A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Barnes & Noble Recent Beating of Borders
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Barnes & Noble Recent Beating of Borders
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Peter Matthiessen, Annette Gordon Reed Among National Book Award Winners
Barnes & Noble Inc.| BKS Barnes and Noble (BKS Quote - Cramer on BKS - Stock Picks) is ringing up the sales while its chief rival, Borders (BGP Quote - Cramer on BGP - Stock Picks), is struggling. Consumer spending is up 11% since April at Barnes

Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)



P >> Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12



"En wil-je dan toch zeeman worden?"--

"He, waarom niet? Dol graag!"--

"En ik moet lijndraaier worden en ik weet dat het in de lijnbaan niet
prettig is!" zeide Witte zuchtende.

"Loop stilletjes met ons mee, jongen!" zei ik.

"Meeloopen, neen, dat nog niet! Eerst moet ik nog een paar jaren
schoolgaan, en dan, dan,--als ze me willen doopen, dan word ik
zeeman!"--

"Ei wat, dat doopen zal wel terecht komen," antwoordde ik. "En dan
een matroos is niet enkel op de wereld om te vechten! Als er gevochten
wordt, dan kunnen ze wel een baantje voor je vinden, dat je niet van
noode hebt mee te kloppen! Kom, ga stilletjes mee; wij zullen je wel
verstoppen tot we in volle zee zijn!"--

"Neen, ik moet leeren,--nog veel leeren, Huib! Heb-je wel eens gehoord
van eenen Ammiraal, die niet lezen of schrijven kon?"--

"Ik? Wel neen! Maar ge wilt toch geen Ammiraal worden?"--

"Zeker wil ik dat! Als ik zeeman word, dan moet ik ook Ammiraal worden,
anders doe ik het niet!"--

Die kleine jongen met zijn leeren,--hij was mij in de school al heel
wat vooruit,--en met zijn Ammiraal-worden, deed mij denken aan het
afscheid van den meester. Ik werd nijdig; maar niet op mij-zelven,
zooals het behoord had, doch op den zonderlingen knaap, en met een
"Wel jou Kregel Mennonietje, wou jij Ammiraal worden? Pluimgraaf,
man, pluimgraaf word-je, anders niet! Als ik kapitein ben, dan neem
ik je bij mij aan boord om op de varkens en kippen te passen. Dag
leelijke krabbelaar!"--

Ik liet Witte beteuterd staan en vervolgde lachend mijnen weg.

Des middags kwamen wij gelijk met kapitein Herbert Martensz. Tromp
aan het hoofd.

"Nu, jongen, ga met God," zei moeder; boog zich over mij heen en kuste
mij op het voorhoofd. Hier, Jonge Kees, hier vlak op dit plekje kuste
zij mij, zij, die lieve goede, moeder! Toen ik vijf jaren later weer
in Den Briel kwam, had ik geerne weer op die plek een' kus willen
hebben; maar eene week voor mijne aankomst stierf zij. Ik zag haar
nooit meer!"--

Onderwijl Huib dit vertelde rolden een paar dikke tranen over zijne
wangen, en alsof hij zich hierover schaamde, wischte hij ze schielijk
af en vervolgde zijn verhaal.

Het was een bezeilde wind en toen we aan boord van De Bare kwamen,
werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht.--Midden op de rivier
gekomen liet de kapitein, als afscheidsgroet, een paar gotelingen
afschieten en wij, Marten en ik, tuimelden op het dek, even als gij
gisteren avond in het looze gevecht met den Roorok!

"Waar gaat het heen, Marten?" vroeg ik.

