Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)
P >>
Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 Deze e-text is gemaakt door Jeroen Hellingman met de hulp van het gedistribueerd proeflees team.
GOEDE VAER TROMP,
OF
HOE DE VEREENIGDE PROVINCIEN EENE ZEEMOGENDHEID WERDEN.
GESCHIEDKUNDIG VERHAAL
VOOR 'T JONGE NEDERLAND,
DOOR
P. LOUWERSE.
JONG NEDERLAND!
Toen de Uitgever van Mannen van Sta-vast mij uitnoodigde weer een
geschiedkundig verhaal voor u te schrijven, meende ik eerst u het leven
van onzen grootsten zeeheld M. A. DE RUYTER te schetsen. Reeds had
ik hiertoe eenige bouwstoffen verzameld, toen 'k Mr. J. VAN LENNEPS
Beroemde Nederlanders in handen kreeg.--Deze geleerde schrijver
wijdt in dat werk ook eenige bladzijden aan den vlootvoogd MARTEN
HARPERTSZ. TROMP en zegt o. a. van hem: ... "en nog heden wordt TROMP
niet geschat op die hoogte waarop hij werkelijk behoort geplaatst
te worden."
En dit is nu het oordeel van een Nederlander, wiens hart warm klopte
voor de geschiedenis van zijn Vaderland; maar zelfs de Engelsche
schrijvers vereeren Tromp, en zijne beeltenis hangt in de galerij
te Greenwich.
Mijn besluit was genomen; ik zou onzen DE RUYTER niet schetsen, maar
het leven van M. H. TROMP met u behandelen. 'K hoop, dat die ruil
u niet berouwen zal. Van den "Vlissinger Michiel" weet ge immers
toch al zooveel, daar er in alle leerboeken over de geschiedenis
des Vaderlands over dezen man breedvoeriger gesproken wordt dan over
anderen? Bovendien kan 'k, door het leven van TROMP te nemen, beter
voldoen aan het tweede gedeelte van den titel: Hoe de Vereenigde
Provincien eene Zeemogendheid werden. Mocht "Goede Vaer Tromp" eene
welverdiende plaats in uw hart veroveren, dan zou het waarheid worden
wat JOOST VAN DEN VONDEL eens schreef:
"Hij heeft zich-zelf in 't hart der burghren uitghehouwen,
Dat beelt verduurt de pracht van graf en marmersteen."
'S-GRAVENHAGE, P. LOUWERSE.
Juni 1875.
HOOFDSTUK I
Een Winterdag op de Noordzee.
Het jaar 1650 had zich ruw en guur ingezet. Het vroor niet, het
sneeuwde niet, maar het regende gestadig aan. Dagen achtereen was
de wind noordwest en alleen tegen den avond gebeurde het, dat hij
even door het noorden naar het noordoosten ging.--Alsdan flonkerden
de sterren en werd het eenigszins glad op de straat en aan het
scheepsboord.--Op straat hebben we echter niets noodig; want we
bevinden ons op de Noordzee. Als de lucht niet zoo bewolkt was en
de regen niet den horizon verduisterde, zouden wij den toren van het
aardige visschersdorp Schevelingen kunnen zien.--
Op het voorschip van de Zuyerhuys, aan welks boord we zijn, liep een
stoere jongen van omstreeks veertien jaren heen en weer.
Hij had de pelsmuts diep over de oogen getrokken en zijne handen
zaten in de wijde zakken van den nog wijder broek van dik friesch
laken gemaakt.
Een lederen riem om zijn middel met een mes er aan, doen ons dadelijk
bemerken, dat we met een jong matroos te doen hebben.
'T was koud en guur, zeiden we zoo even, en dat kon men den jongen
wel aanzien ook. Zijne roode, volle wangen waren nat geregend,
doch het guitachtige, blauwe oog keek zoo vroolijk rond, dat men
wel kon zien, dat de knaap zich niet veel van het onaangename weder
aantrok. Integendeel, hij scheen er zelfs pret in te hebben; want,
gewapend met een eind touw, dat hij gebruikte om zoo wat terzijde te
slaan, even als een ruiter zijn karwats, als deze zijn paard niet
slaan wil, begon hij eerst een deuntje te fluiten en daarna zacht
te zingen. Het was een "Prince-liedt" van den Frieschen dichter
Jan Janszoon Starter, die in den dertigjarigen oorlog, als soldaat,
onder den Graaf Van Mansfelt, verdwenen was om nooit weer iets van
zich te laten hooren.
