A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Barnes & Noble Recent Beating of Borders
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Barnes & Noble Recent Beating of Borders
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Peter Matthiessen, Annette Gordon Reed Among National Book Award Winners
Barnes & Noble Inc.| BKS Barnes and Noble (BKS Quote - Cramer on BKS - Stock Picks) is ringing up the sales while its chief rival, Borders (BGP Quote - Cramer on BGP - Stock Picks), is struggling. Consumer spending is up 11% since April at Barnes

Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)



P >> Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12



Hoe lang ik daar had staan droomen, dat en weet ik niet; maar eensklaps
werd ik wakker en ik hoorde Tromp zeggen:

"Dus De With! je denkt dat...."

"Ik denk niet, ik zeg dat wij die lui daar aanpakken moeten Zeventien
Hollandsche jongens kunnen het wel een paar dagen tegen die vijgeneters
uithouden, durf ik zeggen! Er zal wel versterking komen uit Holland en
Zeeland. Laat mij maar voorop gaan! Ik zal die Spaansche langslapers
een deuntje voortrommelen, dat ze een paar ooren opzetten zoo lang
als die van hunne ezels!

"Bang,--bah, wie bang is moet op schildwacht!"--

"Goed, sprak Tromp, maar bleef heel bedaard, "goed, we zullen den
vijand te lijf gaan! Bottelier, breng wijn! We zullen op den goeden
uitslag klinken en drinken!"--

"En als de wijn op is, dan halen we wat bij den Spanjool," riep Witte
en dronk in eenen zijnen beker ledig.

Het was of de Spanjaard geroken had wat er bij ons aan boord besloten
was; want de vloot stelde zich in beweging en kwam recht op ons
af. Don D'Oquendo was voorop!

Eer de vijand nog een schot gedaan had, was Witte al aan den gang. Hij
liet zijne kogels vliegen als een bakker, die op Sint Silvester
pepernoten te grabbelen gooit. Maar wij deden voor hem niet onder,
dat verzeker ik je. 'T ging er aardig langs en het duurde niet lang
of de vijand bedankte er voor den strijd langer voort te zetten,
en liep met klein zeil om de noord naar den hoek van De Cingels. Den
volgenden dag werden we door stilte en mist genoodzaakt stilletjes
te blijven liggen, doch tegen elf uren in den nacht, toen de mist
optrok, gaf Tromp bevel om het spelletje van den vorigen dag nog eens
te beginnen. Om een uur begonnen we en eerst des morgens te tien uren
hielden we op. Zoo vechtende waren we met den vijand naar De Hoofden
afgedreven en hadden we al eens een enkel oogenblik eene harde noot
te kraken gehad, niemand dacht er aan, dat we het wel eens konden
verliezen, en vooral dachten we dat niet meer, toen de Commandeur
Banckers onze kleine vloot met twaalf schepen kwam versterken.--De
Spanjaard had ondertusschen de wijk genomen naar Duins en meende
zeker, dat we 't wel niet in het hoofd zouden krijgen hem daar aan
te pakken. En jawel, net waren we van plan den vijand al weer aan te
vallen, toen meneer John Pennington bij ons aan boord kwam en in zijn
Koeterwaalsch zei: "Tromp, je hebt de groetenissen van Koning Karel
van Engeland, en hij laat je weten, dat je, als je met den Spanjaard
aan het bakkeleien en plukharen wilt gaan, dat dan maar op een ander
plaatsje doen moet; want de Koning wil geen vreemde pottekijkers in
zijn keuken hebben! Begrepen?"--

Hier werd Huib door een der matrozen in de rede gevallen, die zei:
"Zeg, Huibje, je verstaat geen Engelsch, hoe weet je dat die Pennington
dat gezegd heeft?"--

"Och, loop," hernam Huib, "dat kon ik wel raden; want van vechten
kwam er dien dag niemendal. Dat speet ons wat, dat kunt ge begrijpen;
want we hadden er pret in gekregen. We hadden ons hart opgehaald
"als Keuningen"!-- Ondertusschen begon het bij ons een mooi gezicht te
worden; want met iederen dag werd onze vloot versterkt. Daar was leven
in ons Land gekomen, en een leven, daar je geen begrip van hebt!"--

