A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Nicholas Brealey Buys Davies-Black
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Gray Gets New Ingram Role; Lovett Heading Ingram Digital
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

PW Morning Report, January 6, 2009">The PW Morning Report, January 6, 2009
We have been looking for ways to fuel additional growth, said Chuck Dresner, v-p, associate publisher of NB North America, which has offices in Boston, Mass. Davies-Black has built up an excellent publishing program and a recognized brand in some of the

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65


De Aarde en haar volken


1877.






Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.


I.

Van al de leden van de Alpine-Club te Londen, die door hunne stoute
tochten in de fransche en zwitsersche Alpen gedurende de jongste
twintig jaren zich een europeeschen naam hebben verworven, is wel
geen zoo algemeen bekend als de heer Edward Whymper. Deze algemeene
bekendheid heeft hij vooral ook te danken aan zijn boek Scrambles
amongst the Alps in the years 1860-1869,--Tochten in de Alpen in
de jaren 1860-1869--dat in 1870 te Londen het licht zag en sedert
herhaalde malen werd herdrukt. Dit werk, dat in het fransch, duitsch en
italiaansch vertaald werd, verdient ten volle de groote belangstelling,
die het alom gevonden heeft: niet alleen om den aangenamen vorm, den
helderen, duidelijken stijl, den humor die telkens treft en boeit, maar
ook om den inhoud zelven. De tochten, door den heer Whymper ondernomen,
behooren tot de merkwaardigste, die in de Alpen zijn volbracht; terwijl
zijn boek, vooral bij de verschijning, eene dubbele aantrekkelijkheid
ontleende aan het verhaal der noodlottige beklimming van den Matterhorn
(Mont-Cervin), waarbij een der beste Alpengidsen en drie jeugdige
landgenooten van den heer Whymper het leven verloren: eene gebeurtenis,
die destijds in geheel Europa de algemeene deelneming opwekte, en nog
niet geheel vergeten is, hoeveel er ook sedert moge gebeurd zijn van
meer ingrijpend belang dan de dood van vier moedige reizigers. Al is
het boek van den engelschen Alpenbeklimmer dan ook reeds enkele jaren
oud, met gerustheid durven wij eenige schetsen daaruit ontleenen, die
den lezers der Aarde gewis welkom zullen zijn, te meer daar, voor zoo
ver wij weten, van deze Scrambles geene hollandsche vertaling bestaat.

Bijna de helft van het boek is toegewijd aan het verhaal van de
verschillende pogingen, die de heer Whymper gedurende negen jaren heeft
aangewend om den Matterhorn te bestijgen; maar hij verhaalt ook in
alle bijzonderheden zijne bestijgingen van den Pelvoux (die voor hem
slechts door den heer Puiseux, hoogleeraar in de sterrekunde aan de
Sorbonne, was beklommen), van de Pointe des Ecrins, den berg Dolent,
den Grand-Cornier, de Dent-Blanche, de Aiguille-Verte en vele andere
toppen; benevens de niet minder belangrijke tochten door de passen
(cols) van Breuil, van La Breche, van Pilatte, van Triolet, van
Herens, van Talefre, enz. Er is dus geen gebrek aan verscheidenheid
en evenmin aan boeiende episoden.

Den 23sten Juli 1860 vertrok de heer Whymper van Londen, om zijne
eerste reis door de zwitsersche Alpen te ondernemen: eene reis,
die niet anders was dan een verkenningstocht. De heer Whymper trok
hierheen en daarheen, en doorkruiste het land in alle richtingen,
zonder zich ergens te vestigen. Maar hij had de bergen, wier latere
beklimming hij zich had voorgenomen, nauwkeurig bestudeerd en uit
verschillende oogpunten geteekend. Als een voorzichtig veldheer,
had hij zich vooraf zorgvuldig met het terrein bekend gemaakt.