"Vive le Prince de Oranje!
Vive ons Bescherm-Heer teghen Spanje.
Vive ons vrijheyds vaste Borgh.
Vive de Baeck daer wij na zeylen.
Vive de Loots-man van ons peylen.
Vive ons alderhooghste Sorgh!
Vive den Oorsprong van ons blijheyd.
Vive de Handhaver van ons Vrijheyd.
Vive die Schrijft: "Je Maintiendray."
Vive die onse saeck houd staende.
Vive die onse weeld houd gaende.
Vive dat groene Pluijm-geway!
Vive de Vorsten van Nassouwen.
Vive den Held daer wij op bouwen.
Vive naest God ons toeverlaet.
Vive den geessel der vijanden.
Vive den Troost der Nederlanden.
Vive den Stuerman van ons Staet!
Vive ons Roem in Kloeke Daden
Vive ons Sorgh in wijse Raden.
Vive de Waker voor ons Rust.
Vive ons Hoop in bange tijden.
Vive de Leydsman van ons strijden.
Vive den Vinder van ons Lust.
Vive de Spieghel aller deughden.
Vive de Schild van onze Vreughden.
Vive daar elck voor sterven zou.
Vive de Velt-heer in de Velden,
Vive, o Roem van alle Helden,
Vive Maurice de Nassou!"
Onder het zingen van dit liedje had hij zijne schreden steeds versneld,
precies als een, die zich haast om gauw ergens onder dak te komen,
doch nauwelijks had hij het geeindigd, of hij stond stil, wiesch de
regendroppels van zijn gelaat, schudde zijne lange blonde haren naar
achter, keek naar den man aan het roer, vervolgens naar den wimpel,
maakte een luchtsprong als een speelsch jong katje, en begon aan
Brederoo's kluchtig Boeren Gezelschap.
"Arent Pieter Gijsen, met Mieuwes Jaap en Leen,
Klaasjen, en Kloentjen, trocken t' samen heen
Na 't dorp van Vinckeveen:
Wangt ouwe Franghs, die gaf sen Gangs,
Die worden off' creen.
Arent Pieter Gijsen die was so reyn in 't Bruyn,
Sen hoedt met bloem-fuwiel die zat hem vrij wat kuyn,
Wat scheefjes en wat schuyn.
Soo datse bloot, ter nauwer noot
Stongt hallif op sen kruyn.
Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje Claas, en Kloen
Die waren ekliedt noch op het ouwt fitsoen,
In 't root, in 't wit, in 't Groen,
In 't grijs, in 't graeuw, in 't paers, in 't blaeuw,
Gelijck de Huysluy doen."
De regen en de wind werden den zanger thans te machtig, en daarom
verschool hij zich achter de boot en weldra klonk vandaar opnieuw:
"As nou dat vollickje te Vinckeveen an quam,
Daer vongdese Keesjen, en Teunis en Jan Schram,
En Dirck van Diemerdam,
Met Sijmen Sloot, en Jan de Doodt,
Met Tijs, en Barend Bam."
Onder het zingen van het laatste versje kwam er een oud matroos naar
boven en, zich begevende naar de plaats vanwaar nog altijd het gezang
klonk, riep hij: "Ho, Jonge Kees, eeuwige dodelaar, waar zit-je?"--
"In mijn vel en als ik er uit kom dan ben ik niet wel, ouwentje,"
hoorde men spottend van achter de boot roepen.
"Bijlo, jij zult me daar ook veel zien, ja! ge staat me daar achter
die boot te koekeloeren, als een bakker in den oven of de maan niet
rijst!" zeide de oude matroos eenigszins ontevreden.
"Welja," antwoordde de knaap, dien we, "Jonge Kees" hoorden noemen,
"wel ja, mij dacht: Huib schaft ook liever dan naar de Koningsmoorders
[1] uit te zien, en mij laat hij gerust in den regen staan! Heeft de
kost je wel gesmaakt, ja ofte neen.
