Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw by M. Lievevrouw Coopman
M >>
M. Lievevrouw Coopman >> Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 ONS VADERLAND
van de vroegste tijden tot de 15de eeuw door
M. LIEVEVROUW-COOPMAN
HOOFDONDERWIJZERES
Teekeningen van E. ROELANT, kunstschilder.
1904
1.--De Hut in het Woud.
Er waren eens twee kinderen, een jongen en een meisje. Zij bewoonden
eene kleine hut, uit leem en riet vervaardigd. Die hut had
schoorsteenpijp, noch vensters, dus konden licht en lucht er enkel langs
de deur binnendringen, terwijl de rook van het haardvuur de woning
verliet door eene nauwe opening, midden in het dak.
Wel was de hut armoedig, maar het groote woud, dat haar omringde, was
wonderschoon. Heerlijk mos bedekte den grond, hooge varens wiegelden er
hare bleekgroene pluimen, terwijl forsche eiken, ver boven de hut, hunne
takken broederlijk dooreen strengelden.
's Zomers zongen honderden vogeltjes in het gebladerte: vinken, meezen,
winterkoninkjes, meerlen, nachtegalen vereenigden er hunne stemmen, tot
een enkel koor van levenslust.
"Koekoek! koekoek!" klonk het dan schaterend in de verte en de kleine
hutbewoners lachten en herhaalden het spottend geroep van den
zwartgevlerkten zanger.
Dat vroolijk spelletje duurde dagen en dagen, "Koekoek! koekoek! waar
zijt ge?" vroegen thans de kinderen, "Kom bij ons, we zullen u wormpjes
zoeken en broodkruimels voor u strooien," maar de vogel kwam niet en
deed, luider en luider zijn eentonigen zang door de blauwe zomerlucht
weergalmen.
"Willen wij hem opzoeken?" sprak de knaap tot zijn zusje.--"Ik durf
niet, Atto, moeder zegt gedurig, dat wij ons van hier niet mogen
verwijderen."--"Zij zal het niet weten" lachtte Atto, "zij is vader
tegemoet, die heden van de jacht terugkomt."
En Juna liet zich overreden.
Hand aan hand, blootsvoets, half naakt, stapten de kleinen over het
zachte mos, en zochten den koekoek, wiens spottend gezang, door het woud
weergalmde. Maar, hoe zij ook zochten en zochten, zij vonden den
spottenden zanger niet.
Vermoeid en treurig rustten zij een poosje en besloten toen huiswaarts
te keeren. De bloote voetjes der kleine Juna waren vurig rood en Atto
had zich, vlak onder de knie aan een scherpen doorn bezeerd, doch om
zijn zusje niet bang te maken, beet hij zich op de lippen en beweerde
geen pijn te gevoelen.
Maar, waar toch was het smalle pad, waarlangs zij gekomen waren? Atto
zocht het vruchteloos onder de varens en Juna vreesde, dat zij verdwaald
vaaren.
Klapwiekend vloog de zwarte woudraaf uit een naburig berkenbosje en
daarna werd alles stil, doodstil.
Langzaam, o! zeer langzaam verstreek de tijd. Atto zocht en zocht, klom
op een boom, tuurde in de verte ... hij zag enkel boomen en niets dan
boomen.
Eensklaps werd de lucht duister, de wind stak op, bliksemschichten
flikkerden, de donder rommelde. Broer en zuster klappertandden van angst
en koude, maar zij gingen verder, altijd verder. Eindelijk bereikten zij
eene grot, waar zij zich vermoeid in nederzetten.
En thans vernamen de arme kinderen een vervaarlijk gehuil.... "De
wolven! de wolven!" kreet Juna en sloot zich heel dicht bij haren
broeder aan.
Atto verzamelde groote steenen en aardklompen, waarmede hij den ingang
der grot versperde, want de avond viel en hij voorzag, dat zij den nacht
in de eenzame schuilplaats zouden moeten doorbrengen. Toen nam hij zijn
schreiend zusje op den schoot en het arme meisje, uitgeput van angst en
vermoeidheid, viel weldra op zijne knieen in slaap.
Atto echter waakte, hij hoorde het gehuil der wolven, en andere wilde
dieren, dat akelig door het woud weerklonk....