Marten haalde de schouders op en zeide: "Vader heeft het wel tegen
Moeder gezegd, maar tegen mij niet!"--

"Wel, jonge brasems, braaf zeer gedaan? Zoo'n scheepsdek is wel wat
hard om er zoo maar op neer geploft te worden, vind-je niet?"--

Wij keken achter ons en zagen een zwaar gebouwd jonkman achter ons
staan. Hij scheen wel stuurman of zoo iets te zijn.--Heel vriendelijk
zag hij er niet uit. Hij had donker zwarte oogen en hij scheen de
gewoonte te hebben het rechter steeds half gesloten te houden. Zijn
gelaat was vol en bijna zoo rond als een appeltje, en men kon het
hem zoo aanzien, dat hij al vast niet aan den haal zou gaan, als de
Spanjool kwam, maar wakker meekloppen.

Hij zag ons eenige oogenblikken aan, en toen hij bemerkte, dat wij
geen van beiden een woord spraken, vroeg hij:

"Wie van u beiden is de zoon van onzen kapitein?"

"Dat ben ik!" antwoordde Marten.

"Zoo, zoo, dat is al vroeg aan het varen! En kunt ge al wat lezen,
schrijven en rekenen, ja, of hebt ge uwen tijd verluierd?"

"Ik kan wel wat; maar ik zal bij vader nog meer leeren!" sprak Marten.

"Dat is goed, dan zie ik u nog eens kapitein of misschien wel meer
nog! En gij, jongen, hoe heet gij?"

Deze laatste woorden richtte hij tot mij, en ik antwoordde: "Huib
Maerlant"

"Ei, ei, heet je vader dan Jacob Van Maerlant en is hij niet een
excellent poeet?"--

Mijn vader een poeet? hield hij mij voor het lapje? Naderhand heb
ik wel eens gehoord, dat een vierhonderd jaren geleden ergens in
Vlaanderland die poeet moet geleefd hebben, maar toen wist ik daar
niets af.

"Mijn vader is matroos, en vaart op de Oostzee!" zeide ik.

"Ei, ei, matroos, en jij in zoo'n mooi pak?"

Mijne goede Moeder had hare laatste spaarpenningen uitgegeven om mij
eene nette uitrusting te geven. "Als ge zoo slordig gekleed zijt,"
had ze mij gezegd, "dan zal kapitein Tromp niet willen hebben, dat
je met zijnen zoon omgaat! En dat moet toch; want als dat niet en
gebeurt en ge wordt bij en onder de matrozen gerekend, dan groeit er
nooit iets van je, jongen!"--

Op de verwonderde vraag van den zeeman antwoordde ik daarom: "Moeder
gaf mij dit pak, omdat Marten mijn speelkameraad is!"--

"Zoo, zoo, je speelkameraad! En kan je ook lezen, schrijven en wat
rekenen, zooals onze Marten of zooals die poeet, die dan toch zeker
wel van je maagschap zal zijn! Misschien is die man ook al lang
dood! Ik houd mij met die poeterij niet op. Als ik te schrijven heb,
dan doe ik het liefst met mijn degen, die spat nooit en moet ook
nooit vermaakt worden!"--

"Ja, ik kan nog niet lezen en ik zou juist op het schrijven gegaan
zijn, toen ik van school af moest!"--

"Hm, hm, maar als jij dan niet gauw begint te leeren, dan zal Marten
niet zoo heel lang je dagelijksche kameraad kunnen wezen, manneke! Ze
zeggen wel eens voor een spreekwoord, dat Hans door zijne domheid
voortkomt; maar als je dan vraagt: "Wie is die Hans?" dan kennen ze hem
evenmin als jij dien poeet Jacob Van Maerlant kent, weet-je! En wij
houden er hier aan boord van, dat ieder zoowat zijn soort zoekt. De
pluimgraaf moet geen kameraadschap maken willen met den schipper en
de barbier niet met den kapitein, weet-je! Wat mij betreft, ik ben
hier aan boord zooveel als schipper en ik heet Pieter Pietersz. Hein,
als je 't niet en weet! En nu, zoekt wat te doen, ik wil je groeten;
want ik heb ook mijn werk! Adjuus!"--

"Wat 'n aardig man is dat! Die lijkt me!" zeide Marten.

