A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Citigroup Cuts Estimates and Price Target on Amazon.com (AMZN) Due To Flat Online Retail Growth
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Farewell To Okada In PortHarcourt
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Books: Top executives to leave Random House
Citigroup is lowering estimates and its price target on Amazon.com (Nasdaq: AMZN), citing the comScore online retail report predicting a 0% Nov-Dec year-over-year growth. The firm lowered Amazon's Q4 year-over-year growth from 16% to 7% and Amazon's

20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond by Jules Verne



J >> Jules Verne >> 20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15



Ik zal al de verscheidenheden niet opnoemen, welke voorbij onze
verbaasde blikken heenschoten; het was alles wat de Japansche en
Chineesche zeeen slechts opleverden. De visschen kwamen talrijker
dan de vogels in de lucht op ons af, waarschijnlijk aangetrokken door
het schitterende electrieke licht.

Plotseling werd het weder licht in de zaal, de wanden werden
dichtgeschoven, en het betooverend gezicht verdween; maar nog lang
droomde ik, totdat mijn blik zich op de instrumenten aan den muur
vestigde. Het kompas wees altijd eene noordoostelijke richting aan;
de manometer gaf een druk aan van vijf atmosferen, dus eene diepte
van vijftig meter, en de electrieke log liet ons zien dat wij vijftien
kilometer in het uur maakten.

Ik wachtte kapitein Nemo, maar hij kwam niet; de klok stond op vijf
uur. Ned Land en Koenraad gingen naar hunne hut; ik naar mijne kamer;
mijn middagmaal stond gereed; het bestond uit een overheerlijke
schildpadsoep, verder uit een in boter gebakken barbeel, wiens
lever afzonderlijk klaargemaakt een voortreffelijk eten opleverde,
en uit eenige sneden van een gebraden grooten visch, waarvan de smaak
lekkerder was dan van zalm.

Ik bracht den avond door met lezen, schrijven en mijmeren. Toen ik
slaap kreeg ging ik naar bed en sliep gerust, terwijl de Nautilus
den snellen Zwarten stroom volgde.


HOOFDSTUK XV

Eene schriftelijke uitnoodiging.

Den volgenden dag, 9 November, werd ik na een slaap van twaalf uur
wakker. Koenraad kwam, volgens gewoonte, hooren of "mijnheer goed
geslapen had," en zijne diensten aanbieden. Hij zeide dat zijn vriend
Ned nog lag te slapen, alsof hij zijn leven lang anders niets gedaan
had. Ik liet den braven jongen naar hartelust babbelen, zonder hem
te antwoorden. Ik was afgetrokken door de voortdurende afwezigheid
van den kapitein, die sedert ons onderhoud van den vorigen dag niet
weder verschenen was; ik hoopte hem in den loop van den dag terug
te zien. Spoedig had ik mijne kleederen aan; de stof lokte menige
opmerking van Koenraad uit; ik vertelde hem, dat zij gemaakt waren van
de zijdeachtige draden, welke op een soort van schelpen langs de kusten
der Middellandsche Zee gevonden worden; vroeger maakte men er schoone
stoffen, kousen en handschoenen van, omdat de stof zeer zacht en warm
is. De equipage van de Nautilus kon zich dus goedkoop kleeden, zonder
ter markt te gaan bij katoenplanters, schapen, of zijdewormen. Toen
ik aangekleed was ging ik naar de zaal, maar er was niemand.

Ik ging aan het bestudeeren van alle schatten, welke onder de glazen
ramen lagen opgestapeld; ik doorbladerde de groote herbariums, die
opgevuld waren met de zeldzaamste zeepianten welke hoewel gedroogd,
toch hare schoone kleuren hadden behouden.

