Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)
P >>
Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 | 11 |
12
Admiraal Tromp wist zich gelukkig met die uit de Wielingen te
vereenigen zonder door de Engelschen daarin verhinderd te worden. Nu
was het nog maar te doen om De With uit Tessel te krijgen.
Als hij aangevallen werd zou hij zich maar verdedigen, meer niet.
En hij werd aangevallen, en uit de verdediging ontstond een gevecht.
De With hoorde het gebulder van het geschut; hij schudde zijne
lange hoofdharen in den nek als een leeuw zijne manen en beklom
zijn smaldeel.
De wind was pal tegen en stond op de kust!
"Dan maar tegen den wind in! Vooruit!"
De eb, waarmee hij moest uitloopen viel in den nacht in!
"Er is geen helpen aan, het moet! Ginds moeten we zijn!"
De volle maan kroop weg achter de wolken waaruit een fijne regen viel.
"Wij zullen ons morgen wel droogvechten! Het Vaderland houdt de oogen
op ons gevestigd!"
Er waren geene loodsen, die hem met zulk weder in zee durfden brengen!
"Dan zal ik mijn eigen loods zijn! Voorwaarts! Voorwaarts! Goede Vaer
Tromp wacht ons!"
De tonnen waren weggenomen; hij zou zijne eigen schepen omhoog varen.
"Dan zal ik tonnen maken! De visschersschuiten met lantaarnen en
toortsen voorzien moeten ons vooruitzeilen en in twee rijen de
banken in het Spanjaardsgat afzetten! Voorwaarts! Voorwaarts! De
koningsmoorders moeten met Witte aan den dans! Van Galen moet gewroken
worden! Voorwaarts!"
Daar gaat de leeuw van het koude noorden, wiens heerschappij niet de
woestijn, maar de zee,--niet het dichte woud,--maar de open Oceaan is.
Langzaam breekt het licht in het oosten door en....
"Mannen, mannen, daar ligt Goede Vaer Tromp! Hoezee! Verwelkomt hem
met de volle laag op de Engelsche Roorokken!"
'T was te vroeg gezegd. Een eenzame kruiser van de Hollandsche vloot
is het, die zich bij hem aansluit.
Den gansenen dag door worstelt hij met weer en wind, maar toch tegen
vijf uur in den avond heeft hij Tromp bereikt en groet den Admiraal
met het losbranden van het geschut!
Tromp beantwoordt het en de Engelschen zien deze vereeniging met
leedwezen aan.
Maar de nacht valt en vriend zoowel als vijand slaapt in.
Alleen de wachters waken.
Den anderen dag, Zondag den tienden van Oogstmaand wordt in den
vroegen morgen de kerkklok te Schevelingen al geluid.
De eenvoudige visschers gaan met vrouw en kind naar het huis des
Heeren en smeeken daar van God den zegen op onze wapenen af.
Midden onder het gebed klinkt een dof gerommel.
Er komt beweging in de kerk! Zou 't een opkomend onweder zijn?
Het gerommel laat zich weer hooren, maar 't is kort en afgebroken.
Dat is geen onweder! Dat is kanongebulder! De deuren van de kerk
worden opengesmeten! In een oogenblik staat het strand vol! Ginds
liggen de vloten! Hier de Hollanders, daar de Engelschen! Het
kanongebulder verheft zich! De Hagenaars hooren het en zien niet
tegen den moeielijken weg op om naar Schevelingen te gaan.
Bezweet, bestoven, hijgend en afgemat komen ze op het strand!
Een vreeselijk tooneel vertoont zich aan hunne oogen!
Vrouwen loopen met loshangende haren langs het strand en gillen het
uit van angst!
Kinderen schuilen zich angstig weg achter hunne moeders en roepen om
hunne vaders!
De vaders staren naar de vloot waarop hunne zonen hun leven voor het
land wagen!
Moeders kermen en klagen en roepen den knaap of den volwassen
jongeling, die haar verliet bij hunnen naam, doch het gedonder uit
honderden vuurmonden doet den machtigsten smartkreet in den mond
verstommen!--
De Hagenaars prachtig gekleed of in eenvoudig huisgewaad mengen zich
vragend tusschen de Schevelingers: "Wie is die? Wie is die? Is dat
Tromp? Is dat De With? Is dat De Ruyter?"--
Maar de Schevelingers geven geen antwoord, of het moest zijn dat er
hier of daar nog een gevonden wordt, die zegt: "Wel mensch, en zie
je dat niet? Die vlugge, kleine dat binne de onze! Die groote dat
binne de Roorokken!"
