"
"Vluchten."
"Om uit eene aardsche gevangenis te ontsnappen is soms zeer moeilijk,
maar om uit eene onderzeesche gevangenis te ontkomen schijnt mij
geheel onmogelijk."
"Komaan, vriend Ned," vroeg Koenraad, "wat antwoordt gij daarop? Ik
kan niet gelooven dat een Amerikaan ooit ten einde raad is."
De harpoenier was zichtbaar verlegen, en zweeg. Eene ontvluchting was
in ons geval bepaald onmogelijk. Maar een inboorling van Canada is
zoowat een halve Franschman, en dat bewees Ned Land door zijn antwoord.
"Kunt gij dan niet raden, mijnheer," vroeg Ned na eenige oogenblikken
nadenkens, "wat mannen moeten doen, die niet uit hunne gevangenis
kunnen ontsnappen?"
"Nog niet, mijn vriend."
"Dat is dood eenvoudig, dan moeten zij beproeven om er zoo goed
mogelijk in te blijven."
"Dat geloof ik wel," zeide Koenraad, "het is toch beter er in, dan
er op of er onder."
"Maar als men cipier en oppassers er uit gooit," voegde Ned Land
er bij.
"Wat, Ned? Zoudt gij er wezenlijk aan denken, om u van dit vaartuig
meester te maken?"
"Zeker," antwoordde de harpoenier.
"Dat is onmogelijk!"
"Waarom, mijnheer? Misschien krijgen wij wel eens eene gunstige kans,
en ik zie niet in waarom wij daarvan geen gebruik zouden maken. Als
er maar een twintigtal aan boord zijn, dan zullen twee Franschen en
Ned Land toch voor zoo'n handjevol volks niet bang zijn?"
Het was nog beter om het voorstel van den harpoenier aan te nemen
dan er over te twisten; daarom antwoordde ik:
"Laat de kans eerst komen, en dan zullen wij eens zien. Maar tot
dien tijd toe verzoek ik u uw ongeduld te bedwingen; men kan slechts
met list handelen, en als gij u kwaad maakt, zult gij zeker geene
gunstige kans krijgen. Beloof mij dus, u zonder opgewonden drift in
de omstandigheden te schikken?"
"Ik beloof het u, mijnheer de professor," antwoordde Ned op weinig
geruststellenden toon. "Er zal geen driftig woord meer uit mijn mond
komen, geen enkele brutale handeling zal mij verraden, zelfs als
wij niet zoo regelmatig als wij wenschen de tafel voor ons zullen
zien dekken."
"Ik houd u aan uw woord, Ned!" zeide ik.
Daarop zwegen wij stil, en elk onzer gaf zich aan zijne overpeinzingen
over. Ik beken, dat ik niettegenstaande de verzekering van den
harpoenier, mij geene illusien maakte; ik geloofde niet aan die
gunstige kans, waarvan Ned Land gesproken had. Om zoo goed bestuurd
te worden, had het vaartuig zeker eene talrijke equipage noodig,
en daarom zouden wij bij eene worsteling met eene veel te groote
overmacht te doen hebben. Overigens moesten wij voor alles vrij zijn,
en dat waren wij niet. Ik zag zelfs geen enkel middel om uit de goed
gesloten ijzeren hut te geraken; en als de vreemde kapitein van dat
schip een geheim te bewaren had, wat mij ten minste waarschijnlijk
toescheen, dan zou hij ons niet vrij aan boord laten rondloopen. Zou
hij zich nu met geweld van ons ontslaan, of zou hij ons te eeniger
tijd in het een of ander land afzetten? Dit bleef de vraag. Al die
veronderstellingen schenen mij even waarschijnlijk, en men moest een
harpoenier zijn om ooit op eene bevrijding te hopen.
Overigens begreep ik dat Ned Lands verbittering toenam, naarmate zijne
overdenkingen zich geheel van zijne drift meester maakten. Ik hoorde
hem nu en dan half verstaanbare vloeken mompelen, en ik zag dat hij
op nieuw dreigende gebaren maakte. Hij stond op, liep als een wild
dier in eene kooi rond, en stampte met handen en voeten tegen den
muur. Bovendien verliep de tijd, de honger deed zich erg gevoelen en
de hofmeester verscheen nog niet. Als men ons goed wilde behandelen,
dan vergat men ons, ongelukkige schipbreukelingen, toch wat al te
lang. Ned Land, wiens sterke maag hem begon te plagen, werd hoe langer
hoe driftiger, en hoewel hij mij zijn woord gegeven had, vreesde ik
inderdaad eene uitbarsting, als hij een van de equipage onder handen
kon krijgen. Zijn toorn vermeerderde nog gedurende twee lange uren; hij
riep en schreeuwde, maar te vergeefs. De ijzeren muren waren doof. Ik
hoorde geen het minste geluid in het vaartuig, welks bemanning dood
scheen te zijn. Het schip bewoog zich niet, anders zou ik de trillingen
wel bemerkt hebben, welke het draaien eener schroef veroorzaakt. Het
was zonder twijfel in de diepte der zee afgedaald en behoorde niet meer
tot deze aarde; die doodsche stilte was vreeselijk! Ik durfde er zelfs
niet naar te raden hoe lang onze verlatenheid, of onze eenzaamheid nog
duren zou; langzamerhand verdwenen de verwachtingen, welke ik na onze
ontmoeting met den kapitein gekoesterd had. De zachte blik van dien
man, de edelmoedige uitdrukking van zijn gelaat, de waardigheid in
zijne houding, dit alles verdween uit mijne herinnering. Ik beschouwde
het raadselachtige wezen slechts als onmeedoogend en wreed: ik stelde
mij hem voor als onmenschelijk, ongevoelig voor eenig medelijden,
hard jegens zijne medemenschen aan wie hij een eeuwigen haat scheen
te hebben gezworen. Maar zou die man ons van honger doen sterven,
opgesloten in deze enge gevangenis, en overgegeven aan die vreeselijke
gedachten, welke woedende honger bij den mensch soms opwekt? Dit
ontzettende denkbeeld kwam langzamerhand bij mij tot rijpheid,
en in mijne verbeelding gevoelde ik, dat eene onzinnige vrees mij
bekroop. Koenraad bleef kalm, Ned Land brulde nu en dan van woede.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15