A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Random House expands online tools
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Waterstone 'keen to take back control' of his bookstores
Ad - Get Great Ticket Selecion & Prices to US Open Tennis Championship in New York

Bookstore Will Be Missed
The Random House Group is to launch two new online tools to help consumers choose and buy its books online. It has developed a 'Gift Picker' service to support adults in selecting books for children online and will also extend its browse and search'

Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw by M. Lievevrouw Coopman



M >> M. Lievevrouw Coopman >> Ons Vaderland van de vroegste tijden tot de 15de eeuw

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9



De zieke glimlachte. Katelijne en Simon de voller, wilden met Betteken
naar het zolderkamertje gaan, maar Antoon de wever hield ze terug.

"Boven is het veel te koud" sprak hij "warmt u bij den haard en deelt
ons brood. Laten wij den avond gezellig doorbrengen en praten over den
arbeid, dien wij welhaast zullen hervatten!"




48.--Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent.


Het treurige tooneel, dat wij in het somber huisje der Wolvesteeg
bijwoonden, was te Gent en elders, niet eenig in zijn soort; ten jare
1339 heerschten ellende, gebrek, ziekte in gansch Vlaanderen.

[Illustration: Kruisboogschutter. (ten tijde van Jacob van Artevelde)]

Ziehier wat er was gebeurd: Karel IV, koning van Frankrijk, was
gestorven zonder mannelijke erfgenamen na te laten en twee vorsten
betwistten elkaar zijne kroon.

Het waren Filips van Valois, neef van den overleden koning en Eduard
III, koning van Engeland. Een verschrikkelijke strijd, de honderdjarige
oorlog, brak uit tusschen Frankrijk en Engeland. De graaf van
Vlaanderen, Lodewijk van Nevers, koos partij voor Filips van Valois en
wilde Vlaanderen in een verbond met Frankrijk betrekken.

Weldra verbood Eduard III den uitvoer der Engelsche wol naar Vlaanderen
en door dien maatregel was de wolweverij, de voornaamste tak van
nijverheid onzer streken, ten gronde gericht.

De vollers, wevers, ververs bevonden zich zonder werk en onze arme
voorouders leden verschrikkelijk. Te Gent vergingen de inwoners
letterlijk van honger en gebrek.

In deze stad leefde toen een man, die boven zijne tijdgenooten uitblonk
door zijne wijsheid en welsprekendheid.

Hij heette Jakob Van Artevelde, maar zijne stadgenooten noemden hem "den
Wijzen Man van Gent."

"Laten wij om raad gaan bij den Wijzen Man" riepen de Gentenaars als
uit eenen mond. "Hij alleen kan ons redden."

Artevelde bewees aan zijne medeburgers, dat zij bevriend moesten blijven
met den koning van Engeland, zonder daarom tegen den koning van
Frankrijk te strijden of anders gezegd, dat zij onzijdig moesten
blijven.

Jakob Van Artevelde onderhandelde met beide vorsten en volbracht zijne
taak op uitstekende wijze.

Filips van Valois en Eduard III erkenden de onzijdigheid van Vlaanderen,
de Vlaamsche schepen mochten vrij de zee doorkruisen, de Engelsche wol
werd hier heengebracht, ellende en hongersnood weken uit stad en dorp.

De invloed van den Wijzen Man groeide gedurig aan. Door zijne
bemiddeling sloten de gemeenten van Vlaanderen en Brabant een verbond,
dat weldra erkend werd door Henegouwen, Holland en Zeeland.

Frankrijk echter erkende niet langer Vlaanderens onzijdigheid. Op raad
van Van Artevelde, nam Eduard III den titel aan van koning van
Frankrijk[33] en sloot in 1342 een verbond met Vlaanderen.

De Franschen verloren den zeeslag van Sluis en Eduard maakte zich deze
overwinning ten nutte om Doornik te belegeren. Weldra kwam een
wapenstilstand de vijandelijkheden schorsen.

