Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)
P >>
Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12
Zingende, springende, lachende en snappende ging het langs de
Voorstraat naar de Zuidpoort. Bij het Gasthuis gekomen hieven wij een
gejuich aan, dat al de oude en zieke luiden vast van schrik moeten
opgesprongen zijn, en draafden in eenen stevigen draf de Zuidpoort uit.
"Hei, jongens, een liedje ter eere van onzen Reinier Claessensz!" riep
nu op eens Simon, de jongste zoon van onzen Baljuw Dirk Van
Duvenvoorde.
"Ja, ja, een Wilhelmusje, een Wilhelmusje!" antwoordde Joost Van de
Werve, dien we wel eens uitscholden voor
"Spanjool" omdat zijn grootvader, die ook Joost heette, Baljuw
onzer stad en het land van Voorne was, toen de dappere Watergeuzen
haar innamen. Hij bleef den Spaanschen Koning getrouw, totdat hij in
1574 in den Waterslag bij Hoorn gevangen genomen werd, en daar in de
gevangenis van verdriet en ergenis stierf. Zijn zoon was in Den Briel
gebleven en was een zoo heftig vijand van den Spanjool als zijn vader
een groot vriend.
"Maar wat is er toch met dien Reinier Claessensz. voorgevallen?" vroeg
ik.
"Jongens, hoort ge 't? Hoort ge 't?" riep Marten. "Hier is een sul,
die nog niet en weet wat er gebeurd is. Die Huib vraagt wat er met
dien Reinier Claessenz is voorgevallen!"--
"Lacht hem uit! lacht hem uit!" klonk het thans van alle kanten.
"Jaagt hem door de braamstruiken daar aan den weg! schreeuwde Gerrit
Claesz. Van Valkesteijn. "Wat doet hij dan met eene vlag te loopen,
als hij niet en weet waarom hij er eene draagt!"
"Ja, ja, door de braamstruiken! Gerrit heeft gelijk!" riepen thans
eenige jongens.
Thans vatte echter Marten mijne partij op, en zich voor mij plaatsende,
zei hij: "Jongens, is Huib niet net zoo oud als ik? Is hij geen negen
jaar oud en ben ik het ook niet?"--
"Ja, ja," joelde het troepje. "Gijlieden zijt even oud!"
"En is Huib mijn vriend niet?" hernam Marten.
"Ja, dat is hij!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hij krijgt op
de school al de klappen, die gij verdient!"--
"Dat is niet waar!"' zeide Marten. "Gisteren nog heeft de meester
mij een striem gegeven, dien ik nog voel! Maar wie heeft jelui het
geval van onzen Claessensz. verteld?"--
"Dat hebt gij gedaan!" sprak Gerrit.
"En als ik dat eens niet gedaan hadde, wat zoudt gij-lieden dan weten,
zegt?"--
"Dan wisten wij niemendal, Marten!" sprak Simon.
"Welnu," hervatte Marten, "ik en heb het onzen Huib nog niet gezegd
wat er gebeurd is, en daarom kan hij 't niet weten ook! Luister, Huib,
ik zal het u vertellen. Mijne moeder kreeg van morgen eenen brief van
vader, die thans met zijn schip te Enkhuizen ligt. In dien brief nu
stond ook dit:--
In den loop van dezen zomer is de Ammiraal Hautain met vierentwintig
schepen uitgeloopen om de Spaansche en Portugeesche vaartuigen,
die uit de Oost- en Westindien kwamen, te onderscheppen en als prijs
naar onze havens te brengen. Door eenen fellen storm werden echter
zes schepen van de vloot afgescheiden; de "Vice-Ammiraal Reinier
Claessensz. was aan boord van een der zes. Bij kaap Sint Vincent
gekomen ontmoetten ze acht zwaar gewapende Spaansche galjoenen, onder
bevel van den laffen zoutdief Fiasciardo. [5] Deze zond onverwijld
het grootste galjoen op onzen Vice-Ammiraal af, en terstond gingen de
vijf Hollandsche schepen op de vlucht.--Claessensz. wilde van geene
overgave weten. Veel liever stierf hij den heldendood, dan als gevangen
man wreed om hals gebracht te worden. Twee geheele dagen vocht hij
met onbezweken moed tegen de overmacht. Zijn groote mast was al over
boord geslagen en zijn schip van alle kanten lek geschoten; vele van
zijne matrozen waren reeds gesneuveld en aan ontzet viel er niet te
denken. Hierop liet hij de overgeblevenen bij elkander komen en vroeg
hun wat ze liever wilden, door den Spanjool gevangen genomen worden,
of de lont in het buskruit steken.--Ze kozen allen het laatste en na
een kort gebed tot onzen Lieven Heer stak Claessensz, zelf den brand
in 't kruit en ... vloog toen met de zijnen in de lucht. Twee er van
zijn half dood in de handen van den vijand gevallen. Die moeten dat
zeker verteld hebben! Hoe vind-je 't, Huib, mooi, he?"
