A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


'Da Vinci Code' publisher one of two execs leaving Random House
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new magic from Potter author J.K. Rowling
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Rubin, Irwyn Applebaum Out in RH Reorg
NEW YORK - The man who helped give the world 'The Da Vinci Code' and a leading publisher of Danielle Steel and other brand-name authors are leaving Random House. The departing executives are Stephen Rubin, who as head of the Doubleday Publishing Group

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne



J >> Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15



"Slechts?"

"Welzeker, mijnheer Aronnax, en die berekening is gemakkelijk na te
gaan. Nu heb ik nog andere vergaarbakken, welke honderd ton inhoud
hebben. Ik kan mij dus op ontzaglijke diepten laten zinken. Als ik
weder stijgen wil, heb ik het water slechts te verwijderen, en als
ik dan alle vergaarbakken ledig maak, komt de Nautilus weer voor een
tiende deel van hare hoogte boven het watervlak uit."

Tegen zulk eene op cijfers gegronde bewijsvoering had ik niets in
te brengen.

"Ik neem uwe berekeningen aan, kapitein," gaf ik ten antwoord,
"en ik zou zeer onaardig handelen om daarover met u te twisten,
omdat de ondervinding er dagelijks de waarheid van bewijst. Maar ik
voorzie nog eene wezenlijke moeielijkheid."

"Welke, mijnheer?"

"Als gij op duizend meter diepte zijt, dan ondervindt het buitenste
bekleedsel van de Nautilus eene drukking van honderd atmosferen;
als gij dus op dat oogenblik het water uit uwe vergaarbakken wilt
verdrijven om weder te stijgen, dan moeten uwe pompen die drukking
overwinnen, en dat is honderd kilogram op de vierkante centimeter. Gij
hebt dus eene kracht noodig...."

"Welke de electriciteit alleen mij kon geven," viel kapitein Nemo mij
haastig in de rede. "Ik herhaal het u, mijnheer, dat de dynamische
kracht van mijne werktuigen bijna onbegrensd is. De pompen van de
Nautilus hebben eene verbazende kracht; gij hebt dat dunkt mij reeds
moeten ondervinden, toen hare waterstralen zich als een woedende stroom
op het dek van de Abraham Lincoln neerstortten. Overigens bedien ik
mij van mijne hulpvergaarbakken slechts om eene gemiddelde diepte van
1500 tot 2000 meter te bereiken, en dat wel om mijne toestellen te
sparen. Als ik lust heb om den Oceaan op eene diepte van twee of drie
kilometer te bezoeken, dan heb ik veel langere, doch even onfeilbare
bewegingen noodig."

"Welke dan, kapitein?" vroeg ik.

"Daarvoor moet ik u noodzakelijk mededeelen hoe de Nautilus bestuurd
wordt."

"Ik brand van ongeduld om het te vernemen."

"Om het schip naar stuur- of bakboordzijde te wenden, om het te doen
laveeren, kortom om het in horizontale richting te doen bewegen,
daarvoor gebruik ik een gewoon roer, dat met een tandrad in beweging
wordt gebracht; maar ik kan de Nautilus ook van boven naar beneden,
en omgekeerd bewegen in vertikale richting, en dit doe ik door
middel van twee hellende vlakken, welke aan weerszijden midden uit
het schip steken, en die door middel van krachtige hefboomen allerlei
standen kunnen aannemen. Als die vlakken evenwijdig met het vaartuig
gehouden worden, dan gaat dit in horizontale richting voort; worden
zij schuins gehouden, dan daalt de Nautilus volgens de helling der
vlakken en door de werking der schroef naar de diepte, of komt op
dezelfde wijze naar boven, en zelfs als ik spoediger naar boven wil
komen, dan laat ik de schroef stilstaan, en de drukking van het water
doet de Nautilus in vertikale richting even spoedig stijgen, als een
luchtbal, die met waterstofgas gevuld, zich in de lucht verheft."

"Bravo, kapitein!" riep ik uit. "Maar hoe kan de stuurman den weg
volgen, welken gij hem in het midden der zee aanwijst?"

"De stuurman staat in eene glazen kooi, welke boven op de Nautilus
eenigszins uitsteekt, en welke van groote lenzen is voorzien."

"Glazen, die bestand zijn om aan zulk eene drukking weerstand te
bieden?"

