A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Layoffs at Random House, Simon & Schuster
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Citigroup Cuts Estimates and Price Target on Amazon.com (AMZN) Due To Flat Online Retail Growth
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Farewell To Okada In PortHarcourt
'Yes, Virginia, book publishing is NOT recession proof,' said Patricia Schroeder, president and chief executive officer of the Association of American Publishers. 'It's sad day.' At Random House, the country's largest general trade publisher, the man who

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne



J >> Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15



Op dat oogenblik hoorden wij eenig geraas buiten onze gevangenis;
voetstappen weerklonken op den metalen vloer; sloten werden omgedraaid,
de deur ging open en de hofmeester verscheen. Voordat ik iets kon doen
om het te verhinderen, had Ned Land zich op den ongelukkige geworpen;
hij wierp hem op den grond en greep hem bij de keel; de hofmeester
stikte bijna onder die geweldige vuisten. Koenraad trachtte het
halfdoode slachtoffer aan de handen van den woedenden harpoenier
te onttrekken, en ik wilde hem helpen, toen ik plotseling aan mijne
plaats genageld bleef staan door het uitspreken van deze woorden in
de Fransche taal:

"Wees bedaard, mijnheer Land, en gij, mijnheer de professor, hoor
mij aan."



HOOFDSTUK X

De man der zee.

Hij, die zoo sprak was de gezagvoerder van het vaartuig.

Bij die woorden stond Ned Lang plotseling op; de bijna geworgde
hofmeester ging met wankelende schreden de deur uit, toen zijn meester
dit met een wenk beval; en zoo groot was de invloed van den kapitein
op zijne onderhoorigen, dat geen enkele trek op het gelaat van den
hofmeester de wraak aanduidde, welke die man tegen den harpoenier
moest koesteren. In de grootste verbazing wachtten Koenraad en ik af
hoe dit tooneel zou afloopen. De kapitein leunde tegen een hoek van
de tafel, sloeg de armen over elkander en bekeek ons met de grootste
aandacht. Aarzelde hij om te spreken, of had hij berouw over de pas
in het Fransch gesproken woorden? Ik kon het niet gelooven. Na eenige
oogenblikken van een stilzwijgen, dat geen onzer durfde af te breken,
zeide hij met bedaarde doch doordringende stem:

"Mijne heeren, ik spreek Fransch, Engelsch, Hoogduitsch en Latijn. Ik
had u dus bij ons eerste samenzijn reeds kunnen antwoorden, doch ik
wilde u eerst kennen en dan eens nadenken. Uw viervoudig verhaal, dat
in den grond volkomen gelijk was, heeft mij u doen kennen. Ik weet nu,
dat het toeval mij samen heeft gebracht met den heer Pierre Aronnax,
hoogleeraar in de natuurlijke geschiedenis aan het Museum te Parijs,
Koenraad zijn bediende en Ned Land uit Canada, harpoenier aan boord
van de Abraham Lincoln, een stoomschip van de nationale marine der
Vereenigde Staten."

Ik boog ten teeken van toestemming; het was geene vraag, welke hij
mij deed; derhalve was er ook geen antwoord noodig. Die man sprak
met eene bijzondere gemakkelijkheid, zonder eenig merkbaar accent;
zijne volzinnen waren afgerond, zijne woorden juist gekozen, en hij
had eene opmerkelijk goede uitspraak, en toch gevoelde ik dat het
geen landgenoot van mij was. Hierop vervolgde hij aldus:

"Gij hebt waarschijnlijk gedacht, mijnheer, dat het lang duurde voor
ik u een tweede bezoek bracht; dit was omdat ik, toen ik niet wist
wie gij waart, eerst rijpelijk wilde overdenken, welke partij ik ten
uwen opzichte nemen moest; ik heb lang geaarzeld. De meest toevallige
omstandigheden hebben u bij een man gebracht, die met de menschheid
gebroken heeft. Gij zijt mijn leven komen storen...."

"Onwillekeurig", zeide ik.

"Hoe, onwillekeurig?" vroeg de onbekende met verheffing van stem. "Is
het onwillekeurig dat de Abraham Lincoln mij in alle zeeen heeft
opgezocht? Is het onwillekeurig dat gij aan boord van dat fregat
gekomen zijt? Is het onwillekeurig dat de kanonkogels afgestuit zijn
op den romp van mijn vaartuig? Is het onwillekeurig dat Ned Land zijn
harpoen op mij heeft afgeworpen?"