"Tuit, tuit, niet zoo haastig, kompeer," sprak thans dezelfde
matroos. "Ik kan me dat best voorstellen, want ik heb Witsen's
Scheepsbouw en Bestier, gelezen en daarin stond: De kaden, havens en
scheepstimmerwerven van Holland en Zeeland woelden en grimmelden van
nieuwe toerustingen te water en te land. Het scheen niet dat men van
alle kanten schepen timmerde, maar of ze van zelve groeiden. Men zag
geen opbod van Matrozen, maar hen van zelven in de schepen vallen!"--

"Ja," hervatte Huib, "gelezen is niemendal, je moet het gezien hebben,
zooals ik het gezien heb. Met De With werd ik naar 't Vaderland
gezonden om de gekwetsten en den behaalden buil over te brengen
en om versterking te vragen. Toen heb ik het met mijne eigen oogen
gezien, dat er te Rotterdam op een dag meer dan honderd matrozen zich
aanmeldden. Het scheen wel, dat daar bij Duins suiker met potlepels
en goud met emmers te scheppen was. Waar je kwam, ging of stond, daar
hoorde je niets dan van Tromp, De With, Banckers, Evertsen, Duins,
Engeland en Spanje praten. Jongens, ik ben blij, dat ik dien tijd
beleefd heb! Wat gaf ik er toen om, dat ik maar matroos was! "Alles
voor mijn Land en voor onzen Ammiraal!" dacht ik en duizenden dachten
als ik.

Ondertusschen lagen we reeds eene maand voor Duins. Onze vloot
was reeds tot negentig schepen aangegroeid en iedereen brandde van
verlangen, om toch weer eens van leer te trekken; maar hierin werden we
iederen dag teleurgesteld. De Engelschen wilden niet hebben, dat we op
hunne reede aan het vechten zouden gaan, en reeds was men begonnen ons
te dreigen, dat ze den Spanjaard helpen zouden, en uit Holland, waar
men ook bevreesd was, aan te tasten, omdat men vreesde met Engeland
in onmin te komen, kwamen ook iederen dag allerlei boodschappen.

"Welnu," zei Tromp, "dat de Spanjaard dan in de open zee kome, daar
vecht ik ook liever!"--

Meneer Pennington bracht die boodschap naar zijnen vriend D'Oquendo,
doch kwam al heel gauw terug en zei: "De groeten van Don Antonio en
hij laat je weten, dat hij niet kan uitzeilen, omdat hij gebrek heeft
aan masten en stengen, die hij te Dover heeft laten liggen!"--

"Als 't anders niet is, dan zullen we dat varkentje wel wasschen,"
sprak Tromp. "Ik zal ze laten halen!"--

Terstond werden eenige schepen naar Dover afgezonden, en de Spanjaard
had zijn wensch; maar toch kwam hij niet.

Daar kwam Pennington alweer en zei: "Hoor eens, Tromp, onze goede
vriend zou wel eens even met je aan den slag willen gaan; maar de
man heeft geen buskruit!"

"Dat 's niemendal," luidde weer Tromps antwoord, "ik zal hem eenige
duizenden ponden verschaffen!"--

Ook hieraan werd terstond gevolg gegeven, maar.... de Spanjaard bleef
waar hij was.

Eindelijk kwam er bericht van Hunne Hoogmogenden, dat men nu terwille
van Engeland genoeg gesammeld had, en dat er een einde aan komen
moest. Tromp mocht gerust den Spanjaard aanvallen, onverschillig waar
hij hem vond.

In den nacht tusschen den twintigsten en eenentwintigsten van Wijnmaand
liep de wind naar het noordwesten en was dus bijzonder in ons voordeel
om den vijand van de reede te verjagen. Hoe lang D'Oqueudo ook al had
kunnen voorzien, dat hij eindelijk toch wel aangevallen zou worden,
toch kwam de aanval nog onverwacht en vele schepen waren genoodzaakt
hunne ankers te kappen. Hierdoor ontstond verwarring en deze werd
niet weinig vermeerderd toen ze elkander op de nauwe reede weldra in
den weg kwamen, en eindelijk aan den grond bleven zitten.