"Welzeker. Het kristal dat zoo bros is als er tegen gestooten wordt,
heeft echter een aanzienlijk weerstandsvermogen. Bij proeven, welke
men in 1864 in de Poolzeeen nam om bij electriek licht te visschen,
merkte men op, dat kristalplaten van zeven millimeter dik aan eene
drukking van zestien atmosferen konden weerstand bieden, als men er
slechts warmtestralen door liet vallen, welke haar eene gelijkmatige
warmte mededeelden. En de glazen, waarvan ik mij bedien, zijn in het
middelpunt niet minder dan 21 centimeter dik, dat is dus dertigmaal
zooveel."

"Ik geloof het, kapitein; maar om te zien moet het licht de duisternis
van die diepten toch vervangen, en ik vroeg mijzelven af, hoe het
mogelijk is om onder in zee...."

"Achter het stuurhokje is een krachtige electrieke reflector geplaatst,
welker stralen de zee op een kilometer afstands verlichten."

"Bravo, kapitein! Nu begrijp ik dat lichten van den reusachtigen
eenhoorn, die alle geleerden in spanning heeft gebracht. Het is
natuurlijk dat ik u hierbij vraag, of de botsing tusschen de Nautilus
en de Scotia, waarover zooveel gepraat is, door eene toevallige
ontmoeting werd veroorzaakt of niet?"

"Geheel toevallig mijnheer; ik voer op twee meter onder water toen
de botsing plaats greep; overigens zag ik dat het geene noodlottige
gevolgen heeft gehad."

"Geene, mijnheer; maar wat uwe ontmoeting met de Abraham Lincoln
aangaat?..."

"Het spijt mij voor een van de beste schepen van die flinke
Amerikaansche Marine, mijnheer, maar men viel mij aan en ik moest mij
verdedigen. Overigens heb ik mij slechts vergenoegd om het fregat
in een toestand te brengen, dat het mij geen schade meer kon doen;
het zal zijne averij in de eerste haven de beste wel hebben kunnen
doen herstellen."

"O kapitein," riep ik geheel overtuigd uit, "uw Nautilus is waarlijk
een wonder!"

"Ja, mijnheer," antwoordde de kapitein met wezenlijke aandoening,
"en ik heb dat schip zoo lief, alsof het mijn vleesch en bloed
ware. Indien op uwe gewone schepen gevaren u omringen, indien men op
zee het allereerst den indruk krijgt van een gevoel dat u naar den
afgrond trekt, zooals Janssen het zoo nauwkeurig gezegd heeft, dan
heeft de mensch in de Nautilus niets te vreezen; geen lek, want de
dubbele huid heeft de sterkte van het ijzer; geen tuig, dat door het
slingeren en stampen van het schip spoedig vernield is; geen zeilen,
welke de wind u voor den neus aan flarden scheurt; geen ketels, die
door de hitte verteerd worden; geen brand, omdat het geheele schip
van ijzer en niet van hout gemaakt is, geen kolen, welke opraken,
omdat electriciteit zijne grootste kracht uitmaakt; geen botsingen te
vreezen, omdat het alleen in de diepten van de zee vaart; geen storm
te weerstaan, omdat het schip eenige meters reeds onder de oppervlakte
eene volkomene stilte vindt! Dat is nu het schip bij uitnemendheid,
mijnheer! En indien het waar is, dat de ingenieur meer vertrouwen in
zijn vaartuig stelt dan de bouwmeester, en de bouwmeester meer dan
de kapitein zelf, dan kunt gij begrijpen met welk een vertrouwen ik
voor mijn Nautilus bezield ben, als ik u zeg, dat ik er de kapitein,
de ingenieur en de bouwmeester van ben."

De kapitein sprak met wegslepende welsprekendheid; het vuur van zijn
blik, het levendige van zijne gebaren, maakten een ander mensch van
hem. Ja, hij had zijn vaartuig lief, als een vader zijn kind. Maar
eene misschien onbescheiden vraag rees nu bij mij op, en ik kon die
ook niet terughouden.

"Zijt gij dan ingenieur, kapitein?" vroeg ik.

"Ja, professor," antwoordde hij, "Ik heb te Londen, te Parijs en te
New-York gestudeerd, toen ik nog op het land woonde."

