De reis om de wereld in tachtig dagen by Jules Verne
J >>
Jules Verne >> De reis om de wereld in tachtig dagen
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 DE REIS OM DE WERELD IN 80 DAGEN
NAAR DE 30e FRANSCHE UITGAVE DOOR
GERARD KELLER.
EERSTE HOOFDSTUK.
Waarin Phileas Fogg en Passepartout elkander wederkeerig aannemen,
den een als meester, den ander als knecht.
In het jaar 1872 werd het huis no. 7 in Saville Row, Burlington
Gardens, waarin Sheridan in 1814 overleed, bewoond door Phileas Fogg
esq., een der zonderlingste en meest bekende leden van de Reform-club
te Londen, al deed hij ook al wat in zijn vermogen was om de aandacht
niet op zich te vestigen.
Een der welsprekendste redenaars, waarop Engeland zich verheffen
mag, had dus tot opvolger Phileas Fogg, een raadselachtig persoon,
van wien men niets wist, dan dat hij een hoogst wellevend man was en
een der schoonste gentlemen uit de aanzienlijkste kringen.
Men zeide dat hij op Byron geleek--wat zijn hoofd aangaat, want
zijne voeten waren onberispelijk--maar een Byron met baard en knevel,
een kalme Byron die duizend jaar had kunnen leven zonder oud te worden.
Ofschoon zonder eenigen twijfel Engelschman van geboorte, was hij
misschien geen Londener. Men had hem nooit aan de beurs of aan de bank
gezien, noch in eenig kantoor der City. Noch de bassins, noch de dokken
te Londen hadden ooit eenig schip bevat, dat Phileas Fogg tot reeder
had. Hij was lid van geen enkele administratieve commissie. Zijn
naam was nog nooit genoemd in een gezelschap van advocaten, noch
in Temple-bar, noch in Lincolns-inn. Nooit had hij gepleit voor de
Court of Chancery, of voor Queens-bench, of voor de Rekenkamer of
voor het kerkelijk Hooggerechtshof. Hij was noch fabrikant, noch
grossier, noch winkelier, noch landbouwer. Hij was geen lid van het
Koninklijk Britsch Instituut, noch van het Londensch Instituut, noch
van de Maatschappij van Werklieden, noch van het Russels Instituut,
noch van het Westersch Genootschap van Letterkunde, noch van de
Vereeniging voor Rechtsgeleerdheid, noch van het Vereenigd Genootschap
van Kunsten en Wetenschappen, dat onder rechtstreeksche bescherming
staat der Koningin. Hij behoorde ook tot geen dier tallooze andere
vereenigingen en genootschappen, waaraan Engelands hoofdstad zoo rijk
is: van de maatschappij Armonica af tot het Entomologisch Genootschap,
dat voornamelijk werd opgericht om schadelijke insecten uit te roeien.
Phileas Fogg was lid van de Reform-club en van niets anders.
Wie zich verwonderen mocht, dat zulk een geheimzinnig man onder de
leden van dien aanzienlijken kring werd opgenomen, vindt daarvan
de verklaring in de omstandigheid, dat hij was voorgesteld door de
gebroeders Baring, bij wie hij een open crediet had. Altijd werden
zijne wissels op zicht betaald en geboekt op zijn rekening-courant,
waarop hij altijd als crediteur stond.
Was deze Phileas Fogg rijk? Zonder eenigen twijfel. Maar hoe had hij
fortuin gemaakt? Dat wisten zelfs de best ingelichten niet, en Fogg
was wel de laatste, aan wien men het zou durven vragen. In elk geval,
hij was in geen opzicht verkwistend, maar ook nooit gierig; overal
waar de steun werd gevraagd voor eene goede, nuttige of loffelijke
zaak, droeg hij in stilte en zelfs onbekend bij.
Niemand was zoo weinig spraakzaam als deze gentleman. Hij sprak zoo
min mogelijk en die stilzwijgendheid verhoogde nog het geheimzinnige,
dat hem kenmerkte. Nochtans lag zijn leven voor ieder open, maar wat
hij deed was zulk een mathematische herhaling van hetzelfde, dat de
verbeelding, hiermede niet voldaan, er meer achter wilde zoeken.
