Goede Vaer Tromp by Pieter Louwerse (1840 to 1908)
P >>
Pieter Louwerse (1840 to 1908) >> Goede Vaer Tromp
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 | 8 |
9 |
10 |
11 |
12
"Daar ginder komt een Roorok, Jonge Kees!" zegt een der matrozen.
"Wel, dan gaan we niet weg! Die Koningsmoorder zou wel denken, dat
we aan den haal gingen!"--
Men gaat voort met visschen.--
De Engelsche vischschuit komt al nader en nader en er klinkt een
hevig gelach aan boord nu Jonge Kees zijne netten leeg ophaalt.
"Hij lacht ons uit!" zegt een matroos.
"Laat ze maar lachen! 'T is beter dat ze om ons lachen dan dat ze om
ons huilen!"--
Nu haalt de Engelschman zijne netten ook leeg op.
Een hevig gelach klinkt er thans van De vrouw Neeltje. Ieder zijne
beurt.
Maar dat kan de Engelschman niet dulden! Hij mag uitlachen wien hij
wil, maar niemand mag dat doen te zijnen koste. En in zijne boosheid
neemt hij een der steenen, die op zijn dek liggen, en smijt dien naar
den brutalen Vlielander.
"Leer om leer kan ik je niet geven!" roept Jonge Kees, "maar smijt
jij met steenen dan doe ik het met talhouten!"--
Zjst--daar vloog er al een.
Nu smeten al de Engelschen met steenen en al de Hollanders met
talhouten.--Het was een grappig gezicht, vooral omdat geen van allen
raak gooide.
Jonge Kees houdt op met smijten en roept: "Legt neer dat hout!"--
"Moeten we ons dan maar dood laten gooien?" vraagt er een.
"Wel neen," zegt Jonge Kees, "maar als je niet bang zijt, dan weet
ik wel wat!"
"Bang? ' Ik en weet niet wat bang is!"
"Mooi, dan gaan we dien Roorok enteren, en als we 't gedaan kunnen
krijgen, dan zullen we die luI aan hun eigen boord een pak rammel
geven!"--
"Dat 's goed! Dat doen we!" roepen ze allen en in een oogenblik ligt
De vrouw Neeltje tegen The Seal.
Vlug als katten springen de Hollanders met een talhout in de hand en
het kaakmes in den mond aan boord van den Engelschman, die, na bont
en blauw, geslagen te zijn, in zijn ruim vlucht.
"Spijkert het dicht, spijkert het dicht!" roept Jonge Kees en houdt,
onderwijl er een man naar boord terugkeert om hamer en spijkers te
halen, met vier man bij het luik de wacht.
De ander is spoedig terug, en daar gaat het,-- klop-klop-klop, de
eene spijker na den anderen wordt er flink ingedreven.--'T is of het
nooit meer open moet.
"En nu naar huis," zegt Jonge Kees.
Daar heerschte pret op Vlieland toen De vrouw Neeltje met zoo'n flinken
prijs aankwam, en er werd dadelijk besloten, dat Jonge Kees en zijne
matrozen het vaartuig naar Amsterdam mochten opbrengen.
De Admiraliteit van Amsterdam hoorde met wonder veel genoegen het
verslag van het gebeurde aan en gaf Jonge Kees en de zijnen de
Engelsche vischschuit met alles wat er op en in was. De visschers
werden gevangen gehouden.--
Vroolijk begaf Jonge Kees zich thans aan boord van The Seal, maar eer
hij nog van den wal gestoken was, kwam Dr. Andries Bicker, lid van
de Admiraliteit, aan de loopplank, en verzocht den jongen stuurman
te spreken.
Jonge Kees verscheen.
"Het Collegie der Admiraliteit zendt mij tot u af, om je te vragen of
je niet aan boord van Tromp zou willen dienen. Hij moet een stuurman
hebben!" zeide Bicker.
