Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)
P >>
Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 | 7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12
Ik kwam eindelijk weer in het Vaderland terug en daar mijne dienstjaren
om waren zoo besloot ik te Rotterdam kaaigast te worden.
Kaaigast, jawel, een goed baantje voor die landkrabben, maar niet
voor een zeeman, die al bijna veertig jaren op de zee had rondgezwalkt.
Als ik zoo bezig was een Oostindievaarder te helpen lossen, dan dacht
ik dikwijls: "Huib Maerlant, wat ben je toch een gek! Je gaat hier
aan den wal om een vrachtje vechten, je verdient soms net zooveel
als je noodig hebt om te kunnen leven en soms niemendal! Je kost
is dunnetjes, je slaapplaats niet te best en slaven en draven is de
boodschap als je niet van honger sterven wilt. Je doet nou net als
die lange slungels, die bang zijn om ter zee te varen, omdat ze op zee
kunnen verdrinken. Je bent een flauwerd, Huib, een rechte Jan Salie,
ja, dat ben-je!"
Bovendien was het aan den wal ook al niet pluis. De vrede met Spanje
is tegen den zin van onzen Stadhouder Willem gesloten en sedert,
is liet tusschen hem en de voornaamste Heeren in Holland ook al
geen botertje tot den boom. Dat is harrewarren hier en harrewarren
daar. Zelfs onder ons sjouwerlui kwam er al verdeeldheid, en dat gaf
maar oorzaak tot ruzie en vechtpartijen.
Jelui weet het allen zoo goed als ik, dat de Prins zes heeren
op Loevestein heeft gevangen laten zetten omdat hij deze voor de
hoofdpersonen hield, die alles wisten door te drijven wat hij niet
geern zag.
En wat was het gevolg?
Jan trok partij voor de mannen van Loevestein en hunne kornuiten, en
Piet zei alweer: "De Prins heeft wel groot gelijk, dat hij zoo doet!"
Zoo dat, wil ik maar zeggen, iedereen partij koos.
Nu ben ik op miju manier niemendal. Ik kan niet zeggen dat ik zoo
bijzonder voor den Prins ben, en ik kan ook niet zeggen, dat ik
zooveel op heb met de Heeren Staten van Holland. Ik heb in die dagen
ondervonden, dat ik voor landkrab niemendal deug; maar het leelijkste
was, dat ik daar zelf nooit aan gedacht had, tot op zekeren mooien dag,
nu misschien een jaar geleden.
Het ging me nu altijd zoo wat als dien Voornschen boer in den tijd
van de Hoeken en Kabeljauwen!"
"Welke boer was dat, Huib?" vroeg Jonge Kees.
"En weet je dat niet? Luistert dan maar, ik zal je 't vertellen. In
den tijd toen de menschen hier te lande verdeeld waren in Hoekschen
en Kabeljauwschen, liep Krelisboer van Nieuwenhoorn, toen hij van zijn
werk kwam, met een dorschvlegel op zijne schouders naar huis. Pas had
hij een stap of wat gedaan, of daar kwam een troepje Kabeljauwsche
schobbejakken aan. [18]
"Hei, boer," riepen ze, "wat ben je, Kabeljauwsch of Hoeksch?"
Krelisboer, die geen onderscheid zien kon tusschen Hoeken of
Kabeljauwen, zei op de bonnefooi [19]: "Wel Hoeksch, mannen!"--
"Wacht, we zullen je Hoekschen," riepen die lui en gaven Krelis een
hard pak slaag.
"Dat heb ik al vast beet," dacht onze maat en ging verder.
'T was of het werk sprak, daar kwam weer zoo'n troepje van die
vechtersbazen; maar dat waren Hoekschen, en die vroegen ook aan Krelis:
"Boer, wat ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?"
Krelis voelde nog de klappen, die hij had gehad en zei: "Kabeljauwsch,
mannen! Rondom Kabeljauwsch!"
"We zullen je Kabeljauwschen!" was het antwoord en daar ging het weer,
van hetzelfde laken een pak.
"Die heb ik al weer beet," zei Krelis, "maar nou zullen ze me niet
weer vangen!"--
Daar kwam het derde troepje en 't was al weer: "Boer, wat
ben-je? Hoeksch of Kabeljauwsch?"
