A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Barnes & Noble Recent Beating of Borders
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Barnes & Noble Recent Beating of Borders
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Peter Matthiessen, Annette Gordon Reed Among National Book Award Winners
Barnes & Noble Inc.| BKS Barnes and Noble (BKS Quote - Cramer on BKS - Stock Picks) is ringing up the sales while its chief rival, Borders (BGP Quote - Cramer on BGP - Stock Picks), is struggling. Consumer spending is up 11% since April at Barnes

Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)



P >> Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12



"Ja, ik, ik wou het weten!" gaf 'k ten antwoord.

"Welnu dan, hij heet Marten Harpertsz. Tromp."

"Marten Harpertsz. Tromp uit Den Briel?" riep ik.

"Je raadt het. Hij is de lieveling van onzen Onder-Ammiraal Pieter
Pietersz. Hein. Hij heeft met hem twee malen bij de Spanjolen gevangen
gezeten en ik geloof haast, dat de een niet buiten den ander kan!"--

Het was of het dek van de Drie Gezusters een kogel geworden was
met zeep besmeerd. Ik kon haast niet blijven staan en alles draaide
voor mijne oogen in het rond. Dat Marten Harpertsz. Tromp! Dat mijn
vroegere speelkameraad! Dat op de Turksche zeeroover mijn slaapmakker,
mijn gelijke! En nu--hij kapitein en ik--matroos!--O, die Zwijn, die
Zwijn!--Hij was de schuld van alles! Ware die niet aan boord van De
Bare geweest, dan, dan ...

Maar daar kwam die oude Brielsche schoolmeester weer in mijne gedachten
en het was of 'k hem nog hoorde zeggen: "Kwikkwik, janslik demp mijn
oor is peperpit" of hoe dat Latijnsche spreekwoord heeten mag, maar dat
zooveel moest beteekenen als: "De tijd die voorbijging is verloren!"

We waren al veertien dagen in volle zee en hoe slim ik het ook
menigmaal aangelegd had om Marten eens aan te spreken, het was mij
niet gelukt.

Zoo peinzende op een nieuw middel liep ik 's morgens op den vijftienden
dag doelloos van stuurboord naar bakboord en keek maar gestadig op
het dek.

"Zoek-je wat, matroos?" klonk op eens eene stem naast mij.

Het was die van Marten.

"Neen, kapitein, maar, maar ..."

"Nu, wat is het? Heb je wat te vragen?"--

"Ja, kapitein, maar, maar ik durf haast niet!"

"Ben-je behekst, kerel? Ik ben toch geen haai! Vraag op, wat is het?"--

Ik beefde van, ja, ik weet niet waarvan, maar ik kon mijzelven haast
niet verstaan toen ik vroeg: "Kent u mij niet, kapitein?"--

Marten bekeek me nauwkeurig en zei: "Ja, jawel, je bent,--je bent
... neen, ik ken je toch niet!"

Ik lachte als een kind dat slaag krijgt en dat lacht, omdat het anders
nog meer krijgt.--

"Nu, wie ben-je dan?" vroeg Marten.

"Huib Maerlant!" stotterde ik.--

Tromp sprong wel drie schreden achteruit, doch kwam spoedig naar mij
toe en zei: "Huib, Huib, wie had dat gedacht toen we op den Burgheuvel
te Oostvoorne zeegevechtje speelden, toen we te zamen voeren en--te
zamen zweepslagen ontvingen! Je bent niet gelukkig geweest, Huib!"--

Ik meende te zeggen: "Zoo gelukkig niet als jij, Marten!" maar ik
bedacht mij gelukkig intijds en sprak zuchtende: "Neen, kapitein,
daar ontbreekt veel aan!"

"Ook niet zoo gelukkig, als ik!" sprak Tromp. "Maar jongen, om het
zoo ver te brengen heb ik heel wat moeten doen en heel wat moeten
doorstaan! Maar, herinner je dien jongen schipper nog, die eerst aan
boord van De Bare was?"

"Jawel, kapitein! U bedoelt dien Pieter Pietersz. Hein?"

"Juist! Nu, ik ben gelukkig in zijne handen gevallen. Hij heeft mij
gemaakt, die ik ben; aan hem heb ik alles te danken. Hij is nu onze
Onder-Ammiraal!"