"Ja, mooi, mooi!" riep ik en schreeuwde: "Leve Reinier Claessensz!"
"Leve Reinier Claessensz!" klonk het uit den mond der anderen. "En
weet ge wat we nu gaan doen, Huib?" vroeg Marten.
"Neen," antwoordde ik.
"Nu, gaan wij naar den Burgheuvel te Oostvoorne om daar zeegevechtje
te spelen! Ga-je mee?"--
"Ik en kan niet! Ik moet om kippenvoer bij Cornelis Wittensz. De With
en voor den noen thuis zijn!"--antwoordde ik.
"Bijlo, alsof dat niet en kon! 'T is nu acht uur. We gaan eerst naar
den Hoogendijk om kippenvoer te koopen. Daar heb-je geen vijf minuten
voor noodig. Dan gaan wij voorbij De Tinte en langs den Ruyghendijk
naar den molen. Als we daar zijn dan kunnen we in een omzien langs
den Voorweg op den Burgheuvel zijn!" sprak Marten.
"Neen, langs den Rick, den Konnewegh en Langenwegh is het
nader!" meende Willem Hugensz.
"Dat zal geen vijf minuten verschillen," zeide Marten.
"'T is de vraag maar of Huib mede gaat, ja ofte neen!"---
"Zullen we voor den noen thuis zijn?" vroeg ik; want mijne moeder
was niet gemakkelijk als ik niet en deed wat zij beval--
"Een uur voor den noen zelfs!" sprak Jan Roete. "'T gevecht is in
een uur afgeloopen!"--
"Dan doe ik het!" riep ik en snelde toen met de anderen naar het
huisken van het "Kregelige Mennonietje."--
Toen wij daar aankwamen stond de kleine Witte aan het hekje waardoor
men op het erf van zijnen vader kwam.
"Is je vader thuis? vroeg ik.
"Nee," antwoordde hij kortaf.
"Je moeder dan?" vroeg Marten.
"Ook al niet," zeide Witte.
"Komen ze niet gauw thuis ook?" vroeg Simon.
"Dat en weet ik niet. Ik moet op het huis passen, zie-je, dat moet
ik! En als je me plaagt dan ga ik schreeuwen!"--
"Wat moet jelui hier doen, bengels?" vroeg eensklaps eene vrouw,
die van achter het huis kwam, "Komt gijlieden mijn arm jongske weer
plagen?"--
"Neen moeder De With, ik kwam twee maten kippenvoer halen," zeide ik
en liet haar mijne penningen en den ledigen zak zien.
"Zoo, dat is wat anders," zei ze en mijn zak nemende kwam ze er weldra
mede terug.
"Gebruik je het oorlof om buiten wat te gaan jagen en tieren?" vroeg
ze mij onderwijl ik den krop van den zak stevig dichtknoopte.
"Neen, moeder De With," zeide Marten, "er is heel wat anders
gebeurd." Hier begon hij haar de geschiedenis van Reinier
Claessensz. te vertellen en toen hij geeindigd had, sloeg Witte's
moeder de handen in elkander en riep: "Fij, fij, en hierover maken
de jongskens zulk een getier? 'T ware beter dat gijlieden deedt als
mijn Witte, die keert u de rechterwang toe, als ge-hem op de linker-
eenen slag geeft!"--
Daar zag Witte op het oogenblik anders niet naar uit; want onderwijl
Marten vertelde, was de kleine jongen,--die echter nog al kloek
en stevig voor zijn leeftijd was, daar hij een paar dagen geleden
eerst zeven jaar oud was geworden,--naar buiten gekomen en stond met
glinsterende oogen en gloeiende wangen te luisteren.
"En waarheen gaat het nu?" vervolgde moeder De With.