"Wel," zei Krelis, "dat zal ik jelui nou eens netjes vertellen! Eerst
ben ik Hoeksch geweest, toen Kabeljauwsch en nou ben ik duivelsch!" en
den dorschvlegel van zijn schouder nemende, sloeg hij net zoo lang
links en rechts, tot al de lui op den loop gingen.--
Maar hoort nu, hoe het verder met me afliep.
Daar was een rijk geladen Oostindie-vaarder thuis gekomen en lag
aan den wal te Rotterdam. Ik stond al sedert een paar dagen op werk
te loeren, en schoot nu als een pijl uit den boog op het schip toe,
dat nog niet eens aan de ringen gemeerd was. [20]
"Hei, jij, ouwe robbevanger, houd je maar mak!" riep een jonge
kaaigast, dien ik tegen het lijf liep. "Dat vrachtje is voor ons!"
"Heeft de kapitein jelui dan al aangenomen?" vroeg ik.
"Nee, maar jij blijft er af, 't is voor ons!" zeide de ander en duwde
me met een flinken ribbestoot terzijde.
Nou ben ik wel geen vechtersbaas in mijn hart, althans niet op het
land, maar om me zoo maar een opstopper te laten geven door den eersten
den besten kwajongen, dat en ging toch niet en daarom lichtte ik mijn'
arm even op om mijn vuist op zijn ruigen krullebol te laten vallen en
zei: "Daar heb je al vast een teerpenning op het vrachtjen vooruit!"--
Maar, o wee, pas had ik dat gedaan of een stuk of tien van zijne
kameraads trokken zijne partij en begonnen me te kloppen, dat mij
alles groen en geel voor de oogen werd. Gelukkig hadden eenige van
mijne kameraads, die vroeger ook gevaren hadden, gezien hoe ik er
van langs kreeg en in een ommezien, waren ze bij me.
"We zullen je helpen, Huib! Houd je maar taai!" riepen ze en begonnen
onder het schreeuwen van: "Landkrabben!" ankersmidje te spelen. Hunne
vuisten waren de voorhamers en de koppen van de "Landkrabben" de
aanbeelden. Dat was een geklop en een getier van belang! Al vechtende
schoven we al verder en verder achteruit en hiervan maakten andere
kaaigasten, die niet van kloppen hielden, gebruik om aan boord van het
schip te gaan en ons de lading te ontfutselen.--Wij, oude zeerobben,
waren in de minderheid en weken meer en meer achteruit, totdat wij
onzen kans schoon zagen en aan den haal gingen.
Ik zag er vreeselijk uit, en juist was ik bezig met mezelven wat op
te knappen, toen een man mij op den schouder tikte.
Ik keek hem aan en dacht: "Jou heb ik meer gezien!"
Hij had een netzakje met springlevende bot aan zijnen arm hangen en
het zakje openende, haalde hij er een van de wildste botjes uit en lei
het op straat neer. Het dier lag erg te spartelen, maar kwam niet ver.
Ik keek hem aan, alsof ik zeggen wou: "Schort het je in je bol?"
De man lachte even en zei: "Als een visch op het droge, Huib!"
Nu herkende ik hem. Het was stuurman Willem Adriaense Warmont, die
mij vroeger gezegd had, dat er tweeerlei soort van menschen waren,
doch ik was het vergeten.
"Hoe maak-je 't, ouwe jongen?" vroeg ik en stak mijne hand uit.
"Goed, goed, Huib! Zeker tienmaal beter dan jij! Je ziet er uit als
een uitgeklopte wolbaal! Ben-je heelemaal vergeten wat ik je eens
gezegd heb?"
"Jij mij gezegd? Wat heb je mij gezegd?"
"Ja, ja, ik! Weet je niet meer hoeveel soorten van menschen er zijn?"--
"o, Ja, dat 's waar ook: matrozen en landkrabben!"--
"Precies, Huib! Maar wat doe je nu hier? Kan een visch op het droge en
eene krabbe aan den wal leven? Neen, man, je bent buiten je element
en 't zal je gaan als de Wolf waarvan de Heer Raadpensionaris Jacob
Cats spreekt!"--
"Wat zegt die excellente puikpoeet dan?"--
"Ken je 't versje niet? Nou hoor dan: Er staat boven: Wann de Wolff
altet, soo reiten hem de Krehen.