Hieraan stoorde Tromp zich niet en hij stoorde zich nog minder aan
de Roorokken, die met het geschut uit hunne sterkten de Spaansche
schepen in bescherming namen. Oorverdoovend was het gedonder van het
geschut, en de Spanjaarden van de schepen, die omhoog zaten, kregen
het zoodanig te kwaad, dat ze hals over kop in het water sprongen en
zwemmende hun leven trachtten te redden. Onderwijl Tromp zich zoo
bezig hield met de schepen op de reede, had Ammiraal Jan Evertsen
het Portugeesche gedeelte der vloot aangetast. De Portugeezen vochten
dapper, en zeker zouden ze niet zoo geheel verslagen zijn geworden,
als het Ammiraalschip De Theresea, die wel duizend man aan boord had,
niet in de lucht gevlogen was. Onder al die bedrijven was het D'
Oquendo toch gelukt in zee te loopen, doch hier was hij evenmin
veilig als op de reede. Woedend werd hij aangevallen en woedend
verdedigde hij zich. Toch zou hij op het laatst zich hebben moeten
overgeven; maar eene mist en daarna een hevige wind stelden hem in
staat met een tiental schepen te Duinkerken binnen te loopen. Van de
zevenenzestig schepen bleven er achttien behouden; voor het overige
was die schoone vloot vernield, of in handen der onzen. Wij namen
ongeveer tweeduizend man gevangen en vijfduizend waren gesneuveld of
verdronken. Wij verloren slechts honderd man en een schip. De vreugde
te beschrijven, die er in ons land heerschte, kan ik niet! Dat moet men
bijgewoond hebben. Groot en klein, rijk en arm, oud, jong, aanzienlijk
en gering, iedereen was vol vreugde. Gedenkpenningen werden geslagen,
gouden ketenen werden uitgedeeld en de poeeten maakten liederen, die
klonken als klokken. En de luiden, die zoo juichten hadden het bij
het rechte end, want als de Spanjaarden eens overwonnen hadden, dan
had het er voor de Vereenigde Nederlanden niet te best uitgezien. Met
de vrijheid en onze macht ter zee was het al vast gedaan geweest en,
als we die moeten missen, dan is liet met ons land mis. Op de zee
ligt onze welvaart; op de zee ligt ons bestaan;--op de zee ligt ons
alles! De Zee is de bruid van ons Gemeenebest, en wee ons, als die
bruid door eenen driesten vijand ons ontnomen wordt!



HOOFDSTUK IX

Naar Zee! Naar Zee!

Na de schitterende overwinning bij Duins kon een groot gedeelte van
de oorlogsvloot, waaronder ook vele koopvaarders waren, naar de havens
terugkeeren, of hunne reizen naar Oost en West hervatten.

Rust kwam er evenwel niet; want de Duinkerkers waren er nog met
hunne roofschepen, en, al zei ook heel de wereld, dat wij de eerste
mogendheid ter zee waren, daaraan stoorden deze luiden zich niet, ja,
't was of ze met den dag brutaler werden.

Onderwijl wij voor Duins lagen hadden zij hun kans waargenomen, en ze
waren aan het rooven getrokken, dat het een aard had. Op een enkelen
dag maakten ze eens elf schepen prijs. Ze kwamen zelfs tot voor Aland
in de Bothnische golf, namen daar een Nederlandsen oorlogsschip en
vier koopvaarders en sleepten uit de baai van Shetland nog vier onzer
oorlogsschepen mede.

Het gebeurde dat er wel zestig Duinkerker-kapers te gelijk in zee
waren.

Nu deed Tromp wel wat hij kon om dien luiden dat rooven, plunderen
en moorden af te leeren; maar hij kon toch met zijne vloot niet op
alle plaatsen te gelijk zijn. En toch, hoe akelig en naar het voor
onze kooplieden was zoo telkens bestolen te worden, toch houd ik
vol dat ze die Duinkerksche baasjes wel eens mochten gaan bedanken,
inplaats van ze te verwenschen.

Weet je waarom?

'T is anders zoo duidelijk en klaar als een lantaarn in het donker.

Door die slimme en dappere Duinkerkers telkens gefopt, moesten we op
het laatst ook wel slim en dapper worden, of we wilden of niet! We
werden, als ik het zoo eens zeggen mag, zoo glad als een aal, zoo
slim als een vos, zoo brutaal als een wolf en zoo dapper als een leeuw.

De geest van Tromp is in velen gevaren, en er is nooit een
schoolmeester geweest, die zijnen discipelen zoo goed zijne schrijfhand
leerde namaken, als Tromp zijnen kapiteins zijne manier van oorlog
ter zee voeren!