Graaf Lodewijk van Nevers was naar Frankrijk teruggekeerd; Jacob Van
Artevelde zag zich, met den titel van Ruwaert, het bestuur van
Vlaanderen toevertrouwd. Handel en nijverheid bloeiden, landbouw,
rivier-en zeevaart herleefden.




49.--Broedermoord.


Eenige jaren zijn verloopen en, in het houten huis der Wolvesteeg, wonen
nog altijd onze vroegere bekenden Livina, Antoon en hunne moeder, Simon,
Katelijne en Betteken, dat tot een lief meisje is opgegroeid.

Het akelige spook van den honger bedreigt niet langer de sombere woning,
gezondheid en welstand zijn er teruggekeerd, maar helaas ... vrede noch
geluk zijn er binnengedrongen.

Antoon de wever en Simon de voller zijn geene vrienden meer maar
vijanden. Als zij elkander ontmoeten ballen zij de vuisten en roepen
elkander scheldnamen toe.

En weder is voor de arme vrouwen een treurig tijdvak van lijden en
tranen aangebroken.

Op eenen Maandag morgen had Simon al vroeg zijn zolderkamertje verlaten.

"Zoek eene andere woning," had hij zijne vrouw toegesnauwd, "bij den
hoogmoedigen wever blijf ik niet langer inwonen."

Betteken had vader om een kus gesmeekt, maar toen zij dien ontving, had
zij, onder vaders kolder, het harde staal eener scherpe bijl gevoeld.

Ook Antoon de wever, was sedert geruimen tijd opgewonden, ruw en barsch.
De zoete stem zijner zuster, de tranen zijner moeder konden den storm
niet bedaren, die in zijn binnenste woedde.

Op dien akeligen Maandag morgen had hij, gewapend, de moederlijke woning
verlaten, terwijl hij, bij het henengaan, gruwelijke woorden van dood en
moord had gemompeld.

Thans zaten de vrouwen biddend in de sombere woonkamer, tranen van angst
biggelden over hare wangen en treurig klonk hare smeekbede:

"En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren."

"Verlos ons van den kwade" prevelde Livina, maar sprong weldra, evenals
de andere vrouwen, verschrikt op.

Huilend en schreeuwend, met kletterende wapens, trokken scharen
ambachtslieden door de enge steeg, terwijl van de naburige Vrijdagsmarkt
een verward gedruisch van menschenstemmen, als de deining eener woelige
zee, tot het oor der vrouwen doordrong.

"Ik blijf hier niet langer, kermde Livina. Ik wil Antoon halen ... bij
de liefde zijner moeder zal ik hem bezweren naar huis te komen."

"Ik vergezel u, Livina" sprak Katelijne. Misschien kunnen wij, vrouwen,
moord en doodslag beletten.

"Moeder" sprak Livina vastberaden, "sluit de deur dicht achter ons,
verberg u met Betteken op het zolderkamertje en bid voor de Gentsche
ambachtslieden."

De twee vrouwen verlieten de woning en bevonden zich weldra op de markt.

Eene grijze stofwolk verhief zich boven het uitgestrekte plein, waar een
akelig schouwspel de oogen der vrouwen trof.

Honderden ambachtslieden vochten er tegen elkander; vollers met
opgestroopte mouwen, blauwververs met donkergekleurde handen,
vleeschhouwers met messen en priemen, smeden met zware bijlen,
sjouwerslieden met lasthaken, brouwers, timmerlieden, bakkers, schippers
woelden door elkander, bloed vloeide langs den grond, droevige klachten
van stervenden, pijnlijke kreten van gekwetsten, stegen naar omhoog.

Livina sloot de oogen en meende te sterven, maar eensklaps stiet
Katelijne een ontzettenden kreet van wanhoop en smart uit, trok Livina
bij den arm mede in de richting der Waaistraat.

De knieen van het meisje knikten en toch volgde zij hare gezellin....
Was het zinsbedrog? Was het werkelijkheid?... Neen, zij droomde niet,
haar broeder lag op den grond, terwijl Simon de voller hem de knie op de
borst drukte en het moordend staal boven zijn hoofd zwaaide.

