A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Barnes & Noble Beating up Borders?
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Barnes & Noble Beats Back Borders
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Barnes & Noble Beats Back Borders
Customer spend at big book retailer Barnes & Noble (NYSE: BKS) is up 11% since April 2008 while chief rival, Borders (NYSE:BGP), is down 4%. This, according to new Main Street Spending Index (MSSI) compiled by Geezeo, a personal finance Web site that

Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)



P >> Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12



Eindelijk was ons schip in Wintermaand van 't jaar '7 weer kant en
klaar voor de reize en op zekeren dag kwamen de kapitein en Marten
onverwacht aan boord.--

Marten kwam terstond bij me en betoonde zijne vreugde door mij alles
te vertellen wat hij van Den Briel wist.--Het "Kregel Mennonietje"
ging nog altijd school en was in dien tijd heel wat gegroeid. Leeren
deed hij als de beste, maar daar hij door zijn boos humeur altijd
met iedereen overhoop lag, zoo had hij onder de jongens niet een,
die veel van hem hield. Zelfs de meester hield niet van hem, hoewel
deze toch nooit last van hem had. Van mijne moeder bracht hij eenen
duevekater [7] mede en ... meester had gevraagd of ik aan boord nog
wat leerde lezen en of ik goed oppaste?

Op die laatste vraag gaf ik geen antwoord. Ik wilde niet zeggen
"ja," want dan hadde ik eene onwaarheid gezegd. Ik had den weg in
Rotterdam leeren vinden, dat was al. Wanneer 'k aan boord niet noodig
had, dan was ik aan den wal gegaan, en 'k had al spoedig een paar
kornuiten gevonden, die mij overal brachten waar ik niet en noodig
had. Geen steegje zoo klein of ik wist het! Maar leeren! bah, wat
zou'k leeren? Ik werd toch nooit kapitein!

"Nu," zei Marten, "kunt ge dat boekske, dat ik u met Allerheiligen
zond, al lezen?"--

"Neen, 't was zoo moeielijk, ik en kon niet!"--

"Maar waarom hebt ge het dan den schipper niet gevraagd? Dat is een
abel, bekwaam en treffelijk man!"

"Ik en durfde dat niet te doen; hij was zelf altijd met heel dikke
boeken over de zeevaart-konst in de weer!"--

"'T is jammer, Huib! Maar als we nu maar weer in zee zijn, dan zullen
we samen eens gaan leeren, he? Ik reken nu al uit de cijferkonste van
onzen treffelijken, geleerden Simon Stevin. Dat is een heel nieuw
rekenboek en onze meester was er zelf nog niet recht achter!--Maar
wat leelijke, gemeene slabbakken daar aan den weg staan. 'T is of ze
staan te wachten!"

Marten wees naar den wal waar de twee jongens stonden, die mij den
weg in Rotterdam geleerd hadden. Ik keek om, en, zoodra ze mij zagen,
riepen ze:

"Kom-je, Huib? Kom-je? Trijn van de Floer Battensheul heeft naar
je gevraagd?"

Ik keerde mij beschaamd om en meende dat Marten op mijn aangezicht
zou kunnen lezen wat die jongens meenden. De Floer Battensheul was
eene brug, die aan de Delftsche poort over eene vaart lag. Daar zat
Trijn Blomzoetken, zooals wij, kwajongens, haar noemden, iederen dag
met warmoes en ooft. Menige penning was daar door mij besteed en toen
'k verleden week geene penningen meer had, toen schonk zij mij eene
maat vol zure schijvelingen, daar mijne twee kameraads haar vertelden,
dat ik kajuitswachter op de Bare was en de volgende week mijne gage
ontving. Ik wist wel dat zulks niet waar was, maar nam alevel de appels
aan en weldra hadden wij deze met ons drieen allemaal opgepeuzeld.--Na
dien tijd waren we daar niet geweest, en nu had Trijn de jongens er
zeker op afgestuurd om mij te halen.--

"Ken je die vuile, gelapte borsten, Huib?" vroeg Marten.

"Of hij ze kent?" sprak schipper Hein, die stillekens achter ons
gekomen was, "of hij ze kent, Marten? Bijlo, het zijn zijne beste
vrienden! Niet, Huibje?"--

"He, Huib! Huib! Huib! Kom-je?" klonk het van den wal.