's Anderendaags, vroeg in den morgen, ontwaaktte Juna. Atto nam haar bij
de hand en beide kinderen hervatten hun gevaarvollen tocht.
* * * * *
Na een half uur gaans vernamen zij het gemurmel van een beekje dat,
tusschen lisch en weegbree, zijne heldere golfjes voortstuwde. "Wij zijn
gered!" murmelde Atto, "laten wij langs den boord van het water
voortgaan, want het leidt naar de woningen der menschen."
Hoopvol nam hij zijn zusje bij de hand en zette zijnen weg voort. De
tocht was lastig; soms verdween het beekje onder hooge struiken of de
kinderen bezeerden zich aan bramen en doornen. Nu en dan hurkten zij
neder, bogen zich over den vliet en schepten met hunne kleine handen,
water, dat zij begeerig aan den mond brachten.... Arme kleinen, zij
leden zoo geweldig door honger en dorst!
Eindelijk bereikten zij eene plaats, waar het water veel breeder was,
want een tweede beekje vereenigde er zijne golfjes met die van het
eerste. Hier zwommen eendvogels, in menigte en Atto bemertke, dat zijn
zusje en hij, den zoom van het woud hadden bereikt. Wilgjes ruischten
aan den oever van den vliet en de kinderen betraden vol blijdschap eene
malsche weide, waar verscheidene koeien graasden.
"Daar komt een man," kreet eensklaps Juna met blijde verrassing.
"Gangusso! vaders vriend! dezelfde, die verleden jaar onze berenhuid
kocht!" lachte Atto en de man, van zijnen kant, scheen de kinderen te
herkennen, want hij liet een rooden doek boven zijn hoofd zwaaien en
spoedde zich naar de kleinen.
Gangusso was een man van groote gestalte, met blauwe oogen en lange,
blonde haarvlechten. Hij droeg lederen schoenen en korte, nauwsluitende
kleederen.
Hij nam de verdwaalde kinderen bij de hand, bracht ze naar zijne
woning, op welker drempel zijne vrouw en een paar dienstmaagden, naar de
kinderen stonden te zien.
Snikkend verhaalden de kleinen hun treurig wedervaren, maar Gangusso
stelde hen gerust en beloofde, hen zoo spoedig mogelijk naar hunne
ouders te brengen.
Een verkwikkend maal: brood, melk, gebraden zwijnevleesch werd den
kinderen aangeboden, maar toen zij verzadigd waren, verklaarde Gangusso,
dat de dag te ver gevorderd was om den terugtocht aan te nemen.
De dienstmaagden brachten versch stroo, spreidden het op den grond en
bedekten het met zachte huiden. Dit was het bed, waarop de kleinen den
nacht doorbrachten.
's Anderendaags verlieten zij, onder het geleidde van Gangusso, de
herbergzame woning, waar hun zulk vriendelijk onthaal te beurt viel.
De bewoners der naburige hutten, die reeds van hunne komst verwittigd
waren, groetten hen lachend en wenschten hun hartelijk "goede reis!"
Omtrent den middag bereikten de kinderen een breed water, dat niet diep
was, want de reizigers doorwaadden het zonder moeite.
Nu stapten zij verder over heiden en dwars door wouden en bereikten
omstreeks den avond, de ouderlijke hut.
Hoe gelukkig waren de ouders van Juna en Atto, toen zij hunne kinderen
wederzagen! Hoe hartelijk schonken zij hun vergiffenis en hoe vurig
dankten zij hunnen vriend, den braven, dienstvaardigen Gangusso.
2.--Oud Belgie.
[Illustration: Gallische landbouwer.]
Welke eigenaardige hut bewoonden Atto en Juna! 'k Wed, dat men, in onze
dagen, in geen enkel land der wereld, eene dergelijke meer zou
aantreffen! Zulks moet mijne lezers niet verwonderen, want de twee
kinderen leefden niet in onzen tijd, maar voor honderden en honderden,
ja, schrikt niet ... voor 2000 jaar.