De vloten naderen al meer en meer.
Daar vliegt met een ijselijk gekraak een schip in de lucht!
Nieuwe kreten van woede en smart verheffen zich onder het volk. Men
verdringt elkander tegen het water, alsof men door dichter bij den
strijd te komen, het gevaar voor de onzen verminderen zal. Er wordt
gevloekt, gehuild, geschreeuwd, geroepen, handen gewrongen en dat
alles onder het bulderen van een donder, zooals onder het hevigste
onweder nog nimmer gehoord werd.
En te midden van al dat gewoel klimt een oud manneke van het duin,
treedt door de openstaande deur in de kerk, legt zijn versleten
zuidwester neer, vouwt de handen, sluit de oogen en bidt: "Heere,
Heere, behoed ons, behoed ons!"--
Tranen rollen langs zijne gerimpelde wangen.
De man heeft vijf zonen en drie kleinzonen op de vloot!..
Begeven we ons nu naar de vloot.
Daar is het Admiraalschip en daar staat Huib.
"Wel, Huib, warmpjes vandaag he!"
Huib kijkt op en zegt eenvoudig: ja!" maar onderwijl hij dit doet,
loopt er een traan langs zijne gebruinde kaken.
"Huib, wat scheelt er aan? Wat is 't Huib?"
"Marten, mijn oude, trouwe vriend Marten is dood!" luidt het antwoord.
Als de Nederlandsche vloot nu nog eens overwon, als al die Engelsche
schepen eens in brand geschoten en vernield werden, als Engeland
ons ootmoedig om den vrede kwam smeeken, dan hadden we veel, heel
veel gewonnen, maar ons verlies zou altijd nog grooter zijn dan
onze winst.--
Reeds bij den aanvang van het gevecht en juist toen hij eenige
bevelen stond te geven werd hij door eenen musketkogel doodelijk
getroffen. Hij viel neder en na met zwakke stem gezegd te hebben: "Ik
heb gedaan! Mijne kinderkens, houdt goeden moed!" gaf hij den geest.
Zoodra Huib zag dat zijn Ammiraal, "zijn ouwe trouwe speelkameraad
Tromp" viel, snelde hij naar hem heen, doch kwam alleen om zijne
laatste woorden te verstaan en zijne oogen te sluiten.
De gansche bemanning was een oogenblik radeloos van droefheid. Het
was een vreeselijk oogenblik. Aller oogen zouden op het Ammiraalschip
gevestigd zijn en, als dat zich aan het gevecht onttrok, dan ... dan
was nu al het lot van den dag beslist.
Egbert Meussen Cortenaer was kapitein op het schip. Wat zou hij
doen? Stil, daar schiet hem wat te binnen.
"Mannen," roept hij, "onze brave, goede Ammiraal is dood en God hebbe
zijne ziel! De Vereenigde Provincien verliezen in hem den grootsten
man, dien ze hadden. Maar toen deze man nog een knaap was en zijn
vader door de Turksche roovers aangevallen en gedood werd, riep hij:
"Mannen, zult gij den dood mijns vaders niet wreken?" en nam den degen
van den gevallene in de hand om zich op de Turken te werpen.--Ammiraal
Tromp was onze Goede Vaer en als zijn kind roep ik u toe: "Mannen,
zult gij den dood van onzen Goeden Vaer niet wreken?"--
Dat hielp. Huib sprong op en riep: "Ja, ja, wreken! wreken!"
Cortenaer seint Evertsen en De Ruyter aan boord.
Beiden komen en nauwelijks ziet De Ruyter den gevallen held liggen
of hij roept uit: "Ach, ware ik voor Goede Vaer gestorven!"
Evertsen die de oudste in jaren was, nam nu het opperbevel op zich,
doch beval aan Cortenaer voor de overige schepen den dood van Tromp
verborgen te houden.
Tot driemalen toe loopen de twee vijandelijke vloten tegen elkander
in als bokken, die elkaar met de horens willen stooten.
"De aardsche donders uit duizend metalen monden gedreven, verbijsterden
den hoorder, de zeedorpen trilden op hunne zandgronden en de zee
loeide!"