De dag ging voorbij, zonder dat ik met een bezoek van den kapitein
vereerd werd. De zijwanden der zaal gingen niet open, misschien omdat
men onzen smaak voor die schoone zaken niet bederven wilde. De richting
van de Nautilus was altijd nog N.O.t.O., de snelheid twaalf kilometer,
de diepte tusschen de 50 en 60 meter.

Den volgenden dag, 10 November, bracht ik even afgezonderd en verlaten
door. Ik zag niemand van de equipage. Ned en Koenraad brachten het
grootste gedeelte van den dag met mij door; zij verwonderden zich over
de onverklaarbare afwezigheid van den kapitein. Was de zonderlinge man
ziek, of wilde hij zijne plannen ten onzen opzichte wijzigen? Overigens
genoten wij, volgens Koenraad, geheel onze vrijheid en wij werden
uitstekend gevoed. Onze gastheer hield zich nauwkeurig aan de
voorwaarden van onze overeenkomst; wij konden ons niet beklagen, en
bovendien vonden wij in het zonderlinge van ons lot zulk eene schoone
vergoeding, dat wij het recht nog niet hadden om hem te beschuldigen.

Dien dag begon ik het verhaal van mijne lotgevallen op te
schrijven, waardoor ik ze nu met de grootste nauwkeurigheid kan
mededeelen. Opmerkenswaardig was het dat ik op papier schreef,
hetwelk uit zeegras gemaakt was.

Den 11den November bemerkte ik 's morgens reeds zeer vroeg aan de
versche lucht, welke de Nautilus doorstroomde, dat wij weder aan het
oppervlak der zee dreven, om onzen voorraad zuurstofhoudende lucht
te vernieuwen. Ik ging naar de middeltrap en besteeg het plat. Het
was zes uur; het weer was mistig, de zee grauw, maar kalm, bijna
geen deining. Zou de kapitein, dien ik daar hoopte te ontmoeten,
komen? Ik zag slechts den stuurman in zijne glazen kooi. Ik ging
zitten op de kiel der sloep, welke eenigszins uitstak, en ademde
met wellust de heerlijke zeelucht in. Langzamerhand trok de mist
op door de werking der zonnestralen. De zonneschijf keek boven de
oosterkimmen uit; de zee werd vlammend rood gekleurd; de wolken,
welke hoog en zeer uit elkander gespreid waren, werden met wondervol
afwisselende kleuren getint, en talrijke veeren kondigden wind aan
voor den geheelen dag, doch wat maakte wind uit voor de Nautilus,
die stormen zelfs niet konden verschrikken! Ik bewonderde dus dezen
schoonen, vroolijken zonsopgang, toen ik iemand op het plat hoorde
komen. Ik wilde reeds den kapitein groeten, toen ik zag dat het zijn
tweede stuurman was. Hij deed eenige schreden voorwaarts op het plat,
zonder mij schijnbaar althans op te merken. Met een grooten kijker in
de hand keek hij met een buitengewone aandacht naar alle punten van
den gezichteinder; toen hij dit gedaan had, ging hij naar het luik, en
sprak den volgenden volzin uit; ik heb dien onthouden, omdat hij alle
morgen onder dezelfde omstandigheden herhaald werd; hij luidde aldus;
"Nautron respoc lorni virch." Wat het beteekende zou ik niet kunnen
zeggen. Toen de man dit gezegd had, ging hij weer naar beneden; ik
dacht dat de Nautilus zijne onderzeesche vaart weder zou aanvangen;
ik ging dus naar het luik en kwam door de gang weder in mijne kamer.

Vijf dagen gingen aldus voorbij, zonder dat de toestand veranderde,
Iederen morgen ging ik op het plat; dezelfde volzin werd telkens
door denzelfden persoon uitgesproken. De kapitien verscheen niet. Ik
had mijne partij gekozen om hem niet meer te zien, toen ik den 16den
November met Ned en Koenraad in mijne kamer terugkeerende, op de tafel
een brief aan mijn adres zag liggen. Ik brak dien met ongeduld open,
hij was met eene duideijke hand, doch met eenigszins gothische letters
geschreven: dit schrift herinnerde aan de hoogduitsche type.