"Eens was ick hoogh geducht; geen beyr en quam mij tergen,
Geen leeuw en hadder lust om mij een krijght te vergen,
Ick was in 't woudt gesien, en overal gevreest,
Maer nu ben ick een spot oock van het minste beest,
Oock van 'k en weet niet wat: nu rijen mij de kraeijen,
Omdat ick mijnen hals niet om en weet te draeijen,
Omdat ick niet en ben, omdat ick niet en mach,
Omdat ick niet en doe, gelijck ick eertijts plach.
Nu ben ick maer een romp; want oock mijn eijgen jonghen,
Die komen tegen mij, en over mij gesprongen:
Eijlaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaam beeft,
't Is uijt wanneer de wolf sijn tanden over-leeft."
"Nou, ja, maar ik en heb mijne tanden nog niet overleefd," zeide ik.
"Nee, Huib, nog niet; maar blijf nog eens een jaar aan den wal,
dan ben je net als dit botje!"
Hij wees op den visch, die niet meer spartelde, maar dood op den
grond lag.
"Ik wil het gelooven, je hebt er op getrapt!" gaf ik heel wijs ten
antwoord.
"Je bent gladder dan ik dacht, Huib," zei de ander weer, en na nog
eene levende bot uit het netzakje gehaald te hebben, smeet hij het
beest in de Maas.
"Ben je nou heelemaal van lorretje gepikt?" vroeg ik.
"Ik geloof het niet; maar trap die bot eens dood als je kan!"--
"Welke bot?"
"Wel, die ik in de Maas smeet!"
"Dat kan niet, dat beest is vrij en jij en krijgt je vischje nooit
meer weerom!" antwoordde ik.
"Dat 's niemendal, Huib! Als ik jou maar overtuigen kan, dat een
matroos nooit eene goede landrot worden kan, dan heb ik er het heele
zootje voor over! Je moet alweer naar zee, Huib, anders, en 't is zoo
vast als een ringbout in het dek, heb je, eer we een jaar ouder zijn,
even als de wolf, je tanden overleefd!"--
"Maar ik en heb geen zin meer in het varen!" gaf ik eenigszins
schoorvoetend ten antwoord.
Rrrt, daar vloog de netzak met bot de Maas in en stampvoetende van
kwaadheid, riep hij: "Daar heb-je 't! Daar heb-je 't! Jawel, als de
lui bang beginnen te worden voor een mondvol zeewater, als ze liever
dunne landkrabbensoep eten dan matrozengort, zeg dan maar: "Adjuus,
Vereenigde Provincien! Heel de wereld groeit je over den kop en je
bent in tel als eene rotte kool bij eene groenvrouw! Huib, Huib,
weet-je 't dan niet, ouwe jongen, dat de zee voor ons Gemeenebest
alles is? Ze geeft ons brood, drank, kleeding, woning, geld, macht,
kloekheid en stevigheid! Hoor naar mijne woorden, Huib, en let er
wel op! De dag waarop voor het eerst gebrek is aan zeevolk op onze
schepen, die dag zal de eerste zijn van den ondergang van ons Land!
Heb je je Land lief? Naar zee!
Wil je graag een eerlijk en goed stuk brood verdienen? Naar zee! Naar
zee!
Wil je weten hoe rijk de lieve God onze aarde geschapen heeft; wil
je knap, wijs en verstandig worden; wil je gezond blijven, oud worden
en een gerusten, onbezorgden ouden dag beleven? Naar zee! Naar zee!
Wil je graag rond en oprecht blijven; houd je niet van listen en
streken? Naar zee! Naar zee!"
Onderwijl de stuurman zoo in vuur geraakt was onder het spreken, waren
er van alle kanten mannen en vrouwen komen opdagen, die met open ooren
en monden stonden te luisteren. Dat zag de wakkere man en toen hij
even ophield met spreken om adem te halen, klonk het hier en daar:
"Ga voort, ga voort!"