De flinke knaap, die ook wel wist, dat het Vaderland bedreigd werd,
had wel lust, doch wilde eerst zijnen vader daartoe verlof vragen. Het
zou in alle gevallen maar voor zoolang zijn als de oorlog duurde.
Toen Jonge Kees den heer Bicker gezegd had wat hij wilde doen, vond
deze het goed mits hij dan maar spoedig bericht zond; want Tromp was
erg verlegen.
Niet dan met veel moeite gelukte het hem zijn vader over te halen;
maar toen deze daartoe verlof gaf, was er niemand blijder dan hij. In
plaats van een bericht aan de heeren te sturen ging hij zelf, zoodat
we hem een paar dagen later alweer voor Dr. Bicker zien staan.
"Het doet ons veel genoegen, Jonge Kees," zeide deze, "dat ge uw
Vaderland dienen wilt ook daar, waar er meer eer dan voordeel te
behalen is. Maar eer zult ge behalen; wij beginnen er nu al mede!"--en
dit zeggende hing hij den blozenden knaap een eerepenning aan een
rood-wit-blauw lint om den hals.
"Hoezee!" juichte Jonge Kees zonder op de tegenwoordigheid van zoovele
aanzienlijke personages te letten. "Hoezee! Als Huib en de Ammiraal
me zoo terugzien, dan zullen ze net zoo blij zijn als ik ben! Ja,
dat zullen ze! Hoezee!"
En 't was zooals Jonge Kees gedacht had. De heer Bicker gaf hem eenen
brief voor den Admiraal mede en toen Tromp dien gelezen had, gaf hij
den knaap de hand en zei: "Jonge Kees, het Vaderland verwacht groote
dingen van u! Blijf altijd zoo trouw, eerlijk en moedig, dan zal het
u welgaan!"
Jonge Kees bloosde van blijdschap en had de handen van Goede vaer
Tromp wel willen kussen.
Een groot deel der bemanning stond van verre toe te zien wat er toch
gebeurde. De kampanje naderen om te luisteren durfde men evenwel
niet; want de Admiraal was wel goed, maar ook gestreng en dikwijls
had de een of ander, die al te vrijmoedig was, al eens moeten hooren:
"Hoor eens, jongen, al te goed is buurmans gek, hoor!"
Maar Tromp liet hem los en in een oogenblik was Jonge Kees onder de
matrozen, die hem met allerlei vragen bestormden.
De knaap stond echter niemand te woord en zag maar naar alle kanten
rond.
"Wien zoek-je, maat?" vroeg Adriaan.
Jonge Kees zag den matroos met zijne fijne stem in het vriendelijke,
baardelooze gelaat en zei: "Ik zoek Huib, Huib Maerlant!"--
"Die is ziek; maar zelfs de barbier weet niet wat hem deert! Wij
gelooven, dat hij het heimwee heeft," zeide Adriaan.
"Dan zal ik hem wel beter maken," was het snel gegeven antwoord en
in een omzien was hij beneden en stond voor de hangmat waarin de oude
Huib lusteloos, bleek en vermagerd terneder lag.
"Dag Huib, dag Huib! Hier ben ik alweer!" riep de knaap.
"Eylaes! wat sal ick doen? mijn gantsche lichaem beeft,
't Is uyt wanneer de wolf syn tanden over-leeft!"
zeide Huib, zonder zich om te keeren.
"Ben-je wel dwaas, Huib! Jij je tanden al overleefd hebben? Kom,
vent, keer-je om! Kijk eens wie hier voor je staat en zie eens hoe
mooi ik ben!"--
Huib keerde zich om, doch nauwelijks had hij Jonge Kees gezien, of
hij riep, terwijl hij beide handen van den knaap tusschen de zijne
drukte: "Jij, Jonge Kees, jij hier? Ja, nou wordt de oude Huib weer
beter! Ik had het heimwee naar je, jongen, en ik en durfde het niemand
zeggen! Maar wat hangt daar op je borst te slingeren?"