Deze brief luidde aldus:

"Aan den hoogleeraar Aronnax,

"aan boord van de Nautilus.

"16 November 1867.

"Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij,
welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats
hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen,
terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem
vergezellen.

"De kapitein van de Nautilus,

"Nemo."


"Eene jachtpartij!" riep Ned.

"En in de bosschen van het eiland Crespo?" voegde Koenraad er bij.

"Maar hij gaat dan toch aan land?" hervatte Ned.

"Ik geloof dat dit vrij duidelijk is," zeide ik, den brief nog eens
lezende.

"Welnu, wij moeten aannemen," zeide Ned. "Als wij eens vasten grond
onder de voeten hebben, dan zullen wij wel over een besluit raadplegen;
overigens zal ik er niet rouwig om zijn, als ik eens eenige brokken
versch wild tusschen de tanden krijg."

Ik trachtte niet eens eenig verband te vinden tusschen den duidelijken
afkeer van kapitein Nemo voor eenig land, en zijne uitnoodiging tot
eene boschjacht, en antwoordde dus: "Laat ons eerst eens zien wat
eiland Crespo is."

Ik bekeek de kaart en vond op 32 deg. 40' N.B. en 167 deg. 50' O.L. een
eilandje, dat in 1801 door kapitein Crespo terug gevonden werd,
op oude Spaansche kaarten komt het voor als Racca de la Plata;
hetwelk "Zilverrots" beteekent. Wij waren dus op ongeveer 1800
kilometer verwijderd van de plaats, vanwaar wij waren uitgegaan,
terwijl de Nautilus haar koers eenigszins gewijzigd had en ons naar
het zuidoosten voerde. Ik wees mijne lotgenooten deze kleine rots;
welke vergeten in 't midden van de Stille Zuidzee lag.

"Indien kapitein Nemo soms aan land gaat," zeide ik, "dan kiest hij
ten minste eilanden die volkomen verlaten zijn."

Ned Land schudde het hoofd zonder te antwoorden, en ging met Koenraad
weg. Na het souper, dat de hofmeester mij stilzwijgend en onverschillig
als altijd voorzette, legde ik mij niet zonder eenige bezorgdheid
te rusten.

Den volgenden dag, 17 November, voelde ik bij mijn ontwaken, dat de
Nautilus onbeweeglijk stil lag; ik kleedde mij haastig aan, en ging
naar de zaal; daar wachtte mij kapitein Nemo. Hij stond op, groette
mij, en vroeg of het ons aangenaam was hem te vergezellen. Daar hij
niets zeide van zijne achtdaagsche afwezigheid; paste ik wel op er
niet over te spreken, en antwoordde eenvoudig, dat mijne makkers en
ik gereed waren hem te volgen.

"Alleen mijnheer," voegde ik er bij, "zij het mij vergund u eene
vraag te doen."

"Ga uw gang, mijnheer Aronnax, en als ik haar kan beantwoorden,
zal ik het doen."

"Welnu, kapitein, hoe komt het dan dat gij, die alle betrekking met
het land hebt afgebroken, bosschen op het eiland Crespo bezit?"

"Mijnheer de professor," antwoordde de kapitein, "de bosschen welke
ik bezit hebben licht, noch warmte van de zon noodig. Er zijn geen
leeuwen of tijgers, geen panters of andere viervoetige dieren; ik ken
ze alleen; zij groeien slechts voor mij; het zijn geene bosschen op
het land, maar onder de zee."

"Onderzeesche bosschen!" riep ik uit.

"Zooals gij zegt, mijnheer."

"En gij wilt er mij in brengen?"

"Juist."

"En te voet?"

"Zelfs droogvoets."

"En op de jacht?"

"Ja!"

"Met het geweer in de hand?"