Want als de kost u niet en smaeckt,
Dan ben je in 't Sieckenhuys gheraeckt."--
"Kapitein Joost Verschuyr van de Zuyerhuys laat zijn manschap geen
gebrek lijden, bengel, dat weet je wel. Jij moest maar eens eene
maand lang je voeten zetten op het dek van de Blinkert dan zou je
wel minder zanglustig zijn en minder praats hebben!"-- [2]
"Heusch, ouwentje, de gort was aangebrand, anders zou je zoo brommig
niet zijn en mijne liedekens verwenschen!"--
"Mijne liedekens!--Als Starter en Brederoo nog leefden zonden ze je
wel wat anders zeggen! Van mijn part, zing zoo veel je wilt, al was
het van den noen tot middernacht!"--
"En 't spek was niet gaar of net smaakte naar het vat!" sarde Jonge
Kees.
"Kwajongen, die je bent! Als je nu niet op en houdt met over onzen
scheepskost te kallen en te schreeuwen, dan smijt ik je over boord,
dan kan je de roorokken opzoeken!"-- [3]
"Dankje hartelijk, Huib, dankje! Als je smijten wil, smijt dan je
kwaad humeur over boord, ga op wacht en in den regen staan, en laat
mij aan den bak gaan, anders eten mijne maats alles op!"--
"Nou, ga maar, dan ben ik je kwijt! Ik kan je missen als ... als ...
"Als aangebrande gort met rauw spek! Ha, ha, ha!" riep Jonge Kees en
spoedde zich tusschendeks om zich daar aan den bak wat te verwarmen
met het gewone scheepskostje: gort met spek.
Weldra was hij echter weer boven en bij den ouden zeerob, dien hij,
niettegenstaande zijne onvriendelijke uitvallen, toch gaarne lijden
mocht.
"Bar weer, he?" zeide Jonge Kees om een gesprek aan te knoopen.
"Ja!" was het antwoord; maar de oude keerde zich om en zag in zee.
De jongen was een weinig uit het veld geslagen en wist niet, wat hij
nu zeggen moest. Ten slotte bedacht hij wat. "Ligt de Brederode nog
te Vlissingen, Huib? "Of is ze al uitgezeild?"--
"Weet ik het?" bromde Huib. "Van mijn part blijft hij voor goed
aan wal!"--
"Voor goed aan wal? Wel, dan zou het er mooi voor ons uitzien! Dan
konden de Vereenigde Provincien ook wel zeggen: "Nacht, Nies, ik ga
de nachtschuit in!"--
"Alsof ze alevel de nachtschuit niet ingingen! Kijk, zoo waar als
ik Huib Maerlant heet en vijf en twintig jaren ter zee gevaren heb,
zoo waar is het, dat de Vereenigde Provincien zich er onder zullen
werken!"--
"Alsof we niemendal meer waren! Daar zou onze Ammiraal Tromp een
ander boekje van opendoen, Huib! Ben-je dan dat kostelijk zeegevecht
bij Duins vergeten?"--
"Ho, dat is al elf jaren geleden, en toen liep je aan moeders hand
naar het strand om schelpkens te zoeken! Zoo'n jongske moest daar
niet van willen meepraten. Toen was toen, en nu is nu!"--
"Denk-je' dan, Huib, dat wij te Scheveling nooit ergens anders over
kallen dan over scholletjes en tongetjes? Vader heeft me dikwijls
verteld...."
"Dat je een wijsneus waart, zeker! Maar ik geef onzen Vice-Ammiraal
Witte Corneliszoon De With gelijk. Die klaagt ook over den slechten
toestand der vloot, en zal er bij gelegenheid wel eens een woordje
over spreken ook. Als 't moet dan durft hij 't onzen Hoog-Mogenden
wel vlak in het aangezicht te zeggen!"--
"Een lieve jongen, die De With! Een....
"Wel ja, 't staat je fraai zoo over je meerderen te spreken! Heb ik
geen gelijk gehad toen ik zei, dat je een wijsneus was?"--
"Een wijsneus? Je scheldt me altijd uit ook! Heb je dan zelf niet
verteld, dat hij eens voor een krijgsraad, waarvan Tromp voorzitter
was, heeft moeten verschijnen, en dat hij op den raad, hem gegeven,
om den Stadhouder vergiffenis te vragen, geantwoord heeft: "Dat en
doe ik nooit ofte nimmer! Ik ben een eerlijk man, en geen kwajongen!"--
"Dat's waar!" zeide Huib.
"Zoo, dat jok ik dus niet! En is het ook niet waar, dat hij met Tromp,
Evertsen, De Ruyter, ja, met de heele wereld overhoop ligt?"--
"Dat 's ook waar!" was het antwoord.