"Ik weet het kapitein! Maar weet u ook wat er van het "Kregel
Mennonietje" geworden is?"--

"Die volgt mij op den voet, Huib! Hij is nu al luitenant aan boord van
Boudewijn Hendriksz. den Ammiraal.-- Als Witte zoo voortgaat dan ..."

"o, Kapitein, toen ik als knaap afscheid van hem nam, zei hij: "Als ik
zeeman word dan moet ik ook Ammiraal worden!" Dat zei hij en ... God,
God, gij allen gaat mij vooruit en ik, ik blijf, die ik ben, een arm,
arm matroos!"

Ik barstte in tranen uit.--

"Wat niet is kan nog worden, Huib! Moed gehouden! Later spreek ik u
nog wel eens!"--

Tromp verwijderde zich; maar ik fluisterde: "Te laat! Verloren tijd
keert nimmer weer!"--

Op de hoogte der Vlaamsche eilanden werden al de schepen
vereenigd. Hadden we, zooals het plan was, ons met den Ammiraal kunnen
vereenigen, dan hadden we eene schoone macht uitgemaakt, doch dit plan
werd verijdeld en met negen oorlogsschepen en vijf jachten zett'en wij
koers naar Amerika om de Spaansche Zilvervloot te onderscheppen. Ook
deze toeleg mislukte en thans besloot onze bevelhebber Piet Hein naar
Brazilie te stevenen en aldaar de Spaausche vloot op te zoeken.--Dit
was niet moeielijk; want weldra vonden wij haar in de Allerheiligen
baai, maar goed en wel gedekt door het geschut der stad.--

Toen Tromp van den krijgsraad terugkwam, werden wij allen bij elkander
geroepen, en toen dit geschied was, sprak hij:

"Mannen, onze Onder-Ammiraal wil een stout stuk bestaan waarvan,
als het ons gelukt, de wereld gewagen zal.--Er is roem, eer en lof
te behalen. Gij allen weet hoe vreeselijk fel onze Opperbevelhebber
op den Spanjool gebeten is. Werd hij niet eenmaal door den Spanjool
gevangen genomen en gegeeseld? Heeft hij in de West-Indien niet
andermaal onder hen eene harde krijgsgevangenschap moeten verduren,
en is hij daar niet twee volle jaren lang als een hond behandeld
geworden?--Maar wat spreken wij van hem? Hebben wij niet allen een
vader, grootvader, broeder of vriend op hen te wreken? Komt aan,
toont dan den Braziliaan en den Spanjool wat ge durft en wat ge kunt!

Hoort, daar klinkt het eerste kanonschot! Piet Hein is de voorste en
gaat op den vijand in! Wat zullen wij doen, hem volgen of...."

"Volgen, volgen, volgen!" klonk het van alle zijden.

Tromp wuifde zijn hoed en riep: "Leve de West-Indische Compagnie! Leven
de Vereenigde Nederlanden!"--

Wij allen herhaalden die woorden, en daar ging het. De Gelderland
en de Holland waren den Ammiraal spoedig op zijde, doch wij met nog
vijf andere schepen vervielen onder den wind en konden niet volgen,
zoodat die drie schepen den hond zijn kluif moesten ontnemen. En,
heer, heer, wat ging het er langs. Piet Hein schoot, als of hij
alleen alles wilde vernielen en toen wij eindelijk ook op zijde waren,
begonnen de poppen eerst recht te dansen.

De Spanjaarden riepen genade!

Maar, jawel, wij hoorden er geen van allen wat van, dat wil zeggen,
wij waren Engelsch doof en wilden niet hooren!--

Daar werd van het Ammiraalsschip eene boot neergelaten!

"De booten uit! De booten uit!" beval Tromp.

En nu ging het er zoo op los.

Als katten klauterden wij daar tegen die renzenschepen op en de
Spanjolen waren zoo verslagen en stonden zoo versuft te kijken, dat
we dit durfden doen, dat ze een - twee - drie rechtsomkeert maakten
en over boord sprongen om hun leven te redden.

Ja, 't hielp wat of ze ook uit de stad schoten, we gaven er zoo goed
als niemendal om, en die luiden moesten het zoo maar aanzien, dat we
twee en twintig schepen vlak voor hunnen neus weghaalden.

Maar op het onverwachts bleef het Ammiraalsschip vast zitten en weldra
volgde de Gelderland dat leelijke voorbeeld.