"Naar den Burgheuvel te Oostvoorne om zeegevechtje te spelen!" zeide
Jan Boete en voegde er terstond bij: "komt, jongens, anders wordt
het te laat!"--
"Gijlieden moet zeker allen wel van die vechtersbazen ter zee worden,
he? Nu, mijn Witte zal daar gelukkig voor bespaard blijven. Hij zal
het vreedzame handwerk van lijndraaien leeren, nietwaar, vent?"--
"Ik zou ook wel willen varen, moeder!" antwoordde Witte.
"Nu, dat en zult gij niet! Jongskens van zeven jaar en weten niet
wat ze willen, die moeten doen wat vader en moeder begeeren!"--
"Maar waarom mag ik dan niet gaan varen, moeder? Een matroos moet
toch niet altijd vechten, wel?"--
"Zwijg, Witte, zwijg! Je heb je door die bengels daar, den kleinen
kop warm laten praten, dat hebt ge! En, wat ik zeggen wil, moet er nog
iemand kippenvoer? Niet? Nu, gaat dan maar heen en bedrijft uw zondig
spel tot de Baljuw je voor je straf achter slot en grendel zet!"--Zeide
moeder De With en haar zoontje in huis trekkende, deed ze de deur toe.
"Leve Reinier Claessensz. en het "Kregelige Mennonietje!" schreeuwde
een der jongens, en zijn uitroep werd door allen krachtig herhaald.--
En thans zou het naar den Burgheuvel gaan; maar niettegenstaande
Marten en Willem Hugensz. over den kortsten weg getwist hadden, weldra
bleek het dat zij dien kortsten weg alleen van hooren zeggen hadden;
want in plaats van den Ruyghendijck op te gaan, sloegen we te gauw
links af en kwamen langs den Rietdijck en den Pannewegh voorbij de
huizinge Kranenhout, wel een half uur later bij den molen, dan we
gedacht hadden.
Het zweet droop mij langs het voorhoofd; want in het eerst droeg
nu de een dan de ander mijn pakje; doch toen we bemerkten, dat wij
verdwaald waren, lieten ze het mij alleen dragen.
De torenklok van Oostvoorne sloeg tien uren toen we op het dorp
kwamen. De meeste menschen waren aan den arbeid en de kinderen in de
school, zoodat we ongestoord naar den Heuvel konden gaan.
"Kijk, daar staat al een jongen op!" riep Simon.
"'t Is ons Kregel Mennonietje!" zei Marten.
Het was zoo. Nauwelijks waren wij op de plaats waar we prachtig
zeegevechtje konden spelen, of Willem Roete ging naar hem toe en zei:
"Hoe komt gij hier?"--
"Op mijne beenen!" antwoordde Witte. "Denk-je dat ik vliegen kan?"--
"En wat kom-je doen? Kom-je meevechten?" vroeg ik.
"Neen, ik en mag niet vechten; ik kom maar kijken!" sprak Witte.
"Nu, als je ons dan maar niet in den weg loopt, dan is het minder,"
zeide ik. "Hier, ga daar maar staan en pas dan op mijnen zak met
kippenvoer!"--
"Kogels maken, jongens, kogels maken! We nemen de doeken
van onze stokken af en vullen die dan met zand! Wie zal er
Claessensz. zijn?" riep Marten.
"We zullen er om trekken!" antwoordde Simon Van Duvenvoorde. "Hier,
Witte, onderwijl wij kogels maken, moet gij twintig stokskens snijden,
maar een moet er bij zijn, dat langer is dan al de andere. Wie het
langste trekt, die is Reinier Claessensz. en mag vijf andere jongens
voor zijne matrozen kiezen!"--
Eerlijker kon het niet! Wij gingen kogels maken en Witte liet zich
van de hoogte glijden om stokskens te halen. Weldra kwam hij terug
en daar ging het op een trekken. De "Spanjool" had het langste en
koos mij en Marten met nog drie andere jongens tot zijne matrozen.
"Onze wapenkreet is "Holland!" sprak de "Spanjool."
"En de onze is "Spanje," antwoordde Simon, die voor Fiasciardo speelde.
Plof! daar viel de eerste kogel en vier jongens klauterden de
hoogte op.
"Wacht," riep ik, "'k zal je leeren mij aan boord te
klampen! Holland! Holland! Kom hier, als je durft!"--
"Spanje! Spanje!" klonk het van beneden.
Plof! Alweer een kogel net tegen mijne beenen. Ik tuimelde en
zou van den Heuvel af te midden mijner vijanden gerold zijn, had
niet de "Spanjool" het gevaar ziende, mij bij den arm gegrepen en
tegengehouden.