"Maar hoe hebt gij in het geheim die wondervolle Nautilus kunnen
bouwen?"

"Elk gedeelte er van, mijnheer Aronnax, heb ik onder eene verkeerd
opgegeven bestemming uit verschillende landen laten komen. De kiel
is te Le Creuzot in Frankrijk gesmeed, de schroefstang bij Pen en
Co. te Londen, de ijzeren pantserplaten bij Leard te Liverpool,
de schroef bij Scott te Glasgow. De vergaderbakken zijn bij Cail en
Co. te Parijs gesmeed, de machine bij Krupp te Essen, de spoor in de
werkplaatsen van Motala in Zweden; de juistheidsinstrumenten zijn van
de gebroeders Hart te New-York, enz., en ieder van de leveranciers
kreeg onder verschillende benamingen iets van mijn plan te zien."

"Maar toen die stukken gereed waren, moest gij die toch passen en in
elkander zetten?"

"Ik had mijne werf op een onbewoond eiland midden in den Oceaan. Mijne
werklieden, dat is te zeggen mijne dappere makkers, die ik onderricht
en gevormd heb, hebben daar de Nautilus onder mijn toezicht gebouwd,
en toen het vaartuig van stapel was geloopen, heeft het vuur elk spoor
van ons verblijf doen verdwijnen; ik geloof zelfs, dat als ik er toe
in staat was geweest, ik het eiland in de lucht had laten springen."

"Ik begin te gelooven dat de kosten voor het bouwen van de Nautilus
buitensporig groot zijn geweest."

"Een ijzeren vaartuig, mijnheer Aronnax, kost 1125 franc per ton;
de Nautilus meet 1500.2 ton: zij kost dus 1.687.725 [2] franken,
dus zoowat vier of vijf millioen met alle kunstwerken en schatten,
welke zij bevat."

"Eene laatste vraag, kapitein."

"Vraag, mijnheer."

"Zijt gij dan zoo rijk?"

"Ongeloofelijk rijk, mijnheer, ik zou zelfs zonder moeite de geheele
nationale schuld van Frankrijk kunnen betalen!"

Ik keek den zonderlingen man, die zoo sprak, strak aan; maakte hij ook
misbruik van mijn vertrouwen? De toekomst zou mij dit raadsel oplossen.



HOOFDSTUK XIV

De zwarte stroom.

Men berekent dat het water op den aardbol eene oppervlakte beslaat
van 3.751.322.76 vierkante myriameter of meer dan 37 1/2 millioen
hectaren. De massa water wordt geschat op eene hoeveelheid, gelijk
aan het water dat alle rivieren der aarde gedurende 40,000 jaar
zouden uitstorten. Gedurende de geologische tijdperken volgde het
tijdperk van het water op dat van het vuur; eerst was er overal zee;
toen verschenen in het Silurische tijdvak langzamerhand bergtoppen;
eilanden kwamen boven, verdwenen soms onder de groote waterstroomen,
kwamen op nieuw boven, vereenigden zich en vormden vaste landen,
zooals wij die nu nog kennen; er was een bewoonbaar vast gedeelte
ontstaan, dat eene oppervlakte had van 132,987,377 vierkante kilometer
of ruim 13,298 millioen hectaren. De vorm van dit land doet ons het
water in vijf groote wereldzeeen verdeelen: de Noordelijke IJszee,
de Zuidelijke IJszee, den Indischen Oceaan, den Atlantischen Oceaan
en de Stille Zuidzee; deze laatste strekt zich van het noorden naar
het zuiden tusschen de beide poolcirkels, en van het westen naar het
oosten tusschen Azie en Amerika uit, over eene lengte van 145 deg.. Het is
de kalmste zee; men vindt er breede en langzame stroomen in; het verval
is middelmatig, en er vallen overvloedige regens in. Zoodanig was de
Oceaan, welke mijn noodlot mij in de vreemdsoortigste omstandigheden
zou doen doorreizen.

"Mijnheer de professor," zeide kapitein Nemo, "als gij wilt, zullen
wij eens poolshoogte van onze ligging nemen, en het punt van vertrek
voor deze reis bepalen; het is kwart voor twaalven, ik zal dus weder
naar de oppervlakte stijgen."