In 1861 begaf hij zich rechtstreeks naar den Pelvoux, waaromtrent
hij trouwens niet dan zeer onvolledige inlichtingen had kunnen
inwinnen, hoofdzakelijk geput uit de werken van Elie de Beaumont
en J.D. Forbes. Het was hem onbekend, dat de heer Puiseux reeds in
1848 den top des bergs had beklommen: de bewoners der omliggende
valleien zelven hadden dat reeds zoo goed als geheel vergeten. In de
maand Augustus 1860 hadden de heeren Bonney, Hawkshaw en Mathews, met
Michel Croz uit Chamonix tot gids, gepoogd den Pelvoux te beklimmen;
maar na verscheidene dagen en nachten in vruchtelooze pogingen te
hebben verspild, waren zij door het slechte weder genoodzaakt geweest,
hun plan op te geven. Een wegopzichter, Jean Reynaud genaamd, dien
zij op hun tocht hadden medegenomen, schreef de mislukking aan het
te ver gevorderde saizoen toe. De heer Whymper, den raad van Reynaud
volgende, kwam dus in de eerste dagen van Augustus 1861 te La Bessee,
een dorp in de vallei der Durance, waar hij tegen den 3den dier maand
zijn vriend en landgenoot Macdonald bescheiden had.

Wij zullen nu hem zelven de beklimming van den Pelvoux laten verhalen.

"Van La Bessee kan men zeer duidelijk alle toppen van den Mont-Pelvoux
onderscheiden, zoowel den hoogsten top als dien, waarop de fransche
ingenieurs hunne pyramide hadden opgericht. Reynaud en al de bewoners
der vallei waren met de eigenlijke gesteldheid zeer slecht bekend. Men
wist alleen dat de ingenieurs een piek hadden beklommen, waar zij een
nog hoogeren top hadden ontdekt, dien zij de Pointe des Arcines of
des Ecrins hadden genoemd. Maar men kon niet zeggen of deze laatste
top te La Bessee zichtbaar was, en kon ook evenmin den top aanwijzen,
waarop de pyramide was verrezen. Naar onze meening werd de hoogste top
door andere kruinen aan ons oog onttrokken, en zouden wij deze laatsten
eerst moeten beklimmen, om de eigenlijke spits des bergs te bereiken.

"Van de beklimming door den heer Puiseux wisten de boeren niets af:
volgens hun zeggen, was de hoogste top van den Pelvoux nog nooit
door iemand beklommen geworden: het was juist die top, dien wij
bestijgen wilden.

"Ons vertrek werd alleen nog maar vertraagd door de afwezigheid van
Macdonald en door het gemis van een stok. Reynaud stelde ons voor,
een bezoek te gaan afleggen bij den postdirecteur, die een Alpenstok
bezat, in den ganschen omtrek bekend en beroemd. Wij begaven ons naar
het kantoor, maar het was gesloten; wij riepen zoo luid wij konden door
de reten van de deur; geen antwoord. Eindelijk echter ontdekten wij
den postdirecteur, blijkbaar bezig met zich te bedrinken, waarin hij
reeds tot eene vrij aanmerkelijke hoogte geslaagd was. Nauwelijks had
hij ons gezien, of hij riep uit, zoo goed en zoo kwaad als het ging:
"Frankrijk is ... de eerste natie ... der ... der ... wereld!" Wij
spraken hem natuurlijk niet tegen, maar trachtten hem aan het verstand
te brengen, waarom wij eigenlijk gekomen waren. De beroemde stok kwam
dan ook voor den dag: het was een tak van een jongen eik, ongeveer
een el en zeventig duim lang, krom en vol kwasten.

"Mijnheer, herhaalde de postdirecteur, terwijl hij ons den stok ter
hand stelde: Frank ... rijk, weet ge, dat is de ... eerste ... de
eerste ... natie der ... wereld, om haar, haar...."

"Hij zweeg.

"Haar stokken, fluisterde ik hem toe.

--Juist, mijnheer ... juist ... om haar ... stokken, om haar
... haar...."

Maar verder kon hij het niet brengen. Toen ik een blik wierp op
dien broozen staf, dacht ik niet zonder eenige ongerustheid aan mijne
eigene zwakheid; maar Reynaud, die het gansche dorp op zijn duim kende,
verzekerde mij dat er geen beter te vinden was. Wij verwijderden ons
dus met den beroemden stok, en lieten den eigenaar op den weg achter,
al waggelende en zwaaiende en steeds herhalende: "Frankrijk is het
eerste land der wereld!"