Maar er komt verwarring in onze slagorde! Er is geene eenheid
genoeg! Men mist den man, die met zijn helderen blik alles bestuurde
en bij ongunstige omstandigheden soms nog een licht plekje zag,
dat de uitkomst heel anders deed worden dan men vermoed had.
En Evertsen kan niet meer bij de vloot blijven! De Ruyter ook
niet! Hunne schepen hebben zoo vreeselijk geleden dat ze zich naar
Goedereede moeten laten sleepen.
De bevelhebber is thans Witte Cornelisz. De With, die ten laatste ook
den dood van Tromp vernomen en uitgeroepen heeft: "Is Tromp dood! Dat
strekt tot aller leedwezen! Hij was een groot man!"
Met eenen moed, die door geen woorden te bepalen is, stort hij op
den vijand in.
Pieter Florisz. en Cortenaer staan hem trouw bij en weten van geen
wijken. Van wijken weet kapitein Marrevelt ook niet, en toch is van
de drie masten, die op zijn schip stonden, slechts een stomp van den
fokkemast over. Hij zelf heeft eene zijner handen verloren en twintig
wonden ontvangen. Achttien van zijne manschappen zijn gesneuveld,
vierentwintig zijn gekwetst, maar wijken, neen, dat nooit!
De bodems van Sangher, Schutter, een Evertsen en een Banckers dreigen
te zinken; maar zij houden stand, ze willen niet wijken: "Het is
schoon voor het Vaderland te sterven al is het niet te midden der
overwinning!" denken ze!
Maar wie niet wijken, wie zich liever dood vechten of in het gezicht
van den vijand hun laatste stuk geschut lossen en dan te gronde gaan,
niet die vierentwintig lafhartige scheepskapiteins, die op de vlucht
slaan.
Witte wil die vlucht verhinderen door met scherp op die schepen
te schieten; maar dit verdubbelt hunnen angst en met volle zeilen
verlaten ze het tooneel des gevechts. Door hunne lafhartigheid wordt
een vreeselijke nederlaag wat eene schitterende overwinning had
kunnen worden.
De With knarsetandt van spijt en geeft bevel tot den aftocht, dien
hij in orde volbrengt. Wel is het vechten tot hij in Tessel aankomt,
maar toch zijn ze er!...
Het verlies der Nederlanders was groot. Twaalf of dertien schepen
werden in den grond geboord of verbrand. Slechts een schip werd
genomen. Het aantal gesneuvelden was aanzienlijk en dat der gekwetsten
niet minder.
De Engelschen, die overwonnen hadden, waren niet minder geteisterd
en dit was de oorzaak, dat men van beide zijden hard naar den vrede
verlangde, hoewel hij door onderhandelingen vertraagd, eindelijk op
voor ons nadeelige voorwaarden eerst in Grasmaand van het jaar 1654
te Westminster gesloten werd.
Groot was de rouw, die er op de vloot en in het geheele land heerschte
toen de tijding zich verspreidde: "De Luitenant-Ammiraal Marten
Harpertsz. Tromp is gesneuveld!"
Op bevel van de Algemeene Staten werd zijn lijk te Delft in
de Oude kerk plechtstatig begraven, en later richtten zij een
prachtig praalgraf voor hem op. Zijne weduwe en kinderen werden op
onbekrompen wijze door 's Lands Staten begiftigd en zelfs achtte
men den gesneuvelden held zoo hoog, dat men zijn' lijfknecht Gerrit
Simons, dien hij kort voor zijnen dood ter bevordering had aanbevolen,
tot Luitenant aanstelde.
Ook de groote Dichters van die dagen en later verheerlijkten
hem. Vondel schreef:
"Hij ruste nimmer onbeweent.
Al heeft de doot het lijf verslonden:
De Faem is aen geen graf gebonden.
De deugd verduert het koud gebeent.
en Jeremias De Decker drukte zich aan het slot van een lofzang op
onzen held aldus uit:
"Doch schoon het lichaem moet verwelken en vergaen,
De naem van Marten Tromp zal euwichlick hestaan,
Tot schande van den Brit, tot lof der Batavieren."
HOOFDSTUK XVI
De tanden zijn overleefd.
De Augustus-zon stond brandend heet op het Scheveningsche strand.