"Dat wil ik wel gelooven," antwoordde ik. "Hij heeft je ook schoon
gevleid; maar op mij schijnt hij een pik te hebben, net als die
oude Brielsche schoolmeester. Kan ik het helpen, dat mijn Vader maar
matroos is!"--

"Nu, maar daar zeide hij ook niemendal af! Hij vroeg je alleen maar
of je kon lezen, schr...."

"Och, loop jij naar de Mookerheide! Begin-je ook al van dat lezen,
schrijven en rekenen te snappen. Als jij dan zooveel weet, laat me
dan maar links liggen!" gaf ik zeer verstoord ten antwoord.

"Je bent boos, Huib, maar dat kan ik niet helpen! Ik heb je niets in
den weg gelegd, wel?"

Ik zweeg en keerde mij om; want ik was, o, zoo nijdig, en al weer
niet op mij zelven, maar op den ouden schoolmeester, op "Kregel
Mennonietje," op Marten, op Pieter Pietersz. Hein, ja, op heel de
wereld. Alleen op mij zelven was ik het niet! Ze hadden allen het
land aan mij dacht ik.

"Ben-je heusch boos, Huib?" vroeg Marten vriendelijk en ging lachende
voor mij staan.

Nu werd ik nog njjdiger, en ik dacht, dat hij me uit valschheid
uitlachte en daarom zeide ik: "Zeker ben ik boos! Maar zoo 'n voornaam
kapiteinszoontje is veel te deftig en te rijk voor den jongen van
een arm matroos, die op de Oostzee vaart! Ga maar weg en maak maar
kameraadschap met een ander; ik ben veel te gemeen voor je!"--

Zonder nog een woord te spreken ging Marten thans werkelijk heen,
en wel om zich bij zijnen vader over mijne onvriendelijkheid, te
beklagen. Den ganschen dag zag hij niet meer naar mij om en toen ik
's avonds nog "genacht" wilde zeggen, was hij al in de hut van den
schipper, waar ook hij zijne kooi had.--

"Ruzie gehad, kameraad?" vroeg een jong matroos met een heel ongunstig
uiterlijk. "Ja, man, 't is kwaad kersen eten met de groote lui, ze
gooien je met de pitten! Toen ik aan boord kwam, dat is nu zes jaren
geleden, had ik ook zoo'n mooien kameraad medegebracht; maar die
vriendschap duurde aan boord niet langer dan van twaalf uren tot den
noen! Dat is een heele tijd, he? Maar ik heb hem laten walsen. Als je
'm eens ontmoet, doe hem dan mijne groeten, en zeg dat ik hem volstrekt
nog niet gemist heb. Ik heet Jurrie Zwijn en hij Katt. Wij zijn dus
allebei viervoetige dieren! Vreemd, he! Zeg, vind je't niet? Ha,
ha, ha!"--

Hoewel 'k eigenlijk gezegd niet veel lust had om met dezen Jurrie
Zwijn aan te leggen, en kameraadschap te maken, zoo stond ik toch
den volgenden dag heel dikwijls met hem te praten en ik deed dat
vooral als Marten mij zien kon, om hem alzoo te toonen, dat ik
hem best missen kon. Dwaze knaap, die ik was! Toen ik later dien
Jurrie Zwijn gaarne links had laten liggen om weer goede maats met
Marten te worden, hing hij mij aan 't lijf als een klit en ik had
geen moed genoeg om hem te zeggen, dat het tusschen ons uit moest
zijn. Langzamerhand raakten Marten en ik dan ook meer en meer van
elkander verwijderd. Van leeren kwam niemendal; want als ik mijn werk
gedaan had, en 'k een oogenblik begon na te denken, dat er op die
manier nooit iets van mij komen zou, dan greep ik wel eens naar een
boek; maar 't was of Jurrie op zijn loer lag; om mij van het leeren
af te troonen. Oogenblikkelijk was hij dan bij me en zei: "Zoo, zoo,
de student is weer aan het letters eten? 'K zou naar de Hoogeschool
te Leiden gaan, als ik jou was, dan wordt ge een knap man, hm, hm,
een knap man; zoo 'n soort van een Marnix Van Aldegonde of een Johan
Van Oldenbarneveld! Wanneer denk-je examen te doen? Zeker wel al gauw,
is 't niet?" En zoo ging zijn ratel als een lazarusklap totdat ik het
boek neerlei en luisterde naar de mopsjes, die hij wist op te dreunen.