Ik vatte moed en, als wilde ik schipper Hein tot eenen logenaar maken,
riep ik: "Loopt, ik ken je niet!"

"Heeee! Hij en kent ons niet, Jan?" schreeuwde de een en begon met
den ander, die Joost heette, allerlei sprongen te maken, en toen ze
moede waren van al die malle luchtsprongen begonnen ze te zingen:


Fideldine, fideldijn!
Ick en dans nyet,
Ick en schrans nyet!
Fideldine, fideldyn,
Ick ken jou en jij kent mijn!

Fideldine, Heyntjeman,
Ick en roep nyet,
Ick en snoep nyet!
Fideldine, Heyntjeman,
Drinckt den wijn uit volle kan.

Fideldine, Zuyerzee,
Ick en klinck nyet,
Ick en drinck nyet!
Fideldine, Zuyerzee,
Huib blijft hier en Trijn gaet mee!

Fideldine, kakelbonght,
Ick en krijgh nyet,
Ick en swijgh nyet!
Fideldine, kakelbonght,
Volle kannen syn ghesont!


"Kom, Huib, zing dat fijne mopsjen toch mee, man!" zei Hein.

"Ik en ken dat mopsjen niet'," gaf ik ten antwoord; maar de roode
kleur, die ik kreeg, zeide maar al te wel dat ik loog.

"Heeee, fijnman, heeee! Kom dan toch, of we gaan alleen naar onze
goede Trijn Blomzoetken!" schreeuwde Joost en gooide zijne muts in
de hoogte, duikelde tweemalen over den kop, pakte Jan bij den arm en
voort gingen ze. Al lang waren ze de naaste straat ingeslagen toen
ik hen nog hoorde zingen:


Die backer Joosten al op den hoek, - Hi - ha - hoe!
Die slaet syn wijf met Bagynenkoeck, - Bi - ba - boe!
En so die Backer dat nyet en deed,
Dan segh ick nyet wat ick wel weet!
Hi - ha - hoe! Bi - ba - boe!


Marten had zich met den schipper verwijderd en was drok met hem
in gesprek.

Ik bleef moederziel alleen staan en tranen van spijt sprongen
mij uit de oogen. Intusschen was ik in duizend vreezen, dat Trijn
Blomzoetken komen zou en mij om geld vragen, dat ik niet en had. o,
Als dat gebeurde, wat dan?

Het eene uur na het andere verstreek evenwel en het werd een uur. Nog
een half uur dan gingen we heen en als de kabels maar los waren,
als de loopplank maar weggenomen was, dan....

Waarlijk, het geluk diende mij. Juist met klokke half twee werden de
kabels losgemaakt, de plank werd ingehaald en onder het "Hoezee!" der
toeschouwers verlieten we den wal. Juist bij tijds! Daar verscheen
eene vrouw aan den kant, die de vuisten naar ons opstak en zeker
allerlei scheldwoorden schreeuwde. Wij waren echter al te ver af en
er was te veel beweging aan boord om haar te verstaan. De kapitein
had haar echter wel gezien en deed bij den schipper onderzoek naar
de zaak. Of die Hein er nu achter gekomen was, dat ik bij Trijn
Blomzoetken schuld op den kerfstok had, dan wel of hij haar verstaan
had, ik en weet het niet; maar toen wij des avonds met gunstigen wind
Den Briel passeerden en ik onzen stompen toren naoogde zoo lang ik kon,
kwam de kapitein bij me en zei:

"Huib, ik en wil niet meer, dat mijn zoon met je omgaat. Een jongen
als jij, die den kostelijken tijd verluilakt, goevrindschap maakt met
gemeene straatjongens, en er een kerfstok op na houdt bij appelvrouwen,
als Trijn Blomzoetken van de Floer Battensheul, zulk een is geen
geschikt kompeer voor mijn jongen! Ik zal je voortaan behandelen als
ieder ander mijner matrozen, dat zal ik; maar reken er op dat joffer
Driestreng [8] gereed ligt, als ik je op het achterschip zie. Je
plaats is voor en je heet pluimgraaf! Begrepen?"--

Ik knikte maar gaf geen antwoord.