De hut, die zij bewoonden, stond midden in het woud en dat woud was zoo
dicht en uitgestrekt, dat men er heel licht in verdwaalde. Bezit ons
vaderland heden nog wouden? Voorzeker, maar ze zijn kleiner, minder
talrijk, dan vroeger. De menschen hebben ze gedeeltelijk uitgeroeid en
in akkers herschapen.
De vader der kleine, onvoorzichtige kinderen was een jager. In de wouden
van ons land huisden vroeger beren, talrijke wolven, everzwijnen.
Gevaar schrikte den man weinig af, ofschoon hij zulke goede wapens niet
bezat als de jagers van onzen tijd. Schietgeweren, pistolen, waren
onbekend; de tijdgenooten van Gangusso bezigden pijlen, bogen, slingers,
knotsen, lansen en trachtten, heel waarschijnlijk, het wild in
hinderlagen te lokken.
Sommige menschen deden echter iets anders dan jagen: Gangusso fokte vee
en zijne huisgenooten sliepen op stroo, hetgeen bewijst, dat de man ook
graan verbouwde. Eendvogels zwommen in beken en plassen en deze vogels
... gij raadt het zelf, verschaften den menschen eieren, vleesch, dons.
Waarom had Gangusso zijne woning dichtbij de samenvloeiing van twee
beken gebouwd?
Wel! omdat het water hem onmisbaar was en, omdat in dun bevolkte of
weinig beschaafde streken, de oevers van het water, soms ook zijne
uitgedroogde bedding, als wegen dienst doen.
Bestonden er, voor tweeduizend jaar in ons land geene groote zand-of
aardwegen? Neen, die waren er niet; vandaar dat de menschen heel weinig
betrekking met elkander hadden. Koopen of verkoopen gebeurde zelden;
steden of groote dorpen zoudt gij hier vruchteloos hebben gezocht.
De menschen van dien tijd hadden echter een goed hart: Gangusso nam de
verdwaalde kinderen in zijn huis op en schonk hun spijs en ligging.
De menschen van voorheen waren zeer gastvrij en die eigenschap is bij
ons, hunne nakomelingen, niet verdwenen.
Op het land, en vooral in de Ardennen, waar steden en dorpen ver van
elkander liggen, gebeurt het niet zelden, dat reizigers, in eenzaam
staande hoeven, voor den nacht worden opgenomen.
Bewoonden Gangusso, Atto en Juna misschien het Zuid-Oostelijk deel van
ons land? Dat deden zij ... maar, nu mijn verhaal ten einde loopt, wil
ik u vertellen van de oude bewoners van Laag-Belgie.
3.--Langs Poel en Plas.
De najaarszon neigde ten Westen en wierp hare schuine stralen op een
groep vrouwen en kinderen, die zich over zandheuvels en door duinpannen
naar zee begaven. Vuurroode wolken hingen over den schuimenden waterplas
en een paar visschersschuiten naderden het strand, waarop millioenen
schelpjes, als zoovele parelen, lagen te blinken.
Met blijdschap begroetten de vrouwen de naderende vaartuigen die, met
hunne bemanning, weldra in eene naburige kreek binnenliepen.
De schuiten waren log en stevig, voorzien van zeilen, die, uit aan
elkander genaaide huiden waren vervaardigd.
Waarschijnlijk hadden de visschers eene goede vangst gehad; want, toen
de vrouwen, over zandbanken en door plassen zeewater de schuiten
bereikten, vulden zij hare teenen manden met een rijken buit van versche
tongen, schollen, roggen.
De mannen laadden hunne netten en fuiken op den rug en weldra trok de
heele troep landwaarts.
De streek had een treurig aanzien: rechts en links lagen eindelooze
moerassen, waarboven heele zwermen raven en meeuwen vlogen; hier en daar
bemerkte men een schraal boschje van wilge-, essche-of elzeboompjes.
De weg, waarlangs de visschers en hunne vrouwen stapten, lag hooger dan
het omliggende land en was eigenlijk het bovenvlak van een dijk, door
menschenhanden aangelegd.
Thans bereikte de karavaan een groepje ellendige hutten, de
verblijfplaatsen der visschersfamilien.
Eene plotselinge regenvlaag noopte vrouwen en kinderen eene schuilplaats
in de woningen te zoeken. "De wind waait uit het Zuid-Westen" sprak een
der mannen. "De storm is in aantocht en dezen nacht hebben wij
springvloed."
