Geerten Basse by Lode Monteyne
L >>
Lode Monteyne >> Geerten Basse
GEERTEN BASSE
door
LODE MONTEYNE.
't Werd vinnig koud ...
De trieste Novemberdag verstierf stil-aan ... Aan den horizont
vervloeiden de laatste roode bloedstrepen allengskens in 't eenbarelijk
grijs van den mokerzwaren, looden hemel, laag-koepelend over de
vergrauwende stad.
Hier en daar, in de halve duisternis, wipten de gaspitten aan, weifelend
verlichtend den drabbigen straatweg en de vuile gevels.
Met regelmatig klotsen vloeide de Schelde immer voort, immer voort,
stuwend de eeuwige wiegeling harer donkere baren, waarop met grillige
trillingen en zotte wentelingen dansten de blauwe en groene of felroode
vuurstrepen der kadelichten ... In de langzaam-onzichtbaar wordende
masten stegen sterrekens, zacht-pinkelend in de toenemende donkerte ...
en uit de verte kwamen, klievend het woelig-bollende water, waarover nu
witte schuimstrepen breed-uitwaaierden, stoer-zwarte schimmen van
krachtige sleepbooten aanglijden, meevoerend een vonkelend vuuroogje in
de sprietelende mastspits.
Geerten Basse staarde over 't zwarte water, met aandacht volgend de
loome bewegingen van de aanpaddelende overzetboot, log-draaiend om den
trein van broze lichters, door de flink-forsche sleepers voortgetrokken,
te mijden. Hij ging dicht bij den rand van den kaaimuur, liep er langs
tot aan het ijzeren ladderken dat in het water daalt, bukte zich,
frutselde een oogenblik aan de meerkoord van zijn bootje, dat hij een
eindje verder trok wijl hij vreesde den hoogen golfslag, dien de wielen
van de aanlandende veerboot gewoonlijk deden opkammen. "Br! zei hij ...
zoo'n kou ... Als de Sint-Annekensboot weg is, ga 'k de mijne maar onder
de brug leggen tot morgen" ... Aan een ijzeren hek dat de kade daar
afsloot, maakte hij zijn vaartuigje vast, zag dan hoe het even afdreef,
meegesleept door de tot wit-ziedend en borrelend schuim geslagen baren
door den overzetter opgezwiept, die met een doffen bons tegen de ponton
aanbotste. In 't roode licht van een seinlantaarn, ging hij zijn geld
tellen. Een voor een haalde hij de muntstukken uit zijn diepen broekzak,
blies er de aanklevende tabak af, lei ze dan in de zware gebruinde
eeltige hand, met groote diep ingesneden huidplooien, scharrelde wat
rond in zijn vestzakken, overtelde nog eens aandachtig, met klein
lippenbeweeg elk nieuw getal zeggend, het geringe sommetje ... "Twee
frank!... Slecht!... Amper genoeg voor de weekhuur van ons kruipkot" ...
Hij nam een wit-blinkend halffranksken tusschen de gekromde vuil-gele
zwart-gerande nagels van duim en wijsvinger ... "En dat 's voor mij" ...
stak het dan in zijn zak ... Van onder zijn klak, haalde hij een duchtig
beknabbelde pruim te voorschijn, stak ze in den mond, bekauwde ze een
paar maal, lei ze dan met behendige tong-beweging vast tusschen tanden
en linkerkaak, die even uitpuilde. De handen diep in de zakken, het
hoofd gedoken tusschen beide hoog-opgetrokken schouders, wijdbeenend in
de flodderige geribt-fluweelen broek, die hem in eene breede plooi over
de beslijkte schoenblokken viel, ging hij tot bij het luid-pratend
groepje der bootjes-roeiers ... Zij hadden bijna allen een dikke
afgesleten jas over hun blauwe trui of lederen vest getrokken en stonden
nu, hangend tegen de schutting of stampend om warme voeten te krijgen,
in een hoopje bijeen ... pruimend of rookend. Geerten trok de oorlappen
zijner klak omlaag, meesmuilde vergenoegd, spritste vuil-bruin speeksel
voor zich neer op den grond, begon dan beide armen over elkaar te
zwaaien, met de plat-geopende handpalmen pletsend tegen zijn lijf ...