Mijn lot was treurig; maar in plaats van mijzelven de schuld te geven
en te denken aan het spreekwoord. "Wie met pek omgaat raakt er mede
besmet," gaf ik anderen, vooral dien babbelaar van een schipper de
schuld. Ik meende maar dat elk en een ieder het er op toelegde om mij
ongelukkig te maken. Dat was zeer verkeerd; want zoo ik berouw gevoeld
had, dan hadden de anderen mij niet altijd links laten liggen.--

Wij zetten eerst koers naar Vlissingen en wat 'n geluk! Daar ging
schipper Hein aan boord van een ander vaartuig over, en wij kregen in
zijne plaats een kloek Arnemuidenaar, die er uitzag als eene Maartsche
bui en al dadelijk begon met mij te vertellen, dat hij mij, als ik
hem in den weg liep, een schop zou geven dat ik in de Wielingen zou
vliegen om met de bruinvisschen te leeren duikelen.

Met eene stevige bries zett'en wij koers naar Engeland, voeren door
het Kanaal en kwamen weldra in den Oceaan.

Waarheen was de tocht? En waarom was ons schip zoo sterk bemand? Waarom
hadden we zooveel kruit en kogels aan boord? Ging het naar den
Spanjaard en mogelijk alweer naar Gibraltar? Ik zag geen land en
niets dan lucht en water en water en lucht. De wind was omgeloopen
en thans werd de koers, nadat we wel acht dagen lang maar altijd
westelijk aangehouden hadden, naar het zuiden gericht.

Kon ik toch maar eens te weten komen waarheen het ging! Maar ik had
met geen mensch kameraadschap gesloten, en 'k wist nu ook niet wien
ik het zou durven vragen. Het werd al heeter en heeter! Midden op
den dag was het in de zon op het dek niet uit te houden! Intusschen
begonnen de konstabels en matrozen de Bare in eenen geduchten staat
van verdediging te stellen. De kogels lagen op het dek en de vaatjes
met kruit werden voor den dag gehaald.--

Ik wist niet eens welken dag van de maand wij hadden; en of het Zondag
of midden in de week was, daar bekommerde ik mij niet om; ik zat
en leefde maar alleen. Doch eens op een' dag,--'t moest Zondag zijn,
want de schrijver las eene preek voor en deed het gebed,--riep de wacht
ineens: "Een zeil! een zeil!" In een oogenblik was alles op het dek.

Dat was zeker geen schip van de Compagnie; want de wijze waarop wij
het gingen ontvangen, was alles behalve vriendelijk. Het bleek ook
weldra dat het niet een schip was; want ik telde er al heel gauw
zeven en later zelfs twaalf.

In hunne vlag was een halve Maan en terstond begreep ik dat het
Turksche zeeroovers waren. Denkelijk kwamen ze wel van Salee en
loerden ze op onze rijk geladen Compagnie-schepen.

Daar klonk een schot van een der roovers en terstond werd het door
de onzen beantwoord.

"Mannen," zeide de kapitein, "de vijand is talrijk, maar moed
verloren, al verloren! Houdt dan couragie, jongens! Wakker er op
in! Die Turksche rabauwen zullen weten dat wij geen katten zijn,
die men zonder handschoenen kan aanvatten! Voor Zijne Excellentie
Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--

Ik had volstrekt geen plan om mee te roepen, doch 't is aanstekelijk
geloof ik; want ik schreeuwde mee, zoo hard ik kon: "Voor Zijne
Excellentie Prins Maurits en de Compagnie! Hoezee! Hoezee!"--

De vreemde schelmen schenen zich om ons geschreeuw al heel weinig
te bekommeren en hielden, voortgaande met schieten, steeds op ons
aan. Zij schenen nog weinig verstand van het geschut te hebben,
want al de kogels vlogen hoog door het want heen.--Onze konstabels
daarentegen waren betere schutters; bijna elk schot was raak. Maar
wat hielp het? In minder dan een uur waren wij rondom ingesloten. We
hadden het thans van alle kanten te kwaad. Die rabauwen, 't moet gezegd
worden, waren niet bang, en zonder dat wij het verhinderen konden,
werd de Bare geenterd en klommen de vijanden als katten bij ons aan
boord. Toen werd het een bloedig gevecht! De kapitein stond vooraan
en sloeg er wakker op in; maar eensklaps ontving hij eene doodelijke
wonde en viel voorover op het dek. Een oogenblik staakten de onzen
het gevecht, doch toen Marten dit zag, bukte hij, greep den degen van
zijnen vader en met vuurstralende oogen en met tranen op de wangen
schreeuwde hij: "Jongens, helpt dan mijn arm vadertje wreken! Toe dan,
toe dan, helpt mij!"--

"Ja, ik wil je helpen," riep de lange schipper en zijn bijl wegwerpende
pakte hij eensklaps een der opperhoofden om zijn middel, tilde hem
van het dek op en smeet hem over boord.