Eens op een' dag, we waren geloof ik wel al zes weken aan 't kruisen
op de Noordzee en in Het Kanaal, was ik bezig mijn baaitjen af te
schuieren toen de schipper naar mij toe kwam en zei: "'T baaitje vuil,
Huib? Ja, dat komt er van als men met zwijnen omgaat! Die diertjes
zijn niet al te zindelijk, zou ik zeggen!"

Ik werd rood over mijn geheele aangezicht. Ik voelde 't wel, wie hij
met die zwijnen bedoelde en telkens, als hij mij in gesprek met Jurrie
zag, dan schaamde ik mij.

Ondertusschen leefde ik met Marten toch niet als geslagen vijand. Wij
waren nog jongskens en vergaten gauw; maar toch, die vertrouwelijke
omgang met hem kwam niet meer tot stand en ik geloof zelfs, dat de
kapitein niet gaarne zag, dat ik met zijn' zoon veel in aanraking kwam.

Eens op een' dag echter had Marten mij in vertrouwen gezegd, dat
hij zeker wist wat het doel van ons kruisen in de Noordzee en in Het
Kanaal was. Er werd in het land eene vloot uitgerust om den Spanjaard
in zijne eigen wateren te tuchtigen. Die vloot zou onder bevel staan
van Jacob Van Heemskerk, denzelfden man, die met Barentsz. en zijne
lotgenooten op Nova-Zembla overwinterd had. Zoodra Van Heemskerk
uitzeilde zouden wij ons bij hem aansluiten. Marten verzocht mij
echter, dat ik het niemand zeggen zou; want dat alleen de officieren
en de schipper het wisten. Zijn vader had het hem verteld, doch er
ook uitdrukkelijk bijgevoegd: "Niet over-vertellen, hoor!"

Nu wilde echter het geval, dat er s'avonds niemand meer aan boord
was, die het niet wist. Ik denk voor het naaste, dat er nog een ander
geweest is, die het ook verteld heeft. Ik had dien dag wel veel en
soms lang met Jurrie loopen praten, doch nu het al zooveel jaren
geleden is, mag ik het gerust zeggen, ik heb het niet verteld. Zoodra
de oude Tromp er achter kwam, dat het volk er alles van wist, begon
hij te onderzoeken, wie het oververteld had. Marten viel al dadelijk
door de mand en nu werd ik geroepen.

"Zeg eens, knaap, aan wien hebt gij verteld, dat we op de vloot
van Jacob Van Heemskerk wachten en dat het dan rechtstreeks naar
Spanje gaat?"

"Ik heb het aan niemand verteld, kapitein!"

"Lieg niet, jongen, ik vraag u, de waarheid. Hebt ge 't aan Zwijn
overgebriefd? Zeg maar "ja", want uw gelaat wijst het uit, dat het
zoo is!"--

Ik hield vol, dat ik er met geen mensch over gesproken had en toen
liet de kapitein Jurrie roepen.

"Wie heeft je gezegd, dat we naar Spanje gaan?" vroeg Tromp op eenen
zeer barschen toon.

En hoor me nu dien onbeschaamden leugenaar eens aan! Weet ge wat hij
antwoordde? Nu, hoor dan!

"Huib Maerlant heeft het mij in den achternoen verteld, toen we bezig
waren met een kabel te splitsen!"