"En vloekt hij onze matrozen niet doof, en zien wij hem niet liever
gaan dan komen, zeg?"--
"'t Is waar, 't is altemaal waar, Jonge Kees!" luidde het eenigszins
ontevreden. "Maar, jongen, je moest hem van zijne jeugd afaan
gekend hebben, zooals ik hem ken! Je moest net, als ik, met hem,
al vechtende, van den Burgheuvel te Oostvoorne gerold zijn, dan zou
je anders praten. Een ruw man, dat is hij, door en door! Vloeken,
razen, kijven en schelden, dat kan hij als de beste Schevelingster,
die er naar Den Haag loopt. Maar vechten kan hij ook, en bang-zijn is
een woord, dat hij niet en kent. Eerlijk is hij als goud en ... het
Vaderlandt ghetrouwe!"--
"Dat's waar!" zeide Jonge Kees op zijne beurt.
"En," vervolgde Huib, "als je je plicht doet en toont dat je nog wat
meer kan dan een schaftbak leeg maken, dan mag hij je eens uitschelden
voor al wat leelijk is, als hij een uur later bij je komt, dan is
hij alles weer vergeten!"--
"Ei, Huib, dat zou 'k maar zachtkens zeggen! Is hij dan van onzen
"Goeden Vaer Tromp" zulk een excellent vriend? En van den Zeeuwschen
Ammiraal Jan Evertsen?"--
"Hoor eens, Kees, je slaat daar als een blinde vink door! Onze De
With vind het niet pleizierig, dat hij gelijk gesteld wordt met, ja,
soms onder de bevelen moet staan van een Ammiraal uit een kleiner
gewest dan Holland. En wat Tromp betreft, goed is hij, en die durft
te zeggen, dat hij dat niet en is, die moet dat maar eens onder vier
oogen durven vertellen, dan zal ik toonen, dat de oude Huib Maerlant
nog knuisten aan zijn lijf heeft! Ik zal hem...."
Onderwijl Huib dit zei, raakte hij meer en meer in vuur. Eensklaps
pakte hij Jonge Kees bij de schouders en schudde hem gevoelig heen
en weer.
"Wat, Satan, Huib, ben-je behekst? Ik en heb dat niet
gezegd!" schreeuwde Jonge Kees.
"Ja, ik zal hem ringelooren, dat zal ik!" riep Huib en ging voort
met schudden.
"Laat me los, laat me los, laat me los!" klonk het thans nog luider
uit den mond van den knaap.
Huib scheen echter tot bedaren te komen en Jonge Kees, loslatende,
zei hij: Zie-je, zoo, zoo zal ik doen!"--
"Ik wou met dat al, dat je twintig zeemijlen van mij af waart, leelijk
vernageld kanon!" antwoordde Jonge Kees en wreef met de linkerhand
over het bijna ontwrichte rechter schouderblad.
"Wat, ik een vernageld kanon?" riep Huib verwonderd en toornig uit,
"waarom zeg-je dat, kwajongen?"--
"Jawel, hij speelt de Leuke Piet nog! Heb-je me daar pas niet door
elkander geschud dat mij alles groen en geel voor de oogen werd?"--
"Heb ik dat gedaan? Ik?"--
"Welja, zeker heb-je dat gedaan! De sterrekens dansten me voor de
oogen alsof het klaar nacht was. De scheepsbarbier mag straks mijn
armen en schouders wel verbinden!"--
"Hoor, Kees, 't is waar, ik herinner me nu ook, dat ik je zoo even
heen en weer geschud heb! Maar, jongen, dat moet-je me niet euvel
duiden! Als ze van mijn "Goeden Vaer," van mijnen ouden speelkameraad,
kwaad beginnen te spreken, dan ben ik mij zelven niet meer meester!"--
"Ei, maar heb ik dan wat kwaads van hem gezegd?"--
"Neen, maar...."