"Je moet mij niet gooien, leelijke Spanjolen!" schreeuwde thans Witte
uit al zijn macht, "ik zit hier maar te kijken! Wat doe-je mij zoo'n
kogel tegen mijn hoofd te smijten?"--
"Het Kregel Mennonietje is ziekentrooster aan boord van Ammiraal
Claesensz.!" schreeuwde ik naar beneden.
Plof! Daar kwam al weer zoo'n doek met zand tegen mijn lijf aan. Ik
verloor het evenwicht, liep nog een eind vooruit om op de been te
blijven, doch kwam toen tegen Witte terecht, en rolde met hem van
boven neer.
Met daverend gejuich werden wij onder het geroep van
"Spanje! Spanje!" ontvangen. Onder het rollen voelde ik dat ik
vreeselijk gekrabbeld werd, doch ik had geen tijd om te zien of
Witte dat deed. Wij kwamen in de braamstruiken, die beneden aan
den heuvel en tegen de hoogte groeiden, aanrollen. Hoewel versufd
door den val stond ik dadelijk op en naar Witte gaande zeide ik:
"Je hebt mij gekrabbeld, Kregel Mennonietje!"--
"Ik en mag niet krabbelen!" zei hij bedaard. Misschien zou hij nog
meer gezegd hebben, doch daar kwam Simon met drie andere jongens aan
die ons gevangen namen onder het schreeuwen van: "Spanje! Spanje! de
ziekentrooster en de konstabelsmaat van den vijand! Hangen! hangen!"
"Ik en wil niet hangen! Ik en heb niet gevochten ofte gekrabbeld! Ik
heb maar staan kijken! Blijft van mijn lijf of ik zal "moord"
roepen!"--
"Wel hoor me dien razenden ziekentrooster eens aan!" riepen onze
vijanden en zouden ons misschien zoogenaamd opgehangen hebben, als
niet van de andere zijde van den heuvel een vreeselijk geschreeuw
ons in de ooren geklonken had.--
Twee kampioenen, de beide bazen van het spel, Reinier Claessensz. en
Fiasciardo, rolden arm in arm van boven neer en vielen met hun
beiden op mijnen zak met kippenvoer, die heelemaal berstte. Onder het
worstelen van die twee kreeg de zak een schop, dat hij een heel eind
verder in het water terecht kwam. Het regende kippenvoer en dat,
wat nog in den zak gebleven was, kon niet meer gebruikt worden,
want het was doornat en vol modder en kroos.
"Dat is jou schuld, krabbelaar!" riep ik. "Jij hadt er op moeten
passen! 'T is jou schuld en jij zult me twee maten kippenvoer en
eenen nieuwen zak teruggeven!"--
"'T is mijn schuld niet! Jij hebt me naar beneden gegooid en ik en
heb niet gekrabbeld!" antwoordde Witte terwijl hem de tranen van nijd
uit de oogen sprongen.
Ongelukkig genoeg gaf men den arme Witte van alles de schuld en
het kwam niemand in de gedachten hem te beschermen. Scheldnamen,
schoppen en duwen kreeg hij, van alle kanten, en wellicht hadden wij
den armen knaap nog wel erger mishandeld, als niet een paar arbeiders,
die van hun werk kwamen, Witte ontzet hadden en ons wegjoegen.
"Ik en heb niet mee gevochten! Ik en heb niet gekrabbeld ook; maar
ik zal me wel laten doopen, dan mag ik ook slaan!" schreeuwde Witte
terwijl zijne tranen zich vermengden met het stof dat op zijn gelaat
lag, en hem het voorkomen van een neger gaven.
"Nu is hij een Neger-Mennoniet!" riep Simon en de nieuwe scheldnaam
werd wel honderd malen door ons herhaald, doch hem op nieuw te lijf
te gaan, dat durfden wij toch niet! De arbeiders zouden ons dat wel
verleerd hebben.
Onderwijl wij nu stonden te beraadslagen wat we doen zouden en hoe
ik mij tegenover mijne moeder verantwoorden zou, sloeg de torenklok
twaalf uren.
"o Wee, daar is 't al noen, en nu vind ik bovendien nog den hond
in den pot!" riep ik. "Mijn kippenvoer weg,--geen eten, en morgen
misschien Wittes vader bij ons aan huis! Dat is allemaal jou schuld,
Marten! Jij hebt mij mee getroond!"--
"Ja, Martens schuld!" herhaalden de overigen, die graag zich wilden
voordoen, alsof ze aan het geheele geval part noch deel hadden!