'T was kort na den vrede te Breda, die aan den tweeden Engelschien
oorlog een einde had gemaakt. De vredesvoorwaarden waren voor een deel
door ons gesteld en dat het magtige Engeland zich zoo vernederen moest,
hadden de Vereenigde Provincien hoofdzakelijk te danken aan Michiel
Adriaensz. De Ruyter, die thans gedaan had wat Tromp in Wintermaand
van 1652 reeds voorgesteld had. Hij was De Theems opgezeild en had
bij Chattam de trotsche Engelsche vloot vernield.
Een jaar te voren was door de bemoeiingen van Constantijn Huygens
een straatweg aangelegd tusschen Den Haag en Scheveningen. Het was
een kostbaar en moeielijk werk geweest om dwars door de hooge duinen
en het rulle zand zulk een weg te banen, die naderhand het sieraad
van de Hofstad worden zou. Wat kon die weg vol wandelaars zijn en
wat voer het voormaals zoo armoedige dorp er wel bij!
Nu echter was er op den ganschen weg geen mensch te zien, dan hier
en daar eene vischvrouw, die hare waren naar de stad bracht of met
ledige manden naar huis keerde.
En geen wonder! Wel had men terzijden van den weg boompjes geplant
en op enkele plaatsen kroop de berk met den kreupeleik wel langs het
duin naar de hoogte, maar het was er overigens even zonnig en even
heet als op het strand. De tijd om te wandelen was voor de Hagenaars
nog niet aangebroken.
Tegen eene der hoogten op eene steenen bank, tusschen het kreupelhout
in, zat echter toch nog een man, dien we van den weg, en nog minder
van het strand af, niet zoo aanstonds konden ontdekken. Hij zit zoo
dat hij de zee zien kan; al het andere is hem geheel onverschillig.
Zoo op den gis geven we dien grijze een zeventig jaar hoewel hij voor
dien leeftijd wel wat kras schijnt te zijn.
Hoe lang de oude daar al gezeten had, wist hij misschien zelf niet,
en hij zou nog geen haast gemaakt hebben om op te staan indien niet
eene kloeke vrouw van ruim dertig jaren hem was komen roepen. Drie
van hare kinderen waren haar gevolgd en rolden nu van het duin af
dat het een aard had.
Een visscher, die langs den weg naar huis keert, zingt.
Dat hoort de jongste van de drie kinderen en de handjes naar den
ouden uitstekende, roept het: "Grootvader, ook zingen!"
"Zoo dreumes, moet ik weer aan den slag, ja?"
"Stil, Betje, laat grootvader met rust. Het is nu te warm!" zegt
de vrouw.
"Jaantje, Jaantje denk-je dan dat het zonnetje me hindert? Oude katten
en oude mannen varen er wel bij, ja! Kom jij maar hier, kind!"
Betje zit op de knieen van den ouden man en deze zegt: "Nou zal ik
het liedje eens zingen, dat ik met je vader gezongen heb op den weg
van Maassluis naar Rotterdam. We hadden toen een matroosje van onze
kennis opgezocht! Niet, Jaantje?"
"Grootvader Huib zet er stukjes aan, kinderen, hij zegt wel eens meer
wat om me te plagen!" antwoordt de vrouw en hierop begint Huib met
eene sterk bevende stem te zingen:
"Wat zongh het vrolyck vogelkyn,
Dat in den boomgaert zat?"
en zoo ging het voort tot hij bleef steken midden in den regel:
Wy zaeien noch wy maeien nyet
Wy teeren op....
"Jaantje, Jaantje, daar komt De Marten Harpertsz. Tromp aan! Komt,
kinderen, nou naar huis!"
"Langzaam gaat zeker, grootvader! Niet te wild! Je zal er wel
komen!" zegt de vrouw.
"Ja, Jaantje, kind, ik heb mijne tanden overleefd, hoor! Maar, dat
is niemendal! Een mensch moet toch eens oud worden en...."
"Stil, grootvader, niet zulke praat! Je kan nog lang genoeg
leven. Jonge Kees en ik zullen immers alles doen wat we kunnen om je
't leven zoo prettig en pleizierig te maken? Jan, geef grootvader
eene hand!"
Jan is een jongen van een jaar of negen en de oudste van de drie.
Babbelende en snappende, maar heel langzaam, en om de hitte, en omdat
grootvader niet meer zoo vlug weg kan, vervolgen ze hunnen weg naar
het dorp.
Ik behoef u niet meer te zeggen, jongens en meisjes, wie die twee
zijn! Ge begrijpt dat al lang.