De kapitein drukte driemaal op een electriek klokje; de pompen dreven
het water uit de vergaarbakken; de naald van de manometer wees door
verschil in drukking het stijgen van de Nautilus aan, tot dat alles
stilstond.

"Wij zijn er," zeide de kapitein.

Ik ging naar de middeltrap die tot het plat voerde. Ik besteeg
de metalen treden, en door het geopende luik kwam ik boven op de
Nautilus. Dit plat stak slechts 80 centimeter uit zee; de voor-
en achtersteven van het vaartuig hadden zulk een vorm, dat men het
vrij nauwkeurig met een lange sigaar kan vergelijken. Ik bemerkte
dat de ijzeren platen even over elkander waren geschoven, en eenige
overeenkomst hadden met de schubben van eenig kruipend dier. Ik begreep
dus vrij natuurlijk dat dit schip, niettegenstaande de beste kijkers,
altijd voor een zeemonster gehouden werd.

In het midden van het plat stak de sloep, welke half in het schip
verborgen was, eenigermate uit. Voor en achter bevonden zich twee
kooien van middelmatige hoogte met schuine wanden, en voor een deel
door groote lenzen gesloten; de eene kooi was voor den stuurman, die
de Nautilus stuurde, in de andere schitterde het krachtige electrieke
licht, dat het schip op zijn weg verlichtte.

De zee was kalm en de hemel helder. Het lange vaartuig voelde
nauwelijks iets van de zachte schommelingen van den Oceaan; een licht
oostewindje rimpelde het watervlak; de gezichteinder was zonder nevels
en liet dus de beste opmetingen toe. Er was niets in het gezicht; geen
klip, geen eiland, geen Abraham Lincoln, niets dan de oneindige ruimte.

Kapitein Nemo ging met zijn sextant in de hand de hoogte der zon
opnemen, waardoor hij de breedte leerde kennen; hij wachtte eenige
minuten, totdat de zon hare grootste hoogte bereikt had; terwijl
hij zijne observatien deed, bewoog zich geen enkele spier van zijn
lichaam, en het instrument zou in de hand van een marmeren beeld niet
onbeweeglijker hebben kunnen zijn.

"Middag," zeide hij.

Ik wierp een laatsten blik op die zee, welke eenigszins geelachtig
gekleurd was door het zand van de Japansche kust, en ik ging weder
naar het salon.

Daar berekende de kapitein de lengte, en zeide toen: "Mijnheer Aronnax,
wij zijn op 137 deg. 15' westerlengte...."

"Van welken meridiaan?" vroeg ik driftig, hopende dat het antwoord
van den kapitein mij misschien zou doen gewaar worden, uit welk land
hij afkomstig was.

"Mijnheer," antwoordde hij; "ik heb verschillende chronometers, die
geregeld zijn naar de meridianen van Parijs, Greenwich en Washington;
maar ter uwer eere zal ik mij van dien van Parijs bedienen."

Dit antwoord liet mij even wijs. Ik boog en de kapitein vervolgde:

"137 deg. 15' westerlengte van Parijs, 30 deg. 7' noorderbreedte, dat is te
zeggen op ongeveer 300 kilometer van de Japansche kust. Het is heden 8
November des middags, dat onze onderzoekingstocht onder water begint."

"God beware ons," zeide ik.

"En nu, mijnheer de professor, laat ik u den tijd voor uwe studien;
ik heb gelast om O.N.O. te sturen op eene diepte van vijftig
meter. Hier hebt gij kaarten met groote punten, waarop gij onzen
weg kunt volgen. Het salon is ter uwer beschikking, terwijl ik u de
vergunning verzoek om mij te verwijderen."

De kapitein groette mij; ik bleef met mijne gedachten alleen;
ik dacht slechts aan den kapitein van de Nautilus. Zou ik ooit
te weten komen tot welke natie deze vreemdsoortige man behoorde,
die er zich op beroemde tot geene te behooren? Wie had dien haat
bij hem opgewekt, welken hij aan de menschheid gezworen had, en
die hem misschien op vreeslijke wraak bedacht deed zijn? Was het
een van die miskende geleerden, dien men volgens eene uitdrukking
van Koenraad "verdriet had aangedaan," een nieuwerwetsche Galilei,
of een van die wetenschappelijke mannen, zooals de Amerikaan Maury,
wiens loopbaan door staatkundige omwentelingen was afgebroken? Ik
kon het niet zeggen. Hij ontving mij, dien het toeval bij hem aan
boord had gebracht, mij, wiens leven in zijne hand lag, koel, doch
gastvrij; hij had evenwel nimmer mijne hem toegestoken hand aangevat,
of mij de zijne toegestoken.