Ik sprong op als een leeuw en riep: "Kapitein, hij liegt het!"--

Tromp fronste de wenkbrauwen en zei alleen: "Ga heen, deugniet! Gij
zijt uw gezelschap waard!"--

Van dien dag af ondervond ik, dat het waar is wat het spreekwoord zegt:
"Wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!" Niemand vertrouwde mij;
de goeden lieten mij links liggen en met dien leugenaar Jurrie Zwijn,
wilde ik niets meer te doen hebben. Zoo was ik dan den ganschen dag
alleen. Dat er nu van het leeren niemendal kwam, dat sprak vanzelf;
ik had eigenlijk nergens lust in en verlangde alleen naar mijne
Moeder. Die zou me toch nog wel gelooven, als ik waarheid sprak.

Gelukkig dat er door de verschijning van de vloot meer bezigheid kwam
en ik daardoor de muizenissen meer en beter verdrijven kon.

Den tienden van Grasmaand kwamen we aan de groote rivier van Lissabon,
die De Taag genoemd wordt.-- Alras vernam de Ammiraal dat er voor
ons hier niets te doen viel; want zestien galjoenen waren van hier
naar de West-Indien vertrokken en nog tien andere naar de Straat van
Gibraltar. Deze laatste zouden we opzoeken en uit alles wat ik hoorde
vertellen en zag gebeuren, zouden we daar meer doen dan een kijkje
nemen. Den vijf en twintigsten kwamen we tot in de nabijheid der stad,
die, op eenige hoogten gelegen, het aanzien had van ons heel veel kwaad
te kunnen doen. De Ammiraal gaf een sein dat al de scheepsbevelhebbers
aan boord moesten komen om met hem te beraadslagen over hetgeen er
gedaan zou worden. Zeker was het meer toeval dan geluk, dat ik tot de
bemanning van de sloep behoorde, waarin onze kapitein aan boord van het
Ammiraalschip Aeolus gebracht werd. Wat er in dien krijgsraad besproken
werd, heb ik eerst later vernomen. De Ammiraal zou met kapitein Lambert
Hendrikse van de Tijger den Spaanschen Ammiraal,--en de Vice-Ammiraal
Alteras, die op de Roode Leeuw bevel voerde zou met kapitein Bras
van de Stadt Hoorn den Spaanschen Vice-Ammiraal aanklampen. Onze
overige schepen zouden twee aan twee een galjoen voor hunne rekening
nemen.--Zooals ik zei vernam ik dat eerst later: maar onderwijl we
met onze sloep bij den valreep van de Aeolus op onzen kapitein lagen
te wachten, hoorden we Jacob Van Heemskerk zeggen:. "En nu mannen,
zoo als besloten is, moedig op den vijand los. Zoekt er uwe eer in uwe
manschappen in goede courage voor te gaan. Een ieder doe zijn plicht;
ik hoop den mijnen te doen. Voor God en de Vereenigde Provincien!"

'K werd er warm van toen ik dat zoo hoorde. De kapitein stapte in de
sloep, en ik sloeg met mijn riem in 't water, alsof dat de vijand was,
dien 'k wat geven moest.--

Weldra waren wij allen aan boord van de Bare terug.

"Mannen," zei de kapitein, "er is besloten den vijand aan te vallen! 'T
is geene kleinigheid! Maar onze dappere Ammiraal rekent op u allen
en houdt zich van de overwinning verzekerd, zoo ge van den oudsten
tot den jongsten toont, dat er nog iets in u is overgebleven van den
moed der Watergeuzen. Ginds ligt het galjoen dat wij met de Griffioen
aanvallen zullen! Wat zult ge doen? Vechten of vluchten?"

"Vechten, kapitein, vechten tot den laatsten man!" klonk het van
alle kanten.

"Maar eerst God om kracht en bijstand gesmeekt," sprak de oude Tromp
bedaard, en wenkte den schrijver om het gebed te komen doen.--Daar
wij geenen predikant aan boord hadden, voldeed deze hieraan en met
vrome aandacht spraken wij langzaam zijne woorden na. Toen het gebed
afgeloopen was, kregen we ieder een oorlam en ... daar ging het op
den vijand los.