"Doet als ik!" riep hij en wilde eenen tweeden vijand op dezelfde
manier over boord smijten, doch deze zag het spelletje aankomen en
deed een geduchten houw naar hem.

"Wel ja, wou je me daar zoo maar een lik uit de pan geven?" riep de
Arnemuidenaar lachende. "Ik en lust geen likjes, maar misschien lust
jij wel een zoopje haaienwijn!"

Ook deze vijand werd als een veer opgetild; doch hij was sterker dan
de ander en hield zich aan den schipper vast.

"Nou, niet of graag! Wil je me niet loslaten dan gaan we samen! Adie,
jongens, houdt je goed!"--

Zoo riep hij en eensklaps sprong hij van de verschansing en verdween
in de diepte.--

Nog een oogenblik hielden we den ongelijken strijd vol; maar ten
leste moesten wij den kamp opgeven en we zagen ons genoodzaakt, wilden
we het voorbeeld van den wakkeren en moedigen schipper niet volgen,
de wapenen neer te leggen en ons over te geven.--

Marten en ik werden met nog drie anderen aan boord van het grootste
roofschip gebracht, om daar als honden behandeld te worden en den
bevelhebber op zijne wenken te bedienen.--Op zijne wenken, precies,
want geen van de vijf kon die kerels verstaan. Gelukkig dat we
nog aanspraak aan elkander hadden en, dat Marten vergat, dat ik te
Rotterdam met zulke gemeene jongens kennis had gemaakt. Het liefst
sprak hij met mij over zijn' Vader en zijne Moeder, en ook ik hoorde
er graag over spreken; want als Marten van zijne Ouders vertelde,
dan vertelde ik van de mijne, en als hij 't over Den Briel had, dan
had ik het ook daarover. Wij aten uit een bak; wij dronken uit een
kroes; wij sliepen in een vuil hok; wij kregen slagen met dezelfde
zweep! Wij waren de beste vrienden; wij waren beide gevangenman en
nu ... nu kent hij mij amper en hij is Luitenant-Ammiraal en ik ben
matroos! Jonge Kees, jongen, spiegel je aan mij! Maar de zon is onder;
ik ga ter kooi! Morgen de rest! Wel te rusten!"--



HOOFDSTUK V

Ontvlucht en nog eens bij t' "Kregel Mennonietje."

"Onze galei zette koers naar Salee. Bijna twee jaren lang hadden we
met de roovers heen en weer gezworven en in al dien tijd geen enkel
schip van de Compagnie gezien. Wel hadden we in dien tijd een stuk
of drie Spaansche schepen overmeesterd, maar voor het overige hadden
we niet veel meer gedaan dan geluierd."--

Zoo begon Huib den volgenden morgen zijne vertelling, doch in plaats
van enkel Jonge Kees tot toehoorder te hebben, had hij er nu wel tien
van de bemanning om zich heen. Nauwelijks toch had Jonge Kees aan een
zijner makkers verteld, dat de oude Huib bezig was de geschiedenis
van Goede Vaer Tromp te verhalen, of deze briefde het aan anderen
over. Zoolang Huib nog niet aanwezig was, vertelde Jonge Kees alles wat
de oude man hem den vorigen dag verhaald had. De matrozen waren dus
redelijk op de hoogte der geschiedenis en luisterden met ingespannen
aandacht naar hetgeen Huib thans ging mededeelen.

"We hadden gedurende die twee jaren niet veel anders gedaan dan
geluierd," zoo vervolgde de verteller. "Hadden we maar beter voedsel
gekregen, waren we maar niet zoo mishandeld geworden en hadden we
maar geene Moeder in Den Briel gehad, zie, we zouden ons vrij goed
in ons lot hebben kunnen schikken! Maar nu! o, Wat hebben we met ons
vijven al plannen gemaakt om te ontvluchten! Nu verzon de een dit,
dan de ander dat plan! Maar de Turken hielden ons altijd in het oog
en bewaakten ons zorgvuldig.