"Nou, kijk maar eens! Je mag wel zien hoe mooi ik ben!"
"Een eerepenning? Hoe kom-je daaraan?"--
De knaap vertelde het, maar onderwijl hij dat deed werd Huib steeds
onrustiger. Hij keerde zich heen en weer en riep eindelijk: "Er uit,
ik moet er uit! Help me dan toch, ik moet er uit!"--
Daar stond hij van zwakte te waggelen als eene eend.
"Jonge Kees, je zal het verder brengen dan ik, dat zal je! De goede
God zegen je, jongen!" riep hij eindelijk en gaf den knaap op elke
wang een kus.
De zeelui waren de een na den ander naar beneden gekomen, doch Huib
zag het niet. Eindelijk sloeg hij de oogen op en riep: "Ja, Jaantje,
een meisken ben je vast, en jij daar, Gerrit Leinsz, dit is nou
mijn Jonge Kees, en nou de jonge den ouwen weer opzoekt, nou zal
het weer gaan als een lier op een' Zondag! Dit is nou Jonge Kees,
daar ik zooveel van verteld heb; maar alles weet jelui nog niet. Het
mooiste komt achteraan. Ziet jelui die eerepenning op zijn borst
slingeren? Nou die...."
"Neen, ik en wil niet dat je 't vertelt, Huib!" riep Jonge Kees.
"Ja, ja, vertellen, vertellen!" klonk het in koor.
Er was niets aan te doen; Huib zou zijn zin hebben en vertelde nu de
geschiedenis van De Vrouw Neeltje en The Seal in al zijne kleuren.
"'Ier ei-je m'n knuuste, joengen!" zei de lange Gerrit Leinsz. "Pak
an, je bint mien kameraad ok!"
"En de mijne, en de mijne!" riepen de anderen.
Jonge Kees werd letterlijk verdrongen door die ruwe mannen, die met
tranen van geestdrift in de oogen om de vriendschap van den jeugdigen
held vroegen.
Alleen Adriaan hield zich van achteren en eerst toen Jonge Kees alleen
was, kwam hij naar hem toe en hem de hand biedende zeide hij blozende:
"Wil je mijn vriend ook zijn, zooals je van Huib bent? Ik wil je
voorbeeld volgen!"--
"Welja," zei Huib, "dat kunnen we wel doen! De handen in
elkander! Zie zoo, dat is er zes. Zoo sterk als een ketting! Wie kan
die verbreken? Geen mensch; want ik zeg: Houw en trouw in nood en
dood!--En wat zeg jij, jonge Kees?"
"Houw en trouw in nood en dood!" klonk het ferm.
"En jij, Jaantje,--neen, ik en wil je niet meer voor den gek
houden; want je hebt verleden met die Roorokken gevochten als een
leeuw;--Adriaan dus, wat zeg-je?"
"Houw en trouw in nood en dood!"
De stem was nauwelijks hoorbaar; maar toch was het: "Houw en trouw
in nood en dood!"--
HOOFDSTUK XI
Miskend en Erkend.
Met eene vloot van 96 schepen en eenige branders, te zamen elf duizend
man aan boord hebbende, zette Tromp koers naar Duins in de hoop daar
Blake te vinden.
"Zeg, Huib, denk-je dat die Blake nog te Duins is?" vroeg Jonge Kees.
"Ik en-weet het niet! Maar waarom? Zou-je denken, dat onze Ammiraal
hem ook niet kan opzoeken als hij daar niet meer en is?"--
"Dat weet ik wel; maar ik wilde zoo geern mijn eerepenning wat beter
verdienen. 'K heb met die Roorokken meer dan een appeltje te schillen,
hoor!"
"Daar ligt Duins," zeide Adriaan, "en ik zie de masten van groote
schepen. Je zal dus je zin hebben, Jonge Kees!"