"Nu, wat dan?"--
"Nu zal je nooit kwaad van hem spreken, dat 's vast!"--
"'n Lieve jongen!"--
"Ben-je boos, Kees?"--
"Wou-je me dan altemet ook vriendelijk hebben? Zeker ben ik boos,
en ik zeg nog eens, ik wou dat je twintig zeemijlen van me af waart!"--
"'t Was een ongelukje, Kees, 't was een ongelukje! Jij bent een veel
te flinke "jooi" om jou te mishandelen.-- Beloof me, dat je 't me
vergeven zult, dan vertel ik u morgen, als we in Vlissingen liggen
om gekalefaat te worden, de historie van onzen "Goeden Vaer!"--
"Top, dat doe ik! Maar woord houden, hoor!"--
"Een man, een man; een woord, een woord! Maar nu naar de Engelschen
en de Duinkerkers uitgekeken!"--
"Ik meende daar straks een zeil te zien!"--
"Toen ik je zoo heen en weer schudde?"--
"Neen, vernageld kanon, toen niet; maar zoo even! Kijk, daar is
het weer!"--
Thans keek Huib in de door Jonge Kees aangeduide richting en riep:
"Een zeil! Bij mijne ziel, er zijn er twee! Het voorste is een
Duinkerker. Brutaal als de cipier van het rasp-en spinhuis, zijn
ze. Dat durft zich bijna op onze kusten vertoonen!"--
"En 't andere schip, Huib?"--
Dat en weet ik niet! Ik ga er onzen kapitein kondschap af geven!"--
Huib verwijderde zich en kwam weldra terug met den bevelhebber van
de Zuyerhuys, kapitein Joost Verschuyr.
"Waar zag-je ze, Huib?" vroeg de kapitein.
"Op de hoogte van Ter Heyden, kapitein!"--
Verschuyr vestigde zijnen scheepskijker naar de plaats en riep weldra:
"nu nog schooner! Een Duinkerker kaper, die jacht maakt op een onzer
straatvaarders! Dacht-je dat? Mis man, mis. 'T is een Engelschman,
'k zie het aan zijne geheele tuigage; hij kan me niet bedotten al
voert hij de Duinkerker vlag. In alle gevallen we zullen trachten
den straatvaarder te verlossen. [4]
In een oogenblik was alle man in de weer! Er woei een stevige bries
uit het noordwesten; de Zuyerhuys telde vijftig kanonstukken en
had ruim twee honderd man aan boord; maar, al wilden kapitein en
bemanning ook nog zoo gaarne aan den dans, hunne handen waren te veel
gebonden door het bevel van Hunne Hoogmogenden om alleen in de grootste
noodzakelijkheid tegenover den Engelschman tot vijandelijkheden over
te gaan. Men wilde zoo lang mogelijk den vrede bewaren.
Vroolijk danste het welbemande oorlogschip op de baren; en scheen beter
bezeild te zijn dan de kaper en de straatvaarder, althans na verloop
van drie uren was men den kaper voorbij en het koopvaardijschip was
onder bescherming van de Zuyerhuys.
"Dat valt den Roorok vast niet mee!" zeide Jonge Kees tot Huib.
"Meevallen of tegenvallen, 't is me om 't even," bromde deze en
mompelde tusschen de tanden, "en dat moeten wij zoo maar toezien!"--
Zoo stonden ze nog een poosje te kijken. De zon, die op het punt van
ondergaan was, kwam nog even door de wildjagende wolken kijken, en....
"'T weerlicht!" riep Jonge Kees.
Nauwelijks echter had hij dit gezegd of er vloog iets door het want dat
de groote ra aan stukken sloeg, en een donderslag klonk langs de baren.
"Kapitein, kapitein, nog niet?" vroeg Huib aan Verschuyr, die dicht
bij hem stond.
In plaats van antwoord stampte Verschuyr met zijn langen degen op
het dek en knarste op de tanden.--
"Ze schieten weer!" schreeuwde Jonge Kees, die 't nu niet langer voor
weerlicht aanzag. Geen tien tellen later hoorden ze een oorverdovend
geruisch, alsof er wel honderd ketels water over eene rood gloeiende
ijzeren plaat gegoten werden.-- 'T was de kogel van den vijand,
die op eenige vademen afstands van het schip door het water vloog.
"In vrede, hij voert een Duinkerker-kapers vlag," zei Verschuyr. "Niet
gesammeld, jongens! Houdt je goed en geeft dien Koningsmoorder een
paar ijzeren pillen te slikken!"--
Dat was geen dooven gezegd.-- Alles beijverde zich om aan dat bevel
gehoor te geven, en net toen de zon onderging en alles in duisternis
verkeerde, flikkerde er een licht uit een der geschutspoorten van de
Zuyerhuys, een hevige slag volgde en door de felle beweging van het
schip werd Jonge Kees, die nog nooit een zeegevecht had bijgewoond,
het onderste boven gesmeten.