Ten leste hadden we alle plannen ter ontvluchting maar opgegeven, en
hoopten we alleen, dat de goede God ons onverwacht uitkomst zou geven.

Zoo als ik zei, wij zett'en koers naar Salee, en dat wel
hoofdzakelijk omdat ons vaartuig eenige noodzakelijke herstellingen
moest ondergaan. 'T was een oude, versleten kast!--Daar vertoonde
zich eensklaps aan den gezichteinder donkere wolken, die al hooger
en hooger kwamen. 'T werd bladstil en de groote zee leek meer op
eenen gladden spiegel dan op een stormachtig bewogen waterplas.--De
rooverkapitein zag het onweder nader komen en scheen er niet veel
vrede mee te hebben, daar hij wel begreep, dat het oude schip niet
veel weerstand zou kunnen bieden.--Achter aan 't vaartuig had men de
boot al gereed liggen om, als de nood drong, hiermede te trachten
althans het leven te redden.--Intusschen brak er een hevig onweder
over ons hoofd los. De storm verdubbelde zijn geweld.

'T was klaar dat het schip het niet houden zou en daarenboven schenen
we in de nabijheid van vele blinde klippen te zijn.

De rooverkapitein gaf het teeken, de bemanning maakte de boot los,
vulde ze met proviand, bond ons alle vijf aan scheepsboord vast en
verliet het vaartuig.

Marten lag dicht bij me en scheen te bidden. Nu, dat was dan ook
wel noodig; want het gevaar waarin wij verkeerden was zeer groot. We
zagen niets dan den dood voor oogen.

Het brooze vaartuig werd naar alle zijden heen en weer
geslingerd.--Maar dat zou juist ons geluk zijn. Men had Marten met de
handen aan een touw gebonden, dat als een muur zoo vast, tusschen twee
watervaten zat.--Er zouden reuzenkrachten noodig geweest zijn om zich
los te rukken, maar de holle zee was sterker dan een reus.-- Eene golf,
zoo groot als ik nog nooit gezien heb, sloeg over de verschansing;
wij dachten dat ons laatste uur geslagen was, en...een der vaten was
omgekanteld en het touw was los. Thans waren Martens handen spoedig
vrij en al lag de knoop ook vast om zijn beenen, die kwam toch ook los.

"Ik zal u helpen, mannen," sprak hij, en kroop op handen en voeten
naar de kajuit. Weldra kwam hij met een mes terug, hij sneed onze
banden los en, juist toen de storm op het felste was, waren we
alle vijf vrij.--De andere drie matrozen waren bevaren gasten en
inplaats van zich kleinmoedig te betoonen, sloegen ze de handen aan
het werk. De hoop, van nog eenmaal het lieve Vaderland terug te zien,
gaf dubbele kracht.

Langzamerhand bedaarde de storm. Wel stond de zee nog hol; maar wij
vertrouwden er op dat de Heer redding zou geven.

"Wien God bewaart is wel bewaard, mannen," sprak de oudste matroos
en wij allen zeiden hierop: "Amen!"

Na meer dan twee uren lang tegen den storm en de zee geworsteld te
hebben, waren we het gevaar te boven, als we maar zorgden dat de
twee pompen nooit stil stonden. Zoodoende was er altijd een eenige
oogenblikken vrij om wat te rusten of te eten.--Twee dagen lang hadden
we zoo doorgebracht; we waren door en door moede en langzamerhand
begonnen we te vreezen, dat we ten leste het toch nog zouden moeten
opgeven.--We hadden geen tijd om behoorlijk uit te zien of er ook een
schip naderde, zoodat we opschrikten toen we een schot hoorden klinken.

We keken op, en... o, vreugde, niet zoo heel ver van ons kwam een
Oostindie-vaarder op ons af.--

Nog altijd woei de vlag met de Halve maan van den
achtersteven! Schielijk werd ze neergehaald en door allerlei teekenen
gaven wij te kennen, dat wij geene zeeroovers waren. Men scheen ons
maar half te gelooven, want vier welgewapende booten kwamen op ons
af.--Met gejuich werden ze door ons begroet en met groot gejuich
werden we door die mannen opgenomen.