Maar Jonge Kees kreeg zijnen zin niet en Tromp natuurlijk ook niet;
want weldra vernamen ze, dat de hoofdvloot onder Blake uitgeloopen
was. Slechts een smaldeel van 31 schepen, onder bevel van den
Vice-Admiraal Ayscue lag er nog.--Tromp besloot al vast te kunnen
beginnen met deze schepen aan te vallen en te vernielen; maar door
stilte en daarna door eenen fellen wind werd hij in zijn voornemen
verhinderd.
Na zoo verscheidene dagen verloren te hebben laten gaan, gaf Tromp
bevel Blake op te zoeken. Eilacie, 't was te laat om een groot verlies
te voorkomen; want Blake had de heele Hollandsche haringvloot genomen,
niettegenstaande de oorlogsschepen, die deze vloot moesten beschermen
zich dapper geweerd hadden. Maar, hij kon ze Blake weer afnemen! Ja,
dat kon hij ook, maar dan moest hij dien Blake toch vinden, en ziet,
dat gelukte hem eerst na lang heen en weer varen.
Het was aan den avond van den vijfden van Oogstmaand toen hij de
Engelsche vloot in het gezicht kreeg; maar in den nacht, die daarop
volgde werd hij door eene vreeselijken storm overvallen. Den anderen
morgen was zijne geheele vloot naar alle kanten verstrooid; ze had
ook ontzettend geleden en, Blake was er niet meer.
Er zat nu voor het oogenblik niets anders op dan met de ontredderde
schepen, wier aantal tot op de helft verminderd was, naar het vaderland
terug te keeren.
Nu was Leiden in nood en Holland in last.
Van zulk eene schoone vloot had men de grootste verwachting gehad,
en waarop kwam het uit? Op groote verliezen.
"'T is me een schoone vlootvoogd, die ons eenen oorlog op den hals
haalt en niets dan verliezen weet te bezorgen," zei de een.
"De man is over het paard getild en meent nu dat zijn uil al een
wonder mooie valk is!" sprak een tweede.
"Daar heb-je nu den moed van dien Tromp! Veel geschreeuw en weinig
wol! Omdat het geluk hem bij Duins gediend heeft, dachten alle
luiden, dat hij een onovertreffelijk, moedig en beleidvol Ammiraal
was!" schreeuwde een derde.
"Ze moesten dien kalen Briellenaar van zijn ambt ontzetten!" meende
een vierde.
"Ja, en hem alleen al de schade, die hij ons berokkend heeft en door
zijn onverstand nog berokkenen zal, doen vergoeden. Die kerel zal wel
al lang zijne schaapjes op het droge hebben!" liet een handelaar in
koloniale waren zich hooren.
De geest van het volk, dat gewoonlijk al heel gauw oordeelt, was
sterk tegen hem. En niet alleen het volk, neen, ook velen uit de
Staten-Generaal en uit de Admiraliteits-Collegien verhieven hunne
stem tegen hem, en brachten het zelfs zoo ver, dat de Admiraal ter
verantwoording geroepen werd.
Nu bleek het wel, dat hij onschuldig was, maar ... men kon het voor
een keer toch wel eens met een ander beproeven.
Maar wien zou men nemen?
De Ruyter? Ja, als dat kon! Maar De Ruyter was aan het hoofd van
een smaldeel op zee en had meer dan zijne handen vol tegen den
Engelschen Vice-Admiraal George Ayscue, dien hij reeds eenmaal
verslagen had! Anders, De Ruyter, ja ... maar wat nu niet kon, dat
kon niet, en men moest een ander zoeken.
Douwe Aukes dan?
Douwe Aukes? Wie was dat?