--"'t Is verdomd koud!... Hedde geen chikske Franske?... 't mijn is
heelemaal afgezabberd ..."--"Arre, bedeleer ..."--Met behendig-rappe
beweging van den ruigen kop ving Geerten de toegeworpen versnapering op
in zijn wijd-opengespalkten mond. Dat was een kunstje waardoor 't hem
mogelijk werd te pruimen op andermans kosten.--"Kun-de nog wat anders?
vroeg er een spotlachend.--Ja, zei Geerten, "ik kan nog een
halffranksken van mijnen voorkop langs'nen trechter in mijn voorbroek
doen vallen ... Laat de cens maar boven komen!" ... "Stoeffer ...
afluizer ... Ge zijt te begeerlijk," plaag-lachten ze ...
De veerboot toette rauw, dat het tegen de huizen aanbotste en 't uit
verre onzichtbare hoeken weerhelmde, heescher en korter, steeds
verflauwend. Een zwaar geladen verhuiswagen, door een oud paard
voortgetrokken, rolde daverend de hellende brug op. De wielen knarsten,
de remkettingen rammelden. De voerder en een man van goeden wil
hielpen ... 't Magere beest hing, hijgend en snuivend in 't
strak-knellende gareel, omhoog-sleurend den zwaren last.--"Hardi ouwe!
riep Franske ... Hardi!..." 't Dampende dier bleef staan, een oogenblik
pal op de trillende strak-geschoorde pooten ... Haastig werden de
remschoenen aangedraaid.--Langzaam, begon de wagen te dalen, meesleurend
't moede, afgeleefde paard. De voerman rukte aan de teugels, poogde het
dier voort te trekken ...
't Schuim viel uit den muil op zijn kleederen. De zweep klitskletste
klappend op den knokkeligen rug, de groote glanzende oogen puilden uit
dat het wit zichtbaar werd van danige inspanning ...
Geerten, Franske en de anderen lachten, bleven toch dood-rustig en
kalm-lui staan, nu en dan roepend: "Ksch! Ksch! V'ruit knol!...
Vol-houwe!" ... Toen de wagen boven was, schaterden ze 't uit, wringend
hun lenige lijven van groote leute.
"He, baaske, uw knol is half kapot!... Dat is geen peerd! 't Is een
reepenfabriek!" Ze pletsten met de ruwe handen op hun billen van 't
lachen ... "De zeever loopt langs uwen baard," zei Franske tegen
Geerten ...
Een heer kwam haastig-loopend voorbij ... Bijna tegelijk sprongen ze
vooruit, gedienstig en vriendelijk ... "Een bootje meneer ..." "De(n)
overzetter is juist weg," sprak Geerten, half-spottend, onverschillig,
daar hij toch niet meer zinnens was een reisje te doen ...
Als een groote muur, melk-grauw en vast, kwam in de verte de mist
aandrijven over den donkeren stroom ... De mannen zagen hem naderen,
omvoelend met ondoordringbare geheimzinnigheid elk twinkelend
havenlichtje, omdoezelend met onduidelijkheid elke lijn: de mist naderde
stil-zeker als een stoere al-opslorpende macht ... Nog vagelijk somberden
zwarte scheepsrompen en de afbrekende karteling der donkere ijzeren
loodsen, te midden der steeds naderglijdende grijzigheid, tot alles,
door den dikken smorigen nevel opgezogen en omfloersd, verzwond ...
Een kort snokken tokte over het water, het steeds haastiger ontploffen
van een in werking gestelden motor: het puffen en tuffen doorschokte den
mist, echoode sneller en krachtiger terug van uit onzienbare hoeken ...
"Wel Janverdomme," vloekte zwaar en toornig Geertens grof-heesche
baardstem ... "dat 's nu wel den twintigsten keer vandaag dat een van die
stinkende moteurkens overvaart!"--"Dat 's met dien haastigen
keerskensmaker van daar subiet," grapte Franske ... Allen zwegen,
luisterend naar 't geheimzinnig puffen van 't vaartuigje, dat zich
verwijderde achter den mistsluier. Van het Vlaamsche hoofd klonk vaag en
gesmoord door de dik-wattige nevelen, het luiden der seinklok over de
onzichtbare wateren, en beneden, op de vlotbrug, zwierde een brugwachter
met een groote vlammende toorts, een roodgloeienden vuurkring teekenend,
die den traag-nakenden veerboot moest tot baken dienen ...