Wij waren gered; maar, o jongens, toen 'k eindelijk het dek van de
Maria onder mijne voeten had, toen scheen er aan mijne vreugde geen
einde te zullen komen.

De Maria was een goed bezeild schip; de wind was voorbeeldeloos gunstig
en toch gingen we naar onzen zin veel te langzaam. Eindelijk kwamen
we echter toch waar we wezen moesten en den 14den van Wintermaand in
't jaar 1610 lagen we weer voor Rotterdam.

Spoedig begaven we ons naar Den Briel. Wat zou mijne goede moeder
blijde zijn als ze me weer zag!---Maar, eilacie, nog was ik niet in
de stad toen 'k een droeve tijding vernam.--

"Hei, hei!" hoorden we achter ons roepen.

We keken om en zagen een breedgeschouderden knaap op ons
afkomen. Marten meende hem te kennen, maar toch....

"Waar kom jelui van daan?" vroeg de knaap toen hij ons genaderd was.

"Heb ik het niet gedacht," riep Marten, "'t is ons "Kregel
Mennonietje!"--

"Ei, ei, wat ge goed raden kunt, en jij bent, he-- heee--die bruine
is Marten en die halve zwarte is Huib! Heee!"--

"En hoe gaat het in Den Briel?" vroeg ik.

"Goed, goed, best, opperbest zelfs! Sinds een paar weken geef ik
geregeld iederen dag een stuk of drie jongens op hun falie want,
weet-je, 'k heb me laten doopen! Lekker, he? Kom nog eens aan mijn
lijf als je durft!" [9]

Wij stonden met groote oogen te kijken en Witte had er zooveel pret
in, dat hij dadelijk zijn buis op den grond smeet en zei: "Wil-je,
zeg, wil-je? Allebei te gelijk, kom maar op!"--

"Neen, Witte, we willen niet vechten! Zeg ons maar hoe 't in Den
Briel is!" zeide Marten.

"o Goed, goed! 'K heb gisteren je moeder nog gezien, springlevend maar
een weinig treurig.--Jou vader en moeder zijn dood, Huib! Je vader is
hier in 't zeegat over boord geslagen en verdronken, en je moeder is
vandaag voor eene week gestorven. Ze zeggen van verdriet! Maar zeg,
wil-je nou niet ereis?"--

"Wil-je nou niet ereis?" Wie zou nu lust in 't vechten hebben? Maar
hij kon het wel zeggen om mij te plagen en daarom vraagde ik: "Maar
zeg, Witte, is het waar?"--

"Als je me niet gelooft dan begin ik dadelijk! Ik en ben geen
leugenaar!" was het antwoord.

Ik snelde naar de stad, kwam bij ons huisje en vernam daar van de
buren wat er gebeurd was!--

Ik keerde mij om en ging buiten de poort eens uitweenen!

Die arme goede, goede, brave, lieve Moeder!

Ik kwam niet in de stad terug; maar twee dagen later was ik weer te
Rotterdam, waar ik mij op een Straatvaarder liet aanmonsteren.

Een half jaar later dan ik kwam Marten aan boord van De Haai, een
schoon schip waarover Pieter Pietersz. Hein Kapitein was.

Marten was in goede handen!

En ik?--



HOOFDSTUK VI

Bezuiden de Linie.

Het was in den zomer van 1625 dat ik te Enkhuizen met een mooie som
gelds in den zak door de straten liep wandelen. Vijftien jaren lang had
ik op onderscheidene Straatvaarders als matroos dienst gedaan. Zonder
nu nog slecht opgepast te hebben, had ik toch niemendal gedaan
om mij boven anderen te onderscheiden. Ik bleef, die ik was. Als
matroos zeilde ik uit, als matroos kwam ik terug, en als matroos
liet ik mij telkens opnieuw aanmonsteren. Soms verdiende ik weinig,
soms weer veel geld, maar onverschillig of het veel of weinig was wat
ik aan den wal bracht, het was altijd veertien dagen later, soms al
vroeger, schoon op en dan was er weer maar niets anders te doen dan
als matroos dienst te nemen. Wat heb ik wel met dat zuurverdiende,
kostelijke geld geleefd! Het rolde zoo maar mijn zakken uit; nu
eens in een huis waar men toeback dronk, dan weer in de gelagkamer
van eene matrozentaveerne en menigmaal ook in den zak van dat soort
volk, dat den onbezorgden matroos den laatsten duit voor allerlei
snorrepijperijen weet af te troggelen.