Na een paar uren waaide de wind zoo hevig, dat de kloeke mannen moeite
hadden zich overeind te houden. De zee donderde, de nacht daalde over
het aardrijk en de regen viel bij stroomen.
"Ik vrees, dat de dijk, dien wij verleden zomer aanlegden, tegen het
water niet bestand zal wezen" sprak een der mannen.
Een ander voegde er bij: "Ik stel voor, dezen nacht de wacht te houden,
om bij het minste gevaar, onze vrouwen, onze kinderen en ons vee in
veiligheid te brengen."
Dit voorstel werd aangenomen; de mannen bleven bij elkander en, hoe
vervaarlijk de wind ook huilde, hoe plassend de regen ook nederviel,
toch gingen ze, bij beurten, den dijk op en neder.
De storm intusschen hield aan; met grenzenlooze woede beukte de zee de
duinen, baande zich eenen weg door het land en bereikte den dijk.
Het hart der mannen klopte angstig; zou de vrucht van hunnen arbeid
bestand zijn tegen den vertoorden Oceaan?... De dag brak aan, heviger
nog huilde de storm, hooger en hooger stegen de golven en!... de mannen
bemerkten eene breuk midden in den dijk.
De vrouwen brachten kleiaarde, steenen, takkebossen aan, hijgend en
zweetend arbeidden zij, onder den plassenden regen, aan het herstellen
van den dijk ... vruchtelooze moeite; eene tweede, eene derde dijkbreuk
ontstond; de vrouwen weenden, de kinderen huilden.
"Allen naar de hutten! drijft het vee voor u uit! neemt manden en netten
mede, richt u zuidwaarts!" riepen thans de mannen en met koortsige haast
gehoorzaamden allen aan het bevel. In radeloozen angst vloden de
ongelukkigen over heiden en moerassen en bereikten eene hooger gelegen
streek, waar de hutten talrijker en akkers en weiland waren aangelegd.
De arme vluchtelingen werden er liefderijk ontvangen en dagen lang
geherbergd, maar, toen de mannen eindelijk naar hunne vroegere
verblijfplaats terugkeerden, waren dijk en woningen weggespoeld.
4.--Bij de Menapiers.
Wat moesten de arme, wreedbeproefde lieden thans aanvangen?... Klagen,
weenen, helpt zoo weinig! Onze mannen waren moedig en kloek, zij
vereenigden hunne krachten, arbeidden samen en, door tegenspoed wijzer
geworden, legden zij een nieuwen dijk aan, die breeder en sterker was
dan de eerste; ook richtten zij eene terp op en bouwden zich hutten,
die, op eene verhevenheid staande, minder van overstrooming zouden te
lijden hebben. Daar het moeras thans volkomen tegen het water was
beschut, droogde het uit en kon men het in weiland, later in akkers
herscheppen.
De vrouwen naaiden zeilen, vlochten fuiken, breiden vischnetten; de
mannen timmerden eene schuit en weldra dobberden onze moedige arbeiders
op den Oceaan, bereikten de Britsche kusten, waar zij lood en tin
haalden, alsook mergelaarde, waarmede zij hunne akkers bemestten.
Deze moedige menschen waren de Menapiers die, voor 2000 jaar, in
Laag-Belgie ten Westen en aan de monding der Schelde woonden.
Hun lijden en strijden leert ons genoegzaam, hoe woest en bar ons land
toen nog was: de kusten der zee waren diep ingesneden, de zee vormde
talrijke inhammen, zelfs golven, vooral bij de monding der rivieren,
wier overtollig water zich soms over het land verspreidde en plassen en
modderpoelen deed ontstaan. Heel waarschijnlijk dachten de brave
Menapiers er nog niet aan, kanalen te graven, die het nat opvangen, en
sluizen te vervaardigen, die den loop van het water zouden regelen.
Ik zeg niet zonder reden "de brave Menapiers." Hadden zij niet, op eigen
kracht steunend, den strijd tegen de woedende zee volgehouden? Hunne
werktuigen waren ruw en onvolkomen, machines kenden ze niet en toch, al
mocht de zee hunne schuiten verzwelgen, het water hunne dijken
verbrijzelen, hunne woningen vernielen, altijd weer begonnen zij hunne
nimmer eindigende taak.