Had hij gereisd? Dit was waarschijnlijk, want niemand had beter de
wereldkaart in zijn hoofd. Zulk een afgelegen plekje was er niet,
of hij kende het in alle bijzonderheden. Nu en dan, maar altijd in
weinige woorden, kort en duidelijk, nam hij de dwalingen weg, die
voortsproten uit de praatjes omtrent verloren geraakte reizigers; hij
gaf de meest waarschijnlijke verklaring van hun lot en zijne woorden
schenen vaak geinspireerd door een visioen, wanneer later bleek dat
alles zich had toegedragen gelijk hij gezegd had. Hij moest overal
geweest zijn--althans in zijn geest.
Een ding intusschen was zeker: dat Phileas Fogg sedert vele jaren
Londen niet had verlaten. Zij, die de eer hadden hem wat nader te
kennen dan anderen, verklaarden dat, behalve op den weg, die den
kortsten afstand vormde van zijn huis naar de club, niemand hem
ooit elders gezien had. Hij bracht zijne dagen door met lezen en
whisten. Bij dit spel, waarbij niet gesproken wordt en dat dus geheel
overeenstemde met zijn karakter, won hij meest altijd, maar die winst
stak hij niet op; hij bestemde ze voor liefdadige doeleinden. Bovendien
gaf Fogg steeds doorslaande blijken dat hij speelde om het spel maar
niet om de winst. Het spel was voor hem een strijd, een worsteling
tegen moeielijkheden, maar eene worsteling zonder beweging, zonder
zich te verplaatsen, zonder zich te vermoeien en dat kwam volkomen
met zijn inborst overeen.
Phileas Fogg had, zoover men wist, geen vrouw of kinderen--wat den
besten kan gebeuren--en ook geen bloedverwanten of vrienden, wat zeker
minder algemeen voorkomt. Hij leefde alleen in zijn huis in Saville
Row, waar niemand ooit tot hem doordrong. Zijn huiselijk leven was
dus volkomen onbekend. Aan een enkelen knecht had hij genoeg. Hij
ontbeet en dineerde in zijn club op dezelfde, met chronometrische
juistheid afgepaste uren, in dezelfde zaal, aan dezelfde tafel,
nooit zijne collega's onthalende of vreemde gasten noodigende. Hij
ging naar zijn huis alleen om te slapen, precies te middernacht,
zonder ooit gebruik te maken van de goed ingerichte slaapvertrekken,
die de club ter beschikking houdt van hare leden. Van de vier en
twintig uren bracht hij er tien door in zijne woning met slapen
of de zorg voor zijn toilet. Als hij wandelde, was het altijd met
denzelfden tred in de voorzaal met ingelegden vloer of in de galerij
om het huis, waarover een glazen dak zich uitstrekte, rustende op
ionische kolommen van rood porfier. Als hij ontbeet of dineerde was
het steeds uit de keuken, de spijskamer, den kelder, den vischvijver
en het roomhuis der club, die het beste van hun voorraad voor zijne
tafel opleverden; het waren de bedienden uit de club, deftig in het
zwart gekleede personen met vilten zolen onder hunne schoenen, die
de spijzen opbrachten in het eigen servies der club en op het eigen
fijn damast tafellaken plaatsten; de kristallen glazen, eigen model
van de club, bevattende zijn sherry, zijn portwijn en zijn bordeaux,
vermengd met kaneel en aromatische kruiden; eindelijk was het ijs
der club, met groote kosten uit de amerikaansche meren aangevoerd,
dat zijne dranken bewaarde en frisch hield.
Als op deze wijze te leven iets zonderlings heeft, die zonderlingheid
heeft toch hare goede zijde.
Het huis in Saville Row was niet buitengewoon prachtig, maar
onderscheidde zich door bijzonder gemakkelijke inrichting. De nooit
wisselende gewoonte van den heer des huizes maakten dat de dienst
zeer gemakkelijk te verrichten was. Phileas Fogg eischte slechts
van zijn eenigen bediende eene stiptheid en eene regelmatigheid
zonder wederga. Den dag, waarop wij hem het eerst ontmoeten, den 2den
October, had hij zijn knecht James Forster uit zijn dienst ontslagen,
omdat deze zich aan het misdrijf had schuldig gemaakt, dat hij hem
scheerwater had gebracht van 88 graden Fahrenheit in plaats van 86
graden, en hij wachtte diens opvolger tusschen elf uur en half twaalf.