Ik stond bij den grooten mast en had wel gewild dat hij een kanon ware
geweest, dat ik afschieten mocht. Eensklaps werd mij op den schouder
getikt en toen ik achter mij keek, zag ik Marten staan.

"Ben je nog boos, Huib?" vroeg hij.

"Ja, zeker," gaf ik ten antwoord. "Zeker ben ik nog boos! Ik en heb
niet geklapt en toch gelooven ze het allemaal en jij gelooft het ook
nog, en daarom ben ik boos! Maar ik zal daarom toch wel mee vechten,
hoor!"

"En als ik nu zeg, dat ik het niet geloof, dat je geklapt,
hebt?"

"Dan jok-je, want je gelooft het toch!"

"Gaat op zij, jongens, je staat in den weg! Er is hier geen plaats
meer voor je op het dek! Gaat maar naar beneden, daar zijt ge
veiliger!" zeide Piet Hein.

"Ik blijf bij Vader," zeide Marten, "en Huib blijft bij mij! Wij zijn
Brielsche jongens, schipper, en niet zoo heel bang!"--

Marten sprak mij voor en dat trof mij zoo dat ik hem mijne hand gaf;
maar juist toen ik wilde zeggen, dat ik nu niet meer boos en was,
vloog er met vreeselijk geruisch een kogel door het groot marszeil en
oogenblikkelijk daarop werd ons schip hevig heen en weer geslingerd,
want de kapitein kommandeerde "vuur!" en de twaalf stukken, die we
aan bakboordszijde hadden, gaven den Spanjool de volle laag.--Toen
hoorden wij het schieten niet meer: er was ook zooveel te hooren en
te zien.--Te midden van het vreeselijk gedonder der kanonnen klonken
allerlei kreten. Daar liep Jurrie Zwijn met eene brandende lont ons
voorbij en Piet Hein achter hem. Eensklaps viel Jurrie Zwijn neer en
Piet Hein buitelde over hem heen.

"Kan-je niet beter op je beenen blijven staan?" vroeg Hein aan Jurrie,
die daar nog altijd op het dek lag.

"Een schot in de borst, schipper! Ik - ik sterf! Heb ik nog - veel -
veel kwaad - g- goed-gemaakt, z- zeg?' sprak Jurrie.

"Einde goed, alles goed! Je hebt je wakker gehouden, kameraad!" zeide
Hein en stak hem de hand toe.

Jurrie poogde den handdruk te beantwoorden, lachte even en zei:
"D - d - dank-je, schip-schipper! A - a - d - die!'

De ongelukkige was dood.

"Geleefd als een zwijn, gestorven als een man!" bromde Hein en pinkte
eenen traan weg. "Mannen, legt hem uit den weg; hij is de eerste aan
boord!" beval hij aan een paar matrozen. Deze deden dit en toen Jurrie
daar zoo lag, zei Marten:

"Was hij je vriend, Huib?"

"Neen," antwoordde ik, "ik was bang van hem!"

Marten zei niets, maar legde een zeil over den gesneuvelde. Toen hij
dit gedaan had en opkeek riep hij: "Huib, kijk, kijk!"

En wat was er te kijken?

Toen ik omkeek was het haast niet meer te zien. Een vijandelijk
vaartuig, dat in brand stond, vloog in de lucht. Stukken balken,
ijzers, brokken van kettingen, menschen, vuur, vlam, rook, alles
vloog in de hoogte en werd wijd weggeslingerd! Hu, er ging eene
rilling over mijn lijf! Dat was akelig!--