Lezers, denkt er aan, als gij Vlaanderens lachende beemden bewondert, of
u in de mooie badplaatsen aan den Belgischen zeeoever gaat vermeien.
5.--Aan den Voet van den Reuzeneik.
Heerlijk en trotsch verhief zich de machtige boom in het midden der
vlakte; honderden stormen had hij getrotseerd, honderden winters
beleefd; 's zomers rustte het vee in zijne schaduw en honderden vogels
kweelden in zijne takken.
Thans, ofschoon de lente nauwelijks in aantocht was, hielden aan zijn
bemosten voet, de menschen eene plechtige vergadering;--vroeg in den
morgen waren zij in menigte aangekomen, langs de kronkelende paden, die
men, hier en daar, in wouden en heiden aantrof.
De meesten onderscheidden zich door hunne hooge gestalte, hunne lange,
roodgeverfde lokken en krachtige ledematen.
[Illustration: Hoofddeksel.]
[Illustration: Schild.]
[Illustration: Helm.]
Allen schenen krijgslieden te zijn, sommigen hadden op het hoofd eenen
helm, waaraan vleugels van roofvogels of hoornen van dieren waren
vastgemaakt en hunne wapens: lansen, pieken, zwaarden, schitterden in
het zonnelicht. Allen droegen nauwsluitende kleederen, sommigen ook
bontgestreepte kolders, zonder mouwen en, als sieraad of
herkenningsteeken, fraai bewerkte hals-of armbanden, terwijl nog anderen
een korten pelsmantel om de schouders hadden geslagen.
Die mantel bewees dat zij jagers waren, want zij hadden de klauwen van
het door hen gedoode dier niet weggenomen, zelfs bemerkte men hier en
daar eenen krijgsman, die zijne kap met den ruigen kop van eenen beer of
van een everzwijn had versierd.
De opperhoofden herkende men aan de pracht hunner wapens en telkens
wanneer een nieuwe troep verscheen, begroetten de aanwezigen dien met
luide welkomskreten.
Plotseling verving eene eerbiedige stilte het luide gegons der menigte,
de stoet der druiden of priesters naderde. Voetknechten, voorzien van
lansen en schitterende pieken gingen vooraan.--Op eenigen afstand
volgden de barden of gewijde zangers; zij hielden snarentuigen in de
hand en hieven, bij beurten, strijdzangen aan, die de anderen in koor
herhaalden.
Nu verscheen een man, die door al de omstanders met eerbied werd
begroet. "Boduognat! hoofdman der Nerviers," fluisterden de dichte
scharen en Boduognat, wiens naam "Gewoon aan overwinning" beteekende,
scheen dien eeretitel te verdienen; heel zijn uiterlijk getuigde van
mannelijke kracht, terwijl zijn hoog voorhoofd en zijne donkere,
ernstige oogen wijsheid en nadenken verrieden.
De beste krijgslieden des lands hadden zich, als eene eerewacht, om hem
geschaard. De opperdruide en zijne priesters, in lange, witte kleederen,
volgden en hunne lijfwacht sloot den stoet, die zich in volmaakte orde
rondom den eik plaatste.
De krijgsbazuinen schalden en onmiddellijk daarna nam een der
opperhoofden het woord.
"Mannen" sprak hij, "groote gevaren bedreigen ons. Julius Caesar, de
vermaarde Romeinsche krijgsoverste, nadert onze streek en stelt zich
voor, ons aan zijne macht te onderwerpen. Zullen wij, kloeke Nerviers,
de dapperste der Belgen, zulks laten gebeuren?"
Een vreeselijk gemompel, dat het geraas van den naderenden storm geleek,
verhief zich op deze vraag.--"Neen," vervolgde de spreker, "neen, we
zullen onze vrouwen, onze vrijheid, onze velden, dapper verdedigen."