En Warmont sprak: "Ik en weet niet of jelui altemaal Rotterdammers
zijt; maar wat geeft dat? Ik ben een vrije, vrije Fries, die daar"--hij
wees op mij--is een Briellenaar! De Unie telt zeven gewesten en bijna
ieder van de zeven kibbelt om den voorrang! Hier aan den wal zijn we
niet een, niet twee, niet zeven, neen, wel honderden meer! Zooveel
vroedschappen, zooveel landjes,--zooveel gilden, zooveel baasjes! Maar
op zee, op zee zijn we een! Daar legt de Ommelander zijn knuist in die
van den Zeeuw, de Drentenaar maakt kameraadschap met den Hollander,
de Stichtenaar zweert den Fries houw en trouw, en als ze allemaal
bij elkaer zijn, dan kijken ze naar het oranje, blanje, bleu, aan den
achtersteven en hebben maar een vijand en een vriend! De vijand is hij,
die ons voor den boeg komt;--de vriend is de Oceaan, die ons op zijne
golven de schatten van Oost en West van Zuid en Noord aanbrengt,
die ons kloek en krachtig maakt, en die ons den vedel speelt of
den trommel slaat, als we aan den dans willen gaan! Mannen van het
Gemeenebest der Vereenigde Nederlanden, meen je 't wel met je Land,
met je vrouw, met je kinderen, meen je 't wel met je zelven, smijt dan
den kiel van den baliekluiver, de ganzenveer van den armen klerk weg,
schiet het matrozenbuis aan en, naar zee, naar zee!" [21]
Het zweet gutste den stuurman van het voorhoofd en terwijl hij zich
het gelaat stond af te drogen, schreeuwde de menigte: "Hoezee! Hoezee!"
Dien dag werd ik met nog twintig anderen weer zeeman; ik ben het
nog en ik hoop het nog een poosje te blijven om "Goede vaer Tromp"
nog eens in al zijne kracht te zien; want dat is vast: vrede met
Engeland houden we niet! En, als de oorlog uitbreekt, dan zullen we
toonen, dat we, al zijn we oud, onze tanden en handen niet overleefd
hebben. "Goede vaer Tromp" zal voorgaan, dat is zeker, en wij zullen
volgen, dat is ook zeker!"--
* * * * *
Huib rees op en ging ter kooi; want de avond was gevallen, en ieder
der hoorders volgde zijn voorbeeld.
Thans wist men ook wie Tromp was.
HOOFDSTUK X
Houw en Trouw.
Koning Karel I van Engeland had zijne stijfhoofdigheid en de woelingen
der burger-partijen met zijn leven moeten boeten. Den negenden van
Sprokkelmaand beklom Karel het schavot en ten aanzien van duizenden
toeschouwers sloeg een gemaskerde beul hem het hoofd af.
Zulks geschiedde op bevel van zijne tegenpartij aan wier hoofd een
zekere Olivier Cromwell stond.
Die Cromwell was ontegenzeggelijk een knap man--Engeland heeft veel
aan hem te danken--en Koning Karel had groote gebreken gehad en vele
verkeerdheden begaan; maar de haat, dien hij den Vorst toedroeg
was veel te verregaand.--Toen hij het doodvonnis van den Koning
onderteekend had, streek hij zijne met inkt gevulde pen over het
gelaat van zijnen vriend Martyn en zeide: "De beurt is aan u!"
Een mensch, die rechtschapen is, kan zoo al vast geene doodvonnissen
onderteekenen.
Intusschen was Karels oudste zoon, die hem later als Koning opvolgde,
na vele vergeefsche pogingen aangewend te hebben om de kroon te
heroveren, het land ontweken, en vertoefde nu eens hier en dan
daar. Zoo kwam hij ook in Den Haag en genoot daar van vele zijden
gastvrijheid.
Cromwell, die na het eindigen van den burgeroorlog Lord-protector van
Engeland geworden was, had al vroeger bij onze Staten aanzoek gedaan om
zich met Groot-Brittannie tot een gemeenebest te vereenigen. Maar hoe
genegen sommigen Cromwell nu ook waren, daarin hadden ze volstrekt geen
lust, en het aanbod werd dan ook eenstemmig van de hand gewezen.--Dit
hinderde den Lord-Protector erg en bovendien was hij ontevreden op
ons, omdat de Prins van Wales, Koning Karels oudste zoon, hier te
lande zulk eene gastvrijheid genoot. Ieder oogenblik had de man wat
met ons uitstaande, nu over dit, dan over dat; maar het meest over
zeezaken. Het ging ons gemeenebest zeer voordeelig en nog hadden we
in Europa den naam, dat we de eerste mogendheid ter zee waren! Dat
hinderde de Engelsche natie vreeselijk en Cromwell was er steeds op uit
dat aanzien en die eer te fnuiken.--Stoutweg verklaarde de Engelsche
regeering, dat zij de eerste zeemogendheid was en beweerde, dat iedere
Natie verschuldigd was hare vlag te eeren en hulde te bewijzen. Wie
dat niet deed zou als vijand beschouwd en behandeld worden. Men
gaf brieven van kaapvaart aan ieder, die meende, dat hij door de
Nederlanders in een of ander opzicht benadeeld was geworden. Stoutweg
voeren die kapers dikwijls onder de Engelsche vlag, en dan was het
toch wel erg vernederend om de vlag voor eenen kaper te strijken.