Laat Witte Cornelisz. De With maar eens toekijken als we aan het
vechten gaan, dan zal hij zien van wien de onderbevelhebbers meer
geleerd hebben, van hem of van Tromp.

Die eene Brielsche kwajongen is meer dan de andere, de roem van zijne
stad en de eer van zijn Land geworden!

Onderwijl we zoo tegen de Duinkerkers kruisten kreeg De Haese, dit was
de naam van het schip waarop ik voer, bevel om met nog eenige andere
vaartuigen, die onder het oppergezag van Ammiraal Aertus Gijsels
stonden, naar Portugal te stevenen om daar den nieuwen Koning een
handje tegen de Spanjaarden te helpen.

In Oogstmaand van '41 liepen we uit, zoodat ik tot mijn spijt niet
behoorde tot de lui, die met Ammiraal Tromp, den zoon van Frederik
Hendrik naar Engeland gingen brengen.

Ik had dolgraag dat gezicht van dien Engelschen Koning Karel eens
gezien. Hij ontving Tromp heel beleefd en stelde hem zelfs aan de
koningin voor als den grootsten Ammiraal der wereld. Nu kunnen ze
me nooit wijsmaken dat die Koning dat meende; want bij Duins had
Tromp getoond dat Koning Karel bij hem niet erg in tel was. Maar
dat zijn dingen waaraan een zeeman niet denken moet en ik zou haast
gelooven, dat de wakkere stuurman Willem Adriaense Warmont gelijk
had toen hij zei: "Ben-je mal, jongen, wat bekommer je jezelven over
dingen, daar je toch niet bij en kunt met je verstand? Weet je dan
nog niet dat er tweeerlei soort van menschen zijn en wel matrozen en
landkrabben? Als ik jou tegenkom en ik heb wat tegen je, dan zeg ik:
"Hier ben ik! en jij zegt dan: "En ik ben hier!"--En als we dan zoo
over en weer mekaer gegroet hebben, dan pak ik jou bij je kraag en
jij mij, en dan gaat het links, rechts, neer, op, rechts, links, op,
neer! net zoo lang tot een van ons beiden zijn bekomst heeft en zegt:
"'K heb niemendal meer in te brengen, je bent, de baas!" Zie-je,
Huib, zoo zouden wij, matrozen en varenslui, doen, en daar we toch
wel nooit grutter of raadpensionaris zullen worden, zoo moesten we
er ons zelven ook maar geen oogenblik het hoofd mee vermoeien met te
denken wat de landkrabben doen!"--

Het was een rare sijs die stuurman, en daar hij veel geleerd had en
bijster knap was, zoo en heb ik me ook maar nooit meer bekommerd over
dingetjes, die geen stuurboord of bakboord gezien hebben.

Maar ik dwaal heelemaal van mijne geschiedenis af.

Onderwijl Ammiraal Tromp dan de Duinkerkers vervolgde en heel deftige
bezoeken in Engeland bracht gingen wij naar Portugal om dat land
een handje te helpen tegen de Spanjaarden. [10] Behalve Gijsels,
die onze vlootvoogd was, hadden we onder hem nog als Vice-Ammiraal
Jacob Pieterse Tolck, en als Schout bij Nacht den Vlissinger, Michiel
Adriaensz. De Ruijter. Onder dezen laatsten diende ik.--Dat Gijsels
een dapper en ervaren zeeman was is vast, maar of die Tolck dat ook
was, dat en weet ik niet. Maar dat onze Schout bij Nacht een flinke
kerel was, daar af zou ik jelui heel wat kunnen vertellen. Hij was
toen nog maar vier en dertig jaren oud; maar zelden heb ik iemand
van dien ouderdom gezien, die zoo moedig, zoo verstandig, zoo slim,
zoo beleidvol, zoo goed, zoo rechtvaardig en zoo vriendelijk was
als hij. Kijkt, jongens, ik en ben geen profeet, maar ik zie er in,
dat diezelfde Michiel De Ruijter, die een kwajongen moet geweest zijn
zoo groot als er ooit een geleefd heeft, een Ammiraal zal worden zoo
groot, dat hij den roem van onzen Marten in de schaduw zal zetten. Die
man heeft alles wat een jong man hebben moet om eens een groot man
te kunnen worden.--Van iedereen wil hij leeren van den Ammiraal af
tot den kajuitswachter toe. Hij is niet zoo trotsch en eigenwijs om
te gelooven, dat hij alleen alles weet! En dat behoort zoo! Zoo deden
Piet Hein en Tromp ook. Zoo doet Witte Cornelisz. De With niet altijd
en dat is zijn ongeluk.--