Phileas Fogg zat in zijn leunstoel, de beenen tegen elkander gesloten
als een soldaat op een parade, de handen rustende op zijn knieen,
het bovenlichaam recht op, het hoofd stijf en starend op de pendule,
een zeer samengesteld uurwerk, dat uren, minuten, seconden, dag der
week, datum en jaartal aanwees. Als het half twaalf sloeg, moest Fogg,
krachtens zijne dagelijksche gewoonte, zijn huis verlaten en zich
naar de Reform-club begeven.
Op dit oogenblik werd aan de deur van zijn klein salon geklopt en
James Forster, de ontslagen knecht, trad binnen.
"De nieuwe bediende," zeide hij.
Een man van dertig jaar kwam binnen en groette.
"Gij zijt een Franschman en heet John?" vroeg Phileas Fogg.
"Jean, met uw welnemen," antwoordde de binnenkomende, "Jean
Passepartout, een naam, dien ik behouden heb en dien ik verwierf door
mijn talent, om mij in alle omstandigheden te schikken. Ik geloof dat
ik een eerlijke jongen ben, mijnheer, maar ik moet oprecht zijn en u
zeggen, dat ik van alles bij de hand heb gehad. Ik ben reizend zanger
geweest, oppasser in een paardenspel, ik heb op het trapeze gewerkt
als Leotard en koord gedanst als Blondin; toen ben ik onderwijzer in
de gymnastiek geworden, ten einde meer partij van mijne talenten te
trekken en eindelijk was ik sergeant bij de pompiers te Parijs. Ik heb
onder mijne papieren hoogst belangrijke brand-rapporten. Maar sedert
vijf jaren heb ik Frankrijk verlaten en daar ik het huiselijk leven
genieten wilde, ben ik kamerdienaar in Engeland geworden. Thans ben
ik zonder betrekking en daar ik vernomen heb, dat de heer Phileas
Fogg de meest stipte en minst onbestendige man uit het vereenigd
koninkrijk is, ben ik zoo vrij mij bij u aan te bieden, in de hoop
hier rustig te leven en zelfs mijn naam van Passepartout te vergeten."
"Passepartout bevalt mij," antwoordde de gentleman. "Men heeft u
bij mij aanbevolen. Ik heb goede berichten omtrent u. Kent gij mijne
voorwaarden?"
"Ja, mijnheer."
"Goed. Hoe laat hebt gij 't?"
"Twee en twintig minuten over elven," zeide Passepartout, uit
de diepte van zijn vestjeszak een ontzaglijk zilveren horloge te
voorschijn halende.
"Gij gaat achter," zeide Fogg.
"Houd mij ten goede, mijnheer, dat is onmogelijk."
"Gij gaat vier minuten achter. Maar dat doet er niet toe. Het is
genoeg, dat het verschil bekend zij. Van dit oogenblik af, elf ure
negen en twintig minuten in den morgen van Woensdag 2 October 1872,
zijt gij in mijn dienst."
Na dit gezegd te hebben stond Phileas Fogg op, nam met zijn linkerhand
zijn hoed, zette dien met de beweging van een automaat op zijn hoofd
en vertrok zonder een woord meer te zeggen. Passepartout hoorde de
voordeur sluiten; het was zijn meester, die heenging; toen hoorde hij
haar nogmaals dichttrekken; het was zijn voorganger, die insgelijks
heenging.
Passepartout bleef alleen in het huis no. 7 van Saville Row.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Waarin Passepartout de overtuiging erlangt, dat hij eindelijk zijn
ideaal gevonden heeft.
"Op mijn woord van eer," sprak Passepartout bij zich zelven, toen
hij van zijne eerste verbazing een weinig bekomen was, "ik heb bij
madame Tussaud poppen gekend, die net zoo levend waren als mijn
nieuwe meester."