"'k Ga mijn bootje op 't droog zetten en dan ben 'k schuif!..."
grommelde Geerten, norsch, "met mist, vaar ik niet ..."
't Gesprek werd nu heftiger ... Tegen die vervloekte moteurkens konden ze
niet concurreeren, onmogelijk! Er welden booze vloeken in hun
opstandig-vertoornde borsten. Fransken, jong en levendig van gebaren,
stelde voor een vergadering te houden bij Rosse Lowis, waar ze allemaal
toch dikwijls kwamen borrelen, 's avonds ... Maar wanneer? "Die
onderkruipers!" ... 'k Heb amper 'ne frank of twee gemaakt, zegde
venijnige Charel ... "en mijn wijf moet deez' maand weer 'ne kleine
krijgen ..." Ze schoklachten allemaal, spottend, om zulke
vruchtbaarheid ... Dan viel weer een stilte, zwaar van drift en dreiging.
Sedert de motorbootjes, voor enkele centiemen meer, de menschen veel
sneller naar de overzijde voerden, was 't reeds zoo armelijk
roeiersbedrijf nog moeilijker en veel minder winstgevend geworden. Op de
ernstig-geworden gezichten, waarover een nabije lantaarn, een stillen,
weemoedigen schijn wierp, lag een glimp van onuitgesproken bittere
treurnis of een trek van ingehouden, nauw-bedwongen woede ... De vochtige
kou deed hen bibberen. De schoenblokken of dik-gezoolde en sterk
benagelde laarzen klopperden den slijkerigen grond ... Geerten kwam terug
bij 't groepje, hoorde zwijgend de klachten, beloofde met een norschen
knik morgen-avond naar de vergadering bij Rosse Lowis te komen, ... deed
eenige stappen om heen te gaan, bleef dan even staan om zijn korte
bruin-doorgebrande pijp aan te steken keerde zich plots weer om; zijn
ruw-omlijnde forsche tanige rimpel-kop met den verstreuvelden grijzenden
ringbaard, glom even in den vunzenden schijn der aangetrokken pijp ...
"Gaat-de mee, Franske ..." "Ja!" Samen trokken ze weg: Franske, jong en
slank, fiks-stappend: een beeld van jeugdig-overmoedige kracht en
vreugde; Geerten, kort-breed en ruw, zwalp-wiegend op de wat kromme
beenen als een oud-matroos ... Toen de twee donker omlijnde gestalten in
het purper-doorlichte mistgordijn, onder de verre omfloersde booglampen
aan den straatweg, verdwenen waren, staken de andere bootjesroeiers de
koppen bijeen ... "Zeg, dat moest ge nu niet vragen, jandomme, of Geerten
bij Lowis zou komen ... hij is er gezaaien en gebraaien, hij slaapt er
wel ..." schamperlachte een luid-op ... "En weet z'n wijf dat?" ...
"Bah, die is tegenwoordig meer zat dan nuchter ... hij laat ze maar
zuipen ..." "Maar als Lowis, schoon Franske wat veel ziet, dan zou de
jannige Geerten wel eens kunnen rijden met zeep aan zijnen buik ..."
--"Dat was rats in mijn voeten!" antwoordde stroef, Venijnige Charel ...
* * * * *
Nadat Geerten en schoon Franske, aan den toog van eene vuil-berookte
kroeg, een borreltje in eenen teug met smakkende lippen en tranerige
oogen naar binnen gewipt hadden om zich wat te verwarmen, namen de twee
kameraden afscheid. Zwaar-stappend langs de slijkerige straten, door den
steeds aandikkenden mist, waarin alles wegdoezelde, en die de roode en
witte en blauwe lantaarns aan de schel-kleurige bargevels omvoolde met
stille treurnis, trok Geerten huiswaarts ... Immer dezelfde gedachten
hielden tegenwoordig zijn hoofd bezig ... 't Was een kleine
denkbeeldencirkel, waarin zijn geest voortdurend ronddwaalde: Er was
geen geld meer te verdienen met dien verdoemden stiel!... Een motor
moest hij hebben ... 't Zou een schoon bootje moeten zijn, een flinke
kas, een goeie moteur, bankjes met rood floeren kussentjes en van voor
een lichtje ... Iederen avond, na 't drinken van een dikkop, of twee,
overlegde hij naief-blij, als een begeerig kind, hoe zijn scheepje zijn
moest, natellend hoeveel hij per dag meer zou verdienen dan nu, tot, met
een schok, zijn kleine gedachten in-eens stil-stonden ... Nooit zou hij
geld genoeg hebben om een motorboot te koopen, nooit!... nooit!! Dan
verteederde hij zich over zijn eigen bitter lot ... werd plots boos,
raasde inwendig ... vloekte binnensmonds ... Reeds tweemaal had hij bij
zijne welstellende zuster aangeklopt om een voorschot, en bij zijn ouden
vader ook; maar nergens was hij er in geslaagd een duit los te maken,
bang als ze waren nooit meer een centiem van 't geleende terug te zien.