Ik bemerkte in de woorden een kwalijk bedwongen toorn. Maar op die
beschuldigingen had ik een zeer natuurlijk antwoord, en ik gaf dit
in deze woorden: "Gij weet zeker niet, mijnheer, welke twistvragen
er in Amerika en Europa ten uwen opzichte gerezen zijn; gij weet
waarschijnlijk niet dat verschillende ongelukken, die het gevolg waren
van botsingen met uw onderzeesch vaartuig, de openbare meening in beide
werelddeelen hevig geschokt hebben. Ik zal u niet vermoeien met al de
veronderstellingen, welke men maakte om daarmede het onverklaarbare
verschijnsel te verklaren, waarvan gij alleen het geheim bezit,
maar gij zult mij wel willen gelooven als ik u verzeker, dat toen
de Abraham Lincoln u in het noorden der Stille Zuidzee vervolgde,
wij een sterk zeemonster meenden na te jagen, van hetwelk men den
Oceaan, het kostte wat het wilde, moest verlossen."

Een glimlach speelde om de lippen van den kapitein, die op kalmer
toon vroeg: "Mijnheer Aronnax, zoudt gij durven verzekeren dat uw
fregat niet even goed een onderzeesch vaartuig als een monster zou
hebben vervolgd en beschoten?"

Deze vraag bracht mij in verlegenheid, want kapitein Farragut zou
zeker niet geaarzeld hebben. Hij zou gewis gemeend hebben dat het
zijn plicht was om dit toestel even goed als een reusachtigen eenhoorn
te vernielen.

"Gij begrijpt dus, mijnheer", hervatte de onbekende, "dat ik het
recht heb om u als vijanden te beschouwen."

Ik antwoordde niets, en met reden; waarom zou ik over zulke woorden
twisten, als het geweld de beste bewijsgronden smoren kan?

"Ik heb lang geaarzeld", vervolgde de gezagvoerder, "niets noodzaakte
mij om u gastvrijheid te verleenen: als ik mij van u wilde ontdoen
had ik geen enkel belang om u te houden; ik had u dan weer op het plat
gezet, dat u reeds eens tot schuilplaats diende, ik zou het vaartuig
in zee hebben doen zinken, en ik zou vergeten hebben, dat gij ooit
bestaan hadt. Had ik daartoe geen recht?"

"Dit was misschien het recht van een wilde", antwoordde ik, "maar
zeker niet van een beschaafd mensch."

"Ik ben geen beschaafd mensch", hernam de kapitein driftig, "zooals gij
mij gelieft te noemen, mijnheer de professor; ik heb met de geheele
maatschappij gebroken om redenen, welke ik alleen het recht heb te
beoordeelen. Ik gehoorzaam dus niet aan de wetten dier maatschappij,
en ik verzoek u die nimmer in mijne tegenwoordigheid in te roepen."

Dit was duidelijk; toorn en verachting straalden uit het oog van den
onbekende, en ik vermoedde dat die man een vreeselijk verleden achter
zich had. Niet alleen gehoorzaamde hij niet meer aan de menschelijke
wetten, maar hij had zich vrij en onafhankelijk gemaakt in de strengste
opvatting van het woord, zonder dat iemand hem bereiken kon. Wie toch
zou hem in de diepten der zee durven vervolgen, daar zelfs aan de
oppervlakte alle tegen hem in het werk gestelde pogingen een ijdel
spel bleken te zijn! Welk schip zou weerstand kunnen bieden aan den
schok van dien onderzeeschen monitor? Welke pantsering, hoe dik ook,
zou een stoot van dit vaartuig weerstaan? Geen enkel mensch kon hem
rekenschap vragen van zijne daden; de eenige rechters, welke iets op
hem vermochten, waren God, zoo hij in Hem geloofde en zijn geweten,
indien hij er een had. Deze opmerkingen kwamen mij voor den geest,
terwijl die vreemde man eenige oogenblikken als in zich zelven gekeerd
zweeg. Ik beschouwde hem, waarschijnlijk evenals Oedipus den Sfinx,
met belangstelling en afgrijzen tevens.