Wel, hij was op het oogenblik in 't Vaderland om zijn schip, dat
zwaar geleden had, te laten herstellen. Dat was anders een man! Had
hij De Struisvogel in het gevecht onder De Ruyter tegen Ayscue,
niet door zijn moedig gedrag behouden? Wat zou er van het schip en
de bemanning geworden zijn, als hij,--toen hij van alle zijden door
den vijand werd aangetast en het volk den moed verloor,--niet met
eene brandende lont naar de kruitkamer gesneld was en gezegd had:
"Houdt moed jongens, houdt moed! Als we 't niet meer houden kunnen,
dan zal ik met deze lont u den weg wijzen, dien we bewandelen moeten
om niet schandelijk gevangen genomen te worden!"--
Ja, die Douwe Aukes was een flinke kerel, maar ... zoo jong, zoo
onervaren!
De wakkere Jan Van Galen dan? Had deze in den gedurigen krijg tegen de
Turksche zeeroovers niet getoond dat men op hem vertrouwen kon? Hij
was niet jong meer; zijn beleid was zoo groot als zijn moed! Waarom
hem niet?
Ja, Jan Van Galen zou een uitmuntend opperbevelhebber zijn; maar er
was op staanden voet iemand noodig en hij kruiste met eene vloot in de
Middellandsche zee om de Hollandsche koopvaarders tegen de Engelschen
en de Turken te beschermen.
Witte Cornelisz. De With dan? Die was met een smaldeel in de
Noordzee. Hem hadden ze dadelijk bij de hand! En zeg eens dat deze
geen moed had! Was er een op de vloot, die durfde wat hij waagde
te doen? Had hij zijn Vaderland niet boven alles lief? En zoo hij
vroeger ook al blijken had gegeven, dat hij meer moed dan beleid
bezat, hij was een jaartje of wat ouder geworden en zou nu wel een
weinig bedaarder zijn!
Ja, dat alles was wel waar, zeker, zeker, maar....
Nu maar?
De matrozen, ja, zelfs de kapiteins haten hem!
Tut, tut, dat zal zoo erg niet wezen, als ze wel roepen, Die zeelui
zetten er altijd een stukje aan. Me dunkt, we konden het met hem wel
eens beproeven!--
Het werd beproefd en 't Kregelige Mennonietje, de man, die geene
vrees kende, die goed en bloed voor 't Vaderland veil had, die, al
had hij tien levens, ook tien levens zou willen opofferen om zijn
Land groot te maken, zag de stoute wensch van zijne jeugd vervuld:
hij was bevelhebber eener vloot!
"Waar onze Ammiraal toch zoo lang blijft?" zeide op zekeren dag
Adriaan tegen Huib.
"Dat weet de Hemel! Als die landkrabben hem maar geene kool gestoofd
hebben!"
"Hoe bedoel-je dat?"
"Wel, dat ze hem de schuld geven van alles wat er in den laatsten
tijd gebeurd is! Als er overwonnen wordt dan is hij, die overwonnen
heeft, de beste; maar als er verliezen geleden worden, dan en is
er geen slechter dan hij. Maar stil, daar komt Jonge Kees van den
Vice-Ammiraal Jan Evertsen terug. Misschien weet hij wel wat!"
Eenige oogenblikken later kwam de kapitein aan boord. Jan Evertsen
had de verschillende kapiteins bij elkander geseind om hun eene
mededeeling te doen.
"Laat alle man op het dek komen!" beval de kapitein met een gelaat,
dat op eene noordsche bui geleek. "Ik heb u allen wat te zeggen!"--
In een oogenblik was de gansche bemanning bij elkander en thans zeide
de kapitein: "Mannen, de Vereenigde Provincien worden thans door oude
vrouwen geregeerd, of een booze geest is in 's Lands Raadzaal gevaren!"
Doodsche stilte.