"Fij, wiegekindeke, gaode ge liggen rollen? Blaif maor liggen zulle,
daor kommen er nog meer. We zullen portaon dien Roorok 'nen kier zainen
zin geven! Blaif maor liggen, manneken; gai ligt daor goed!" zei een
Vlaamsch matroos.
"Ik kan wel opstaan, hoor," antwoordde Jonge Kees, maar juist toen hij
hiertoe pogingen aanwendde, gaf de Zuyerhuys het tweede schot en de
knaap kwam nu met het hoofd tusschen de voeten van den Antwerpenaar
terecht.
"Kaik, ie staot; jaowel, ie staot!" hernam deze lachende, doch rolde
toen het derde schot gelost werd, daar hij door het woelen van Jonge
Kees zelf al niet vast meer op zijne beenen stond, ook op het dek,
tot groot genoegen van Huib, die den Antwerpenaar napraatte en zei:
"Kaik, ie staot; jawel, ie staot! Blaif maor liggen, kompeer, daor
kommen er nog meer! Ikkik verrassereer het doe!"
Huib had echter onwaarheid gesproken; want de Engelschman hield af en
aan vervolgen was in den donkeren nacht niet te denken. Daarenboven
was de Hollandsche straatvaarder de Vrije Konsten zwaar geladen en
een slecht zeiler.--
Men wendde derhalve den steven en zette koers naar Brielle, doch de
felle tegenwind, die bijna tot een storm aangegroeid was, dreef de
beide schepen af en den breeden mond van de Honte of Westerschelde in.
Bij het aanbreken van den dag lagen ze voor Vlissingen. De Zuyerkuys
liep de haven binnen en de Vrije Konsten zette koers naar Rotterdam,
waar het twee dagen later behouden aankwam.
Zoodra het schip aan de kade gelegd was, kwamen vele nieuwsgierige
Vlissingers aan boord om een en ander van de laatste gebeurtenissen
ter zee te vernemen.
Jonge Kees echter troonde Huib mee naar het voorschip en zei: "Vertel
me nu de geschiedenis van onzen "Goeden Vaer!" We hebben nu volop
den tijd!"
Huib voldeed hieraan met graagte; want al had hij het aan dezen of
genen al zoo vaak verteld, 't was hem nooit te veel om het nog eens
en nog eens te doen.--Hij zette zich daarom op een hoop zeilen en
uit den wind en begon zijn verhaal.
HOOFDSTUK II
Een dag Vacantie.
'T was een prachtige Octoberdag van het jaar onzes Heeren 1606. Wij
hadden dien dag ter school verlof, en reeds driemaal had ik mijne
goede moeder bij haar huiswerk in den weg geloopen. Ik stond, geheel
onschuldig, gereed dit voor den vierden keer te doen, toen mijne
moeder zei: "Hoor eens jongen, ik wenschte wel dat de schoolmeester
je vandaag geen verlof gegeven hadde; want gij loopt mij telkens in
den weg. Is er niets te doen voor je?"
"Ik en weet het niet, moeder!"--
"Ik en weet het niet! Fij, dat een jongen van negen jaar met zijnen
ledigen tijd geenen weg weet. 'T is meer dan erg!"--
"Maar, moeder, laat mij dan maar boodschappen doen!"--
"Ik en heb geen boodschappen voor je! Maar ja, toch. Weet-je den
Hoogendijk?"
"Ja, moeder!"
"Kostelijk. En weet-je daar net op den hoek van het Lage Woudt en de
Drie Stucken, dat kleine boerenhuisje staan?"--
"Ja, moeder, ja, daar woont het "Kregelige Mennonietje!"--
"Wie zegt je, daar, jongen? Het "Kregelige Mennonietje?"--
"Ja, moeder, dat is een jongentje van zeven jaar, die o, zoo kwarrig
en kregel is. Wij plagen hem wat dikwijls en dan moest ge zijne facie
eens zien. Vooral als wij hem "Kregel Mennonietje" noemen dan stampt
hij van kwaadheid en krabbelt zichzelven in 't aangezicht. Want weet
u, moeder, Witte's vader, de oude Cornelis Wittensz. De With en zijne
Moeder Neeltjen Andries, zijn beiden Mennonieten en deze mogen niet
slaan, niet vechten, niet zweren en wat weet ik daar nog al meer af!"--
"'T staat u waarlijk fraai, Huib, zoo'n armen knaap te bespotten omdat
zijn vader en moeder een soort van ongeloovigen zijn! En doet ge dat
spulletje alleen?"--
"Welneen, Moeder! Daar heb-je Marten, den zoon van Herbert
Martensz. Tromp, den zeekapitein, die is altijd haantje de voorste!"