Welke moeite er ook gedaan werd, alleen de Gelderland kwam los en
het Ammiraalsschip bleef zitten als een muur, niettegenstaande wij
alle pogingen in het werk stelden om het vlot te krijgen.

Piet Hein kwam thans bij ons aan boord en het was eene liefhebberij
om te zien hoe hij Tromp behandelde.

Om de waarheid te zeggen, ik had liever gezien, dat hij maar aan
boord van een ander schip gegaan was; want ik verkeerde maar in
de meening, dat hij mij ontdekken en herkennen zou. Ik bleef hem
zooveel mogelijk uit zijn vaarwater en ik zorgde ook wel dat ik hem
niet voor den boeg kwam. Was hij met Tromp in gesprek dan dacht ik:
"Wie weet of ze 't nu niet over mij hebben!" --

Gelukkig was ik voor niemendal bevreesd geweest, en als ik maar een
gerust geweten gehad had, dan zou ik begrepen moeten hebben, dat een
Ammiraal zich zelden met matrozen ophoudt.

Intusschen ging 'k dien avond vroeg ter kooi en bekommerde mij al heel
weinig om het schieten uit de stad op het nog vastliggend schip. Den
anderen dag gingen wij er nog eens heen om weer andere middelen
in het werk te stellen teneinde het vaartuig vlot te krijgen. --
'T geleek veel op een zeef en Piet Hein zei: "Bij mijne trouw, het
schijnt dat de Spanjool zich gisteren avond in het schijfschieten
heeft geoefend! Bah! kwajongens werk!"--

Na meer dan een uur lang onder het vuur des vijands alles gedaan te
hebben wat we maar konden verzinnen, zonder ook maar een duimbreed
te vorderen, gaf Piet Hein bevel alles uit het schip te halen wat er
maar uit te halen was. Het geschut werd vernageld en vervolgens kregen
we in last om op vier plaatsen den brand er in te jagen.--Juist toen
ik hiermede bezig was hoorde ik eenen hevigen slag. Ik stormde naar
het dek en zag de zee bedekt met de overblijfselen van het schip De
Oranjeboom, dat, of door eigen vuur, of door dat van den vijand in
brand geraakt was. Meer dan veertig man kwam bij deze gelegenheid
op eene ellendige wijze om het leven. Slechts veertien van de zestig
manschappen werden nog half levend, doch met verminkte ledematen uit
het water gehaald.

Eindelijk scheen de Ammiraal over den behaalden buit tevreden te zijn
en den vijand genoeg naar zijnen zin getuchtigd te hebben. Hij gaf
bevel om af te houden en den koers naar het Vaderland te richten.

Zoodra dit geschied was zeide Piet Hein: "Tromp, waar is je barbier
of houdt je er zoo'n meubel niet op na?"

"Zeker, zeker," sprak Tromp, "maar ... maar ..."

"Je kijkt zoo naar mijn baard, Tromp, neen, ik moet niet geschoren
worden; hij moet mij wat verbinden!"

"Verbinden?" vroeg Tromp en zijne oogen werden zoo groot als twee
rijstbeschuiten, "verbinden? U is toch niet gewond?"

"Och, 't is de moeite niet waard er veel water over vuil te maken. Ik
kreeg een splinter in het been en een musketkogel aan den linkerarm,
meer niet! Nu, nu, doe maar niet zoo raar, ik zal er niet van dood
gaan!"

Ik had dat gesprek ongemerkt afgeluisterd en spoedde mij heen om den
barbier te halen.

Deze kwam weldra en een uurtje later wandelde de dappere en kordate
man heel bedaard over het dek.

Nu had ik altijd een ekel aan hem gehad, omdat hij mij, toen hij
nog schipper was, gestadig zoo ongezouten de waarheid had gezegd,
maar dat veranderde nu in een oogenblik. "Sapperloot," dacht ik,
"dat is een man!" en nauwelijks had ik dat gedacht of, iemand tikte
mij op de schouders.

"Wel, Huib, ben je er nu al zeker van of die vermaarde en excellente
poeet Jakob Van Maerlant van je maagschap is?"--

Ik groette beleefd en lachte.