Eindelijk begon men hier toch in te zien, dat het zoo niet langer
blijven kon en daarom werd er den derden van Lentemaand 1652 besloten
honderdvijftig schepen van oorlog uit te rusten.
Het duurde dan ook niet heel lang of Admiraal Tromp kon met vijftig
tamelijk goed uitgeruste schepen zee kiezen. De bestemming van die
vloot was, onze koopvaarders te beschermen en zorg te dragen, dat
maar niet iedereen, die daartoe lust gevoelde, ze onderzocht. Over
het strijken van de vlag werd niets gezegd. Zeker omdat men toch
wel begreep, dat dit den oorlog niet verhinderen kon. Toch kreeg
Tromp bevel zoo veel mogelijk van de Engelsche kust af te houden,
daar men zelf zoo lang dit maar kon den oorlog wilde uitstellen,
en althans dien niet beginnen.
De Admiraal besloot, was het ook met heel veel moeite, dit bevel ten
uitvoer te brengen en ankerde met zijne vloot tusschen Duinkerken
en Nieuwpoort; maar door een Noord-oosten storm beloopen was hij
genoodzaakt de ankers te lichten en zich om den hoek van Dover in
veiligheid te stellen. Nauwelijks was hij daar aangekomen, of hij
zond twee fregatten uit om den Engelschen Kommandeur Bourne, die bij
Duins lag, uit zijnen naam te begroeten en tevens te zeggen, dat hij
van Dover vertrekken zou, als hij het doel van zijnen tocht bereikt
had.--Bourne liet hem heel beleefd terug groeten en het scheen wel, dat
het haast eene onmogelijkheid was, dat er van oorlog sprake kon zijn.
Maar, 't was de stilte, die de uitbarsting van een vulkaan
voorafgaat.--
'T was nacht!
Eenzaam en stil lag daar een schip op de baren der Noordzee te
wiegelen. Als men evenwel wat scherper toekeek dan zag men hier en
daar, donkere plekken zich tegen de bewolkte lucht afteekenen, en
zoo nu en dan een licht.
Aan boord van het schip, dat we thans betreden, vinden we drie mannen,
die de wacht houden.
De oudste is Huib, die, op een hellebaard geleund, zijne oogen in
het rond laat gaan als eene kat, die eene prooi zoekt.
De andere is wat jonger, maar veel langer dan Huib. Het is de lange
Smeerdiekenaar, dien we zich als een kind zagen aanstellen toen hij
voor het eerst in het vuur moest.
De derde is een heel jong en kort matroosje met eene flauwe stem. Hij
heet Adriaan.
"Wel, 'Uib, zie je nog niks niemendalle?" vraagt de lange. [22]
"Jawel, 'k zie onze vloot, maar anders niet!"
"En jie, zie jie niks?" klinkt de vraag aan den jongen Adriaan.
"Een vraagal en wat schepen!" is het zachte antwoord.
"Hoor eens, Adriaan, je kunt dan vreeselijk kortaf zijn! Komt dat
omdat men geen baard bij jou kan zien van al dat vel? Je lijkt, bij
m'n ziel, meer op een vroolijk zusterken dan op een matroos. Hoe oud
ben-je al?" vraagt Huib.
"Zoo oud als mijn handen en niet als mijn tanden!" klinkt het even
bits.
"Brrrr, wat 'n antwoord! Heusch, Adriaan, dat komt omdat je geen
baard hebt, dat je zoo kort van stof bent!"
"Wel, geef jij me dan maar wat pootjes! Je gezicht lijkt veel op een
stoppelveld van zaadstroo! Maar weet je wel waar jij veel op gelijkt?"
"Neen, weet jij dat?"