Onze vloot was slechts twintig schepen sterk en, daar ze meest allen
nieuw waren en nog geen proeftocht gedaan hadden, zoo hadden we met
veel moeielijkheden te kampen. En dan was de uitrusting ook alles
behalve in orde. Het Ammiraalschip telde slechts 118 man, en bestond
dan nog voor een groot deel uit lui, die nooit zeewater geproefd
hadden. Reeds in Het Kanaal werden onze bevelhebbers het met elkander
oneens, en toen er zoo'n klein stormpje opstak, liepen er zes van
de tien te grienen en te huilebalken, te lamenteeren en te klagen,
alsof hun leste uurtje al geslagen was.

En met zulke baliekluivers moesten we uit bakkeleien gaan. 'T stond
bijster mooi aan.

Na verscheidene weken gekruist te hebben, ontdekten we in den vroegen
morgen van den derden van Slachtmaand eene sterke vloot. Wij dachten
eerst dat het de Portugeezen zouden zijn. Wij kwamen die lui helpen en
het was dus niet meer dan een staaltje van hunnen plicht om ook mede
te doen. Maar, jawel, ze lieten zich fluiten als een kikker in het
riet, en al heel gauw werden we gewaar, dat het vlootje, dat we zagen
aankomen maar eens even bestond uit negen groote Spaansche galjoenen,
tien Duinkerksche koningsschepen, vier fregatten en een jacht. [11]

"Goeien morgen, Huib," zei ik tot mij zelven, "goeien morgen, Huib,
dat katje moet jelui vandaag de bel aanbinden! Dat zal er spannen!"--

Onderwijl ik dat zoo zei, hoorde ik iemand achter me snikken. Ik
keerde mij om, en, 't was om de oogen uit het hoofd te schamen,
een reus van een kerel stond achter me te schreien als een kind,
dat zijne koekskens in den modder heeft laten vallen.

"Wat hapert er aan jou, kameraad?" vroeg ik.

"Och, nou en zal ik nooit meer mijn lief Smeerdiek terugzien!" gaf
hij mij ten antwoord. [12]

Zoo'n lummel!

"Denk-je dan dat je vandaag blind zal worden?" vroeg ik.

"Nee, jae, en toch nee! Mer ze zulle me herstikke dood schieten! En
as ik dood bin, dan kom ik nooit niet meer weromme, en ik zien ik
nooit niet meer m'n Smeerdiekje mee z'n klokkespilletje!"--

"Och, och, hoe erg!"--

"Jae, en dicht bie dat mooie torentje mee z'n klokkespilletje, daer
weunt m'n meutje en daer 'oud ik zoovee van!"--

"Wel, wel, dat 's verschrikkelijk!"--

"En as ze me noe is doodschiete, wat zal m'n meutje dan jule!" [13]

'T was of de kerel gek werd zoo stelde hij zich aan; hij zette een
mond open als een bakkersoven en huilde als een wervelwind.

Eindelijk kwam onze Schout bij Nacht ook aan en toen hij mij zoo zag
gieren van het lachen, zei hij: "Dat moet je niet doen, Huib! En jij,
goeie vrind, moest niet huilen; want dat helpt toch niemendal. Maar
weet je wat je doen moet?"--

"Nee, nee, lieve Schout bie Nachtje, dat en weet ik nie!" snikte
de man.

"Nu, luister dan, vrind! Vooreerst moet je een weinigje op den
goeden God vertrouwen; want die heeft voor 'n armen zeeman ook
wel wat over. En dan, je heb knuisteu als voorhamers en armen als
kluifhouten! Denk je dat je die gekregen hebt om er je tranen mee af
te vegen? Mis, man, mis! Jij hebt die nou is om er vandaag klappen mee
uit te deelen, links en rechts! En als je niet weet, hoe je dat doen
moet, kijk dan maar eens naar onzen Huib, en als je wil, naar mij,
dan wed ik dat je er vanavond schik in hebben zult, dat je vandaag
zooveel geleerd hebt!"