"Gij zult niet doodslaan," riep Katelijne, "hebt gij vergeten dat Simons
zuster ons kind van den dood redde?"

Zij sprong op haren echtgenoot toe, trok hem het moordende wapen uit de
hand en vluchtte met hem door de Zuivelsteeg.

Ondertusschen had Livina haren broeder opgericht en het bloed
afgeveegd, dat langs zijne wangen sijpelde. Antoon waggelde als een
dronken man, doch Livina ondersteunde en bracht hem, dwars door de
vechtende ambachtslieden, bij zijne moeder in het somber huisje der
Wolvesteeg.




50.--Dood van Jakob Van Artevelde.


De vreeselijke dag, waarop de Gentenaars, alle broederliefde vergetende,
zich aan de gruwelijkste moorderijen overgaven, wordt door de
geschiedenis met den naam van "Quade Maendach" bestempeld.

De gemeenten, die het nageslacht zulke schoone voorbeelden van
werkzaamheid en vrijheidsliefde gaven, waren niet vrij te pleiten van
groote gebreken, die onvermijdelijk haren ondergang moesten bewerken.
Zij waren ijverzuchtig, jaloersch op elkander; de groote gemeenten
beheerschten de kleine, alsook het platteland. Niet zelden leefden de
verschillende neringen eener zelfde gemeente in onmin met elkander.

In 1345 leefden te Gent de vollers, wevers en de kleine neringen in
volslagen vijandschap.

De haat der ambachtslieden onder elkander was zoo hevig, dat zij, zooals
het vorige verhaal ons leerde, elkander gewapend aanvielen en
afgrijselijke broedermoorden pleegden.

Niets was in staat den steeds klimmenden haat der ambachtslieden te
dooven, zelfs de stem van Artevelde, den Wijzen Man, was niet krachtig
genoeg om de opgewonden bevolking kalmer en redelijker te maken.

Allengs vergaten vele Gentenaars, al wat zij den Wijzen Man verschuldigd
waren; zijn invloed verminderde en benijders, vijanden, schijnen
getracht te hebben zijn goeden naam te bezoedelen.

In de maand Juli 1345 begaf Artevelde zich naar Sluis om met Eduard III
te onderhandelen en, bij zijne terugkomst naar Gent werd hij ongemeen
koel ontvangen, ja, dreigende stemmen verhieven zich tegen den eens zoo
geliefden volksvriend.... 's Avonds begaf zich eene woedende
volksmenigte naar Artevelde's huis en sloeg de deuren in.

De Wijze Man trad vooruit, wilde tot het volk spreken, het bedaren,
maar, hij werd niet eens aangehoord en ... onvergeeflijke snoodheid, de
bijl eens moordenaars durfde zich boven het hoofd van den grooten
volksvriend verheffen.

Zij viel neer en doodde den doorluchtigsten inwoner der Gentsche stad.

Het nageslacht erkende de groote verdiensten van Jakob Van Artevelde.
Heden verheft zich het bronzen standbeeld van den grooten Man op de
Vrijdagsmarkt, waar hij zoo menigmaal sprak tot het volk.




51.--Graaf Lodewijk van Male.


Hij leefde in weelde en overvloed, hij maakte muziek met zijne
minstreelen[34] of hield zich bezig met zijne vogels, honden en apen.

"Ik houd het met den graaf" zei Ghysbrecht Mahu "hij is rijk en machtig.
Hij zal mij aan zijn hof uitnoodigen, mij prachtige steekspelen en
ridderfeesten laten bijwonen. Met vorsten en edellieden zal ik omgaan en
mijne dochters, in zijde en fluweel gekleed, met peerlen en smaragden
getooid, zullen uitblinken tusschen de meest schitterende vrouwen van
Vlaanderen."

"Ik houd het met mijn volk" sprak Jan Yoens. "Ik wil lijden als het
lijdt, arbeiden aan zijn welzijn, sterven voor zijne vrijheid."