Zijn zuster!... 't Was ook al wat! Omdat ze nu met een stuk water-klerk
getrouwd was, moet ze toch zooveel van heuren neus niet maken ... Ze was
toch maar de dochter uit een bollewinkeltje ... en Moeder-zaliger had de
centjes toch zuur verdiend met koffie opschenken voor de vrouwen uit de
buurt ... O dat geld!... Aan Lowis durfde hij 't niet meer vragen ...
"Een moteur hoort ge te goed 's nachts," had ze gezegd ... In-eens, kwam
in hem opschokken de gedachte aan een tocht, dien hij van avond voor haar
maken moest naar een Spaansch stoombootje, dat op rivier voor anker lag,
om een vaatje gesmokkelden wijn af te halen ... "Vijf frank weeral,"
dacht hij, opgewekt ...
Maar stil aan vloeide zijn hart weer vol galligheid ... "O die vetlappen!
Met hun moteurkens vergallen ze 'nen mensch zijn schoonste plezier" ...
Hierbij dacht hij aan 't genot dat Lowis hem schonk, en 't deed een
deugdelijke kitteling over zijn rug loopen, wijl gulzig flikkerden zijn
beluste oogen ... Door de drabbige nattigheid van den nevel, die
stillekens dreef, wazigen rook gelijk, tusschen de lage vooroverhellende
gevels der binnenstraten, waar elke woning bijna een herberg was,
waaruit gulpte, snerpend-zeurige muziek, dragend zang van zat-gebralde
keelen,--trok Geerten huiswaarts ... Langs hem heen gingen muf-riekende
koffieboon-raapsters, kort-gerokt boven de haastig-drentelende voeten,
en mannen in fluweelen buizen met hoog beslijkte modderbroeken plooiend
op zware schoenen, sloffend over de glimmend-vettige kasseide ... Een
reesem dronken matrozen, het gore flanellen hemd ver-open op de borst,
toog hem voorbij ... Met een zekere vreugde zag hij de hossende bende
voortslieren van d'eene naar de andere zijde ... Waar die binnenvallen is
de avond goed ... en onwillekeurig dacht hij aan zijn Lowis ... Die rosse
had er goddoje de streek van weg om zoo'n labbers uit te zuipen. Even
schoklachte hij in zijn baard.--Zoo peinzend, was hij geraakt op een
groot plein, waar lange platte natiewagens, dicht nevens elkander
gerijd, den langen dissel ten hooge, in de vuile nattigheid van den
slijkbodem, te wachten stonden op 't werk van den volgenden dag ...
Geerten stak het plein dwars over, ging dan de hooge koetspoort, zwart
gapend in vuil okergelen trapgevel, binnen, poosde even voor een deur,
waaruit een lichtstreep op den nattig-glinsterenden gangmuur viel, in
beraad staande of hij nog een snapske pakken zou, stapte dan toch maar
verder, te hongerig om langer te talmen ... Op de voorschoot-smalle
binnenplaats, waar vele huizekens, smoezerig-zwart gesmookt, kouwelijk
bijeenhurkt en--arme, brokkelige, als oude wijvekens voor-overhangende
trapgevelkens, schamel verlicht door een flakkerend olielampeken voor
een Ons-lievevrouwenbeeldje, stonden stootwagens, in elkander geschoven,
de berries als hulpeloos biddende armen omhoog ... Geerten sakkerde toen
hij op 't nauw-verlichte venstertje van zijn krot toe ging, want hij zag
dat het grauwe waschgoed nog nat hing te flapperen, lijk dezen middag,
aan den langen staak die het heele nauwe binnensteegje overspande.