"De 3de Augustus brak aan; Macdonald was niet verschenen, en wij
begaven ons dus op weg naar de Vallouise. Ons gezelschap bestond
uit drie personen: Reynaud, mijn persoon en een drager, Jean
Casimir Giraud, de schoenmaker van La Bessee, de "kleine spijker"
bijgenaamd. Na anderhalf uur fiks doorgestapt te hebben, kwamen wij
te Ville-Vallouise, opgetogen door het gezicht op de trotsche toppen
van den Pelvoux, die zich stralend verhieven naar den wolkeloozen
hemel. Ik hernieuwde de kennismaking met den maire van Ville. Hij
was een degelijk man, met innemende manieren, maar hij verspreidde
een bijkans ondragelijken stank, zoo als trouwens de meeste bewoners
dezer valleien.

"Reynaud had welwillend op zich genomen, voor de levensmiddelen te
zorgen; maar juist toen wij gereed stonden te vertrekken, zag ik,
tot mijn groote spijt, dat hij van mijn goed vertrouwen gebruik had
gemaakt om een klein vaatje wijn mede te nemen, dat ons al dadelijk
tot grooten overlast was. Het was natuurlijk uiterst ongemakkelijk,
dit vaatje in de hand te houden. Reynaud probeerde om het te dragen,
maar gaf het weldra over aan Giraud, die er ook al spoedig genoeg
van had; eindelijk hingen zij het op aan een stok, dien zij op hunne
schouders droegen.

"Te Ville verdeelt de Vallouise zich in twee takken: de val
d'Entraignes ter linker, en het dal van Alefred (of Ailefroide) ter
rechterhand; onze weg liep door dit laatste dal bergopwaarts. Wij
stapten zonder ophouden door naar het dorp La Pisse, waar Pierre
Semiond woonde, die, naar het algemeene zeggen, beter dan eenig ander
bewoner der vallei, met den Pelvoux bekend was.

"Deze man maakte op ons een zeer gunstigen indruk; ongelukkig was
hij ziek en kon dus niet met ons medegaan. Echter beval hij ons
zijn broeder aan, een goedaardig bejaard man, wiens gerimpeld en
ingevallen gelaat hem juist niet als gids zou hebben doen verkiezen;
maar wij hadden geen keus, en togen dus met hem op weg.

"Boomen van allerlei soort, waaronder vooral noten, omzoomden het pad;
de koele, verkwikkende lommer gaf ons nieuwe krachten; beneden ons,
in eene prachtige kloof, bruiste de bergstroom, ontsprongen aan de
eeuwige sneeuwvelden, die wij den volgenden morgen hoopten te betreden.

"Te Ville kan men den Pelvoux niet zien: hij schuilt daar weg achter
een anderen berg, langs welks voet wij nu wandelden, op weg naar
de chalets van Alefred of Ailefroide, zooals zij somtijds genoemd
worden, waar de eigenlijke berg begint. Van deze chalets gezien,
schijnen de lagere, maar meer nabijzijnde toppen de meer verwijderde
bergen, aanmerkelijk in hoogte te overtreffen, hoewel dit inderdaad
niet het geval is; somwijlen verbergen zij die geheel. Maar met een
enkelen oogopslag overziet men hier, in zijn volle hoogte, den top,
die in deze valleien onder den naam van den "Grand-Pelvoux" bekend
is, en wiens schier loodrechte rotswanden zich tot eene hoogte van
omstreeks drie-en-twintighonderd el uit het dal verheffen.

"De chalets van Ailefroide zijn niet anders dan een handvol
armoedige houten hutten, aan den voet van den Grand-Pelvoux, nabij de
samenvloeiing der beeken, die van den gletscher van Sapeniere of van
Sele ter linkerhand, en de Witte en Zwarte gletschers ter rechterhand
afdalen. Wij vertoeven hier eenige minuten om wat melk en boter te
koopen; Semiond nam ook een afzichtelijk leelijken knaap mede, om
ons vaatje te helpen dragen, duwen en voortrollen.

"Nadat wij de chalets van Ailefroide verlaten hadden, sloegen wij
eensklaps links af: daar de zon naar het westen neigde, kwam ons nu
de schaduw der bergen ten goede. Men kan zich moeielijk een droeviger
en naargeestiger landschap denken, dan deze sombere vallei; mijlen ver
ziet men hier niets dan omgevallen rotsblokken, hoopen steen, zand en
slijk; de zeer weinige boomen staan zoo hoog, dat zij ter nauwernood
zichtbaar zijn. Geen menschelijk wezen is hier te bespeuren. De lucht
heeft geen vogelen en het water geen visschen; de berghellingen, te
steil voor de gemzen, bieden ook nergens eene schuilplaats aan voor
marmotten; de arenden zelfs vermijden dit onherbergzaam oord. Vier
dagen achtereen zagen wij in deze woeste en dorre vallei geen enkel
levend wezen, met uitzondering van eenige arme geiten, die zeer tegen
haar zin naar deze wildernis waren gevoerd.