Zoo sprak De Ruyter en begon terstond zich tot den slag gereed te
maken. Het gebed werd gedaan, daarna kreeg ieder gelegenheid om eens
goed te schaften, de vlag werd aan de vlaggespil vast gespijkerd en
... daar ging het er van door!

Gijsels trachtte zich met den Vice-Ammiraal Tolck te vereenigen. De
vijand hield het er voor, dat hij aan den haal ging on zette hem
na. Maar Gijsels dacht: "Neen, dat bedoel ik niet!" en terstond liet
hij wenden en gaf den Spanjaard de volle laag. De vijand meende echter
dat hij zoo 'n hoopje garnaalschuitjes best aan kon en gaf Gijsels
dubbel en dwars terug wat hij gegeven had,

"Mannen," riep De Ruyter, "onze Ammiraal krijgt het met die Spaansche
Dons te kwaad; we gaan hem helpen!"

Zoo gezegd zoo gedaan.

Van 's morgens half tien tot laat in den achternoen vochten we als
leeuwen.

"Aoist, aoist, aoist!" klonk het op eens naast me. [14]

Het was de Smeerdieksche reus, die een kanon afgeschoten had en
ontdekte dat hij met zijnen kogel de vijandelijke Ammiraals-vlag aan
narden schoot.

"Dat heb je 'm eens secuur gelapt, kompeer!" zei ik.

"Jae, jae, dat 'eb ik net! Aoist, aoist, aoist!" juichte hij.

"Aan de pompen, aan de pompen!" kommandeerde De Ruyter, en 't was
noodig ook; want de romp van De Haese moet veel op eene spons geleken
hebben, zoo hadden ze ons beschoten.

Eindelijk ging Tolck, die een beetje minder dan niemendal gedaan had
aan den haal, en of Gijsels ook al op hem schoot om hem te noodzaken
terug te keeren, Tolck deed alsof hij het niet hoorde, en zette zijne
wandeling voort. Misschien dat de man door zijn volk gedwongen werd
om zoo te doen, ik en weet het niet, maar daar ben ik zeker af,
dat hij ons leelijk in de pekel liet zitten.

Nu riep de Ammiraal de bevelhebbers der schepen, die hem trouw
bijgestaan hadden, aan boord om te overleggen wat er gedaan moest
worden. Ze besloten bijna eenparig het gevecht te staken, omdat
de schepen te veel geleden hadden en het onmogelijk nog langer vol
konden honden.--

De Spanjool scheen ook niet veel lust te hebben om de partij nog eens
op te nemen en verwijderde zich van ons. In den nacht, die op dit
gevecht volgde, kregen we nog eenen vreeselijken storm op ons dak en
met heel veel moeite en zware averij waren we wel genoodzaakt om te
Lissabon binnen te loopen.

De koning van Portugal gaf aan onze bevelhebbers mooie gouden ketenen
met penningen, misschien wel in de hoop, dat we onze kunsten nog eens
zouden toonen; maar Gijsels had daar geen lust toe, als de Portugeezen
ons niet hielpen. Die lui waren echter liever koud dan moe, en daarom
zei onze Ammiraal op een' mooien morgen den Koning goeien dag en wij
keerden naar het Vaderland terug.

Ik wil je wel zeggen, dat ik hard verlangde om weer eens een poosje
aan den wal te leven; maar daar kwam niet veel van! Nauwelijks toch
was ik aangekomen of 't was alweer maar: "Vooruit, Huibje! Help de
Duinkerkers eens achter den broek zitten!"--Was dat afgeloopen,
dan was het weer: "Ga nou met Witte Cornelisz. De With eens naar
de Sont, Huibje! Die koning van Denemarken is een levende schrok,
eene haai van de grootste soort! Omdat wij goede vrienden zijn met
Christientje, die voor Koninginnetje van Zweden speelt, en omdat
die Kris, die koning van Denemarken, uit meenens met haar ravot en
stoeit, zoodat de splinters er afvliegen, zoo laat hij onze schepen,
die de Sont passeeren schandelijk veel losgeld betalen! Toe, Huibje,
help jij met je Brielschen kameraad, 't "Kregel Mennonietje," dien
Kris eens op zijn nummer zetten! En jawel, hoor, daar ging het!