Madame Tussaud, zooals de meeste lezers zullen weten, heeft te
Londen een museum van wassenbeelden, dat door alle Engelschen en
vreemdelingen wordt bezocht, en waarvan de poppen alleen de spraak
missen om wezenlijke menschen te schijnen.
In de weinige oogenblikken, die hij met Phileas Fogg had doorgebracht,
had Passepartout wel snel maar toch zeer zorgvuldig zijn aanstaanden
meester opgenomen. Deze was een man van omstreeks veertig jaar
met een edel, schoon gelaat, hooge gestalte, die door eene zekere
gezetheid niet werd ontsierd, blond van haar en baard met een
effen rimpelloos voorhoofd, eer bleek dan rood van kleur en met
prachtige tanden. Hij scheen in de hoogste mate te bezitten wat
de beoefenaars der gelaatkunde "de rust der beweging" noemen, eene
uitdrukking eigen aan allen, die meer handelen dan leven maken. Kalm,
flegmatiek, met een helderen blik, onbeweeglijke wenkbrauwen, was hij
de volmaakte type van die koelbloedige Engelschen, die men zoo vaak
in hun vaderland aantreft en waarvan Angelica Kauffman zoo treffend
de schier academische figuur door haar penseel heeft weergegeven. In
zijne verschillende levenstoestanden gezien, maakte die gentleman den
indruk van een wezen, wiens deelen allen in volmaakt evenwicht waren,
zoo volmaakt als in een chronometer van Leroy of Earnskow. Phileas
Fogg was dan ook de nauwgezetheid in persoon, wat duidelijk zichtbaar
was in de "uitdrukking van zijne handen en zijne voeten;" want bij
den mensch zoowel als het dier zijn de onderdeelen evenzeer organen,
welke de hartstochten en neigingen uitdrukken.
Phileas Fogg was een van die mathematisch nauwkeurige mannen, die nooit
gehaast en altijd gereed zijn en even spaarzaam met hunne schreden als
met hunne bewegingen. Hij deed geen stap te veel, omdat hij altijd
den kortsten weg nam. Hij veroorloofde zich zelven geen blik naar
het plafond, geene enkele overtollige beweging. Men had hem nog nooit
ontroerd of in verwarring gezien. Hij was de minst gejaagde man ter
wereld, maar hij kwam altoos bij tijds. Men zal intusschen begrijpen,
dat hij alleen leefde en, om zoo te zeggen, buiten eenige gemeenschap
met de wereld. Hij wist dat men in den omgang met de maatschappij in
wrijving kwam met de menschen en daar wrijving oponthoud veroorzaakt,
ging hij met niemand om.
Wat Jean, bijgenaamd Passepartout, betreft, deze was een echte
Parijzenaar uit Parijs; gedurende de vijf jaren, welke hij in Engeland
had doorgebracht, was hij kamerdienaar geweest, en vruchteloos had
hij naar een meester gezocht, aan wien hij zich hechten kon.
Passepartout was geen van die Frontins of Mascarillo's met trotsche
houding en onbeschaamden blik. Hij was een goede kerel met vriendelijk
gelaat en eenigszins uitstekende lippen, altijd bereid om iets te
proeven of te glimlachen, een zachtaardig en gedienstig wezen met
een van die volle, bolle gezichten, die men gaarne op den hals
van een vriend ziet. Hij had blauwe oogen, eene gezonde kleur,
wangen zoo rond dat hij zelf ze zien kon, breede borst, krachtige
gestalte, breede spieren en bezat eene herculische kracht, die
door de lichaamsoefeningen in zijne jeugd bewonderenswaardig was
ontwikkeld. Zijne donkere haren waren altijd een weinig in wanorde. Zoo
de beeldhouwers der oudheid achttien verschillende manieren kenden,
om het haar van Minerva af te beelden, hij kende er slechts eene om
het zijne in orde te brengen; drie streken met de kam waren voldoende
om zijn toilet te voltooien.