Intusschen waren wij het galjoen tot op een musketschot afstands
genaderd. Nog eenmaal gaven we den vijand de volle laag en grepen
toen naar de musketten, enterhaken, bijlen en sabels.--Daar sloegen
de vlammen uit het galjoen! Wij kwamen het al nader en nader!--De
vlammen knetterden en dansten tegen het want op. Gegil, geschreeuw,
musketschoten, alles klonk door elkaar! Wat ik toen gedaan heb,
weet ik niet. 'K zag mijne kameraads voor en achter mij vallen en het
brandende galjoen vlak tegen ons aan liggen. Daar vlogen onze zeilen
in brand! De groote ra en de fokkera volgden! De vlammen krulden om
het want en kropen naar voor, naar achter, naar boven, naar beneden,
rechts, links, naar alle kanten!--

Ik dacht aan het Spaansche schip, dat ik zoo even in de lucht
had zien vliegen en ... als dat gebeurde dan... dan waren we allen
dood!--Ik dacht aan mijne moeder!--Arme moeder!--Ik dacht aan den ouden
schoolmeester, aan 't Kregel Mennonietje.... Daar vlogen de matrozen
het want in!--He, wat kerels!--De kogels floten hun om de ooren;--de
vlammen verschroeiden hunne hoofdharen, bakkebaarden, en kleeren!--Te
vergeefs! De brand was niet te stuiten!--De matrozen kwamen weer naar
beneden, en reeds stonden enkelen gereed om zich van de sloepen meester
te maken toen het brandende galjoen afdreef! Welk geluk! Nu was er nog
kans op behoud! Opnieuw werden er pogingen aangewend om den brand te
stuiten, toen eensklaps het galjoen, dat ons pas een minuut of tien
geleden verlaten had, gedeeltelijk in de lucht sprong. Het water kwam
in eene vreeselijke beweging en ons schip slingerde geweldig. Toch
deden de wakkere gasten al wat zij konden om het schip te behouden
en eindelijk zagen ze hunne onvermoeide pogingen met een gewenschten
uitslag bekroond!--Wat zag de Bare er uit! Men kon zien, dat ze in het
gevecht geweest was, en dat onze kapitein het woord aan den Ammiraal
gegeven, wakker gehouden had. Ook de Griffioen had zijn aandeel in
het gevecht gehad, doch was niet zoo gehavend als wij. Langzamerhand
verminderde echter het geschutgedonder en zoo goed en zoo kwaad dit
kon, trachtten wij ons met de overige schepen te vereenigen.--

Daar zag ik de Aeoelus en: "Marten, schipper, kapitein!" riep ik en
liep ondertusschen van 't voor naar 't achterschip waar deze drie
personen zich bevonden.--

"Wat is het, dolleman? Wat is het?" vroeg Hein.

"Kijkt dan toch!" riep ik. "De Ammiraals-vlag is te halver steng!"--

Het blozende gelaat van Piet Hein werd bleek toen hij dat zag en de
kapitein riep: "Kinderkens, onze Ammiraal is gesneuveld!"

"Onze Ammiraal is gesneuveld," in een oogenblik was het op de geheele
Bare bekend en iedereen sloeg de schrik om het hart.

o, Als we nu nog hadden moeten vechten, dan....

"Kapitein Pieter Willemsz. Verhoef had dat niet moeten doen! Ei ziet,
hoe 't ons allen den moed ontneemt nu het gevecht is afgeloopen
en wij de overwinning behaald hebben! Zoo hij 't niet gedaan had,
dan zouden we de Spaansche vloot misschien wel geheel en al vernield
hebben!" zeide de oude Tromp.

"Met uw verlof, kapitein," hernam ik, "toen 'k de Aeoelus naderen zag,
was hare vlag nog niet te halver steng! Ik heb haar zien neerhalen!"--

"Dan is onze brave Ammiraal ook pas gesneuveld!" sprak Hein. "Een
wakker man verloren!"--

"De overwinning is te duur gekocht!" bromde de kapitein en naar de
davids gaande beval hij de sloep neer te laten. [6]

Kort daarop roeiden wij weer naar het Ammiraalschip! Maar, o jongen,
welk eene verwoesting! De zee was bedekt met stukken hout, masten met
fladderend want, brandende vaartuigen, wrakken en honderden dingen
meer. Hier trachtte er nog een zwemmende het leven te redden en daar
verdween een ander voor altijd in de diepte.