Daverende toejuichingen beantwoordden deze aanspraak, maar de
krijgshoorn schalde, de mannen zwegen en de spreker vervolgde: "De
vijand is listig en behendig; tegenover Caesar, die, zegt men, al de
stammen van Midden-Gallie overwon, moeten wij een opperhoofd plaatsen,
dat voor geen Romein in dapperheid en krijgskunst onderdoet!"
"Boduognat! Boduognat!" riepen allen uit eenen mond en duizenden
krijgslieden, hunkerend naar strijd en overwinning, staken zwaarden,
lansen, standaards, schilden omhoog en begroetten aldus den bij
algemeenheid van stemmen gekozen hoofdman.
Toen de geestdrift eenigszins was bedaard, brachten de dienaars der
druiden twee jonge, witte stieren aan. Deze werden als offeranden aan de
godheid geslacht en, in het nog rookend ingewand dezer dieren, lazen de
priesters den wil des Allerhoogsten.
"God is ons genegen" sprak de opperdruide, "de fortuin zal ons gunstig
wezen."
Wederom klonk het gekletter der wapens, schilden werden in de hoogte
geheven, luide vreugdekreten weerklonken.
Toen de offerande was volbracht, keerden de priesters en hun gevolg naar
het geheimzinnig woud terug, waar zij in volledige afzondering hun leven
wijdden aan studie en godgeleerdheid.
Het volk echter toefde nog langen tijd onder den eik.--Mondbehoeften en
schuimend bier werden aangebracht en de drinkhoorn geledigd op de
aanstaande overwinning.
6.--Verovering van ons land door de Romeinen.
Waar verhief zich de reuzeneik, in welker schaduw de menschen zulk eene
gewichtige vergadering hielden?--Is de gebeurtenis, waarvan het
voorgaande verhaal gewaagt, reeds lang geleden?
De reuzeneik groeide voor meer dan 1900 jaar in Midden-Belgie, aldus
genoemd omdat de grond er meer verheven is dan in Laag-Belgie en echter
de hoogte niet bereikt van Hoog-Belgie met zijne heuvelen en steile
rotsen.
In een woudrijk land, als het onze toen was, trof men talrijke, zeer
groote en zeer oude boomen aan; dat de menschen, aan den voet van zulke
boomen vergaderden, moet ons niet verwonderen in eene streek, waar
steden, noch groote dorpen, dus nog veel minder pleinen of groote
vergaderzalen waren.
Wij hadden toen zelfs nog geene bedehuizen, want de priesters boden de
godheid hunne offeranden aan in de open lucht.
Welken eeredienst beleden onze voorouders? Zij aanbaden de sterren des
hemels, de zon, de maan, den donder, den wind. Zij hadden hier en daar
steenen altaren, onder een boom of dicht bij eene bron. Hunne priesters
of druiden genoten de algemeene achting; want, ofschoon hunne leer voor
ons zeer duister is, waren zij wijzer en geleerder dan gewone menschen.
Misschien wel hebt gij bij u zelven gezeid dat, in het voorgaand
verhaal, meest over krijgslieden wordt gesproken.
Weet gij wel, dat de krijgskunst toen algemeen werd geacht, en wie zich
door lichaamskracht onderscheidde, in hoog aanzien stond?
Herinnert u Boduognat, die tot opperhoofd werd gekozen; denkt aan de
forsche gestalte, aan de glinsterende wapens van de strijders, die hem
omringden.
[Illustration: Oud-Belgie.]
Boduognat was een Nervier; de Nerviers bewoonden die deelen van ons
land, die men heden Henegouwen, Brabant en Antwerpen noemt. Men trof
hier te lande nog aan: de Eburonen, de Aduatieken, de Trevieren en de
Morinnen.
Zij vormden te zamen de Belgen of Bolgs. Eenige namen der Zuider-Belgen
zijn bewaard gebleven in de namen van sommige aloude Fransche steden: de
Bellovaken (Bavai), de Atrebaten (Atrecht). Zij bewoonden niet alleen
het huidige Belgie, maar een deel van het Noorden van Frankrijk en der
Rijnprovincie. Zij vereenigden zich enkel in oorlogstijd om samen aan
een gemeenschappelijken vijand weerstand te bieden.