En beide Gentenaars hielden woord. Lodewijk van Male gaf schitterende
feesten en noodigde al de ridders van Brabant, van Holland, Henegouwen,
Picardie[35], aan zijn hof.

Te Gent woonden doorluchtige heeren en edele vrouwen. De graaf ontving
die in zijne paleizen en op zijne kasteelen.

De heeren droegen lange mantels, met bontwerk gevoerd, groote hoeden
van beverhaar, gevlamde gordelriemen en schoenen met zilveren gespen.

De vrouwen hadden scharlaken kleederen, versierd met edelgesteenen; zij
droegen falien van rood fluweel of van venetiaansche stoffen met goud of
zilver doorweven.

Jan Yoens en zijn volk arbeidden en leden, want zij waren het die de
feesten des graven moesten betalen; te Gent deed de graaf eene belasting
afkondigen, die hij wilde heffen, maar de inwoners verhieven de stem en
verzetten zich tegen die onwettige afpersing.

"De schattingen door 't volk opgebracht moeten niet dienen om
kluchtspelers en potsenmakers te betalen," sprak een hunner en al de
andere poorters vereenigden zich met zijne weigering.

Zeer verbitterd, begaf zich de graaf naar Brugge, waar hij hulpgeld aan
de gemeente vroeg.

"Ik zal u toelaten eene vaart te graven, waardoor gij de wateren der
Leie kunt afvoeren," beloofde hij, "die vaart kunt gij verbinden met de
Reye, en het graan van Artois[36] zal niet langer naar Gent, maar naar
Brugge worden gevoerd.

De Gentenaars zullen het voorrecht verliezen, dat zij tot hiertoe hadden
genoten.

Het ijverzuchtige Brugge voldeed aan het verlangen van den graaf en
weldra begaven zich vijfhonderd Brugsche werkers aan den arbeid om den
loop der Leie te verleggen.

De Gentenaars vernemen het gevaar, dat hunnen handel en hunne welvaart
bedreigt, allen scharen zich rondom Yoens, hem smeekende, hen toch met
zijne raadgevingen bij te staan.

"Laten wij opstaan en strijden" sprak Yoens. "Als wij overwinnen zullen
wij gewroken zijn en, als wij vallen, zullen onze kinderen den strijd
voortzetten."

Dat elke nering de wapens opneme, en de stadsbannier volge, dat, bij het
hooren der stormklok, ieder onder het vaandel zijner nering sta en dat
God ons bescherme!"

Weldra werd in Gent het gilde der Witte Kaproenen opgericht, aldus
genaamd naar hun hoofddeksel.

Zij trokken de Stad uit en dreven het werkvolk uiteen dat, tusschen
Aalter en Knesselare, aan de nieuwe vaart arbeidde.

In verraderlijke taal berichtte Mahu den graaf, hetgeen in Gent voorviel
en, op zijn kasteel van Male gebood Lodewijk, dat men Jan Yoens en zijne
helpers gevangen nemen en ze ter dood brengen zou.

Maar de Gentenaars waakten; zij versloegen de lieden van den graaf en
staken te Wondelgem zijn kasteel in brand.

Jan Yoens, als hoofdman van Gent uitgeroepen, bezocht Dendermonde,
Aalst, Deynze, Ninove, begaf zich naar Brugge en trad met den
burgemeester en de hoofden der neringen in onderhandeling.

Van Brugge reisde hij naar Damme. Eene maand tijds was hem genoeg
geweest om in gansch Vlaanderen het gezag der gemeenten te herstellen;
eene schoone toekomst lachte Yoens tegen, reeds waande hij Gent, waande
hij Vlaanderen gered.

Helaas! het noodlot of ... zijne vijanden achtervolgden hem. Op het
onverwachts, onmiddellijk na een gastmaal, dat hij bijwoonde, werd Yoens
ongesteld en voelde zijn einde naderen.

Zijne vrienden legden hem op eene draagbaar om hem naar Gent terug te
brengen, doch Yoens stierf onderweg.