"Deze vallei was inderdaad een passend tooneel voor het vreeselijk
drama, dat, omstreeks vierhonderd jaar geleden, hier werd opgevoerd,
en wel in de grot, die wij nu hoog boven ons aanschouwen, in de
Balme-Chapelu:--den moord der Waldenzen van Vallouise. Eene treurige
en jammerlijke geschiedenis is de hunne! Sedert meer dan driehonderd
jaren bewoonden zij deze afgelegen valleien, afgezonderd van de wereld,
in stilte arbeidende voor hun dagelijksch brood. De aartsbisschoppen
van Embrun hadden bij herhaling, maar te vergeefs, gepoogd, hen door
overreding in den schoot der kerk terug te brengen; anderen sloegen,
om dit doel te bereiken, een anderen weg in: zij begonnen hen te
vervolgen, te kwellen en te pijnigen, en eindigden met hen in massa
levend te verbranden. Zoo werden, op den 22sten Mei 1393, tachtig
personen uit de valleien van Freis-senieres en van Argentiere, en
honderdvijftig personen uit Vallouise te Embrun verbrand.

In het jaar 1488 beraamde Alberto Cattaneo, aarts-diaken van Cremona
en legaat van Paus Innocentius VIII, een algemeenen aanval tegen de
Waldenzen; maar door de Waldenzen van Piemont overal terug geslagen,
verliet hij hunne valleien, en trok den Mont-Genevre over om de
Waldenzen van Dauphine aan te tasten, die zwakker in aantal en meer
verspreid waren. Cattaneo verscheen in de vallei van de Durance, aan
het hoofd van een leger, dat, naar men zegt, half uit soldaten en
half uit vagebonden, dieven en moordenaars bestond; om deze lieden
tot zich te lokken en bijeen te houden, beloofde hij hun vooruit
kwijtschelding van al hunne misdaden, ontsloeg hen van de geloften
die zij mochten hebben afgelegd, en verzekerde hun het bezit van
alles wat zij met geweld verworven hadden.

"De bewoners van de Vallouise vluchtten op de nadering van dit
leger, tienmaal sterker dan hun aantal, en verscholen zich in deze
grot, waar zij een voorraad van levensmiddelen, voldoende voor twee
jaren, hadden bijeengebracht. Maar hun verbitterde vijand ontdekte
hunne schuilplaats. Cattaneo had in zijn leger een hoofdman, wiens
wreedheid wedijverde met zijne sluwheid: met behulp van touwen
liet hij zijne soldaten tot voor den ingang der grot zakken, waar
zij groote hoopen takkebossen in brand staken; de meeste Waldenzen,
die hier eene wijkplaats hadden gezocht, kwamen door het vuur en den
rook om; zij die aan de vlammen ontsnapten werden vermoord. Zonder
onderscheid van ouderdom of kunne, werden allen meedoogenloos om het
leven gebracht. Naar men zegt, verloren meer dan drieduizend menschen
bij deze gelegenheid het leven. Al wat in driehonderd-vijftig jaren
van vreedzamen arbeid was verkregen, werd met een slag vernietigd;
de vallei werd geheel ontvolkt. Ruim drie en een halve eeuw zijn
sedert verloopen; de vallei is ledig en woest gebleven.

"Na een poos bij eene kleine bron gerust te hebben, hervatten
wij onzen marsch tot wij bijna aan den voet van den gletscher van
Sapeniere waren gekomen; daar sloegen wij, op aanwijzing van Semiond,
rechts om, en begonnen de helling van den berg te bestijgen. Wij
klauterden naar boven, tusschen denneboomen en geweldige rotsblokken
door. De nacht naderde met rassche schreden; het was hoog tijd een
onderkomen te zoeken. Dit was trouwens niet moeilijk te vinden,
want wij bevonden ons te midden van een waren chaos van rotsen. Wij
besloten den nacht door te brengen onder een geweldigen steenklomp,
die meer dan vijftien ellen lang en zes ellen hoog was. De bodem word
schoon gemaakt, en hout bijeengezameld om vuur te kunnen maken.