Geergerd trad hij binnen, vloeken op de lippen het ruige, diep-doorgroefde
weer-bruine gelaat, vertrokken; onder de norsch-bijeenplooiende stoppelige
wenkbrauwen flikkerden kwaadaardig de staal-grijze oogen, anders klein en
waterig ... Met een smak smeet Geerten de kamerdeur open. In 't vertrek
hing een stinkende rookwalm. De lamp smookte fel, alles hullend in een
halve duisternis, waarin de schrale manke meubels schenen weg te kruipen ...
Uit de alkoof aan de andere zijde der kamer, steeg zacht een ronken ...
Geerten bleef sprakeloos ... Met een zwaren bons plofte zijn
dicht-gebalde knokkelvuist op de krakerige tafel neer, doende rinkelen
de vuile besmeerde borden en tassen, achteloos bijeen-geschoven. Het
snorken hield een oogenblik op, ging over in fel-blazen. Haastig draaide
Geert de lamp omlaag, liep dan op de bedstee toe, nam zijn slapende
vrouw heftig bij den arm, schudde nijdig. Heur jeneveradem sloeg hem
tegen ... Met een wilden ruk, sleurde hij ze 't bed uit ... "Allez,
zatte teef! Allez-hop!!" ... Zich de rood-beloopen, vies-ontstoken oogen
wrijvend, stond Trees overeind, geeuwde lang met wijd-opengespalkten
mond en traag-strekkende armen bij 't kraken der gewrichten, deed dan
met sleep-zware voeten een loomen stap naar de tafel ... sprakeloos.
Ze wankelde nog even, bewoog moeielijk de dikke tong, wilde de flesch,
waarin kristallig-klaarde den verlokkenden drank, grijpen ... Met
weerlicht-plotsen greep trok Geerten ze uit heur handen, zette ze op
tafel ... Dan, ten einde geduld, inwendig ziedend, langde hij een
blikken schaal van de kast, vulde ze rap met water en kletste dit Trees
in 't koddig-grijnzende gezicht ... Dit hielp, als altijd ... het deed
Geerten stuiplachen en bracht zijn kwade luim tot bedaren: "En, nu
vooruit met den bik!" Traag sleffend over de gespleten, vuile roode
tegels, haalde Trees een haring uit de kast, zette hem op tafel naast
een kom kouwe koffie ... "Eerst mijnen mond wat spoelen," zei Geerten,
zette de jeneverflesch aan den mond, liet den drank wat heen en weer
klokken tusschen zijn bolle kaken, slokte dan smakkend door ... "Geef
mijnen boek! Pruttige!" Nog langzamer, als met looden schoenen, sloefte
Trees door de kamer, naar de deur, waarboven op een plankje smerige
drie-cent afleveringen van bloederige liefde-romans in 't opgehoopte
stof, gestapeld lagen, nam een lijvig deel er-af en reikte het haren man
over ... Den velligen haring in de gekromde dikke vingers, nu en dan met
de vuil-gele nagels een graatje van tusschen zijn tanden verwijderend,
zat hij gretig-peuzelend te lezen hoe de jonge graaf van Salverda de
jeugdige dienstmaagd door mooie beloften en suikerzoete liflafferijen
verleidde, in het eeuwenoude kasteel zijner voorvaderen, juist den avond
van den dag, waarop hij zich met de prachtige bruinoogige Dona Gracia
verloofd had ... Geerten verslikte zich haast in een verraderlijk naar
binnen gewerkte graat, beduimelde de bruine omgekrulde hoeken der gore
naar tabakriekende bladzijden met zijne vette handen, gejaagd om het
vervolg te weten ... Zijn innigste gedachten toch, dreven af naar Lowis.
De lange koudnattige dag, de slokjes jenever, de ophitsende schunnige
prikkellectuur, hadden zijn zinnen opgewekt en hij verlangde naar haar,
vurig-begeerlijk. De hoekige ellebogen op tafel, het loome hoofd in
beide handen waarover slierden de hangende vettig-bruine haren, zat
Pruttige Trees, sprakeloos, met slaperige wateroogen, Geerten
onafgebroken gade te slaan, tot, haar ingedommeld geheugen stil-aan
ontwakend, ze met dikke doddel-tong heur man aansprak: "Geert ... Vader
is slechter ... Sophie, uw zuster, is hier geweest, en dezen avond wordt
"hem" bediend ... 'k ben er geweest ..."--Geerten zag even op,
norsch-onverschillig. Zijn oogen stonden waterig-onnoozel in den door
inspanning-verhitten kop ... "en ge
moet eens gaan van avond zulle
..."