"Ik weet wat, jongens, ik weet wat!" sprak Marten, die erg in den
knoei zat. "Wij zullen allen uit onze zakduiten wat bijpassen en nog
eens twee maten kippenvoer halen!"--
"Maar ik en durf bij Wittes vader niet meer komen!" sprak Simon.
"En ik niet! en ik niet!" was het algemeen geroep.
"Dat behoeft ook niet!" hernam Marten. "Wij koopen het bij Meeuwisz. op
het Maerlant en halen eerst bij ons thuis eenen anderen zak!"--
"En als uwe moeder dien niet geven wil, wat dan?" vroeg Joost Van
de Werve.
"o, Als moeder hoort wat er gebeurd is, dan krijgen we niet
alleen eenen zak, maar nog geld voor twee maten kippenvoer
bovendien!" antwoordde Marten.
Dat plan werd goedgevonden en langs den hobbeligen Schrijversdijck
liepen we, zoo snel als onze vermoeide beenen dit toelieten, naar
Den Briel, waar we een paar minuten voor een uur aankwamen.
Langzamerhand verminderde echter het aantal jongens, en op het lest
waren Marten en ik alleen toen we den klopper op de deur van de woning
zijner moeder lieten vallen.
Ik kwam daar wel meer in huis en nauw had Marten uitgesproken of zijne
Moeder zei, dat zulke kwajongens als wij waren maar zien moesten, dat
zij hunne eigen bedorven zaken goedmaakten. Ik liet de lip al hangen,
doch Marten vloog zijne Moeder om den hals en wist zoo te vleien,
dat zij mij niet alleen eenen zak liet geven met de noodige penningen
om ander kippenvoer te koopen, maar ook uit puur medelijden, omdat
ik thuis den maaltijd zou afgeloopen vinden, mij met Marten liet mede
eten.--Toen ik hiermede klaar was nam Mie, de meid, een kleerschuier,
borstelde mijne kleederen schoon en wiesch mij zelfs het aangezicht. De
krabbels van Wittes nagels, of, zooals het Kregelige Mennonietje zei,
de schrammen van de braamdoornen kon ze niet wegkrijgen. Met die
litteekenen op het gelaat kwam ik twee uren na den noen bij Moeder,
die al dadelijk zag, dat ik eenen anderen zak medebracht.
Ontkennen hielp niet; ik was wel verplicht de geheele geschiedenis te
vertellen en toen dat gebeurd was, gaf ze mij de penningen, die vrouw
Tromp mij gegeven had en zei: "Breng dat geld terug, kwajongen! Je
moeder heeft geene aalmoes noodig!"--
Schoorvoetende voldeed ik hieraan.
"Zeg aan uwe moeder, dat ik te avond eens met haar over een en ander
kom spreken," sprak vrouw Tromp onderwijl zij het geld in haren
fluweelen beugeltasch, dien zij onder haar voorschoot had hangen,
liet glijden.
Ik beloofde het te zullen doen en toen ik dit aan Moeder verteld had,
zei ze: "Best, en jij nou naar bed! Je zult wel moede zijn van dat
vechten, stoeien en ravotten!"
"Neen, Moeder, ik ben niet moede! Ik wou...."
"Dat je naar bed gingt!" sprak moeder gestreng.
"Ja, maar Moeder, 't is nog maar drie uren in den achternoen en nog
veel te vroeg om te gaan slapen!"--
"Maar niet te vroeg om eens bedaard te liggen nadenken welk een
verdriet gij uwe Moeder aandoet! Marsch, uit mijne oogen! Bij de
Trompen heb-je voor eenen geheelen dag genoeg gegeten! Scheer je weg!"
Ik pruttelde nog wel wat tegen, maar Moeder bracht mij naar mijne
slaapplaats op den zolder.--Ik ging dan ook werkelijk naar bed en of
het nu kwam, omdat ik dien dag zoo druk in beweging geweest was, ik
weet het niet; maar dat weet ik wel, dat ik weldra insliep en eerst
ontwaakte toen de groote torenklok het uur van middernacht sloeg.
"De dag van ons oorlof is om," dacht ik even en mij eens omkeerende
viel 'k alweer in eenen diepen slaap.--
"Goeden morgen, Moeder," zei ik toen 'k den volgenden morgen, wel
wat vroeg, beneden kwam.