"Nu ja, maar alle gekheid terzijde, waarom ben je niet ten oorlog
blijven varen, ge zoudt het licht zoo ver hebben kunnen brengen als
... als ... Tromp.--Heb je in dien tijd braaf wat geleerd?"--

Ik kreeg weer een ekel aan hem, was dat nu vragen! Tromp lachte mij
toe, alsof hij zeggen wou: "Maak van de gelegenheid gebruik, wees
vriendelijk en bescheiden! Piet Hein is nu Ammiraal, wie weet wat hij
nog van je maken kan!"--Maar, neen, dat wilde ik niet, ik wilde niet
vriendelijk en bescheiden zijn en om maar te maken dat ik gauw van hem
afkwam, zei ik: "Ik en ken niemendal, geen letter, dat weet u wel!"--

Tromp fronste de wenkbrauwen en zonder nog een woord te spreken,
draaide Piet Hein mij den rug toe.--Na dien tijd ben ik Tromp ook als
trouw vriend kwijt geraakt. Toen meende ik mij tegenover dien grooten
geluksvogel van Delfshaven al eens heel kordaat gehouden te hebben;
maar ik heb mij later wat beklaagd! Vooral toen ik in 1641 met den
Ammiraal Gijsels naar Portugal vertrok. Een kapitein Franse Jacobzen
Touw werd toen benoemd tot lid van den krijgsraad, maar moest voor die
eer bedanken, omdat ... hij niet lezen of schrijven kon. Toen gingen
mijne oogen eerst goed open en ik dacht: kon Touw kapitein worden, dan
hadden ze het mij nog beter kunnen maken; want ik kan in alle gevallen
toch iets van de lees-en schrijfkonst!--Maar 't was te laat!"--

Hier hield Maerlant even op en toen Jonge Kees vroeg: "Nu Huib,
wat volgde nu?" antwoordde hij: "Wij kwamen behouden in 't Vaderland
aan! Maar laat mij eene wijle rusten; er zit eene haai in mijn keel,
ik en kan niet meer spreken!"--

De waarheid was dat Huib te erg aangedaan was en nu meer dan vroeger
misschien dacht aan de spreuk van den Brielschen schoolmeester:
De tijd, die voorbijging is verloren!"



HOOFDSTUK VII

Toegejuicht en beweend.

Reeds twee jaren lang had ik op een der oorlogsschepen van de
West-Indische Compagnie gevaren en er was geene sprake geweest van
verhooging in rang. Vermoedelijk had Tromp liet zoo bewerkt dat ik op
een ander schip dan het zijne geplaatst werd, maar ik weet het niet
recht. Men zeide dat er aan boord van de Witte Leeuw kapitein Jan
Jansz. van Hoorn gebrek aan bevaren matrozen was, en daar men mij toch
in alle gevallen de eer gunde tot de bevaren matrozen te behooren,
zoo werd ik overgeplaatst. Ik had er geen spijt af. Kapitein Jan
Jansz. was een abel en dapper man en bij het volk zeer gezien.--

"Mannen," zei hij op zekeren mooien Meidag van het jaar 1628,
"mannen, de West-Indische Compagnie heeft geld noodig en daar wij,
lacie, bij ons te lande geen zilver of goud kunnen vinden, zoo is
er besloten geworden den Spanjool eens aan den pols te voelen. Dat
Amerika levert ieder jaar onzen vijand goud en zilver in overvloed en
dat wordt overgebracht met eene vloot, die door de Spanjaarden zelven
de Zilvervloot genoemd wordt!--Dat vosje gaan we vangen, maar ik zegge
u, dat geen uwer het hart in zijn lijf moet hebben aan het plunderen
te slaan; want zoo waar ik kapitein Jan Jansz. ben, ik zal ieder, die
dat durft te doen als deugniet ergens aan wal laten zetten.--De kat
komt een graatje toe, zegt het spreekwoord en ik en zeg niet dat dit
logen is; maar zij die dat zeggen nemen gewoonlijk de visch voor zich
en gunnen de graat een ander! En nu, handen aan het werk! Vooruit!"

Wij voegden ons bij de vloot, die een en dertig schepen telde en onder
bevel van Piet Hein stond. Aanvankelijk hadden we geen tegenspoed,
doch toen we dicht bij Amerika kwamen hadden we zooveel met tegenwind
te kampen, dat iedereen dacht: "Nu zal de buit ons toch ontgaan!"

Wij waren al in de nabijheid van liet eiland Cuba en wel in de baai
van Matanza bij Havana gekomen, toen we eensklaps de ontdekking deden,
dat de prachtige vogeltjes daar in de kevie zaten. Zoo handig als de
gouverneur van Havana dit doen kon, zond hij een schip uit om den
bevelhebber der Zilvervloot te zeggen: "Den g'ndag van mijn baas,
en hij laat je weten, dat je de vogeltjes niet moet laten vliegen;
want de kat loopt te tafelschuimen!"