--"Nog wat?" snauwde hij bruut.
--"Ja, er is een kaart gekomen van onzen Jef ... 't is een met een aardig
koppeken ... van den Argentien geloof ik ..."
--"Laat zien!..."
Trees haalde de kaart uit een schreewerig vergulden suikerpot op de
kast, reikte ze haren man toe ... "En wat schrijft hem".
Slijmerig-traag vielen de woorden uit haar kwijlenden mond ...
"Hij vraagt of z'n moeder hem nog geern mag" antwoordde Geerten,
gebarend een borrel in een teug naar binnen te wippen ...
Trees zweeg, bleef roerloos staren in de hel-gele vlam der lamp.
Nadat hij gegeten had, richtte hij zich op, smeet zijn klak af, liet
zijn hemd van de schouders glijden. Het sterk-gespierde, forschig-breede
bovenlijf naakt, den ruigen stilaan-grijzenden kop tusschen de wat hooge
schonkige schouders, stond hij voor een emmer water, dien Trees hem
aangereikt had. Plassend in 't van zeep-schuimende nat, schrobde hij
zijn dicht-behaarde borst, en de dik-beaderde pezige armen, dat de
sprinkelingen rondspatten op de armelijke stoelen en tegen de
zurig-riekende eetkast ...
"Ge gaat zeker weer naar uw rosse aanhoudster" smaalde nijdig-spottend
op hoonenden toon Trees ... "moet ge niet wat cosmatique aan uwen
schrobber doen?" ...
Geerten bleef kalm, al die zinspelingen schampten af op zijn taaie
onverschilligheid. Vlug was hij weder aangekleed, voelde zich nu
frisscher en vroolijker ...
Een wijle scharrelde hij met de hand in zijn vestzak, smeet dan twee
frank op tafel ...
"Arre en zuip het allemaal niet op ... Aperpo hedde (hebt ge) geen vodden
opgekocht vandaag?"
--"'k Ben niet gaan leuren ..."
Geerten stond al in de donkere gang, waar dreef een doffe huislucht, en
de benauwende geur van schimmelende lompen onder 't bouwvallige
zoldertrapken opgestapeld ...
--"Salut en den kost zulle! 'k Ga naar vader" ... en zich plots
herinnerend ... "en haalt uwen wasch binnen!..."
"Ge komt van nacht zeker weer niet naar huis ..." schimpte Trees hem nog
achterna ...
--"Verrekt!" beet hij terug, en met een nijdigen ruk klakte de deur toe,
dat het heele huis schokkend dreunde, en de nog heele ruiten
daverrinkelden ...
* * * * *
Op de vitrine van het stamineeken, dat zijne vriendin openhield in een
der zijstraten uitgevend op de kaai, had Geerten voor een paar jaar--'t
was in 't begin zijner verkeering met rosse Lowis--in schreeuwend
oranje-geel, met reuzen-groote vlammend-roode hoofdletters en
gracielijk-buigende krullen er-nevens en er-onder, geschilderd:
/*
The Joly Boys Bar
bij de Plezante Bazin.
*/
In dien bijna-schuchteren vrijtijd was Geerten niets anders dan de
buitengooier, de man wegens zijn sterkte gevreesd en betaald om de
zwijn-zatte matrozen, die 't wat te bont maakten of met bazin en
serveuse te vrijpootig werden, aan de deur te werpen ...
Mettertijd was de flinke kerel voor Lowis bijna onmisbaar geworden, want
buiten die onaangename karweitjes, welke hij alleen afhandelde--zonder
dat de nieuwsgierig-lastige politie d'r ooit heur neus in steken
moest--, ging hij, nu en dan, 's nachts er op uit om van pas
binnengeloopen schepen, gesmokkelden wijn of sigaren te halen.