Ik bleef een uur in gepeins verzonken zitten, en zocht dien voor
mij zoo geheimzinnigen sluier op te lichten. Daarop vestigde ik het
oog op de groote kaart, welke op de tafel lag uitgespreid, en zette
den vinger op de plaats, waar de opgegeven breedte- en lengtegraden
elkander kruisten.

De zee heeft stroomen als het vaste land; het zijn bijzondere
stroomen, kenbaar aan hun warmtegraad, aan hunne kleur, en van welke
de merkwaardigste den naam van Golfstroom draagt. De wetenschap heeft
op den aardbol de richting van vijf hoofdstroomen aangewezen, een in
het noorden en een in het zuiden van den Atlantischen Oceaan, twee
anderen in het noorden en zuiden van de Stille Zuidzee, en een vijfde
in het zuiden van den Indischen Oceaan; zelfs is het waarschijnlijk,
dat er een zesde in het noorden van diezelfde zee bestaan heeft,
toen de Kaspische zee en het meer Aral met de groote Aziatische meren
verbonden, slechts eene groote uitgestrektheid water vormden.

Op de plaats der wereldkaart, waarop ik den vinger hield, vertoonde
zich een van die stroomen, de Kuroskivo der Japanneezen, de Zwarte
stroom, welke, uit de golf van Bengalen komende, door de straat
van Malakka en langs de kust van Azie stroomt, en dan in de Stille
Zuidzee zich met een bocht naar de Aleutische eilanden wendt; hij voert
kamferboonen en andere Indische voortbrengselen met zich, en is door
de helderblauwe kleur van zijn water duidelijk te onderscheiden van de
golven van den Oceaan. Dezen stroom zou de Nautilus volgen; ik volgde
dien met het oog op de kaart, en zag hem zich in den oneindig grooten
Oceaan verliezen, zelfs voelde ik er mij reeds door medeslepen, toen
Ned Land en Koenraad de zaal binnentraden. Mijne wakkere lotgenooten
bleven als versteend staan op het gezicht van zoovele wonderen,
als hier opeen gestapeld lagen.

"Waar zijn wij?" riep Ned uit; "in het museum te Quebec?"

"Met mijnheers goedvinden zou ik eer zeggen, dat het bij ons in de
Galeries de Zooelogie was," zeide Koenraad.

"Vrienden," antwoordde ik, terwijl ik hen wenkte om binnen te komen,
"gij zijt noch in Canada, noch in Frankrijk, maar aan boord van de
Nautilus, vijftig meter onder het oppervlak der zee."

"Ik moet mijnheer gelooven, omdat hij het verzekert," zeide Koenraad;
"maar op mijn woord, de zaal is zoo schoon, dat zij zelfs een Vlaming
als mij verbaast."

"Verwonder u, mijn vriend, en kijk goed rond, want voor iemand, die
zooveel liefhebberij in het rangschikken en in klassen indeelen heeft
als gij, is hier werk in overvloed...."

Ik behoefde hem niet aan te moedigen; de brave jongen boog zich over
de glazen kasten en mompelde allei woorden en namen uit de taal der
natuurkenners: "weekdieren, koppootigen, Gyproea. Madagascariensis,"
enz., alles door elkander.

Gedurende dien tijd vroeg Ned Land, die niets met schelpen ophad,
mij naar mijn onderhoud met den kapitein; of ik ontdekt had wie hij
was, van waar hij kwam, waar hij heenging, naar welke diepte hij
ons medesleepte? Kortom, duizenden vragen, waarop ik zelfs den tijd
niet had een antwoord te geven. Ik vertelde hem al wat ik wist, of
liever wat ik niet wist en ik vroeg hem wat hij van zijn kant gezien
of gehoord had.

"Niets gehoord of gezien," antwoordde hij: "ik heb zelfs niemand van
de equipage gezien; zou die misschien ook electriek zijn?"

"Electriek!"