"Maar hoe komen ze hier?"
'K zal het u zeggen.
Kort na het sluiten van den vrede te Westminster nam Huib zijn ontslag
uit den dienst, "want," zeide hij, "nu Tromp dood is, kan ik er geen
pleizier meer in vinden!"
Hij ging eerst in Den Briel wonen; maar niemand kende hem daar meer en
daarom zag hij ook al uit naar eene andere woonplaats. Had Vlieland
wat dichter bij gelegen dan zou hij daar zijn gaan wonen. Dan was
hij dicht bij Jonge Kees, die al dadelijk van de vloot was gegaan
toen deze na den dood van Tromp geheel verslagen thuis kwam.
Maar als hij eens naar Maassluis ging. Jaantje Lanoy kende hem toch,
en die zou den ouden man wel voor een enkelen keer te woord willen
staan. Ja, dat zou hij doen! Veertien dagen later zat hij bij Jaantjes
moeder koffie te drinken, en zij had hem altijd zoo'n gezellig ouwentje
gevonden, dat zij hem zelfs wel in huis wilde hebben.
Dat nam Huib gaarne aan. Overdag breide hij netten, knoopte touw of
sjouwde wat aan de haven en 's avonds vertelde hij historietjes uit
zijn zeemansleven. Gewoonlijk verdiende hij iedere week wel zooveel,
dat hij zijn kostgeld betalen kon, en als dat een enkelen keer eens te
weinig was, dan sprak hij zijn spaarpot aan; want, zie-je, behalve die
vijfhonderd guldens, die daar nog altijd in eene kous en eene pulle in
het kastje lagen, had hij nog een ander potje zuiver opgespaard geld.
Zoo had hij daar al vijf jaren gewoond. Jaantje bleef ongetrouwd en
zei altijd: "Moeder en Vader Huib kunnen me niet missen."
Ze leefden heel gelukkig en tevreden en juist toen ze op zekeren middag
aan tafel zouden gaan, wordt de bovendeur opengedaan en iemand roept:
"Hola!"
Huib rijst op en in den gang komende roept hij uit: "Jonge Kees,
jongen, hoe maak-je 't? Wel, dat is goed dat je me eens komt
opzoeken! Dat is goed!"
De persoon, die binnentrad en niemand ander was dan Jonge Kees,
verwonderde zich zeer Huib hier te vinden en toen deze hem vroeg:
"Hoe wist je dat ik hier woon?" antwoordde de jonge visscher: "Ik en
wist niet, dat je hier woonde!"--
"Zoo, zoo," zegt Huib, "dus je komt niet om mij, maar.... Zeg eens,
Jonge Kees, ben je al getrouwd?"
Jonge Kees wordt rood en Jaantje even aankijkende die ook al rood
wordt, antwoordt hij: "Neen! Ik leef tegenwoordig met mijne moeder
weer te Schevelingen. Vader is een paar maanden geleden gestorven
en nu wilde moeder liefst niet te Vlieland blijven wonen. Ik heb nu
mijne eigen schuit en raadt eens hoe die heet?"--
"De vrouw Adriana!" zegt Huib vroolijk lachende.
"Neen, De Harten Harpertsz. Tromp!" verbetert Jonge Kees.
"De Marten Harpertsz. Tromp? Dat is flink van je, jongen, dat is
goed! Met die schuit moet je zegen hebben! Mag ik er mijne spaarduitjes
in steken en deelen in de winst?"
"Welzeker mag je dat! Maar dan moet je bij ons te Schevelingen
komen wonen!"
"O, Wat dat betreft--"
"Mannen, de boontjes worden koud," zeide vrouw Lanoy. "schikt bij
en eet!"
Wat er na het maal zooal gesproken werd weet ik niet; maar dat weet
ik wel dat Jonge Kees een half jaar later zijne Jaantje Lanoy als
vrouw te Schevelingen had. Van zichzelve bracht zij mede: hare moeder
en.... de mooie brieven. Huib had zichzelf meegebracht, was het altijd,
als men hem vroeg hoe hij hier was komen wonen.
En 't gaat onze luidjes goed; er is welvaart in huis.