Na een vrij lang stilzwijgen nam hij wederom het woord: "Ik heb dus
geaarzeld, maar dacht eindelijk dat mijn belang wellicht overeenstemde
met dat natuurlijke medelijden, waarop elk sterveling recht heeft. Gij
zult bij mij aan boord blijven, omdat het toeval u daar toch heeft
heengevoerd; gij zult er vrij zijn, doch in ruil voor die vrijheid,
welke trouwens zeer betrekkelijk is, leg ik u slechts eene voorwaarde
op; het is mij genoeg als gij mij daarop uw woord geeft."

"Spreek, mijnheer," antwoordde ik, "ik stel mij voor dat dit eene
voorwaarde is, welke elk eerlijk man zal kunnen aannemen."

"Dat is zoo, mijnheer; het is de volgende: het is mogelijk, dat
zekere onvoorziene omstandigheden mij verplichten, om u gedurende
eenige dagen of uren in uwe hutten op te sluiten. Daar ik nimmer
geweld wil gebruiken, verwacht ik van u in dat geval nog meer dan
anders lijdelijke gehoorzaamheid. Door zoo te handelen ontsla ik u
van alle verantwoordelijkheid, want het is mijne zaak om u in de
onmogelijkheid te stellen van datgene te zien, wat gij niet zien
moogt. Neemt gij die voorwaarde aan?"

Er gebeurden dus aan boord op zijn allerminst zonderlinge zaken,
welke niet gezien mochten worden door menschen, die zich nog niet
geheel en al buiten de wetten der maatschappij gesteld hadden. Onder
al de verassingen, welke de toekomst voor ons opleverde, zou dit
zeker niet de minst belangrijke zijn.

"Wij nemen haar aan," antwoordde ik; "ik verzoek u echter mij, te
vergunnen, mijnheer, u eene enkele vraag te doen."

"Spreek op, mijnheer!"

"Gij hebt gezegd dat wij vrij zouden zijn?"

"Geheel vrij!"

"Daarom vraag ik u wat gij onder die vrijheid verstaat."

"Wel, de vrijheid van te gaan, te komen, te zien en alles na te gaan
wat hier gebeurt, uitgezonderd in eenige zeer enkele gevallen, kortom
de vrijheid, welke mijne makkers en ik zelf genieten."

Het was duidelijk dat wij elkander begrepen.

"Vergeef mij, mijnheer," hernam ik, "maar dat is slechts die vrijheid,
welke elke gevangene heeft om in zijne gevangenis rond te loopen;
dat is voor ons niet genoeg."

"Gij zult u daarmede toch tevreden moeten stellen.".

"Wat? moeten wij dan het denkbeeld laten varen om ooit ons vaderland,
onze vrienden en bloedverwanten terug te zien?"

"Ja mijnheer: maar het is misschien niet zoo moeielijk als gij denkt,
om het onverdraaglijke aardsche juk af te schudden, hetwelk de menschen
meenen dat vrijheid is."

"Welnu komaan," riep Ned Land, "ik zal nooit mijn woord van eer er
op geven, dat ik niet eens beproeven zal om te ontvluchten."

"Ik vraag uw woord van eer niet, meester Land," antwoordde de kapitein
koeltjes.

"Mijnheer," hernam ik, terwijl ik onwillekeurig driftig werd, "gij
maakt misbruik van onzen toestand, dat is wreed."

"Volstrekt niet, mijnheer, dat is goedheid. Gij zijt na den strijd
mijne gevangenen geworden; ik houd u, ofschoon ik u met een enkel
woord weder in zee kon doen werpen. Gij hebt mij aangevallen; gij
hebt een geheim ontdekt, hetwelk geen sterveling ooit mag doorgronden,
want het is het geheim van mijn bestaan; en gij gelooft nog dat ik u
naar de bewoonde aarde zou terug zenden, welke mij niet meer kennen
mag?... Nooit; als ik u hier houd, bewaar ik niet u, maar mij zelven."

Deze woorden duidden genoegzaam aan dat de kapitein eene partij
gekozen had, tegen welke geen praten iets zou vermogen.

"Gij geeft ons dus eenvoudig weg te kiezen tusschen het leven en den
dood?" hernam ik.

"Ja, dood eenvoudig."

"Vrienden," zeide ik, op zulk eene vraag is er niet veel te
antwoorden. Maar ons woord van eer bindt ons niet aan den kapitein
van dit vaartuig."