"Met het geweer in de hand."

"Ik keek den kapitein van de Nautilus aan met een gezicht, dat alles
behalve vleiend voor zijn persoon was. Ik dacht dat zijne hersens
gekrenkt waren, dat hij een aanval van waanzin gehad had, die acht
dagen en dat die zelfs nog voortduurde. Het is jammer; ik had toch
liever met zijne vreemdsoortige eigenaardigheden te doen, dan met
een gek!

Waarschijnlijk kon de kapitein deze gedachten duidelijk op mijn gelaat
lezen, doch hij vergenoegde zich met mij te verzoeken hem te volgen,
en ik deed dit als iemand die op alles voorbereid is. Wij kwamen in
de eetzaal, waar het ontbijt gereed stond. "Mijnheer Aronnax," zeide
de kapitein, "ik verzoek u met mij te willen ontbijten; dan kunnen
wij op ons gemak praten. Ik heb u wel eene wandeling door de bosschen
beloofd, maar volstrekt niet gezegd dat gij daar eenige restauratie
zoudt vinden. Ontbijt dus als iemand die eerst zeer laat dineeren zal."

Ik deed het maal eer aan; het bestond weder uit verschillende
vischsoorten en zeeplanten. Wij dronken daarbij zuiver water, waarin
ik, op des kapiteins voorbeeld eenige droppels van een gistenden drank
voegde, welke op de Kamtschatdaalsche wijze uit een soort van zeewier
(rhodomenia palmaea) bereid was. De kapitein at zonder een woord te
spreken; toen hij gedaan had, zeide hij:

"Mijnheer de professor, toen ik u voorstelde om eene jacht in de
bosschen van Crespo bij te wonen, hebt gij gemeend dat ik met mij
zelven in tegenspraak was. Toen ik u vertelde dat er sprake was van
onderzeesche bosschen, dacht gij dat ik gek was. Men moet de menschen
nooit zoo lichtzinnig beoordeelen, mijnheer,"

"Maar kapitein, gij zult toch niet gelooven, dat...."

"Hoor mij aan, mijnheer, en gij zult kunnen beoordeelen of gij mij
voor gek, of in tegenspraak met mij zelven moet houden."

"Ik luister."

"Gij weet even goed als ik, mijnheer, dat de mensch onderwater leven
kan als hij maar een voorraad lucht met zich mede voert. Bij werken
onder water wordt den werkman, die een ondoordringbaar kleed aan,
en een metalen helm op het hoofd heeft, lucht toegevoerd door middel
van perspompen en afvoerbuizen."

"Dat zijn scaphanders," zeide ik.

"Juist, maar op de door mij omschreven wijze is de mensch niet
vrij, hij is vastgehecht aan de pomp, welke hem door eene buis van
caoutchouc lucht toevoert; het is als 't ware een keten, die hem aan
het land vasthecht, en indien wij op die wijze aan de Nautilus zaten
vastgebonden zouden wij niet ver kunnen gaan."

"En hoe kunnen wij ons dan vrij bewegen?" vroeg ik.

"Door het gebruik maken van het toestel van Rouquayrol en Denayrouze,
door twee uwer landgenooten uitgevonden, maar dat ik voor mijn gebruik
gewijzigd heb; daarmede zult gij u onder water kunnen wagen zonder
dat gij daarvan iets nadeeligs ondervindt. Het is een bak van dik
geslagen ijzer, waarin ik de lucht onder eene drukking van vijftig
atmosferen te zamen pers; die bak wordt even als een ransel door een
paar draagbanden op den rug vastgemaakt. Het bovenste gedeelte bevat
eene ruimte, waaruit de lucht, welke door kleppen wordt teruggehouden,
niet anders dan onder hare gewone spanning kan ontsnappen. Aan het
toestel van Rouquayrol, zooals het gewoonlijk gebruikt wordt, zijn
twee buizen van caoutchouc verbonden, welke uit de beschreven ruimte
naar een soort van trechter loopen, waarin mond en neus vervat zijn;
de eene dient om er levenslucht door in te ademen, de andere om de
verbruikte lucht uit te ademen; de openingen van die buizen kan men
naar verkiezing met de tong openen of sluiten. Omdat ik, in de diepte
der zee soms aan zeer groote drukking van het water boven mij ben
blootgesteld, heb ik het hoofd met een koperen helm moeten omsluiten
waaraan de twee in- en uitademingsbuizen zijn vastgehecht."