"Waarachtig, men zou het haast gaan gelooven. Maar gij, mijnheer
Aronnax," vroeg Ned Land, die, zoo het scheen altijd bij zijn denkbeeld
van overrompeling bleef, "zoudt gij niet kunnen zeggen, hoe sterk ze
hier aan boord zijn: tien, twintig, vijftig, honderd?"

"Ik kan u daarop geen antwoord geven. Geloof mij, laat voor het
oogenblik dat denkbeeld varen om u van de Nautilus meester te maken
of te vluchten. Dit vaartuig is een van de grootste meesterstukken
der nieuwere nijverheid, en het zou mij spijten als ik het niet gezien
had. Velen zouden zich in onzen toestand schikken, al ware het alleen
maar om te midden van al die wonderen rond te dolen, houdt u dus stil,
en laat ons trachten te zien, wat rondom ons gebeurt."

"Zien!" riep de harpoenier, "maar men ziet niets, en zal nooit iets
zien in die ijzeren gevangenis; wij varen in den blinde...."

Toen Ned dit zeide, werd het eensklaps donker als de nacht. Het
licht aan de zoldering verdween, en wel zoo snel, dat mijne oogen er
pijnlijk door werden aangedaan, evenals dit geschiedt, wanneer men
van de diepste duisternis plotseling in het schitterendste licht komt.

Wij bleven verstomd staan, en bewogen ons niet, daar wij niet wisten
welke aangename of onaangename verrassing ons wachtte; doch een
schuiven deed zich hooren; men zou gezegd hebben; dat de zijwanden
van de Nautilus in beweging kwamen.

"Dat is nu het einde van alles!", zeide Ned.

"Orde van de Hijdromedusen!", mompelde Koen.

Plotseling werd het dag aan weerszijden van de zaal door twee
ovale openingen; het zeewater was helder verlicht door een stroom
electriek licht. Twee dikke glasschijven scheiden ons van de zee;
eerst sidderde ik op de gedachte, dat deze broze wanden konden breken,
maar stevige koperen stangen steunden het glas, en gaven daaraan een
bijna onbeperkt weerstandsvermogen.

De zee was op een kilometer afstands rondom de Nautilus
duidelijk zichtbaar. Welk een schouwspel! Welke pen zou dit
kunnen beschrijven! Wie zou de uitwerking van het licht door deze
doorschijnende massa, en het zachte afnemen en verminderen daarvan
in de diepten boven en beneden ons kunnen afschilderen? Men kent
de doorschijnendheid der zee; men weet dat haar water helderder is
dan bronwater: de minerale en organische bestanddeelen, welke er in
opgelost zijn, vermeerderen die doorschijnendheid. In enkele gedeelten
van den Oceaan, bij de Antillen bijvoorbeeld, kan men op eene diepte
van 145 meter den zandigen bodem met bijzondere nauwkeurigheid zien,
en zelfs schijnen de zonnestalen nog tot op eene diepte van 300 meter
door te dringen. Maar in den stroom, waarin de Nautilus dreef, werd
het electriek licht in de diepte der zee zelve voortgebracht. Het
was geen verlicht water meer, maar een stroom van vloeibaar licht.

Als men de veronderstelling van Erhemberg gelooven wil, dan zou er in
de diepten der zee een phosphoresceerend licht bestaan, waardoor de
natuur aan de bewoners der zee een wonderlijk schouwspel bereid heeft;
ik kon dit een weinig beoordeelen door het duizendvoudige spelen van
het licht. Aan elke zijde had ik het gezicht op deze ondoorzochte
afgronden; de duisternis van de zaal deed het licht buiten des te
beter uitkomen, en wij keken door de ramen alsof het de wanden van
een zeer groot aquarium waren.

De Nautilus scheen zich niet te bewegen; het was omdat wij vaste
punten voor ons oog misten. Somwijlen echter vlogen strepen waters
met buitengewone snelheid ons voorbij, waardoor wij konden zien,
dat wij inderdaad zeer snel vooruitgingen.

Verbaasd leunden wij op onze ellebogen voor het glas, zonder dat een
onzer de stilte nog had afgebroken, toen Koenraad zeide:

"Gij wildet zien, vriend Ned, welnu, zie!"