"Dit bivouak is niet uit mijne herinnering geweken. Het vaatje wijn was
veilig en behouden tot hier gebracht; nu werd het open gestoken, en het
alles behalve smakelijke vocht scheen den Franschen wel te bevallen en
hunne levensgeesten op te wekken. Reynaud zong eenige fransche liedjes,
en ieder droeg verder het zijne bij tot de algemeene gezelligheid
door lied, verhaal of grap. Het was prachtig weer, en alles beloofde
voor morgen een fraaien dag. De vroolijkheid mijner gezellen steeg ten
top, toen ik een pakje rood bengaalsch vuur in de vlammen wierp. Het
effect dezer plotselinge verlichting was tooverachtig schoon; maar het
wondervolle schouwspel duurde slechts eenige sekonden: toen verzonken
de bergen rondom ons weer in hun plechtig geheimzinnig duister. Voor
en na schikte ieder van ons zich ter ruste; eindelijk wikkelde
ook ik mij in mijn reisdeken. Die voorzorg was haast niet noodig,
want de thermometer daalde niet lager dan veertig graden Fahrenheit,
hoewel wij ons op eene hoogte van minstens drie-en-twintig-honderd
el boven de zee bevonden.

"Om drie uur ontwaakten wij; echter gingen wij niet voor half vijf op
weg. Giraud behoefde niet verder mede te gaan dan tot deze rots; maar
op zijn verlangen, kreeg hij vergunning ons te mogen vergezellen. Met
frisschen moed de steilten beklimmende, hadden wij weldra de grens der
boomen bereikt; toen moesten wij gedurende twee uren voortklauteren
tusschen door elkaar geworpen rotsklompen. Kwart voor zeven uur hadden
wij een smallen gletscher--den Clos de l'Homme--bereikt, die van de
bovenste bergvlakte afdaalt, en kort daarna waren wij op de hoogte van
den gletscher van Sapeniere. Wij trachtten eerst rechts af te houden,
in de hoop dat het niet noodig zou zijn den gletscher over te steken;
maar wij moesten telkens op onze schreden terugkeeren, en kwamen
weldra tot de overtuiging dat die tocht niet was te vermijden. De oude
Semiond had een zeer sterken afkeer voor gletschers, en deed al het
mogelijke om deze gevaarlijke expeditie te voorkomen; maar Reynaud
en ik wilden die liever wagen, en Giraud sloot zich bij ons aan. De
gletscher was smal, niet veel breeder dan een steenworp, en het ging
gemakkelijk genoeg de zijde te beklimmen; maar het midden vormde een
steilen koepel, waarin wij gaten moesten hakken om onze voeten in te
zetten. Giraud ging aan de spits, zeggende dat hij zich oefenen wilde;
en onze bijl nemende, wilde hij die niet meer teruggeven. Dien dag,
en ook later, zoo dikwijls wij ons een weg moesten banen door kloven
en spleten met verharde sneeuw opgevuld,--hetgeen hooger op den berg
telkens het geval was--deed hij alleen al het werk, en wel op de
voortreffelijkste wijze.

"Nadat wij den gletscher waren overgestoken, voegde de oude Semiond
zich weer bij ons. Wij klauterden nu, zigszagsgewijze, tegen eenige
met sneeuw bedekte hellingen op, en begonnen spoedig daarna de
schier eindelooze reeks van contreforten te bestijgen, die een der
kenmerkende trekken van den Pelvoux zijn. Op sommige punten zeer
steil, vormen zij over het geheel een stevigen en vasten grondslag, en
onder die omstandigheden is eene beklimming eigenlijk nooit moeilijk
te noemen. Tusschen die contreforten bevinden zich talrijke kloven
en ravijnen, somwijlen zeer breed en zeer diep. Voor het meerendeel
waren zij met steenen en puin gevuld, en zonder hulp zou het voor een
toerist alleen moeielijk zijn geweest, er door te komen. Zij die aan
de spits van onze kleine karavaan gingen, waren telkens genoodzaakt
steenklompen op zijde te duwen, en hunne makkers met hunne stokken te
hulp te komen. Intusschen brachten deze incidenten eenige afwisseling
in onzen tocht, die mij anders vrij vervelend zou hebben geschenen.