"Juist, kapitein; maar de medegevoerde lucht moet, dunkt mij, spoedig
verbruikt zijn, en zoodra zij nog maar 15 pCt. zuurstof bevat, is
zij bedorven."

"Zonder twijfel, doch ik heb u gezegd, mijnheer Aronnax, dat de pompen
van de Nautilus de lucht onder verbazenden druk kunnen samenpersen,
zoodat de ijzeren vergaarbak lucht genoeg bevat voor 9 of 10 uur."

"Ik heb niets meer te zeggen," antwoordde ik, "alleen nog deze vraag:
hoe krijgt gij licht op groote diepten?"

"Met den klos van Ruhmkorff, mijnheer. Het eerste toestel draag
ik op den rug, het laatste aan den gordel. Het bestaat uit een
Bunsens element, dat ik met sodium vervaardig, hetwelk de zee
overvloedig oplevert. Een inductietoestel verzamelt de voortgebrachte
electriciteit, en brengt die in eene lantaarn van bijzonder maaksel.

In die lantaarn is een glazen buis, welke koolstofgas bevat; als het
toestel in werking is, dan begint dit gas te lichten en geeft een
aanhoudenden en witten schijn; zoo adem, en zoo zie ik."

"Gij geeft op al mijne vragen zulke afdoende antwoorden, kapitein,
dat ik niet meer durf te twijfelen. Doch als ik moet gelooven aan
uwe toestellen van Rouquayrol en Ruhmkorff, dan twijfel ik toch nog
aan het geweer, waarmede gij mij wilt wapenen."

"Het is geen gewoon geweer met kruit en lood," antwoordde de kapitein.

"Is het dan een windgeweer?"

"Zonder twijfel. Hoe wilt gij dat ik bij mij aan boord kruit maak,
daar ik salpeter, zwavel, noch kool bezit?"

"Bovendien," zeide ik, "gij zoudt een ontzaglijken weerstand moeten
overwinnen om te schieten in de vloeistof, welke 855 maal dichter
dan de lucht is."

"Dat zou geene afdoende reden zijn. Er zijn kanonnen door de Engelschen
Philippe Coles en Burley, door den Franschman Furcy; en door den
Italiaan Landi uitgevonden en volmaakt, met een bijzonder stelsel van
slot, waarmede men onder water kan schieten; doch ik herhaal het u,
nu ik geen kruit heb, heb ik dit vervangen door samengeperste lucht,
welke de pompen van de Nautilus mij in overvloed verschaffen."

"Die lucht moet toch spoedig verbruikt zijn!"

"Wat zou dat? Heb ik dan niet het toestel van Rouquayrol? Ik
heb slechts een buis aan te schroeven en een kraan open te
maken. Bovendien mijnheer Aronnax, zult gij zien, dat men bij die
onderzeesche jachtpartijen weinig lucht en kogels noodig heeft."

"Toch dunkt mij, dat in die halve duisternis en in die slecht
doordringbare vloeistof een schot niet ver kan dragen of doodelijk
zijn."

"Met dit geweer, mijnheer, zijn alle schoten doodelijk; zoodra een
dier slechts hoe licht ook gewond is, valt het als van den bliksem
getroffen dood neder."

"Waarom?"