"Goeden morgen, Huib!" was haar antwoord.
"Is Vrouwe Tromp gisteren avond geweest, Moeder?"--
"Ja, jongen, zij is geweest!"--
"En?"--
"We hebben't over Marten en u gehad. Als Herbert Martensz. Tromp weer
naar zee gaat, kunt ge beide meegaan!"--
"Hoezee! Hoezee!" juichte ik van blijdschap.
"Wat zijt gij blijde, jongen! Hebt ge 't dan waarlijk zoo kwaad bij
uwe Moeder! kind?" vroeg ze met tranen in de oogen.
"Neen, Moeder, maar het leven op zee moet zoo heerlijk zijn! En
'k zal goed oppassen ook, dat beloof ik u!"
"God geve 't, Huib! Ge zijt anders nog zoo jong, en als ge uit Vaders
en Moeders oog zijt, en zoo geheel alleen op eigen beenen door de
wereld moet gaan, dan kunt ge zoo licht verkeerde wegen inslaan!"--
"Maar kan ik dan niet aan boord bij vader?" vroeg ik.
"Neen, dat kan niet, jongen! Je vader is geen kapitein of schipper
zooals de oude Tromp is, je Vader is maar matroos!"
Moeder sprak nog veel met me eer 'k naar school ging, en als ik me nu
eens bedenk, wat die goede Moeder toen zei, en hoe ze er slag van had,
mij te leiden, dan bejammer ik het, dat ik zoo vroeg naar zee ging en
niet langer thuis bleef! 'K zou het dan verder in de wereld gebracht
hebben, dan nu! Maar, lacie, 't is te laat! Hoor, Jonge Kees, je hebt
wel eens van onzen dichter, den wijdberoemden Cats gehoord, niet?"--
"'K heb met Moeder wel eens visch aan zijne vrouw verkocht! Hij woont
op Zorghvliet tusschen Schevelingen en Den Haag, weet-je!" antwoordde
Jonge Kees, die met gespannen aandacht had zitten luisteren.
"Zoo, maar 'k had nog liever, dat ge zijne kostelijke veerzen kendet,
dan hem zelf; want hij is de man, die spijkers met koppen slaat, en
'k denk dikwijls aan zijn veersken: Jonck rijs is te buijgen, maer
geen oude boomen!"
"Dat veersken ken ik," zeide Jonge Kees, "dat heb ik van stuurman
Pronk geleerd; hoor maar.
"Terwijl het rijs is jonck en zwack,
En heeft niet eenen harden tack,
Terwijl het spruytje buygen kan,
Zoo moet een geestig boogert-man
Het boomken leyden metter handt,
Het boomken houden in den handt;
Ten eynde dattet zonder bocht
Ter voller hooghte komen mocht.
Leyt vriend' en leert u weerde kint,
Zoo haest zijn eerste jeught begint,
Want kromt het dan, en recht gij 't niet;
Zoo ist een eeuwigh huysverdriet."
Is het zoo niet, Huib?"--
"Ja, jongen, zoo is het. Vergeet dat nooit. Vergeet het niet, zooals
ik het vergeten heb, dan zult ge op drieenvijftigjarigen leeftijd,
als de Heere u het leven zoolang gunt, iets meer zijn dan matroos!"
HOOFDSTUK III
In de baai van Gibraltar.
Vier weken later gingen Marten en ik te zamen naar onzen schoolmeester,
dien we zoo vaak geplaagd en gesard hadden. Vooral was ik hierin
altijd de eerste geweest en Wat nog wel het ergste van al was, 'k
had gedurende vier jaren zoo goed als niemendal geleerd en menigmaal
anderen van het werk gehouden bovendien.
De meester was een oud, vriendelijk man, die nimmer naar de plak of de
gard zou grijpen, als het niet meer dan noodig was. Het was half vijf
toen wij de school binnentraden en het begon daar binnen al duister te
worden; want de kleine vensterkens met in lood gezette ruitjes lieten,
zelfs midden op den dag, maar heel weinig licht door.
De oude man stond aan zijnen hoogen lessenaar toen wij binnenkwamen
en vroeg ons vriendelijk wat we begeerden.
"Zeg jij het maar!" zeide ik en stootte Marten even aan.
"Neen, ik en durf niet!" luidde zijn antwoord.