Voorgaand verhaal leert ons, dat de Belgen aangevallen werden door de
Romeinen[1]. Deze, van het Zuiden komende, volgden den rechter oever der
Sambre en leverden slag tegen de Nerviers, die, langs den linkeroever
der rivier, den top van een houtrijken heuvel bezet en zich in het
struikgewas verborgen hadden. Caesar, de aanvoerder der Romeinen, zond
zijne lichte ruiterij op hen af, doch de Nerviers daalden van den
heuvel, staken de Sambre over, vielen de Romeinsche benden aan en
vochten met ongewone dapperheid onder aanvoering van Boduognat.
Caesar en zijne krijgslieden waren de onzen te machtig; duizenden en
duizenden Nerviers, ook Boduognat, werden gedood.
Wat moest het, na dit akelig bloedbad, doodelijk treurig zijn in het
land der Nerviers: duizenden weeskinderen weenden er om den verloren
vader, moeders zuchtten er om de zonen, die de vijanden haar ontrukten.
[Illustration: Vesting der Aduatieken.]
De Aduatieken, die de Nerviers ter hulp snelden, trokken naar hunne
vesting, maar Caesar kwam ze daar belegeren en nam hunne vesting in.
Zegevierend zetten de Romeinsche krijgsbenden hunnen tocht voort; hutten
en wouden verbrandden zij, akkers liepen zij plat, vrije mannen
verkochten zij als slaven.
Ellende, dood, slavernij gingen steeds met oorlog hand aan hand.
* * * * *
Drie bange jaren kropen traag en somber voorbij. 's Zomers, trokken de
Romeinen al verder en verder in ons land, maar in het najaar, als
plasregens nedervielen, als de rivieren overstroomden en dikke nevels
uit de moerassen opstegen, staakten zij tijdelijk den oorlog.
Zij deden voorraad op voor soldaten en paarden en legden in verscheiden
streken kampen of legerplaatsen aan, die zij betrokken en vanwaar zij de
overwonnen volksstammen in bedwang hielden.
In dien tijd leefde in het land der Eburonen, de beroemde Ambiorix. Het
ongeluk zijner landgenooten had hem zoo diep getroffen, dat alle
levenslust voor altijd uit zijn hart was verdwenen.
's Avonds, bij het knetterend haardvuur gezeten, zuchtte hij over de
bange tijden en droomde van opstand tegen de vreemdelingen, van
wraakoefening over het geleden onrecht.
's Daags dwaalde hij door het woud, sprak tot de lieden, die zich ter
jacht begaven of zich met akkerwerk onledig hielden, begaf zich van
gehucht tot gehucht en deelde aan allen, den haat mede, dien hij tegen
de overwinnaars koesterde.
Van tijd tot tijd sloop hij voorbij de legerplaats der Romeinen,
bespiedde hunne handelingen, ging hunne getalsterkte na, zag de aarden
wallen, die het kamp der vijanden omringden, de slooten, de houten
torens, de valbruggen, de poorten, die de legerplaats beschermden en
keerde daarna, laat in den nacht, met gebalde vuisten en fonkelende
oogen huiswaarts.
Verscheidene malen riep hij de inwoners zijner landstreek heimelijk bij
elkander, sprak hun over de verloren vrijheid en, toen hij, in aller
hart, het vuur der wraak had doen ontvlammen en de hoop op verlossing
had doen herleven, lokte hij de Romeinsche bezetting uit hare
legerplaats en behaalde eene eerste overwinning op den vijand.
Weldra vertrok hij naar het land der Aduatieken en, dag en nacht zijn
marsch voortzettend, begaf hij zich naar het land der Nerviers, waar
hij ook dezen, tot den opstand aanzette en de legerplaats van Cicero,
een Romeinsch opperhoofd, aanrandde.
Cicero zond in allerhaast boden en brieven naar Caesar, die al spoedig
in versnelde marschen het land der Nerviers bereikte, de zijnen verloste
en besloot de Eburonen te straffen.
Bij den aanvang van den oogsttijd trok de groote veldheer op tegen
Ambiorix, wiens onbedreven moed, helaas! niet bestand was tegen de
krijgskunst van den grooten Romein. Caesars soldaten staken hutten en
hoeven in brand, namen de paarden, het vee, de strijdwagens der Eburonen
als krijgsbuit mede.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9