"Onze Goede Vaer Tromp, de lieveling van al wat zeeman, heet, de
held van Duins, de man, dien we op de handen zouden kunnen dragen
en aan wien het Gemeenebest meer dank schuldig is dan zelfs aan
den onvergetelijken Piet Hein, die milioenen thuis bracht,--die
man is in ongenade gevallen. Men heeft alles op zijne rekening
geschoven, en,--als het ons geen leed deed, dan zouden we er om kunnen
lachen,--men geeft hem zelfs de schuld van den storm, die onze vloot
uit elkander joeg, toen we gereed stonden den vuigen Koningsmoorder
aan te vallen! Maar, al is Goede Vaer in ongenade bij de regeering,
toch niet bij ons! Leve Goede Vaer Tromp!"--
Ze schreeuwden hunne kelen heesch die ronde, trouwe en dappere zonen
der zee: "Leve Goede Vaer Tromp!"--
Weer was er een oogenblik van stilte.
"Witte Cornelisz. De With is zijn opvolger! Over een uur zal hij hier
aan boord zijn. Tromps Ammiraalsschip wordt het zijne!"
"Geen vloekbeest hier aan boord!" klonk het uit den hoop.
"Wij jagen hem een kogel door den kop!" riep een ander.
"Het bevel kwam onzen Jan Evertsen toe!" bromde Gerrit Leinsz. "Ik
en wil onder zoo'n ruw stuk vleesch niet dienen!"--
"Weg met het Kregelige Mennonietje!" schreeuwde Huib.
Daar klinken riemslagen.
De nieuwe opperbevelhebber nadert zijn schip.
"Jaagt hem een kogel door den kop! Weg, weg, met het vloekbeest! Haalt
den valreep op! Als hij aan boord komt dan is hij onze Jonas en
stuurt ons allen naar den kabeljauwskelder! Een musket! Geef hier
een handspaak! Leve Goede Vaer Tromp! Weg met Witte!" zoo klonk het
van alle kanten.
Met tranen van spijt in de oogen verlaat Witte het oproerige
schip zonder een voet op het dek gezet te hebben. Het kost hem eene
ontzettende kracht zich niet aan zijnen bruisenden hartstocht over te
geven, en aan boord te springen om de oproerkraaiers geheel alleen
aan te vallen. Maar bij zijne aanstelling hadden Hunne Hoogmogenden
hem ernstig op het hart gedrukt om door beleid goed te maken, wat
Tromp verkorven had. En dat wilde, dat wenschte hij! Hij zou eerst
zichzelven overwinnen om daarna over den vijand te triomfeeren.
In den korten tijd van zijn bevelhebberschap heeft Witte door die
gestadige overwinningen op zichzelven getoond, dat hij sterker was
dan een held, die steden verovert.
Maar die onvergelijkelijke moed werd later met ondank beloond. Ook
Witte zou ondervinden, dat het volk slechts in hem een held ziet,
die vele overwinningen op den vijand behaalt en gelukkig in zijne
ondernemingen is.
Onderwijl De Ruyter nog met zijn smaldeel in zee kruiste, vernam hij
dat Blake met de geheele Engelsche vloot uitgeloopen was om hem te
bevechten, en daarom besloot De Ruyter in overleg met zijne kapiteins
zich met De With te vereenigen. Dit gelukte hem en hierdoor was De
With bijna even sterk in schepen als Blake; maar de vloot van den
Engelschman was veel beter ten strijde uitgerust dan de onze. Toch
zou dat niet zoo zwaar gewogen hebben bij Witte, maar door stormen
beloopen, leden zijne schepen zooveel schade, dat er verscheidene
naar het Vaderland terug moesten, wijl ze niet langer in zee konden
blijven. Dit was ook het geval met Tromps voormalig Admiraalsschip
waarvan de bemanning voor het grootste deel overging op De Gorcum,
kapitein Aert Jansse Van Nes, die onder het zeevolk den bijnaam van
"Boer Jaap" had.
Zoo kwam de achtste van Wijnmaand.