Langzaam bereikte de treurige stoet de diepbeproefde stad; de
geestelijkheid kwam het lijk van den hoofdman te gemoet en het dankbare
Gent begroef Yoens met zulke groote plechtigheden, als ware hij
Vlaanderens graaf geweest.

De verraders zegepraalden; Mahu won de gunst van den graaf, maar die
gunst was tijdelijk, terwijl, zes eeuwen na zijnen dood, Jan Yoens immer
voort leeft in de harten van het dankbare nageslacht.




52.--Philips Van Artevelde.


Het was in het jaar 1382. In de benedenkamer zijner woning, eenzaam, bij
het vallen van den avond, zat een rijzig man in diepe gedachten
verzonken.

Die man was Filips, zoon van Jakob Van Artevelde.

Hij dacht aan zijne vaderstad, aan het eens zoo machtige, thans zoo
ongelukkige Gent.

Plotseling treft geraas en dof gemompel het oor van Filips. Het was
alsof eene groote volksmenigte zich voor de deur verzamelde.

Filips opent een venster en ziet honderden poorters en ambachtslieden
voor zijn huis vergaderd.

Welk was hunne bedoeling? Op aller gelaat staat diepe verslagenheid,
ellende, gebrek te lezen.

De klopper bonst op de deur. Filips opent en voor hem staat het bestuur
der stad, dat hij zich haast binnen te noodigen en eenvoudig, doch
roerend luidt de aanspraak van den eersten schepen:

"Ser Filips, onze stad bezwijkt, zij is belegerd en hongersnood bedreigt
ons.

De Wijze Man is niet meer daar om ons te redden ... zal de zoon minder
vaderlandlievend zijn dan de vader?

Op u hebben wij onze laatste hoop gevestigd, Ser Filips, wij plaatsen
Gent onder uwe bescherming."

Filips Van Artevelde was diep ontroerd. Een oogenblik verrees het
bloedig lijk van zijnen vader voor zijne oogen.

Wat zou hij doen? Zich wreken over geleden onrecht of, groot van ziel,
zich opofferen voor het welzijn zijner stadgenooten?

"Wat mijn vader deed en nog zou doen indien hij kon herleven, zal ik
zijn zoon, voor u beproeven," sprak hij vastberaden.

"Gaat tot het Gentsche volk en zegt dat ik hun, heden nog, op de
Vrijdagsmarkt, mijne plannen zal blootleggen."

Het bestuur vertrok en even daarna steeg uit de opeengedrongen
volksmassa een ontzaglijke jubelkreet: "Heil! Ser Filips, heil!" galmde
het door de straten der stad.

Onmiddellijk zette Artevelde zich aan den arbeid. Hij kocht al het graan
op, dat zich in de abdijen en bij rijke poorters bevond en deed het aan
het volk uitdeelen.

Maar dit was onvoldoende; de hongersnood breidde zich uit en meer dan
duizend menschen bevonden zich weldra zonder brood.

Filips verliet de stad en toog naar Doornik, waar hij met den graaf
onderhandelde, maar deze stelde zulke onmogelijke eischen, dat het
Gentsehe volk besloot liever tot den laatsten man te sterven, dan zich
daaraan te onderwerpen.

Filips wist de Gentsche poorters met een heilig vuur te bezielen: "Vrij
of dood" riepen zij uit en meer dan vijfduizend wapenknechten, al die
nog kracht genoeg bezaten om eene bijl of een zwaard te dragen,
verlieten in 't geheim de stad en begaven zich op weg naar Brugge,
waarheen de graaf zich begeven had.

Deze echter, verwittigd zijnde, keerde terug, en werd handgemeen met de
Gentenaars, op de heide van Beverhout.

Na lang en hardnekkig worstelen werden de benden des graven
uiteengedreven en de Gentenaars behaalden eene schitterende overwinning.

De graaf ontsnapte slechts bij toeval. De Gentenaars achtervolgden hem
tot in de straten van Brugge, waar een arm vrouwtje hem op haar
zolderkamertje verborg.