Zoo was hij allengskens in 't kroegsken bijna geworden: de waard, die
wel moest gehoorzamen aan de plezante bazin, doch nu niet meer alleen
met geld betaald werd, maar ook liefdeloon en 's Zondags zakgeld van
haar ontving, ... alzoo verdringend de futlooze fliere-fluiters, die
haar vroeger het jonkvrouwelijk leven minder ondragelijk maakten.
Het kabberdoesken was er op vooruitgegaan en de bootjesroeiers-maatschappij
"De ware Varens-vrienden", waarvan Geerten stichtend lid was, had er haar
spaarkasken hangen aan den wand tusschen een in vergulden kader ingelijsten
Red Star-boot en een bont-gekleurde reklaamplaat van Scotch wisky.
Toen Geerten binnentrad, zaten de roeiers allemaal bij het venster, om
de tafel, waarop--midden groote glimmende bierplasjes--de met kralend
gersten gevulde, schuim-gerande glazen stonden met--bij sommigen--een
potsierlijk-buikend dikkopken ernaast. Hunne ruige gezichten kropen
weg onder ver-vooruitstekende dik-geboorde kleppen, waarop bengelden
zijig-glanzende, kleine kwastjes ... Ze paften uit korte pijpen, dat
de rook, boven hun bijeengestoken koppen opwolkend, de fel-brandende
gloei-gaspitten omfloersde met een nevelig waas ... Anderen zaten
stom-roerloos, de hand aan het bierglas, te luisteren met open-hangenden
mond in 't domme gelaat, waarin de oogen slaperig knipten; vermoeide
lijven, die indutten in de broeierige hitte na den langen dag,
doorgebracht midden de wisselende winden, die opdansen deden de woelige
wateren der Schelde.
Na een kort gesprek met Lowis, zette Geerten zich bij hen, met den rug
naar den toog, juist tegen over Schoon Fransken, die strak voor-zich uit
starend met glunder-gulzige blikken volgde iedere beweging van Lowis'
wel gevulde gestalte, tronend voor den spiegel van 't met veelkleurige
glazen en licht-doortintelde drankflesschen versierde buffet ...
"Awel! Geert? Hoe is 't met uw vader" vraagde Venijnige Charel ...
Bij 't smakkend rooktrekken om zijn korte pijp te doen vunzen,
antwoordde Geerten heel kalm, met zijn gewone heesche baardstem:
"Bah ...den ouwen dag, he ... vier en negentig zulle!...
--"Is de Heilige Jozef ziek?" kwam Suske van Loock, de oudste der
roeiers, er tusschen--"als die niet naar den hemel gaat weet ik er alles
van ... en gij zult wel een schoon stuiverken trekken" ...
Hij lachte, op voorhand genietend van wat hij zeggen ging ... "Hij 'n
heeft voor niets, vroeger, in geen tien jaar bij zijn vrouw geslapen ...
Ah-ah-ah!... Veel kinderen wilde hij niet!... Ah-ah-ah!... Dien H.
Jozef!... Niet kwaad zijn, zulle Geerten!... 't Is maar bij manier van
spreken!" ...
Dat was 't oude geschiedenisje, dat hij vroeger zoo dikwijls had moeten
slikken en waardoor uitgelegd werd, waarom zijn zuster Sophie, de bloem
van 't kwartier, juist tien jaar jonger was dan hij ...
Wanneer de laatste achterblijver binnen was, begon de beraadslaging ...
Venijnige Charel deed een verwoeden uitval, waarin de motorbootjes
vervloekt werden, en de invoerders voor uitgekochten--een woord, dat
hij op de laatste socialistische meeting gehoord had--van 'nen vuilen
herbergier, gescholden werden ...
Hoe heviger de door jenever en bierdampen opgewonden spreker donderde,
zich heesch schreeuwde, zijn tanig-onbeduidend gezicht waarin de oogen
uitpuilden, rooder werd, hoe meer Geerten bijna-onverschillig luisterend
de noodzakelijkheid begon in te zien, om zelf een motorbootje te
bezitten ...
Zich hullend in dikke rookwolken, peinsde hij, wikte en woog, herkauwend
wat gedurende den heelen dag niet uit zijn kop was geweest, wat hem meer
vervuld had dan de gedachte aan Lowis: hij zou kost wat kost een
moteurken bezitten ... Een teug slurpend aan zijn nog vol glas, mengde
hij zich een oogenblik in 't verwoede, dol rumoerige gesprek ...