"Jawel, je gelijkt precies op een, die altijd ontevreden is! Schort
er wat aan?"
"Ja, Adriaan, er schort wat aan en dat ik ontevreden ben, dat is waar!"
"Zoo," zegt de Smeerdieker met een langgerekten uithaal, "zoo, ik
docht ik dat er bie joe niks kon besannen!" [23]
"Zoo, Gerrit, dacht je dat? Nou, maar dan heb je 't mis, hoor!"
"Maar wat schort er dan aan?" vroeg Adriaan.
"Wel, dat zal ik je eens zeggen. Ik heb een kameraad gehad, een
jongen daar wel wat in zat. Hij kwam van Schevelingen en heette "Jonge
Kees." Oud was hij nog niet; ik denk dat hij tusschen de veertien en
zestien jaar geweest is! Dat was er net een daar ik mee doen kon wat ik
wilde. Ik kon op hem grommen, knorren, razen en tieren; ik kon hem zoo
nu en dan eens door malkander schudden; maar ik kon hem ook dikwijls
vertellen wat mij naar op het hart lag. We waren beste vrinden en
sedert hij van boord is, ben 'k als iemand, die iets verloren heeft!"
"En waarom ging hij van boord?" vroeg Adriaan verder.
"Wel, zijne ouders gingen op Vlieland wonen en daar zijne dienstjaren
om waren ging hij weg en werd haringvisscher. Een aardige jongen was
het, en ik heb veel aan hem verloren! Als je er niet zoo meisjesachtig
uitzaagt, Adriaan, dan zoudt gij zijne plaats kunnen vervangen!"--
"Zoo? Geef me dan van uwe stoppels, Huib," zeide Adriaan, "dan heb
ik binnen veertien dagen een baard en ... maar stil, zie je daar
niemendal, daar om de zuidwest?"--
"Verbeeldienge is erger as de derdendaegsche koose!" viel Gerrit
in. [24] "Ik zien ik niks as...."
"'N schip, Huib, ik zeg je dat het een schip is!" riep Adriaan.
Gedurende eenigen tijd stonden de drie wachten uit te zien, maar
ontdekten niets. Tegen het aanbreken van den dag echter zagen ze het
schip alweer en toen het nader kwam, bleek het dat het De Crevecoeur,
kapitein Joris Van der Zaen, was.
De Admiraal werd gewekt en nu bracht Van der Zaen hem de tijding dat
zeven straatvaarders, die te zamen wel vijftig tonnen gouds waarde
hadden, groot gevaar liepen door de Engelschen genomen te worden.
"Dan is het mijn plicht deze te gaan beschermen," zeide Tromp en
beval dat de vloot zich in beweging zou stellen.
Nauwelijks waren zij onder zeil of ze ontdekten eene Engelsche vloot,
die uit vijftien kloeke oorlogsschepen bestond. Een van deze schepen
voerde de Admiraalsvlag en later bleek het, dat het die van den
dapperen Robert Blake was.
Kan men van Marten Harpertsz. Tromp zeggen dat hij de Nederlandsche
vloot tot eene geduchte sterkte wist te brengen, kan men van hem
getuigen, dat hij het verwarde zeewezen van de Vereenigde Provincien
voor een groot gedeelte in het reine bracht, dat hij leerlingen had,
die naderhand hem na- of voorbij streefden en dat hij onder het zeevolk
eenen geest wist te brengen, die een man zooveel waard deed zijn als
twee,--hetzelfde mag men ook gerust zeggen van Robert Blake, in wien
Tromp een hem waardig tegenstander vond. Boven onze scheepsbevelhebbers
had Blake nog dit voor, dat hij een zeer geletterd man was. [25]
Zoodra Tromp deze zeemacht ontdekte, meende hij dat de straatvaarders
reeds genomen waren en, om nog den schijn van alle vijandelijkheid
te mijden, liet hij bijna alle zeilen innemen en stelde eenen man
bij de vlag om dezen te strijken.
Nu was Blake echter zoo dom niet om te denken, dat de Nederlandsche
vloot daar zoo maar voor eene aardigheid kruiste. Hij begreep zeer goed
waarom men hem als een hond nazat. Dat kon de voortvarende man niet
dulden, en daarom liet hij ook, als een hond, een hol gegrom hooren,
dat wil zeggen, hij joeg een kanonskogel over Tromps schip. Dit schot
werd weldra door een tweede en nog door een derde gevolgd. De laatste
kogel nam den arm van een onzer matrozen weg.