Maar wij waren dat meneertje te vlug af en spoedig was het: "Kip,
ik heb-je! We zullen zelf de boodschap wel doen!"

De bevelhebber der Zilvervloot nu, denkende dat er geen vuiltje aan
de lucht was, zeilde uit en kwam midden in den nacht tusscheu onze
schepen in. Hij meende echter dat wij ook Spanjolen waren en toen het
dag was geworden, en hij zijne leelijke vergissing zag, was het te
laat om zich nog voor eene flinke kloppartij gereed te maken, zoodat er
niets anders op zat, dan zich als een weerlooze te laten doodschieten,
of zich over te geven. De man lustte echter te graag zijn fleschken
Malaga om zich zoo maar te laten vermoorden, en daarom besloot hij,
op voorwaarde van lijfsbehoud, zich met het geheele boeltje, zooals
het reilde en zeilde, aan de Hollanders over te geven.

Dat was eene schoone vangst en dat zonder slag of stoot! 'T was
haast niet om te gelooven. Geen wonder dat het volk, toen wij in het
Vaderland weergekeerd waren, Hein als het ware, op de handen droeg. Elf
millioen guldens was ook geene kleinigheid! En wij? Nu, we deelden
mee in den lof, die onzen Ammiraal toegezwaaid werd, maar voor het
overige viel er niet veel te verdienen. Als wij niet ietewat voor ons
zelven gezorgd hadden, dan zouden we van het vischje nog minder dan
het graatje gekregen hebben. Piet Hein werd tot Luitenant-Ammiraal van
Holland benoemd en de heeren van de West-Indische Compagnie deelden
vijftig percent winst uit.

Zoo er echter een naar verdienste beloond werd, dan was het onze
Ammiraal, en meer dan jammer was het, dat hij van zijne hooge
waardigheid zoo weinig pleizier zou hebben. Weet-je waarom? Luister
maar!

Die van Duinkerken hebben altijd vele noten op hunnen zang gehad
en toch zingen ze leelijk; maar in dien tijd hadden ze nog veel te
vertellen. Ze zaten maar op den loer of er ook rijkgeladen koopvaarders
door Het Kanaal kwamen en, wee het schip, dat geene mooie dubbele rij
holle ijzeren tanden kon laten zien; want om een paar kiezen en eenige
melktandjes gaven ze net zooveel, als een boer om eene rotte kool.

Om deze luidjes nu eens wat tot rede en plicht te brengen, werd Piet
Hein het volgende jaar met eenige schepen uitgezonden. Zijn eerste
werk was de haven der stad zoo netjes in te sluiten, dat er geen schip
in of uit kon. Drie der roofschepen waren echter bijna nog ontsnapt,
maar de wakkere Ammiraal liet zich nu maar niet zoo bedotten. Hij
zette hen achterna en begon een scherp gevecht. Marten was er ook
weer bij en op het oogenblik, dat deze een bevel ontving, zag hij
den bevelhebber aan zijne zijde wankelen en neervallen.

Geen woord kwam er meer over zijne lippen; de man was ineens dood. Een
stuk schroot uit grof geschut had een einde gemaakt aan het leven
van eenen man, dien de Vereenigde Provincien zoo zeer noodig hadden.

Met groote droefheid werd de tijding van zijnen dood in Holland
ontvangen, en veertien dagen later werd het overschot van den moedigen
man, onder eenen grooten toeloop van nieuwsgierigen, te Delft in de
Oude kerk begraven.

Met Piet Hein verloor Marten ook zijnen grootsten beschermer en
machtigsten voorspraak. Hij bleef nog eenigen tijd, als kapitein,
aan boord van de Groene Draak, doch werd toen van zijne betrekking
ontslagen. Waarom dit geschiedde weet ik niet recht.

Geen wonder dat Marten zich thans geheel aan den zeedienst onttrok
en rustig aan den wal ging leven.--

De oorlogszaken ter zee gingen echter weldra verkeerd en eindelijk
werd er besloten, dat men een wakker zeeman, een moedig en beleidvol
kapitein zoeken moest, om dezen aan het hoofd der vloot te plaatsen
en aan den slechten toestand, waarin zij verkeerde, een einde te
maken. Lang zocht men nu eens hier en dan eens daar, doch men kon maar
tot geene keus komen, totdat de oogen van Stadhouder Frederik Hendrik,
zaliger, op onzen Tromp vielen.