In Hooimaand van het jaar '44 staken twee en veertig oorlogsschepen
onder bevel van onzen Witte, als Vice-Ammiraal, in zee. Wij hadden
te zorgen voor negenhonderd koopvaardijschepen, maar Witte kreeg de
boodschap mee alleen maar te waken, dat onze schepen den gewonen tol
moesten betalen en geen geweld aangedaan werden. Ik diende bij hem
aan boord, en dikwijls dacht ik zoo, in mijn eentje, aan dien morgen
toen ik voor het eerst naar zee zou gaan en afscheid ging nemen. Toen
had ik al heel leelijk gekeken, als Witte zei: "Als ik ga varen,
wil ik Ammiraal worden!"--En ik, dwaaskop, die ik was, ik had hem
uitgescholden en gezegd, dat hij pluimgraaf zou worden op het schip
waarop ik kapitein was!--

En nu! 'T is me gegaan zooals de Ridder Cats zegt:


"Veel roemen met een dommen geest,
Een ijdel vat bomt aldermeest." [15]


Onze tocht liep goed af en beter dan ik gedacht had. Wel zag ik Witte
nu en dan met zijnen degen op het dek stampen, wel hoorde ik hem
enkele malen van kwaadaardigheid op de tanden knarsen, maar hij hield
zich goed en geen pond kruit heeft hij laten verschieten. Nauwelijks
was de goede man echter thuis, of de Denen begonnen het spelletje
van voren af aan, en thans besloten de Staten-Generaal om in '45 nog
eens eene vloot uit te zenden om de koopvaarders te besehermen. Nu was
zijn lastbrief eenigszins anders. De koopvaardijschepen mochten in het
geheel geen tol betalen, en hij zelf zou ze met zijne oorlogsvloot door
de Sont brengen. Bij de minste beleediging kon hij van leer trekken,
zoo hard hij wilde. Dat was een kolfje naar Witte's hand. Met vijftig
wel uitgeruste schepen zeilde hij uit om eene vloot van weer maar
zoo eventjes negenhonderd koopvaarders door de Sont te voeren.

Toen we dicht bij het kasteel Kroonenburg gekomen waren ging de
eerste konstabel naar den Ammiraal en vroeg beleefd hoeveel schoten
hij doen moest om den koning van Denemarken, die op het kasteel was,
te begroeten.

Witte gaf geen antwoord.

"Hoeveel schoten zullen er ter eere van de Koning gelost worden,
Ammiraal?" klonk andermaal de vraag.

"Hoeveel schoten? Een, maar dan liefst met een zes-en-dertig ponder
en dan zoo netjes gemikt, dat die Kris op den grond tolt als een
dronken kadraaier!" [16]

"Dus maar dadelijk met scherp, Ammiraal?"

"Loop heen, kerel, je staat me daar net bij als eene geit voor het
Prinsenhof. Snor uit, ik zal wel groeten!"

De konstabel verwijderde zich en ieder, die hem verstaan had, keek
nieuwsgierig uit om te zien wat de wildeman doen zou.

Daar lag het sterke Kroonenburg en daar stond de Koning.

Zoodra Witte hem zag klom hij op de kampanje en lichtte dood bedaard
een paar keeren zijnen hoed af, en zei: "Dag Kris! Je hebt de groeten
van de Heeren Staten, en wij betalen je nu eens geen duit! Als je ze
hebben wil, dan kom je ze maar halen! Wij zullen in looden bolletjes
uitbetaling houden."

De Denen stonden te kijken, alsof ze een klap van den molen gekregen
hadden, toen ze ons zoo deftig door de Sont zagen trekken en de Koning
kreeg zooveel eerbied voor onze macht, dat hij weldra vrede met Zweden
maakte en de verhooging van de tollen wijselijk achterwegen liet. Ja,
onze roem begon toen zoo te stijgen, dat zelfs vreemden bij ons de
zeevaart kwamen leeren. [17] Na deze tochten naar het Noorden had
ik nog al geen rust; want nauwelijks was ons schip voor den dienst
afgekeurd, of ik kwam op een ander en ging naar ... Duinkerken.--

Ja, alweer naar Duinkerken waar Tromp de haven hield ingesloten. De
Franschen sloegen het beleg aan de landzijde en langen tijd hielden de
belegerden, wien het aan geen moed ontbrak, het beleg vol. Eindelijk
moest Markies De Lede, die het bevel binnen de stad voerde, zich
overgeven en het befaamde en geduchte roofnest was in handen van den
Franschen Koning. Dit geschiedde den tienden van Wijnmaand van '46.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.