"Nu, jongens, wat is het? Heb-je wat te zeggen, dat ge niet en durft
uit te brengen?" klonk het andermaal.
Thans vatte ik moed en wat vooruit komende, zeide ik: "Meester,
wij zijn volleerd en weten genoeg; wij gaan met de volgende week
naar zee!"--
De meester lachte even en herhaalde mijn woord "volleerd," doch rekte
dat uit als de draad van een kluwen, en trok er zulk een zonderling
gezicht bij, dat ik onwillekeurig in den lach schoot.
"Ja, jongen, lach maar! Eens komt er een tijd dat gij niet en-zult
kunnen lachen, al wildet ge ook nog zoo geerne! "Volleerd!" Wie heeft
u gezegd, dat ge zoo spreken moest?"
Ik stond met den vinger in den mond, doch zeide niets.
"Nu, kan iemand, die "volleerd" is, niet spreken als hem wat gevraagd
wordt? Fij, zoo'n bijster verstandige kop moest weten, wat hij
antwoorden moest en begrijpen, dat alleen domme, kleine jongskens,
die hunnen tijd met spelen en tuischen doorbrengen alleen met den
vinger in den mond staan. Quidquid transiit temporis, periit!"--
"De oude man had mij beleedigd, meende ik, en daarom zeide ik heel
driest: "Ik en versta geen Latijn, meester!"
"Ha, ha, alsof ik dat niet en wist! Ge verstaat zelfs geen Hollandsch,
en ik twijfel er aan of ge mij begrijpt, als ik zeg, dat die Latijnsche
spreuk, die ik zoo even aanhaalde, beteekent: "De tijd, die voorbij
ging, is verloren!"--
Marten begon medelijden met mij te krijgen en zeide: "Jawel, meester,
maar Huib heeft zich versproken. Hij meende te zeggen, dat wij beiden
van school afgingen; maar wij weten ook wel beter, dat wij niet
"volleerd" zijn!"
"De tijd, die voorbij ging, is verloren, Marten! Schade genoeg! Maar ge
zijt nog jong en kunt beiden nog veel inhalen van hetgeen gij verzuimd
hebt. Geef mij de hand, knaap, keer u naar 't venster in het licht,
en laat mij in uwe oogen zien!"
Hierop draaide hij Marten naar het licht, legde de rechterhand op
zijn hoofd, keek hem in de oogen en zeide: "Marten, ge hebt een'
braven vader, luister naar hem; leer nog veel en ... vergeet God
niet! Gij kunt en zult een groot man worden, als ge dat doet! Dag
Marten! De Heere zij met u!"--
Meester gaf hem de hand en schreiende verliet Marten het
schoolgebouw. Ook ik stak de hand uit en de oude man weigerde niet
deze aan te nemen; maar hij draaide mij niet naar het licht; hij legde
zijne hand ook niet op mijn hoofd; maar zei alleen: "Kom over een paar
jaar eens bij me terug dan zal ik ook uwe toekomst voorspellen!"--
Hij drukte mij flauwkens de hand en sprak: "Dag, Huib! Vergeet deze
ure nooit ofte nimmer! Vaarwel!"--
Buiten de school stond Marten op mij te wachten en zijne eerste vraag
was: "Wat heeft hij u voorspeld?"
"Niemendal," antwoordde ik en haastte mij om thuis te komen. Ik ging
's avonds vroeg naar bed en viel weenende in slaap.
In de drokte van de volgende dagen vergat ik de ontmoeting bij den
meester geheel en al en dacht slechts aan het vrije leven op zee.
Des Dinsdags na den noen zouden wij vertrekken en toen ik om half negen
in den morgen van dien dag nog even bij grootje afscheid ging nemen,
hoorde ik, terwijl ik de Voorstraat overstak, mijnen naam noemen. Ik
keek om en zag het "Kregelige Mennonietje" op mij afkomen.
"Ga-je naar zee, Huib?" vroeg hij gejaagd.
"Ja, wat is er van? Wou-je mee?"--
"o, Geerne; maar ik en mag niet. Ik moet lijndraaier worden, weetje!"--
"Nu, ieder zijn meug; maar ik zou je kostelijk bedanken!"--
"Ja, Huib, ik bedank ook wel; maar Vader zegt dat ik moet en dan
helpt het niet of ik al bedank! Is het prettig op zee?"--
"Dat moet wel waar zijn! maar ik en heb daaraf geene
ondervinding!"
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12