"Het is zooals gij zegt," antwoorde de onbekende. Daarop vervolgde
hij met zachte stem:

"Laat ik nu verder gaan met hetgeen ik u te zeggen had; ik ken u,
mijnheer Aronnax, gij zult u wellicht niet zoozeer als uwe makkers te
beklagen hebben over het toeval, dat u tot mij heeft gebracht. Gij
zult onder de boeken, welke voor mijne lievelingsstudie dienen, het
werk vinden, hetwelk gij over de diepten der zee hebt uitgegeven. Ik
heb het dikwijls gelezen; gij hebt in dat werk alles medegedeeld,
wat de aardsche wetenschap kent, maar gij weet niet alles, gij hebt
niet alles gezien. Ik zeg u, mijnheer de professor, dat gij u den tijd
niet zult beklagen, welken gij bij mij aan boord doorbrengt; gij zult
eene reis door eene wereld van wonderen doen. Gij zult waarschijnlijk
voortdurend verwonderd, ja zelfs verstomd staan; vermoedelijk zult gij
niet spoedig genoeg hebben van het schouwspel hetwelk u voortdurend
wordt aangeboden. Ik ga op eene nieuwe onderzeesche reis om de aarde,
welke misschien de laatste zal zijn, al datgene nog eens weder
beschouwen, wat ik in die zoo dikwijls bezochte diepten bestudeerd
heb, en gij zult daarin mijn deelgenoot zijn. Van heden af betreedt
gij eene nieuwe wereld; gij zult zien, wat geen mensch nog gezien
heeft, want ik en mijne equipage behooren niet meer tot de menschen,
en onze planeet zal u door mij hare innigste geheimen laten zien."

Ik wil niet ontkennen dat die woorden van den kapitein grooten indruk
op mij maakten; ik was in mijn zwak getast, en ik vergat voor een
oogenblik dat het zien van al die verheven zaken tegen onze verloren
vrijheid toch niet kon opwegen. Overigens rekende ik op de toekomst
om die vraag uit te maken; daarom antwoordde ik: "Indien gij met de
menschheid hebt gebroken, mijnheer, wil ik toch wel gelooven, dat gij
van elk menschelijk gevoel nog geen afstand gedaan hebt. Wij zullen
het niet vergeten dat gij ons arme schipbreukelingen liefderijk aan
boord hebt opgenomen; ik voor mij wil niet ontveinzen, dat als het
belang van de wetenschap het verlangen naar vrijheid kon vernietigen,
al hetgeen gij mij belooft daarvoor ten minste een groote vergoeding
zou aanbieden."

Ik dacht dat de kapitein mij de hand zou toesteken om ons verbond te
bevestigen, doch dit deed hij niet; het speet mij voor hem.

"Eene laatste vraag," zeide ik, op het oogenblik dat dit onverklaarbare
wezen weg scheen te willen gaan.

"Spreek op, mijnheer."

"Hoe moet ik u noemen?"

"Ik ben voor u kapitein Nemo, en gij en uwe metgezellen zijt voor
mij slechts de passagiers van de Nautilus."

De kapitein riep; een hofmeester verscheen, aan wien hij in zijne
vreemde, voor mij onverstaanbare taal eenige bevelen gaf; daarop
wendde hij zich naar Ned Land en Koenraad en zeide: "Een maal wacht
u in uwe hut; volgt dien man slechts."

"Dat weiger ik niet," antwoordde de harpoenier.

Koenraad en hij gingen eindelijk uit de cel, waarin zij meer dan
dertig uur hadden opgesloten gezeten.

"En nu, mijnheer Aronnax, is ons ontbijt ook gereed; ik zal u slechts
voorgaan."

"Gaarne, kapitein."

Ik volgde kapitein Nemo, en zoodra ik over den drempel trad, kwamen
wij in een soort van electrisch verlichten gang; na eenige schreden
voortgegaan te zijn, opende zich eene tweede deur. Ik kwam toen in
eene eetzaal, welke met smaak versierd en gemeubeld was. Aan de beide
uiteinden der zaal stonden hooge eikenhouten buffetten, met ebbenhout
ingelegd, op wier uitgeschulpte planken kostbaar aardewerk, porselein
en glaswerk prijkte. Het servies schittterde onder de lichtstralen,
die naar beneden vielen van eene zoldering, waarvan de zachte kleuren
het scherpe licht eenigszins temperden.