Mijne laatste reize was eene uitmuntende geweest. De buidel was nog
nooit ofte nimmer zoo goed voorzien geweest, en daarom besloot ik
eens naar Amsterdam te gaan om daar,--och, wat helpt het al geef ik
er een mooi kleurtje aan?--om daar mijn geld zoek te maken.

Wat zou ik doen? Varen, loopen of rijden? Varen? Dank-je, dat was
wat al te saai, daar en had ik geen lust in! Loopen? Eene lieve
wandeling van Enkhuizen naar Amsterdam! Rijden? Wel ja, dat moest ik
eens doen! Ik had het zeker in geen twintig jaren gedaan!--

Dat was dus besloten! Ik zou rijden!--

Toen ik goed en wel op weg was, had ik er wel spijt van en dacht ik
aan het zeggen van een oud kameraad: "Liever met eene oude schuit op
zee, dan met eenen nieuwen wagen op het land," maar, ik had gekozen en
'k wilde nu niet als een echte flauwerd terug krabbelen.

Half ziek van het hotsen en schudden kwam ik's avonds om tien uur
te Amsterdam aan.--Er was weinig verkeer meer op straat, doch aan
den IJkant hoorde ik uit eene kleine taveerne een vroolijk gelach
klinken.-- Waar gelachen werd daar moest ik wezen, dat zou me wat
opknappen. Ik trad de taveerne binnen en kon in het eerst bijna niets
onderscheiden, zoo vol was het met toebacksrook. Eene kaars, die op
eene toonbank stond, geleek veel op een maantje in 't laatste kwartier
dat in den mist opkomt. Ik hield de handen voor de oogen en ontdekte
eindelijk aan een tafeltje, waar nog zoo'n laatst-kwartier-maantje
stond te walmen, een stuk of zes matrozen. Ik schikte bij en weldra
moest de nieuweling een rondje bier geven. De pijpen werden nog eens
aangestoken, en de pret begon opnieuw.

Maar of het nu kwam door den rook, door het bier of door de
vermoeienissen van de reis, ik en weet het niet, doch dat weet ik wel,
dat ik op het laatst wat hoorde gonzen en babbelen; maar ik sliep
eindelijk zoo vast, dat men wel een kanon aan mijne ooren had kunnen
afschieten eer ik wakker was geworden.

Hoe lang ik geslapen had weet ik niet; maar ik werd wakker toen de zon
al lang aan den hemel stond, en niet in de gelagkamer van de taveerne,
maar op een' steekwagen, die op straat onder eene poort stond.--Ik
wreef mijne oogen eens uit, ging overeind zitten en trachtte mij te
herinneren waar ik den vorigen avond geweest was. Zou ik soms...? Ik
voelde naar mijnen buidel en ... hier niet, daar niet,--weg! In een
oogenblik was ik van den steekwagen aan den IJkant! Maar inplaats
van eene taveerne te vinden, zag ik er wel meer dan een dozijn en zij
geleken allen op elkander als de eene droppel water op den anderen.--Ik
ging ze binnen, doch werd overal ruw bejegend, ja, soms dreigde men
mij met den Schout.-- Wat moest ik doen?--

"Zoek-je een schip, kompeer?" vroeg mij een varensgezel.

"Ja, hoe eer hoe liever!" gaf ik ten antwoord.

"Ga dan maar mee," sprak hij.

Ik volgde mijnen nieuwen makker en een half uur later was ik aan
boord van de Drie Zusters, een flink oorlogsfregat.--

De bemanning was voltallig. De kapitein kwam aan boord en ... bedrogen
mij mijne oogen? Wie was dat? Nog zoo jong, lang, veel ouder geworden,
maar....

"Zeg eens, ouwentje," vroeg ik een mijner kameraads, "hoe heet de
kapitein?"

"De kapitein?" was het antwoord, "de kapitein? 'K zal dertigmaal eene
reis om de wereld maken, als ik het weet! Ik ben hier ook pas! Zeg,
jij daar met je bruine buis en je dunne spillebeenen, hoe heet de
kapitein?"--

De aangesprokene keerde zich even om en zei: "Wou je 't weten?"--

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.