's Anderendaags gelukte het Lodewijk van Male vermomd uit Brugge te
ontvluchten. Hij begaf zich naar Frankrijk en verzocht hulp tegen zijne
onderdanen.

Alle steden trokken partij voor de Gentenaars.

In November 1382 deed de ontelbare Fransche legermacht met den
veertienjarigen koning Karel VI aan het hoofd, een inval in ons land.

Yperen gaf zich over, hetgeen Filips Van Artevelde, die Oudenaarde
belegerde, noodzaakte haastig naar West-Vlaanderen op te rukken om den
vijand den weg naar Brugge te versperren.

De twee legers ontmoetten elkander te West-Rozebeke; een ongelooflijk
vertrouwen op den uitslag bezielde Artevelde, maar de slag viel niet
uit, zooals hij het had voorspeld.

Nooit leden de Vlamingen zulk een bloedige nederlaag; duizenden
gemeentemannen, waaronder ook Filips Van Artevelde, vonden den dood op
het slagveld.

Trots de slagen van het noodlot bleef aan Gent nog levenskracht genoeg
over om den strijd voort te zetten. Eerst in 1386 werd de vrede
geteekend.




BLADWIJZER


1. De Hut in 't Woud
2. Oud Belgie
3. Langs Poel en Plas
4. Bij de Menapiers
5. Aan den Voet van den Reuzeneik
6. Verovering van ons Land door de Romeinen
7. Twee Eeuwen later
8. De Romeinsche Overheersching
9. De Romeinsche Villa
10. Invallen der Barbaren
11. Een Frankische Knaap
12. De Franken
13. Grimbald en Bertolf
14. De Salische Wet
15. Van een Koning en eene Prinses
16. Hlodwig en Clotildis
17. Amandus
18. Sint-Bavo
19. Het Wandelend Woud
20. De Zonen van Hlodwig
21. Van een armen kleinen Zanger en een grooten Keizer
22. Karel de Groote
23. Renier en Albrade
24. Invallen der Noormannen
25. Anneken Soete, de kleine Herderin
26. De Graven van Vlaanderen
27. Een Sprookje
28. Het Slot van Bouillon
29. De boetvaardige Zondaar
30. De Kruistochten
31. Twee Vluchtelingen
32. Koophandel en Nijverheid
33. Eene Klokkenvertelling
34. De Gemeenten
35. Kapitein Lorenzo en zijne Reis naar Brugge
36. Brugge
37. Een Dichter
38. Jakob van Maerlant
39. Een Verhaal van Lijden en Tranen
40. Innerlijke Twisten in de Gemeenten
41. Eene Voorspelling
42. Het Prins-Bisdom Luik
43. Broeder en Zuster
44. Jan I en het hertogdom Brabant
45. Twee Vorstinnen
46. Strijd der Gemeenten tegen den Koning van Frankrijk
47. Hongersnood
48. Jakob Van Artevelde, de Wijze Man van Gent
49. Broedermoord
50. Dood van Jakob Van Artevelde
51. Graaf Lodewijk van Male
52. Filips Van Artevelde




VOORNAAMSTE GERAADPLEEGDE WERKEN.


BORMANS S. Le bon metier des Tanneurs de l'ancienne cite de Liege.

DE GERLACHE G. Histoire de Liege depuis Cesar jusqu'a Maximilien de
Baviere.

DEMAREZ G. Les luttes sociales en Flandre au XIII^e et XIV^e siecles.

FRIS V. Vlaanderens vrijmaking in 1302.

HOTTON J. James and Philip van Arteveld.

HYMANS L. Histoire populaire de Belgique.

JONCKBLOET. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde.

KURTH. Histoire poetique des Merovingiens.
Id. Clovis.
Id. La frontiere linguistique.
Id. Les origines de la ville de Liege

LUeBKE W. Grundriss der Kunstgeschichte.

MONE F. Uebersicht der Niederlaendischen Volks-Literatur aelterer Zeiten.