In het midden der zaal stond eene rijk voorziene tafel. Kapitein Nemo
wees mij een stoel aan.

"Neem plaats, mijnheer, en eet als iemand die van den honger sterven
moet."

Het ontbijt bestond uit een aantal schotels, welker inhoud door de
zee geleverd was, en uit eenige gerechten, waarvan ik den aard en de
herkomst niet kende. Ik moet bekennen dat ze goed smaakten, doch zij
hadden allen een bijzonderen smaak, waaraan ik mij slechts langzaam
gewende; die verschillende spijzen schenen phosphorhoudend te zijn,
en ik meende dat zij uit zee afkomstig moesten wezen.

De kapitein keek mij aan; ik vroeg hem niets, maar hij raadde mijne
gedachten, en antwoordde op de vragen, welke ik van verlangen brandde
om tot hem te richten.

"De meesten van deze gerechten," zeide hij, "zijn u onbekend; evenwel
kunt gij er zonder vrees van eten; zij zijn gezond en voedzaam; sedert
lang heb ik afgezien van landvoedsel, en ik bevind mij er niet slecht
bij; de krachtige mannen van mijne equipage voeden zich niets anders
als ik."

"Zijn dus al die spijzen voortbrengselen van de zee?" vroeg ik.

"Ja, mijnheer de professor; de zee voorziet in al mijne behoeften;
dan eens werp ik mijne netten uit en haal ze tot scheurens toe
gevuld op; dan weder ga ik op de jacht in dat element, hetwelk voor
den mensch ongenaakbaar schijnt, en ik jaag het wild op, dat zich
in mijne onderzeesche bosschen schuil houdt. Mijne kudden grazen,
evenals die van den ouden herder van Neptunes, zonder eenige vrees in
de onmetelijke weilanden van den Oceaan. Ik heb daar groote domeinen,
welke ik zelf doorzoek, en waarop 's Heeren hand steeds alle dingen
gezaaid heeft."

Ik keek kapitein Nemo met groote oogen aan, en antwoordde: "Ik begrijp
volkomen, mijnheer, dat uwe netten u voortreffelijken visch bezorgen,
ik begrijp minder goed dat gij het waterwild in uwe onderzeesche
bosschen vervolgt, maar ik begrijp in het geheel niet dat een enkel
stukje vleesch, hoe klein dan ook, op uwe tafel komt."

"Ik gebruik nimmer het vleesch van landdieren," antwoordde de kapitein.

"En dit dan toch?" hernam ik, terwijl ik op een schotel wees, waarop
nog eenige plakken vleesch lagen.

"Wat gij meent dat vleesch is, mijnheer de professor, is niets anders
als een stuk gebraad van een zeeschildpad. Hier zijn bijvoorbeeld
eenige dolfijnenlevers, welke gij misschien voor varkensragout gehouden
hebt. Ik heb een bekwamen kok, die er uitmuntend slag van heeft om deze
verschillende voortbrengselen van den Oceaan toe te bereiden. Proef van
al die gerechten: hier is een gelei van holothurien, welke een Maleier
onverbeterlijk zou noemen; daar hebt gij room van walvisschenmelk,
en suiker uit het groote zeewier van de Noordzee, en vergun mij
eindelijk u wat gekonfijte zee-anemonen aan te bieden, welke zeker
tegen de sappigste vruchten kunnen opwegen."

En ik proefde meer uit nieuwsgierigheid dan uit honger, terwijl
kapitein Nemo mij aangenaam bezig hield met zijne onwaarschijnlijke
verhalen.

"Maar die zee, mijnheer Aronnax, die zoo wonderbaar en onuitputtelijk
is, voedt mij niet alleen, doch zij verschaft mij ook kleeding. De
stof welke ik draag, wordt geweven uit het bekleedsel van sommige
schelpen; zij wordt geverfd met het purper van de ouden, terwijl
er verschillende tinten op worden gebracht door violet, dat ik uit
eene plant der Middellandsche zee (aplysis) haal. De reukwerken op
uwe toilettafel worden uit zeeplanten getrokken; uw bed bestaat
uit het zachtste zeegras, een walvischbaard zal uwe pen zijn, uw
inkt is het afgescheiden vocht van een weekdier, dat men Spaansche
zeekat noemt. Alles komt uit de zee, zooals het er eens naar zal
terug keeren!"