"Dat wil ik wel gelooven! Wat er van dat jongsken worden moet, dat
en weet ik niet. Hij is heelemaal baas over zijne moeder, die veel
te goed voor zoo'n bengel is. Die Marten moest mijn jongen zijn,
ik zou wel raad met hem weten, ja, dat zou ik!"
"Gij zoudt hem slaan, Moeder?--Als Marten uw jongen was zoudt ge dat
niet doen; want hij is door en door goed, als een kalf, ja!"--
"Sla ik jou wel eens, Huib? En ben-je ook niet dikwijls heel
kwaadwillig en ondeugend? Neen, ik zou met Marten doen, zoo als ik
plan heb met jou te doen, als je vader uit de Oostzee terug is!"--
"Wat dan, Moeder, wat dan?"
"Dan ga-je naar zee, jongen! Aan boord gaan er die wilde haren wel
uit! Reken daarop!"--
Toen moeder dit zei sprong ik wel twee voet hoog van den grond en
begon haar te omhelzen en te kussen van belang! Want naar zee te gaan,
dat beviel me vrij wat beter dan in het school op die harde banken
te zitten. Ik leerde bovendien heel weinig, omdat ik er geen lust in
had. Lacie, wat heb ik mij hierover later beklaagd!--Kan-je lezen en
schrijven, Jonge Kees?"--
"Jawel, ik heb dat te Schevelingen van onzen domine geleerd. Die man
houdt veel van me!"--
"Zoo, dan is het goed, dan kan-je ook nog wat worden in de wereld. Maar
ik, oude stumperd, ik, die niet en wilde leeren, ik ben niets geworden,
niets dan matroos.--Voor matroos geboren zal ik ook wel voor matroos
sterven! Spiegel u aan mij, knaap, en zorg dat ge wat meer wordt dan
ik.--Doch laat ik nu met mijne vertelling voortgaan.
Toen mijne Moeder zich uit mijne woeste omhelzing losgemaakt had,
zei ze: "Welnu, Marten moet ook naar zee. Vader Herbert zal hem de
ooren wel wasschen, als hij het verdient! Doch wat ik zeggen wil,
ga nu naar den ouden Cornelis Wittensz. De With en haal me daar een
paar maten kippenvoer. Ik heb gehoord, dat hij het goedkooper geeft
dan Meeuwisz. hier in de buurt!"--
Onderwijl ik in ons schuurtje ging om eenen zak te halen, hoorde ik
een geweldig gejoel op straat. De bovendeur werd open gedaan en de
stem van mijn vriend Marten riep: "Moeder Maerlant, mag Huib zich
wat met ons buiten de poort gaan vermeien?"--
"Huib moet eene boodschap gaan doen op den Hoogendijk, Marten!"
"Top, dan gaan wij met hem mede! Eene frissche wandeling op zulk
eenen schoonen dag!"--
"Nu, mijnentwegen kunt gij medegaan! Maar pas op, hoor, dat ik geene
klachten over u krijg en dat ge mijn Huib tot geene dolle streken
verleidt!--
Zoo'n oorlof, zoo'n oorlof! Ik zou wel eens willen weten waarom die
schoolmeester hun dat gegeven heeft. Zes dagen zult gij arbeiden en
al uw werk doen, zegt de Schrift en zoo'n schoolmeester arbeidt van
de week maar vier en een halven dag! 'T is erg, meer dan erg!"--
'T gejoel op de straat nam steeds toe. Wel twintig jongens, die
stokken droegen waaraan ze doeken geknoopt hadden, stonden voor de
deur en ontvingen mij, toen ik buiten kwam, met luid gejuich.--
"Je moet naar den vader van 't "Kregelige Mennonietje," Huib,--riep
Marten en stopte mij een stok met een doek er aan in de hand.--
"Ja," gaf ik ten antwoord. "'K moet kippenvoer gaan halen!"
Moeder kwam aan de deur en riep ons toe: "Voor den noen terug,
hoor! Heb-je't verstaan, Huib? Als ge er niet en zijt, dan vindt ge
den hond in den pot!"--
Ik zeide "ja!" doch mijn antwoord ging onder al het gejoel verloren.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12