Witte had het plan gevormd de Engelsche vloot bij Duins aan te
tasten, doch Blake was hem voor en overviel hem zoo onverwacht, dat
de Admiraal geen tijd meer had de onderbevelhebers bij elkander te
roepen. Door middel van seinen gaf hij thans het bevel zich tot den
slag te vereenigen.
Tegen drie uren in den namiddag nam het gevecht een aanvang, en De
Ruyter, die de voorhoede onder zijn bevel had, zeilde den vijand
onverschrokken te gemoet. Met leeuwenmoed streed Witte tegen Blake,
wien hij zoo gaarne op de vlucht gejaagd of overwonnen zou hebben.
Had ieder kapitein het voorbeeld van Witte, De Ruyter, De Wilde
en Evertsen gevolgd, dan zou de uitslag van het gevecht heel
anders geweest zijn; maar velen volgden hun eigen zin en schoten
zelfs door onze schepen heen, terwijl anderen zich geheel aan het
gevecht onttrokken of op de vlucht gingen. Dat was nu juist geene
lafhartigheid, maar bijna alleen onwil om De With te gehoorzamen. De
haat tegen dien man ging zoo ver, dat ze de belangen van het Vaderland
er aan opofferden.
Midden in het gevecht bevindt zich De Gorcum. Haar grooten mast,
fokkemast, haar boegspriet en galjoen is ze al kwijt.
"We zijn verloren! Een ieder redde zich!" roept Boer Jaap en springt
met zijnen zoon en een paar matrozen in eene boot en vlucht.
De Engelschen naderen om het schip te nemen.
"Zullen we ons om dien De With, dat vloekbeest, gevangen laten
nemen!" riepen anderen en snelden naar de overgeblevene booten.
"Staat, lafhartige kerels!" dondert thans de stem van den opperstuurman
Willem Adriaense Warmont. "Niet voor De With vechten wij, maar voor
de eer van 's Lands vlag! Zijt gij een hoop losgelaten boeven of
jongens van onzen Goeden Vaer? Op, op, slaat erdoorheen!"--
"Ik zal ik je 'n andje 'elpen," roept Gerrit Leinsz, en zich met
eene lont in de hand bij eenige kruitvaten plaatsende, roept hij:
"Ik vlieg ik liever mee schip en aol in de lucht as op den loop te
gaen! As je niet an boord bluuft, dan gaet ie, 'oor!"--
De lange Smeerdieker zag er niet naar uit om zoo maar wat te zeggen
wat hij niet meende.
Huib, Adriaan en Jonge Kees plaatsten zich naast Leinsz. en riepen:
"Dood aan de Roorokken! Leve Goede Vaer Tromp!"
Die vijf kloeke mannen bedwongen in de ure des gevaars door hun moedig
gedrag eene gansche bent lafhartigen en wekten hunnen moed zoo op,
dat ze de handen aan het werk sloegen en in weinige oogenblikken den
vijand verdreven.
De Gorcum was behouden, en vreeselijk gehavend brengt Warmond haar
binnen op veilige reede. [27]
De avond viel en De With had zich met zijne getrouwen staande
gehouden. Vreeselijk was het verwijt dat hij richtte tot de kapiteins,
die zijne bevelen in den wind geslagen hadden, en eindelijk moesten
ze zich nog de woorden hooren toeduwen: "Voor lafaards is nog hout
genoeg in het Vaderland om er galgen van te maken!"
Zoodra echter het gevecht hervat werd, gingen er nog veel meer op de
vlucht dan bij de eerste ontmoeting, en thans zat er voor De With
niets anders op dan den raad van De Ruyter te volgen en strijdend
terug te trekken.
Het eerste werk van De With zoodra hij in het Vaderland was aangekomen,
bestond daarin, dat hij bij de Algemeene Staten eene aanklacht tegen
de weggeloopen kapiteins inzond.
Nu werden deze mannen wel tot onteerende straffen en boeten
veroordeeld; maar men begreep toch ook waar de schoen het meeste
wrong, en ze zagen te laat in, dat ze door het benoemen van De With
tot bevelhebber eene verkeerde daad verricht hadden.