Het spraakzame, openhartige karakter van den knecht was niet geheel in
overeenstemming met dat van Phileas Fogg; men zou de waarheid te kort
doen, zoo men dit beweerde. Maar was Passepartout de man, zoo stipt
en nauwgezet, als zijn meester vorderde? Dit zou uit de ondervinding
blijken. Na zijne min of meer onstuimige jeugd, verlangde hij bovenal
naar rust. Daar hij de stelselmatigheid van de Engelschen en hunne
spreekwoordelijke kalmte had hooren roemen, was hij naar Engeland
overgekomen om daar zijn fortuin te beproeven. Tot dusverre echter was
het lot hem niet bijzonder gunstig geweest. Nergens had hij zijn anker
voor goed kunnen neerleggen. Hij had wel tien meesters gehad. Overal
was men grillig, onbestendig, jaagde men de avonturen na of ging men
gedurig op reis, wat Passepartout volstrekt niet naar den zin was. Zijn
laatste meester, de jonge lord Longsferry, lid van het Parlement,
kwam vaak, na den nacht in de oester-huizen van Haymarket te hebben
doorgebracht, op de schouders van politie-agenten te huis. Daar
Passepartout in de eerste plaats achting voor zijn meester wilde
gevoelen, had hij eenige eerbiedige opmerkingen gewaagd, die slecht
werden opgenomen; het gevolg was, dat hij heenging. Toen vernam hij
dat de heer Phileas Fogg esq. een bediende zocht. Hij won inlichtingen
omtrent dezen in. Een man, wiens levenswijze zoo regelmatig was, die
altijd des nachts te huis sliep, die niet op reis ging, die nooit,
zelfs geen dag, afwezig was, moest wel in zijn geest vallen. Hij bood
zich dus aan en werd aangenomen op de wijze, als wij mededeelden.
Toen het half twaalf sloeg, was dus Passepartout alleen in het huis van
Saville Row. Hij begon thans alles eens op te nemen. Hij doorliep het
huis van den zolder tot den kelder. Overal was het netjes, ordelijk,
puriteinsch eenvoudig en goed ingericht voor den dienst. Dit beviel
hem. Het maakte op hem den indruk van een fraai slakkenhuis, maar
een slakkenhuis verlicht en verwarmd door gas, want gas voorzag in
alle eischen van verlichting en verwarming. Zonder moeite vond hij
op de tweede verdieping de kamer, die voor hem bestemd was. Deze was
volkomen naar zijn zin. Electrische klokken en spreekbuizen stelden
haar in gemeenschap met de kamers van zijn meester. Op den schoorsteen
stond eene pendule, die door een electrischen draad correspondeerde
met de pendule in de slaapkamer van Phileas Fogg en de twee uurwerken
gaven altijd dezelfde seconde aan.
"Dat bevalt me, dat bevalt me zeer goed," sprak Passepartout bij
zich zelven.
Hij merkte in die kamer ook een lijstje op dat boven de pendule
hing. Dit behelsde het programma van hetgeen hij dagelijks had te
doen. Het bevatte, van des morgens acht ure af, op welk uur Phileas
Fogg opstond, tot half twaalf, wanneer hij zich naar de Reform-club
begaf om te ontbijten, alle bijzonderheden van den dienst: thee en
geroosterd brood ten acht ure drie en twintig minuten; scheerwater
ten negen ure zeven en dertig, het haar in orde brengen ten negen
ure vijftig enz. Van half twaalf des voormiddags tot twaalf ure 's
nachts, op welk uur de stelselmatige Engelschman zich te rust begaf,
was alles bepaald, voorzien en geregeld. Passepartout had er pleizier
in dit programma te bestudeeren en de verschillende punten er van in
zijn geheugen te prenten.
Wat de garderobe van zijn meester betreft, deze was volmaakt in orde
en bewonderenswaardig gerangschikt. Elke broek, jas of vest had een
nummer, dat correspondeerde met een register, waarop de dagen waren
vermeld waarop de verschillende stukken waren ingekomen of uitgingen,
alsmede de tijd van het jaar, waarin zij op hunne beurt moesten worden
gedragen. Hetzelfde stelsel was gevolgd voor de schoenen en laarzen.