"Omdat het geene gewone kogels zijn, maar kleine glazen bolletjes,
door den Oostenrijkschen scheikundige Leniebrock uitgevonden, en
waarvan ik een aanzienlijken voorraad heb; zij zijn met ijzer omkleed,
terwijl er een klein stukje lood aan bevestigd is; het zijn, als 't
ware, kleine Leidsche flesschen waarin de electriciteit tot op groote
spanning is opeengehoopt. Bij den geringsten schok ontladen zij zich,
en het dier, hoe groot het ook zij, valt onmiddellijk dood. Ik voeg
er nog bij dat die kogeltjes niet grooter zijn dan hagel van No 4,
en dat eene gewone geweerlading er een tiental kan bevatten."

"Ik maak geene opmerkingen meer," antwoordde ik opstaande, "ik heb mijn
geweer slechts op te nemen; overigens ga ik, waar gij gaat, kapitein."

Nemo bracht mij naar het achterste gedeelte van de Nautilus; toen
wij voorbij de hut van Ned Land en Koenraad gingen, riep ik hen
om ons te volgen. Daarna kwamen wij in eene hut aan bakboordzijde,
dicht bij de machinekamer, waar wij ons jachtkostuum moesten aandoen.


HOOFDSTUK XIV

Jachtavonturen.

Deze hut was letterlijk gesproken het arsenaal en de kleedkamer van
de Nautilus. Een dozijn scaphanders hing langs de wanden en wachtte
de wandelaars.

Toen Ned Land ze zag, toonde hij zichtbaar weerzin om er een aan
te schieten.

"Maar mijn beste Ned," zeide ik hem, "de bosschen van Crespo zijn
slechts onderzeesche bosschen."

"Goed," mompelde de teleurgestelde harpoenier, die zijne droomen van
versch vleesch in rook zag verdwijnen. "Gaat gij die dingen aantrekken,
mijnheer Aronnax?"

"Ik moet wel, Ned."

"Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer," antwoordde de harpoenier,
terwijl hij de schouders ophaalde, "maar wat mij aangaat, buiten
noodzaak steek er nooit een vin in."

"Men zal u niet noodzaken, Ned," zeide de kapitein.

"En zal Koen zich wagen?" vroeg Ned.

"Wel zeker, ik volg mijnheer, waar hij ook gaat," antwoordde Koenraad.

Op bevel des kapiteins, kwamen twee matrozen ons helpen om die zware
ondoordringbare kleederen aan trekken. Zij waren van caoutchouc
zonder naad, en zoo gemaakt dat zij eene aanzienlijke drukking konden
lijden; het was als het ware eene buigzame en sterke wapenrusting,
de kleederen vormden broek en buis aan elkander; de broek eindigde
in zware schoenen met dikke looden zolen. Het buis was van binnen
gevoerd met koperen banden, opdat de borst en dus de ademhaling vrij
zou blijven; de mouwen eindigden in buigzame handschoenen, welke de
beweging der hand in geenen deele hinderden.

Deze volmaakte scaphanders verschilden, zooals men ziet hemelsbreed
van die gebrekkige duikertoestellen, welke in de 18e eeuw uitgevonden
en zoo geprezen werden.

De kapitein, een van zijn volk, een soort van Hercules, die eene
verbazende kracht moest bezitten, Koenraad en ik hadden weldra de
scaphanders aan. Wij behoefden nog slechts den koperen helm op te
zetten, doch voor ik dit deed, vroeg ik den kapitein verlof om de
geweren eens te zien, welke wij mede zouden nemen. Een van de matrozen
gaf mij daarop een geweer, welks kolf van staal gemaakt, geheel hol
en vrij groot was. Dit was de bewaarplaats van samengeperste lucht,
welke door een klep, die met eene veer in beweging werd gebracht, in
den loop ontsnappen kon. In de kolf was ook een kogeldoosje, dat een
twintigtal electrieke kogeltjes bevatte, welke eveneens door middel
eener veer van zelf in den loop konden worden gebracht; als er een
schot gelost was, kon men dus aanstonds weer schieten.