NAMECHE. Histoire nationale.

PIRENNE H. Histoire de Belgique.
Id. Histoire du meurtre de Charles le Bon.

STALLAERT K. Geschiedenis van Hertog Jan den Eersten van Brabant en zijn
tijdvak.

TEN BRINK H. Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde.

THONISSEN. La loi salique.

VANDERKINDERE L. De Eeuw der Artevelden

VAN LENNEP. Onze Voorouders.

WAUTERS A. Les libertes communales.
Id. Le duc Jan I et le Brabant.




NOTEN:


[Noot 1: Herinnert u, dat de Romeinen van Rome kwamen; in
krijgskunde zeer bedreven waren, en dat de toen bekende wereld hun
toebehoorde.]

[Noot 2: Hoofdman of centurio, die bevel voert over honderd
soldaten.]

[Noot 3: Scherpe, platte lans.]

[Noot 4: Zware bijl.]

[Noot 5: Hemel.]

[Noot 6: Hem, heem, heim beteekent woonplaats, erf.]

[Noot 7: Salische komt van Sala (Ysel), rivier in Nederland, dus wet
van de Franken die woonden aan den oever van de Ysel.]

[Noot 8: Germaansche volksstam, die zich in Oost-Gallie had
gevestigd.]

[Noot 9: Oude naam van het Zuidelijk gedeelte van Gallie.]

[Noot 10: Austrasie of oostelijke landstreek, tusschen Rijn en
Schelde.]

[Noot 11: Neustrie of westelijke landstreek, ten westen der Schelde
en der Boven-Maas.]

[Noot 12: Thans Braine s/la Vesle, bij Soissons, in Frankrijk.]

[Noot 13: De Friezen, woonden langs de kusten der zee aan de monding
van den Weser, tot aan die van de Schelde. Evenals de Saksers waren zij
gedurig in oorlog met de Franken.]

[Noot 14: Aldus geheeten naar Merwig, voorvader van Hlodwig.]

[Noot 15: Centgraaf, die rechterlijk toezicht had over honderd vrije
huisgezinnen (oud Germaansch recht).]

[Noot 16: Thans S^t Amand bij Valencijn in het Noorden van
Frankrijk.]

[Noot 17: Men beweert, dat hij te Luik of in de omstreken geboren
werd in 742.]

[Noot 18: Runen = rechtlijnige letters der Noordsche volkeren.]

[Noot 19: Heden eene Fransche stad.]

[Noot 20: Damespaardje.]

[Noot 21: Een malienkolder of hemd; eene soort van hemd of harnas,
uit malien of ijzeren ringetjes gemaakt.]

[Noot 22: Naam waarmede de Arabieren, in Spanje in Frankrijk en aan
de noordwestkust van Afrika benoemd werden.]

[Noot 23: Palestina, Syrie (West-Azie).]

[Noot 24: Hardnekkige, slepende huidziekte, die tegenwoordig in
Europa zelden voorkomt.]

[Noot 25: Sanderus, Flandria illustrata, Keulen. 1641.]

[Noot 26: Addio = vaarwel.]

[Noot 27: Handelsvereeniging.]

[Noot 28: Deze steden maakten geruimen tijd deel van het
prins-bisdom Luik, dat dus vroeger uitgestrekter was dan onze
hedendaagsche provincie Luik.]

[Noot 29: Henri Martin.]

[Noot 30: De eersten onder de poorters bij uitnemendheid.]

[Noot 31: Een voormalig koninkrijk in Spanje.]

[Noot 32: Zie _Jacob van Artevelde_.--Hendrik Conscience.]

[Noot 33: Langs moederlijke zijde was hij kleinzoon van Philippe le
Bel terwijl Filips VI enkel de neef was van den overleden koning.]

[Noot 34: Middeleeuwsche muzikanten of speelmannen.]

[Noot 35: Oude provincie in het Noorden van Frankrijk.]

[Noot 36: Weleer eene noordwestelijke provincie en een der
korenschuren van Frankrijk.]






Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.