"Bemint gij de zee, kapitein?"

"Ja, ik heb haar lief! De zee is alles; zij bedekt zeven tienden
van den aardbol; haar adem is zuiver en rein; het is de onmetelijke
woestijn, waar de mensch nimmer alleen is, want hij voelt rondom
zich leven; de zee is slechts het voertuig van een bovennatuurlijk
en wondervol leven; zij is slechts beweging en liefde; zij is 'het
levende oneindige,' zooals een uwer dichters eens zeide. En inderdaad,
mijnheer de professor, de natuur openbaart er zich in het delfstoffen-,
planten- en dierenrijk; dit laatste vooral is rijk vertegenwoordigd
door gelede en schelpdieren, door gewervelde en zoogdieren, door
kruipende dieren en ontelbare scharen van visschen; het is eene
eindelooze rij van dieren, waarin meer dan 13000 soorten worden
aangetroffen, van welke slechts een tiende gedeelte in het zoete
water te huis behoort. De zee is de uitgestrekte vergaderbak der
natuur; het is uit de zee dat de aarde om zoo te zeggen, ontstaan
is, en wie weet of zij niet door haar eindigen zal! Daar heerscht
verheven stilte! De zee behoort niet aan de dwingelanden; op hare
oppervlakte kunnen zij hunne onbillijke rechten nog uitoefenen,
elkander aanvallen en verslinden, en er al de ijselijkheden der aarde
overbrengen; maar tien meter beneden dat oppervlak houdt hun geweld
op, daar is hun invloed nietig, en verdwijnt hunne macht! O mijnheer,
leef, leef in de diepten der zee! Daar alleen is men onafhankelijk,
daar alleen heeft men geen meester! daar ben ik vrij!"

Kapitein Nemo zweeg plotseling te midden van zijne geestdrift; had
hij zich buiten zijne gewoonte laten medeslepen? Had hij te veel
gezegd? Hij liep gedurende eenige oogenblikken hevig ontroerd heen
en weder; daarop werd hij bedaarder, zijn gelaat hernam de gewone
kalmte, en zich tot mij wendende, zeide hij: "als gij nu de Nautilus
wilt bezoeken, mijnheer de professor, ben ik geheel tot uw dienst."



HOOFDSTUK XI

De Nautilus.

Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in
de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke
afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was
eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd
bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken;
zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met
bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars,
welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven,
waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder
te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en
eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over
het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het
plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal
met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.

"Kapitein Nemo," zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast
mij plaats nam, "dit is eene boekerij, welke meer dan een paleis op
het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat
gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren."

"Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?" antwoordde
de kapitein. "Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?"

"Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking
met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000
deelen...."

"12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de
aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat
ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de
laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is
het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die
boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt
er vrij gebruik van maken."

Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat
nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei
wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei
talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen
streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken,
in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde
bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen
wat hem in de hand kwam.

Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe
schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft
voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek,
van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais
tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei
takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en
natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke
geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den
kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault,
Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages,
Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de
verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende
aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen
zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst
aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste
tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865
verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus
tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn
onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik
dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden
kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik
wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus
daarvoor niet ophouden.

"Ik dank u, mijnheer," zeide ik tot den kapitein, "dat gij deze
bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten
van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken."

"Deze zaal dient niet alleen tot boekerij, maar ook tot rookkamer,"
zeide de kapitein.

"Eene rookkamer!" riep ik uit, "wordt er dan aan boord gerookt?"

"Zonder twijfel."

"Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt,
kapitein."

"Geenszins," antwoordde Nemo; "neem een van deze sigaren, mijnheer
Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken
als gij een kenner zijt."

Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad;
ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet,
en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber,
die in geen twee dagen gerookt heeft.

"Zij is voortreffelijk," zeide ik, "maar het is toch geen tabak?"

"Neen," antwoordde de kapitein, "die tabak komt niet uit Havana
of uit Oost-Indie; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras,
dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana's
nog, mijnheer?"

"Ik laat die van nu af staan, kapitein."

"Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren
te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof
ik niet minder goed."

"Integendeel."

Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de
bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend
verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden
hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer
helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond
op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want
het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al
de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze,
welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.