Kortom, dit huis in Saville Row, dat in de dagen van den beroemden
maar losbandigen Sheridan de tempel der wanorde moest zijn geweest,
bevatte thans de gemakkelijkste meubels, die van eene onbekommerde
levenswijze getuigden. Er was geen bibliotheek, er waren geene boeken,
want deze zouden voor den heer Fogg volkomen nutteloos zijn geweest,
daar de Reform-club twee bibliotheken tot zijne beschikking stelde, de
een van werken van smaak, de andere van wetenschap. In de slaapkamer
stond eene brandkast van gemiddelde grootte, die zoowel tegen de
dieven als tegen de vlammen bestand was. Wapens bevatte het huis niet,
geen enkel voorwerp voor den oorlog of de jacht. Alles bewees dat de
bewoner zeer vredelievend was.
Na de geheele woning tot in de geringste bijzonderheden te hebben
opgenomen, wreef Passepartout zich in de handen, zijn breed gelaat
begon te glinsteren en vroolijk herhaalde hij bij zich zelven:
"Het bevalt me; 't is juist een kolfje naar mijne hand. Wij zijn het
volkomen eens, die mijnheer Fogg en ik. Een huiselijk en ordelijk
man. Een echte automaat. Nu, ik ben er niet rouwig om een mechaniek
te bedienen."
DERDE HOOFDSTUK.
Een gesprek dat Phileas Fogg duur te staan kan komen.
Phileas Fogg had om half twaalf zijn huis in Saville Row verlaten, en
na vijf honderd vijf en zeventig maal zijn rechtervoet voor zijn linker
en vijf honderd zes en zeventig maal zijn linker voor zijn rechter
voet gezet te hebben, kwam hij in de Reform-club, een groot gebouw
in Pall Mall, dat niet minder dan drie millioen pond gekost heeft.
Phileas Fogg ging terstond naar de eetzaal, waarvan de negen
ramen uitkwamen op een fraaien tuin met boomen, die reeds eene gele
herfsttint kregen. Daar nam hij aan de tafel plaats, waar zijn couvert
hem reeds wachtte; zijn ontbijt bestond uit een bijgerecht, gekookte
visch met "reading sauce," biefstuk met champignons, een gebak gevuld
met rabarberstelen en kruisbessen met een stukje Chesterkaas, en bij
dat alles voegde hij eenige kopjes thee, bepaald uit China gezonden
voor de Reform-club.
Om dertien minuten voor eenen stond de gentleman op en begaf zich naar
de groote zaal, eene prachtige kamer, versierd met schilderijen in
rijke lijsten. Een bediende legde daar de onopengesneden Times neer
voor zijne plaats, en Phileas Fogg maakte ze los met een vastheid
van hand, die getuigde dat hij in dit moeielijk werk zeer ervaren
was. Met deze lectuur was Phileas Fogg bezig tot kwart over drieen;
de Daily Telegraph, die daarop volgde, duurde tot het diner. Dit
diner was ingericht op dezelfde manier als het ontbijt, slechts met
bijvoeging van de "royal british sauce." Twintig minuten voor zessen
verscheen de gentleman weder in de groote zaal, en daar verdiepte
hij zich in den Morning Chronicle.
Een half uur later kwamen de verschillende habitues van de Reform-club
opdagen en namen plaats bij den haard, waarin een lekker vuur
brandde. Dit waren Phileas Fogg's gewone medespelers in het whistspel:
de ingenieur Andrew Stuart, de bankiers John Sullivan en Samuel
Fallentin, de brouwer Thomas Flanagan en Gauthier Ralph, een van de
directeuren der engelsche bank, allen rijke en aanzienlijke personen,
zelfs in die club, onder wier leden men de voornaamste industrieele
en financieele beroemdheden telde.
"Wel! Ralph," begon Thomas Flanagan, "hoe staat het met den diefstal?"
"Ja," antwoordde Andrew Stuart, "de bank is haar geld kwijt."
"Ik vertrouw integendeel," zeide Gauthier Ralph, "dat wij den dief
wel zullen krijgen. Men heeft zeer handige inspecteurs van politie
naar Amerika en naar de voornaamste havens van Europa gezonden,
zoodat het dien heer moeite zal kosten om hun te ontsnappen."
"Men heeft dus het signalement van den dief?" vroeg Andrew Stuart.
"Het is eigenlijk geen dief," antwoordde Gauthier Ralph ernstig.