Onze kapitein bleef er niet lang aan boord, en toen hij in de sloep
stapte om naar zijn eigen vaartuig terug te keeren, beefde hij van
aandoening.

Ho, wat al nieuwsgierige blikken omringden ons toen we weder op het dek
van de Bare stonden. Het was alsof ze allen begrepen, dat onze kapitein
iets te zeggen had, dat ons allen aanging. Iedereen wilde weten of
de Ammiraal werkelijk dood was, dan wel of de kapitein was gesneuveld.

"Luistert, jongens, luistert!" sprak hij.

"Laat mij ook luisteren!" sprak een onzer matrozen, die vreeselijk
gewond op het dek lag. "Draag mij dicht bij onzen kapitein!"--

Men voldeed aan zijn verzoek en toen dat geschied was had men eene
speld kunnen hooren vallen.

"Jongens," hervatte Tromp, "wat zou ik trotsch geweest zijn zoo onze
wakkere Ammiraal ons schip in dezen toestand had kunnen zien! Wat
zou hij ons geprezen hebben als echte, kloeke Nederlanders! Eilacie,
't mocht zoo niet zijn!

Reeds in het begin van het gevecht nam een kogel zijn linker been weg.

Hij is in zijne volle wapenrusting gestorven, zijn volk ten strijde
aanmoedigende, zijne ziele Gode bevelende! De glansrijke overwinning
is duur, heel duur gekocht! De Vereenigde Provincien hebben een
rechtschapen, dapper, beleidvol, edelmoedig en groot man verloren. Gij
allen weet het, dat hij de Ammiraalswedde geweigerd heeft; hij diende
zijn Vaderland om niet, en hoe diende hij het! Waar zullen ze een
vinden als hij? Wie zal hem ooit gelijken?"

Martens wangen werden vuurrood, zijne oogen glinsterden en de hand
zijns Vaders vattende zei hij: "Vader, ik wil zoo'n Ammiraal worden!"--

"Gij zijt dwaas, jongen! Gij en weet niet wat gij wilt!" zeide Tromp;
maar schipper Hein legde zijne hand op Martens hoofd en sprak:
"Met God is alles mogelijk, jongen!"--

Zoo'n Hein! Onderwijl hij zoo sprak dacht hij zeker, niet, dat
hij eenmaal aan 't Vaderland eenen anderen Heemskerk in zichzelven
geven zou.

Nadat onze schade zoo goed mogelijk hersteld was, keerden wij allen met
roem beladen naar het Vaderland terug; maar wij werden toch niet met
die blijdschap begroet, als het geval zou geweest zijn, zoo Jacob Van
Heemskerk zelf had kunnen zeggen: "Wij brengen u de overwinning! De
Spanjaard is verslagen en zijne vloot is verbrand! De geheele wereld
erkent onze meerderheid ter zee!"--



HOOFDSTUK IV

Gevangen genomen.

Wij bleven ruim een halfjaar te Rotterdam liggen. De Bare had in
den slag bij Gibraltar ontzettend geleden en moest nu van onder tot
boven worden nagezien. In al dien tijd was ik echter geen dag in Den
Briel geweest; want ik kreeg daartoe geen verlof, omdat ik het niet en
vroeg.--Ik had niet veel goeds van mij-zelven te zeggen.--Marten had
echter van dien tijd gebruik gemaakt om tweemaal per dag bij onzen
ouden meester ter les te gaan, en daar die jonge schipper Piet Hein
hem zoo nadrukkelijk verzekerd had, dat er vast een kapitein uit hem
groeien zou, als hij maar wakker leeren wilde, zoo deed hij dubbel
zijn best.--

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.