"Dat komt omdat onze schuit De Marten Harpertsz. Tromp heet. Dat is
dankbaarheid, en dankbaarheid wordt door God beloond Als ons Landje
dat ook maar doet! Als het zijne groote mannen maar in eere houdt en
nooit vergeet wat ze voor het lieve Vaderland geleden, en hoe ze er
voor gestreden hebben, dan kan het goed gaan! Maar als ze die mannen
niet alleen niet vergeten, maar ze ook navolgen, dan zal het goed
gaan; want ze waren braaf! En de brave mensch wordt nooit verlaten;--
voor de braven is er een Vader, die waakt!
Nederlandsche jongens en meisjes! Onze historie kan op vele mannen
wijzen, die zijn zooals Huib, die bedoelt Vereert die mannen dan
en volgt hen na. Maar, eer ge dat kunt doen, leert hen kennen. Een
hunner hoop ik voor u geschetst te hebben in
GOEDE VAER TROMP.
AANTEEKENINGEN.
[1] De scheldnaam "Koningsmoorders" werd door den Kommandeur Jan
Van Galen in 1653 aan de Engelschen gegeven. Daar het Nederlandsche
zeevolk echter zeer op het Engelsche geheten was, zoo is het wel
waarschijnlijk dat Van Galen geen nieuw scheldwoord verzon, maar dat
het al kort na de onthoofding van koning Karel I in 1649 hij onze
zeelieden in gebruik gekomen is.
[2] Tot 1636 was de voeding en het geheele onderhoud van de manschappen
op een oorlogsschip aan den kapitein toevertrouwd.--Niet zelden
gebeurde het nu dat een kapitein zich ten koste van den minderen man
wist te verrijken. Toen de klachten hierover algemeen werden beproefde
men een ander middel en men liet het geheele onderhoud van een schip
eenvoudig aanbesteden. Dit gaf nog meer stof tot ontevredenheid en
daarom keerde men in 1641 weer tot het oude gebruik terug. --Wie nu
een eerlijk kapitein had, trof het; maar wie dien niet had, klaagde
dikwijls, en niet ten onrechte, steen en been.--Hoe lang deze wijze
van handelen geduurd heeft, ben ik niet te weten kunnen komen; maar
dat is vast, dat in 1653 bij de Zeeuwsche Admiraliteit die gewoonte
nog bestond.
[3] In een der journalen van Tromp leest men van "Capteijn Fielding en
nog een andere Roorok." De haat tegen al wat Engelschman was strekte
zich dus ook uit tot de Nederlandsche bevelhebbers.
[4] Straatvaarders waren schepen, die op de Walvischvangst uitgingen.
[5] Fiasciardo had eenigen tijd te voren op de hoogte van de
West-Indische eilanden zeven weerlooze zoutschepen genomen en de
bemanning op eene wreedaardige wijze om het leven laten brengen.
[6] Davids zijn de ijzeren standers aan de zijden van het achterschip,
waaraan de booten en sloepen hangen.
[7] Een duevekater was een soort van koek of gebak. Men zond het
elkander op sommige feestdagen tot een geschenk.
[8] Een driestreng, knuttel of knut is een touw waarmede de matrozen
geslagen worden, als ze straf verdiend hebben.
[9] Witte Cornelisz. De With liet zich in 1610 door den predikant
Leuwins van NIEUWENHOORN doopen. Zijn vader was reeds in 1602
overleden. Witte zelf bleef tot zijn 17de jaar aan wal en had in dien
tijd twaalf ambachten en dertien ongelukken.-- Toen ik tot zoover in
mijn verhaal gekomen was, wist ik niet dat Witte's vader al gestorven
was.--Zijne moeder overleed echter eerst in 1624.
[10] PORTUGAL was van 1580 tot 1640 met SPANJE vereenigd geweest. In
1640 echter werd PORTUGAL onder Johan IV, Hertog van Braganca, weer
een onafhankelijk koninkrijk en nu lag het op onzen weg de Portugeezen
tegen de Spanjaarden te helpen.
[11] Een fregat was een vaartuig dat vooral in dezen tijd veel
in gebruik kwam. Daar het niet zoo log gebouwd was als de groote
oorlogsschepen bewees het in de zeeoorlogen door zijne snelheid
van bewegingen, uitnemende diensten.--Een jacht was mede een
zeer snelzeilend vaartuig dat, of tot den oorlog uitgerust werd
en dan oorlogsjacht heette, of mede genomen werd om brieven of
boodschappen over te brengen. Deze laatsten kregen den naam van
adviesjachten.--Galjoenen waren vaartuigen, die vooral door de
Spanjaarden als vrachtschepen gebezigd werden.--Koningsschepen
waren die groote oorlogsvaartuigen, die de hoofdmacht van de vloot
uitmaakten. Zij werden nergens anders toe gebruikt dan om oorlog te
voeren, terwijl de andere na afloop van den oorlog dikwijls ook weer
als koopvaarders in dienst werden gesteld.