"Dit wapen is volmaakt en gemakkelijk te hanteeren, kapitein,"
zeide ik.

"Ik verlang om het te gebruiken. Maar hoe zullen wij in zee komen?"

"Op dit oogenblik, mijnheer de professor, ligt de Nautilus tien meter
onder water, en wij behoeven slechts te gaan."

"Maar hoe komen wij er uit?"

"Dat zult gij zien."

De kapitein zette zijn helm op, welk voorbeeld Koen en ik volgden,
terwijl wij nog hoorden dat de harpoenier ons spottenderwijze een
goede jacht toewenschte. Ons kleed eindigde van boven in een koperen
kraag, waarop de helm kon worden vastgeschroefd. Drie gaten met dik
glas voorzien lieten het uitzicht naar alle kanten vrij, als men het
hoofd binnen den helm slechts omdraaide. Zoodra de helm vast zat,
begon het toestel van Rouquayrol, dat ik op den rug had, te werken,
en wat mij aangaat, ik ademde geheel vrij. Met de lamp aan den
gordel en het geweer in de hand was ik gereed om te vertrekken;
maar om ronduit te spreken in die zware kleederen opgesloten en
door mijn looden zolen als aan den grond genageld, kon ik onmogelijk
een stap doen. Dit was evenwel voorzien, en ik voelde mij naar een
klein vertrek naast de kleedkamer voortduwen. Mijne makkers volgden
mij evenzoo voortgetrokken. Ik hoorde een met sluitstukken voorziene
deur achter ons dicht gaan, en eene diepe duisternis omringde ons. Na
eenige minuten hoorde ik een scherp gefluit; ik voelde iets kouds
langs mijne beenen naar boven stijgen; ik begreep dat men door
eene kraan het zeewater in dit vertrek liet dringen, en weldra was
de ruimte er geheel mede gevuld; toen opende zich een tweede deur,
welke op zijde in de Nautilus gemaakt was; een schemerlicht omgaf ons,
en weinige oogenblikken later stonden wij op den bodem der zee.

En hoe zou ik nu den indruk kunnen weergeven van die wandeling onder
water? Woorden zijn onmachtig om zulke wonderen te vertellen! Als
het penseel zelfs niet in staat is om het schoone van het vloeibare
element te schilderen, hoe zou de pen het dan kunnen doen?

De kapitein liep vooruit, en zijn makker volgde ons op eenige
schreden afstands. Koen en ik bleven dicht bij elkander, alsof wij
door onze helmen heen met elkander hadden kunnen praten. Ik voelde
niets meer van de zwaarte van kleederen, schoeisel, luchtbak of helm,
waarin mijn hoofd ronddraaide als een amandel in haar bast. Al die
voorwerpen verloren een gedeelte van hun gewicht, gelijkstaande met
de massa water welke zij verplaatsen, zoodat ik gelegenheid had om de
voortreffelijkheid der wet van Archimedes te ondervinden. Ik was geen
werkeloos lichaam, maar genoot integendeel een betrekkelijk groote
vrijheid in mijne bewegingen.

De kracht van het licht, dat den grond tot op tien meter onder water
bescheen, verwonderde mij; de zonnestralen drongen gemakkelijk door,
en losten de kleur van het zeewater op; ik onderscheidde voorwerpen
op honderd meter afstand; wat verder lag werd onduidelijk door tinten
en ultramarijn, en nog verder verloor het zich in een ondoorschijnend
blauw, dat eindigde in een zeker duister. Het water, dat mij omringde,
was inderdaad slechts eene soort van lucht, wel dichter dan de aardsche
dampkring, doch even doorschijnend. Boven mij zag ik het kalme zeevlak.