"Prachtig!" zeide Ned, die zijn toorn en zijne ontvluchtingsplannen
vergetende, zich onwillekeurig aangetrokken gevoelde; "men zou er
zelfs ver om willen reizen, om zulk een schouwspel te bewonderen."

"O!" riep ik uit, "nu begrijp ik het leven van dien man; hij heeft
zich een wereld afzonderlijk gevormd, welke voor hem hare grootste
wonderen bewaart!"

"Maar waar zijn de visschen?" merkte de harpoenier op, "ik zie
er geen."

"Wat gaat u dat aan, vriend Ned," antwoordde Koenraad, "omdat gij ze
toch niet kent."

"Ik, een visscher!" zeide Ned Land.

En daarop ontstond een soort van twistgesprek tusschen de beide
vrienden, want beiden kenden visschen, maar ieder op verschillende
wijze; Ned Land kende er wel onderscheid tusschen, doch Koenraad
wist er zooveel te meer van, en nu hij de vriend van den harpoenier
geworden was, kon hij niet dulden, dat deze minder wist dan hij;
daarom zeide hij: "Gij zijt een visschendooder, mijn vriend, een zeer
handig visscher; gij hebt eene groote menigte van die belangwekkende
dieren gevangen; maar ik wed, dat gij niet weet hoe men ze in klassen
verdeelt."

"Welzeker," antwoordde de harpoenier ernstig, "in visschen die men eet,
en die men niet eet!"

"Dat is de onderscheiding van een vraat," antwoordde Koenraad; "maar
zeg mij eens of gij wel het onderscheid kent tusschen beenachtige en
kraakbeenachtige visschen?"

"Misschien wel, Koen."

"En de onderverdeeling van die beide groote klassen?"

"Ik heb er nooit van gehoord," antwoordde Ned.

"Welnu, hoor mij aan en onthoud het," en daarop begon hij eene geleerde
verhandeling over de visschen, waarbij de harpoenier allerlei uitroepen
deed hooren, die genoegzaam bewezen, dat hij al die geleerdheid van
Koenraad al bijzonder weinig telde, en de visschen alleen uit het
oogpunt van eetbaarheid beschouwde. En toen Koenraad aan het einde van
zijne dissertatie gekomen was, zeide hij: "Ziet gij, mijn beste Ned,
als gij dat alles nu weet, dan weet gij eigenlijk gezegd nog niets,
want de familien worden weer onderverdeeld in soorten, ondersoorten,
verscheidenheden ...."

"Welnu, vriend Koen," viel de harpoenier hem in de rede, terwijl hij
tegen het raam leunde, "daar heb je verscheidenheid genoeg."

"Ja, allerlei visschen," zeide Koenraad, "men zou denken dat men voor
een aquarium zat."

"Neen," voegde ik hem toe, "want een aquarium is een kooi en hier
zijn de visschen zoo vrij als vogels in de lucht."

"Welnu, vriend Koen, noem ze dan eens op, als gij kunt," vroeg
Ned Land.

"Ik?" antwoordde Koenraad, "daar ben ik niet toe in staat; dat is de
zaak van mijn meester."

En inderdaad, die brave jongen was altijd met zijn klassen-indeeling
in de weer, doch volstrekt geen natuurkenner; ik weet niet of hij wel
een schelvisch van een schol had kunnen onderscheiden; kortom hij
was het tegendeel van Ned Land, die al de visschen zonder aarzelen
opnoemde. Met hun beiden zouden zij een volmaakt ichthyoloog hebben
gevormd.

Gedurende een paar uur trok een talloos heir van zeebewoners met de
Nautilus mede; zij sprongen en draaiden en speelden voor ons oog, dat
het een lust was, en wedijverden in schoonheid, glans en vlugheid;
ik herkende er de meeste soorten onder van de visschen, welke in
den grooten Oceaan gevonden worden, groote en kleine, schoone en
afschuwelijke, en daaronder somwijlen zeer zeldzame en prachtige
exemplaren. Onze verbazing was voortdurend ten hoogste gespannen; onze
uitroepen verminderden niet; Ned noemde de visschen op, en Koenraad
deelde ze in klassen in; ik was opgetogen op het gezicht van hunne
bewegingen en de schoonheid hunner vormen. Nooit was mij het geluk te
beurt gevallen, die dieren levend en vrij in hun natuurlijk element
te aanschouwen.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.