Tromp zag bij dat alles bedaard rond, maar toch schitterden zijne
oogen als vuurkolen.
Aan boord van alle schepen was ieder man op zijn post. Ook Gerrit
Leinsz. de konstabel, stond gereed.
Tromp ging naar dezen toe en zei: "Geen bloed, Leinsz! De eerste
kogel zij voor de kabeljauwen!"
De konstabel volbracht het bevel, doch Blake beschouwde het nog immer
als geene gekheid en gaf Tromp de volle laag.
Thans werd het gevecht algemeen en ofschoon Tromp over eene veel
sterkere macht beschikken kon dan de Engelschman, zoo maakte hij er
toch geen gebruik van, omdat hij letterlijk wilde handelen naar het
bevel, dat hij mede gekregen had, om namelijk slechts te zorgen,
dat onze vlag geen schande werd aangedaan.
Het gevecht duurde vijf uren; men moest toen wel eindigen omdat de
nacht inviel.
In Nederland vernam men de tijding van het zeegevecht met een
verdeeld gevoelen. Aan de eene zijde juichte men er over, dat
de Engelschen eens flink onder de oogen waren gezien; maar aan de
andere zijde schrikte men er van terug, als men aan eenen oorlog met
Engeland dacht. Intusschen was de noodlottige Eerste Engelsche oorlog
begonnen.--Van weerszijden trachtte men zich te verontschuldigen. Tromp
zei: "Blake heeft het eerst geschoten," en Blake zei: "Tromp heeft
zijne vlag niet gestreken!"
Nog deden de Nederlanders bijna het onmogelijke om den vrede te
behouden en zond men gezantschap op gezantschap naar Engeland,
maar niets mocht baten. De gezanten werden soms met minachting
ontvangen en wat ze ook vertelden, niemand geloofde hen. De oorlog
was onvermijdelijk, men moest veehten of men wilde of niet, en vele
leden der Regeering gaven thans Tromp van alles de schuld en zouden
hem gaarne door een ander hebben doen vervangen, als ze maar iemand
hadden kunnen vinden.
Maar De Ruyters zon was nog lang niet ter middaghoogte en voor die
van den wakkeren Briellenaar was het nog geen tijd om onder te gaan.--
Gedurende dien tijd was Jonge Kees ook op zee. Maar niet bij Duins,
Dover of Duinkerken; niet op een oorlogsschip, dat ieder oogenblik
gereed is een ander schip aan te vallen, en dat sterk bemand en
gewapend is.
Het vaartuig waarop onze Jonge Kees thans vertoeft is eene kloeke,
stevige vischschuit, van 't voorjaar eerst nieuw. De schuit draagt
op den achtersteven den naam van: De vrouw Neeltje.--Neeltje, zoo
heet zijne moeder.
De vorige reis heeft de vader van Jonge Kees een tros tegen zijne
beenen gekregen, en deze zoo erg bezeerd, dat hij ditmaal niet met
zijne schuit mee kon. [26]
Maar Jonge Kees is een wakkere borst, een stoere jongen, een knaap
daar staal in zit, dat wist moeder Neeltje ook wel, en daarom zei
ze, toen haar man, hoe zwaar het hem ook viel, toch mee wilde gaan:
"Laat je beenen nou rust houden, vader! Blijf deze reis maar eens thuis
en laat onze Jonge Kees je plaats vervangen! De zee is tegenwoordig
rustig, de jongen is bij de hand en het Schagerrif of Doggerzand is
niet zoo heel ver af!"
"Ja, maar, moeder, de jongen is toch nog wel wat jong! Pas,--was
't niet met Drie Koningen?--zestien jaar! Wel wat jong, moeder,
wel wat jong!"
Maar moeder Neeltje wist zoo te praten dat de vader eindelijk toegaf en
zijn' zoon, voor eene reis, tot stuurman op de mooie schuit aanstelde.
Op dit oogenblik is hij in de nabijheid van het Doggerzand. Hij en
zijne manschappen zijn recht tevreden, want de vangst was uitmuntend.
"Nog een uurtje, mannen, dan gaan we eens kijken of er aan het
Schagerrif ook wat te halen is!" zegt de jonge stuurman.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 | 7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12