"Hoe? Is het geen dief, die vijf en vijftig duizend pond sterling
aan bankpapier gestolen heeft."
"Neen," zeide Ralph.
"Is het dan iemand, die zaken aan de beurs doet?"
"De Morning Chronicle verzekert dat het een gentleman is."
Hij, die dit zeide was niemand anders dan Phileas Fogg, wiens
hoofd even uitstak boven een stapel couranten welke voor hem
lagen. Tegelijkertijd groette Phileas Fogg zijn collega's, die zijn
groet beantwoordden.
De zaak waarover men sprak en waarover de verschillende dagbladen van
het Vereenigde Koninkrijk zoo ijverig van gedachten wisselden, was
drie dagen geleden, den 29en September gebeurd. Een lias banknoten,
de aanzienlijke som van vijf en vijftig duizend pond sterling
vertegenwoordigende, was weggenomen van het tafeltje van den eersten
boekhouder der engelsche bank.
Aan hem, dien het verwonderde dat zulk een diefstal zoo gemakkelijk
kon gebeuren, gaf de onder-directeur, Gauthier Ralph, eenvoudig
ten antwoord, dat juist op dat oogenblik de kassier bezig was om
een quitantie te registreeren en dat men niet op alles te gelijk
kan letten.
Men moet niet uit het oog verliezen--iets wat de zaak duidelijker
maakt--dat deze uitmuntende instelling, de engelsche bank zich zeer
veel aan de waardigheid van het publiek laat gelegen liggen. Geen
wacht, geen oppassers, geen traliewerk! Het goud, het zilver en de
banknoten zijn aan ieders blikken blootgesteld en liggen schijnbaar
ter beschikking van den eerstkomende. Men mocht toch de eerlijkheid van
elken voorbijganger niet wantrouwen. Iemand, die het best de engelsche
zeden heeft bestudeerd, vertelt daaromtrent zelfs het volgende. Eens
was hij zeer nieuwsgierig om van nabij een gouden staaf te zien,
die zes a acht pond woog en op een tafeltje van den kassier lag,
in de zaal, waar hij zich bevond. Hij nam deze staaf, bekeek haar,
gaf haar aan zijn buurman, deze aan een anderen, zoodat zij van hand
tot hand ging, tot in de donkeren gang en niet dan na een half uur
terugkwam, zonder dat zelfs de kassier maar even opgekeken had.
Den 29en September echter liep niet alles op deze wijze af. De
lias banknoten kwam niet terug, en toen de prachtige pendule op den
schoorsteenmantel vijf uur sloeg en de instelling gesloten werd, had
de engelsche bank vijf en vijftig duizend pond op hare onkostenrekening
te brengen.
Toen de diefstal goed en deugdelijk was erkend, werden politieagenten
"detectives", gekozen uit de besten, naar de voornaamste havens
gezonden, naar Liverpool, Glasgow, Havre, Suez, Brindisi, New-York
enz., met belofte dat, zoo zij den dief opspoorden, hun eene premie
van twee duizend pond zou worden toegekend en voorts vijf percent
van de som welke nog in zijn bezit werd gevonden. In afwachting
van de inlichtingen, welke zouden voortspruiten uit het onderzoek,
dat terstond was ingesteld, hadden die inspecteurs in last, om met
de meeste nauwlettendheid alle reizigers gade te slaan, die mochten
aankomen of vertrekken.
Nu had men, zooals de Morning Chronide zeide, reden om te onderstellen,
dat hij, die de bank bestolen had, geen deel uitmaakte van een
der dievengenootschappen in Engeland. Op dien 29en September
was een welbekend heer, die er zeer fatsoenlijk uitzag en zelfs
een voornaam voorkomen had, in de zaal der uitbetalingen gezien,
waar de diefstal had plaats gehad. Door de ingestelde enquete had
men vrij nauwkeurig het signalement van dien heer kunnen opmaken,
dat nu terstond aan alle detectives in het geheele Rijk gezonden
werd. Eenige optimisten--en daaronder was Gauthier Ralph--achtten
het op dien grond vrij waarschijnlijk, dat de dief niet ontsnappen zou.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18