Dit geschiedde in 't jaar '37.



HOOFDSTUK VIII

Bij Duins.

Na het sneuvelen van Piet Hein had ik den dienst ter zee voor
de West-Indische Compagnie verlaten, en maakte even als vroeger,
weer tochten met de Straatvaarders. Langzamerhand begon echter de
walvischvangst minder voordeelen af te werpen, en daarom besloot ik
andermaal weer in dienst van den Lande te gaan. Ik deed dit vooral
omdat ik in 's Lands dienst nu elf gulden per maand verdienen kon en
... omdat ik naar afwisseling verlangde. En afwisseling zou er komen,
dat stond zoo vast als eene belboei aan eenen hardsteen. Allerlei
geruchten deden de ronde in het land. Nu eens was het: "Spanje
rust eene sterke vloot uit om de Oostenrijkers en enkele Duitsche
staten tegen de Zweden te helpen!" Dan weer was het: "Mis mannetje,
misgeschoten, er wordt eene landing in ons land voorbereid!" Eindelijk
kwam een derde en die vertelde, dat geen van ons allen van toeten noch
blazen wist, want dat "de Landvoogd in de Spaansche Nederlanden,"--ik
meen dat het toen de kardinaal Infant Ferdinand was,--aan den koning
van Spanje om hulp had gevraagd en dat die vloot te Duinkerken zou
binnenloopen.

De vloot, die dan afgezonden was om in Duitschland, in ons Land,
of te Duinkerken de poppen aan het dansen te krijgen, was wel zeven
en zestig zeilen sterk. Zelfs waren er vier galjoenen bij, die van
vier en vijftig tot acht en zestig kanonnen aan boord hadden.--Ze had
bovendien tienduizend man landingstroepen aan boord en even zooveel
zeesoldaten. De Ammiraal van die vloot was Don Antonio D' Oquendo,
die in dien tijd voor een heelen bol doorging. Maar eer die vloot
in Het Kanaal kwam, had Tromp nog een ander appeltje te schillen met
de Duinkerkers. Die lui waren met den dag brutaler geworden. In zes
jaren tijds hadden ze van die van Maassluis alleen ruim tweehonderd
haringbuizen genomen, die te samen zoo ongeveer een millioen guldens
waarde hadden. Men zegt zelfs, dat een Duinkerker door zeeroof zoo
rijk geworden was, dat hij den Koning van Spanje twaalf oorlogsschepen
aanbood, als deze hem eene ridderorde wilde schenken.

Nu was Tromp van plan de haven in te sluiten, maar eer wij er waren
hadden reeds twintig schepen het ruime sop gekozen. Onze heele macht
bestond uit twaalf scheepjes, doch de Ammiraal was de man niet om
het nu op een loopen te zetten, en daarom pakte hij ze maar dadelijk
aan, en hij deed dit zoo knap, dat de vijand na twee schepen en
zestienhonderd man verloren te hebben, het hazepad koos. En, het mag
gezegd worden, zijn de Duinkerkers en Spanjolen knap in het stelen,
ze zijn ook knap in het aan den haal gaan.--

Toen we van dien vijand zoo netjes afgekomen waren, was er wat te
doen in ons Landje, en de Heeren Staten waren er zoo mede in hunnen
schik, dat ze Tromp eene prachtige gouden keten gaven. De Koning van
Frankrijk vereerde hem met de orde van Sint-Michiel.

Ondertusschen bleven wij in Het Kanaal kruisen, verlangend naar het
oogenblik, dat we de vloot, waarover al zooveel geschreven en gezegd
was, eens onder de oogen konden zien.

De vijandelijke schepen waren vast grooter van bouw dan de onze,
maar wat gaven wij daar om?

"Grooter," riep er een, "ei wat, grooter! 'T zit 'm in de grootte
niet! Als een olifant eene kat vervolgt, en poesje kruipt door de
tralies van 't keldergat, dan staat meneer de olifant op zijne lange
slurf te kijken, als Jut voor het landhek!"

De vijandelijke vloot telde ook meer schepen dan de onze! Maar wat
gaven wij daar om?