Toch had onze dappere Briellenaar in dezen strijd bijna het onmogelijke
verricht door zich-zelven te beheerschen. Hij had zich geschikt naar
de inzichten van De Ruyter, Evertsen en De Wind. Het was waarlijk
zijne schuld niet, dat het eerste gevecht niet reeds eene overwinning
was geweest; maar ... "wee den wolf, die in een kwaad gerucht staat!--
De With werd op zijde gezet en de Algemeene Staten stelden andermaal
Goede Vaer Tromp tot Luitenant-Admiraal aan.
De miskende werd erkend; de erkende werd thans miskend!
Toch betoonde Tromp niet veel lust voor dat vernieuwde bewijs van
vertrouwen en toen men hem naar de oorzaak vroeg, schreef hij: "Want
met den vijand te slaan en mijn leven te wagen, verwekt bij mij geene
de minste bekommering; maar dat ik, alles doende ten dienste van het
Vaderland wat in mijn vermogen staat, te huis komende blootgesteld
ben aan de verdenkingen en de afgunst van kwaadwilligen, en, na alles
wat soldaat- en zeemanschap, naar het verstand, dat God mij gegeven
heeft, te hebben aangewend, genoodzaakt werd rekenschap te geven van
mijne verrichtingen en mijne beste daden misduid worden, dat is het
wat mij bekommert en dat mij den lust en ijver ontneemt!"
Goede Vaer Tromp had gelijk en het strekt hem tot groote eer, dat
hij na zooveel onverdiende beschuldigingen, na zooveel laster tegen
hem ingebracht, het welzijn van den Lande hooger schatte dan zijn
eigenbelang.--
Daar heerschte vreugde op de vloot toen men vernam dat Tromp alweder
met het opperbevel belast was en de goede geest, die op dat bericht
zich van het scheepsvolk meester maakte, was eene halve zeemacht.
"Heb ik het niet gedacht?" riep Huib. "Ze kunnen Goede Vaer niet
missen! Nou ga ik weer met pleizier aan den dans, al was het
vandaag! Gaat ge mede, Jonge Kees? En jij ook, Adriaan?"
"Houw en trouw!" was beider antwoord.
HOOFDSTUK XII
Daar werd gestreden.
Als bevelhebber van 78 oorlogschepen ging Tromp den eersten van
Wintermaand onder zeil. Tweehonderd koopvaarders hadden zich onder
zijne bescherming gesteld en na verloop van eenige dagen werd het
aantal schepen van oorlog zelfs tot over de honderd gebracht.
Deze vloot had gerust de "Onoverwinlijke" mogen heeten, als
ze maar niet zoo gebrekkig samengesteld ware geweest, en die
gebrekkige samenstelling weer was een gevolg van het bestaan van vijf
Admiraliteits-collegien, die elkander in vele opzichten dikwijls zeer
vijandig waren. Naijver was er altijd, en inplaats dat die naijver
de leden dier Collegien aansporen zou om door daden met de andere te
wedijveren, bleven ze dikwijls met hunne daden achter, omdat ze zich
in deze of die opzichten verongelijkt gevoelden. Zelfs vreemdelingen
viel dit in het oog.
Tromp verdeelde zijne vloot in vier smaldeelen. Hij zelf nam het
eerste; het tweede gaf hij aan zijnen stadgenoot Witte Cornelisz. De
With, doch daar deze door ziekte verhinderd was aan den tocht deel te
nemen, liet hij het bevel er van aan Michiel Adriaensz. De Ruyter. Het
derde stelde hij onder de bevelen van den Zeeuwschen Vice-Ammiraal
Jan Evertsen en het vierde vertrouwde hij aan den Schout-bij-Nacht
Pieter Floriszoon toe.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 | 8 |
9 |
10 |
11 |
12