Wij gingen over een gelijken bodem van fijn zand, waarin geene rimpels
waren, zooals men dat op het strand door de branding ziet gebeuren. Die
hagelwitte grond kaatste de zonnestralen met verwonderlijke helderheid
terug. Van daar dat krachtige licht, dat in alle deelen der zee
doordrong. Ik betwijfel het of men mij zal gelooven als ik verzeker,
dat ik op eene diepte van tien meter even helder zag als in het
volle daglicht.

Gedurende een kwartier liep ik over dat witte zand, hetwelk met
millioenen kleine schelpen bezaaid was. Langzamerhand verdween de
Nautilus, welke op eene langwerpige klip geleek, uit het gezicht;
maar als het donker werd zou de electrieke lantaarn door haar helder
licht ons den weg naar boord aanwijzen.

Wij gingen echter steeds voort, en de uitgestrekte zandvlakte scheen
grenzeloos te zijn; met de hand joeg ik nu en dan het water voor
mij uit, hetwelk zich echter terstond achter mij sloot, terwijl de
indruk van mijne voetstappen door den druk van het water aanstonds
werd uitgewischt.

Weldra begon ik eenige voorwerpen te zien, welker vorm door den afstand
nog niet duidelijk was geweest. Ik herkende prachtige rotsen met de
schoonste zooephyten bedekt, doch daarbij trof mij eene zonderlinge
uitwerking van het licht. Het was toen ongeveer tien uur in den
morgen. De stralen der zon vielen vrij schuin op zee, het licht
werd door terugkaatsing, evenals wanneer het door een prisma valt,
ontbonden, zoodat bloemen, rotsen, planten, schelpen, polypen, kortom
alles met de zeven kleuren van het zonnespectrum schitterde. Het
was een wonder, verrukkelijk voor het oog, die dooreenmenging en
schakeering van kleuren, een ware kaleidoskoop van groen, geel,
oranje, paarsch, blauw, in een woord het geheele palet van een dollen
schilder! Hoezeer speet het mij, dat ik aan Koenraad mijne levendige
indrukken niet kon mededeelen, en dat ik met hem niet kon wedijveren
in uitroepen van verbazing! Waarom kon ik niet, evenals kapitein
Nemo met zijn makker, door teekens mijne gedachten mededeelen! Bij
gebrek aan beter praatte ik dus maar tot mij zelven; ik schreeuwde
in de koperen doos, waarin mijn hoofd besloten was, en gebruikte,
met mijne ijdele woorden mogelijk meer lucht dan ik mocht.

Koenraad was bij dit prachtig schouwspel evenals ik blijven stilstaan;
zeker was die brave jongen bij die massa zooephyten en molusken weder
aan het rangschikken; duizenden soorten van planten en dieren toch
lagen op den bodem, en het speet mij telkens als ik schoone exemplaren
er van plattrapte; doch wij moesten vooruit; wij gingen te midden
van al die wonderen voort, ik mocht mij nauwelijks een oogenblik
ophouden, want ik volgde den kapitein, die mij telkens met een wenk
riep. Weldra veranderde de aard van den bodem; op de zandvlakte
volgde een laag kleverige modder, die uit kalkschelpen ontstaan was;
daarop gingen wij door eene weide van zeegras en zwamplanten van
wonderlijke groeikracht. Deze dichtbegroeide perken waren zacht om
op te loopen, en konden met de zachtste, door menschenhanden geweven
tapijten wedijveren. Maar terwijl het groen onder onze voeten zich
uitspreidde, was het ook boven ons hoofd te vinden; er vormde zich
nu en dan als een prieel van zeeplanten, welke allen tot de grassen
behoorden, waarvan men meer dan duizend soorten kent; de kleuren der
planten waren ook verschillend, waarbij ik opmerkte, dat de groene
planten meer tot de oppervlakte der zee naderden, terwijl de roode
op eene middelmatige diepte, en de zwarte of bruine in de grootste
diepten van den Oceaan gevonden werden.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.