"Meer schepen," riep een tweede, "meer schepen, wat zou dat? 'T zit
'm niet in zoo 'n menigte schepen! Een vliegje maakt het twintig
paarden op een' dag lastig!"--

De vijandelijke vloot telde meer kanonnen en meer manschappen! Maar
wat gaven wij daar om?

"Meer kanonnen en meer zeevolk," riep een derde, "wat zou dat? Twintig
haviken pikken naar eene zwaluw en zij krijgen haar toch niet; want
het beestje is die lui te glad af!"--

De vijand had een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal! Maar
wat gaven wij daar om?

"Een bekwaam, machtig, ervaren en dapper Ammiraal," riep een vierde,
"wat zou dat? Wij hebben Tromp, De With en Banckers! Tellen die
drie niet voor honderd Spaansche Dons met namen van 'k weet niet hoe
lang wel?"---

Zoo kon men nu eens dit en dan eens dat hooren; maar niet een was er,
die den kop moedeloos hangen liet en voor Jan Bang speelde.

Eindelijk kregen we den vijftienden van Herfstmaand de vijandelijke
schepen in het gezicht. Het was een prachtig schouwspel, vooral daar
ze den wind vlak voor het lapje hadden.--

Tromp zond dadelijk een der kleinste vaartuigen uit om De With, die
op de hoogte van De Cingels kruiste en Banckers, die de haven van
Duinkerken ingesloten hield te gaan waarschuwen.--Om de zijnen te
laten weten waar ergens hij zich bevond, liet onze Ammiraal om het
half uur seinschoten doen, en vast moet Witte die gehoord hebben,
want hij was met zijne vijf schepen al op weg om Tromp op te zoeken
toen hij de tijding kreeg, dat de Spanjaard in het gezicht was. Toch
verliep er nog een geheele dag eer hij zich met ons vereenigen kon,
want hij had den wind vlak tegen.

Ik, die weer aan boord van Tromp diende, maar door hem niet herkend,
of mogelijk niet gezien was, stond onbewegelijk op de boot te kijken,
die van Witte's schip neergelaten werd. 'T spreekt van zelf, dat hij
bij Tromp moest komen, omdat hij als Vice-Ammiraal onder hem stond.--

De boot lei aan den valreep, doch door onvoorzichtigheid van een der
roeiers sloeg ze alweer terug, en daar had je het lieve leven gaande.

Razen, vloeken, schelden, tieren, anders hoorde men niet. De roeier
kreeg, zooals mijn neef uit Sommersdijk zeggen zou, een boterham
van belang.

Toen hoorde ik geschop, gestommel en getrap en eindelijk, daar
stond hij in levenden lijve! Wat was dat "Kregel Mennonietje"
veranderd! Zijne oogen draaiden onder zijne donkere wenkbrauwen
als kooltjes vuur in het rond, en dikke plooien liepen van zijnen
neus naar zijn hoog en breed voorhoofd. Alles was beweging aan hem;
hij stond geen oogenblik stil en hij keek naar de Spaansche vloot,
alsof hij die geheel alleen zoo maar op de vlucht kijken kon.

"Daer ei-je noe dat vloekbeest van 'n veint!" zei een Zeeuwsch matroos
achter me tot zijn kameraad, die ook uit Zeeland was, en per ongeluk
op de Hollandsche schepen dienst deed.

"Wat eit ie alevel 'n zuur gezicht! Ie liekt veel op vaoders wacht'ond
Turk! Nee, mer oor is, ik zou ik ok liever z'n biebel weze as z'n
matroos, 'oore! En jie Uub?"--

Met dat "Uub" bedoelde hij mij, maar ik was te veel in gedachten om
met die twee Zeeuwsche mannen te gaan praten en daarom zei ik maar:
"'K en weet niet!"--

Ik kon mijne oogen niet van Tromp en Witte afhouden! Een goede dertig
jaren geleden waren die twee mijne speelkameraads! En hier waren we
weer alle drie. Een Luitenant-Ammiraal, een Vice-Ammiraal en ... een
matroos!--Als ik kapitein ben dan wordt ge mijn pluimgraaf, had ik tot
Witte gezegd, toen hij nog "Kregel Mennonietje" was. En nu ... Jonge
Kees, ik heb me toen een klap in mijn gezicht gegeven van nijd,
en 't was me, of 'k alweer dien Brielschen schoolmeester met zijn
"Kwikkwik" voor me zag staan!

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.