[12] SINT MAARTENSDIJK een dorp op het eiland TOLEN heet in de
wandeling steeds SMEERDIEK.
[13] Jule is hetzelfde als weenen en meutje of moei de echte
Nederlandsche naam van tante.
[14] Aoist! is vooral op WALCHEREN een uitroep van buitengewone
blijdschap.
[15] Veel roemen beteekent velen roemen en een ijdel vat is een
ledig vat.
[16] Een kadraaier of kaaidraaier is een man, die met een roeivaartuig
bij de schepen komt om eetwaren te verkoopen.
[17] De beroemde Zweedsche vlootvoogd Carel Gustaaf Wrangel vertoefde
een jaar in ons land om de zeevaartkunde te bestudeeren; men zegt
zelfs, dat hij op onze vloot gediend heeft.--Nicolaas De Witte een
Deen, Oloff Steffers en Morgester zijn officieren in Nederlandschen
dienst geweest en Gustaaf Adolf koning van ZWEDEN had reeds twintig
jaren vroeger Nederlandsche officieren en onder-officieren uitgenoodigd
bij hem in dienst te treden.
[18] Een schobbejak was in de riddertijden het geschubde jak dat de
mindere man in den oorlog droeg. Later werd het een scheldnaam.
[19] De Kabeljauwschen droegen grauwe en de Hoekschen roode
mutsen.--Bonne fooi is eene verbastering van het Fransche bonne foi
en beteekent eigenlijk goede trouw. Zooals wij het gebruiken beteekent
het op goed geluk af.
[20] Meeren is het vastleggen van schepen aan palen of ringen.
[21] Die toespraak van Warmont moogt ge wel eens goed overlezen. Me
dunkt, dat zulk eene toespraak in den tegenwoordigen tijd ook niet
ongepast zou zijn. Veel lust tot den zeedienst bestaat er althans bij
onze knapen niet en dat is wel jammer; want er is veel van waar als
onze bekende kinderdichter Dr. J. P. Heije zegt: "Zout water geeft
het zoetste brood!"
[22] Niks is niets.
[23] "Zoo, ik docht ik dat er bie joe niks kon besannen," beteekent:
"zoo, ik dacht dat er bij u niets op aankwam!"
[24] "as de derdendaegsche koose" beteekent: dan de derdendaagsche
koorts.
[25] Blake was oorspronkelijk voor de letteren opgeleid en een
zeer geleerd man. Hij was een vurig aanhanger van Cromwell, die
zijne veelvuldige diensten, hem bewezen, beloonde met hem eene
aanstelling als generaal te geven. Later plaatste hij hem op de
vloot als opperbevelhebber. Onder hem stonden ook nog de generaals
George Monk en Richard Deane.--Cromwell, die zeer goed begreep, dat
een oorlog ter zee andere bekwaamheden vereischt dan een landoorlog,
stelde ook nog andere bevelhebbers aan, die volkomen met de zeezaken
bekend waren. De voornaamste dezer waren: George Ayscue, William
Penn en John lawson.--Blake was niet te trotsch om gedurig met deze
laatsten te raadplegen en hieraan is het dan ook hoofdzakelijk toe te
schrijven, dat hij als bevelhebber der vloot zooveel roem inoogstte.--
Onze Admiralen waren over het algemeen zeer ongeletterd, zoodat er in
hunne brieven dikwijls heel veel fouten voorkomen, en men moeielijk
begrijpen kan, wat zij eigenlijk bedoelden.--Cornelis Tromp kan
hierop eene gunstige uitzondering gemaakt hebben.-- De beroemste
onzer vlootvoogden, Michiel Adriaensz. De Ruyter, schreef in 1641
aan de Admiraliteit van ZEELAND: "Ick sal mij als een heerlijck
(eerlijk) capiteijn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat Godt
het werck daer wij om uitgesonden zijn sal segenen tot heere (eere)
van ons lieve Vaderlandt."
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 | 11 |
12