"Zoo klauterden wij tegen steilten, kloven en ravijnen op, telkens
geloovende het doel bereikt te hebben, dat ons gedurig ontweek. Wij
stonden aan den voet van een geweldig contrefort, omstreeks
vijf-en-zestig el hoog, en beschouwden nauwkeurig het bovenste gedeelte
dezer rotspyramide. Wij konden den top niet onderkennen; maar, naar
onze meening, moest zich toch achter deze lijn van bolwerken ergens
een top bevinden, en die top zou tevens wel de rand zijn van het
bergplateau, waarnaar wij zoo vurig verlangden. IJverig naar boven
klauterende, stonden wij straks op een top; maar, helaas! daarachter
zagen wij er nog een, en nog een, en dan nog een.... Eindelijk hadden
wij het hoogste toppunt bereikt; maar wij stonden wederom op een
contrefort, en moesten een vijftien of twintig el afdalen om dan weer
te klimmen. Deze oefening, eenige dozijnen malen herhaald, viel ons
des te moeielijker, omdat wij werkelijk niet meer wisten waar wij ons
eigenlijk bevonden. Semiond sprak ons echter moed in: hij was zeker,
zeide hij, dat wij op den goeden weg waren. Wij begonnen dus met
frissche krachten onze verschrikkelijke vesting te bestormen.

"Het was bijna middag geworden, en wij waren nog altijd even ver van
den top van den Pelvoux, als toen wij onzen tocht begonnen. Eindelijk
stonden wij stil om te overleggen.

"Semiond, oude jongen, weet gij waar wij nu zijn?

--O ja, zeker: op een half uur afstands van de sneeuw.

--Heel goed; dan maar voorwaarts."

"Een half uur verliep, daarna nog een, en er was nog niets veranderd:
allerwege bastions, contreforten, pyramiden, ravijnen, maar van het
plateau was niets te bespeuren. Semiond wierp angstige blikken om
zich, alsof hij niet geheel zeker was van de richting, die wij volgen
moesten. Wij riepen hem aan, en nogmaals deed ik hem dezelfde vraag.

"Hoe ver zijn wij nu van het plateau?

--Een half uur, antwoordde hij.

--Maar dat hebt ge straks ook al gezegd: weet ge zeker dat wij op
den goeden weg zijn?

--Ja, dat geloof ik wel."

Hij geloofde het: dat was niet genoeg.

"Weet ge zeker dat wij rechtstreeks naar de piek des Arcines klimmen?

--De piek des Arcines! riep hij heel verwonderd, alsof hij die woorden
voor de eerste maal hoorde. De piek des Arcines! Neen! maar wij gaan
in rechte lijn naar de pyramide, naar de beroemde pyramide, die ik
den vermaarden kapitein Durand heb helpen oprichten, enz."

"Wij hadden een ganschen dag met hem over die piek gesproken, en nu
kwam het uit dat hij die zelfs niet kende. Ik keerde mij tot Reynaud,
die als verplet stond.

"Wat zegt hij? vroeg ik hem.

"Reynaud haalde de schouders op.

"Wij gaven Semiond nog eens duidelijk te kennen wat wij begeerden,
en beduidden hem dat wij liever zouden terugkeeren, want dat wij ons
in het minst niet bekommerden om zijne pyramide.

"Na een uur gerust te hebben, begonnen wij dus weder af te dalen;
wij hadden bijna zeven uren noodig om onze rots te bereiken, waar wij
hadden overnacht; maar ik rekende den afstand niet, en weet mij niets
meer te herinneren van dien fatalen tocht. Nauwelijks waren wij beneden
gekomen, of wij deden eene ontdekking, die ons niet minder verraste,
dan het gezicht van een voetstap in het zand van zijn eiland eenmaal
Robinson verbaasde: nabij onzen uitgebranden vuurhaard lag een blauwe
sluier op den grond. Er was maar eene verklaring van dit verschijnsel
mogelijk: Macdonald was gekomen; maar waar was hij dan? Haastig rapen
wij onze kleine bagage bijeen, en dalen, al tastende, in den donker,
door deze woestijn van steenen, naar Ailefroide, waar wij tegen half
tien aankomen.

"Waar is de engelsche heer?" dat was onze eerste vraag. Hij was naar
Ville gegaan om daar te overnachten.

"Wij behielpen ons voor dien nacht, zoo goed het ging, op een
hooizolder; en den volgenden morgen, na met Semiond afgerekend te
hebben, daalden wij de vallei af om Macdonald op te zoeken. Ons
plan was reeds vastgesteld: wij zouden hem overreden met ons te
gaan, en dan zouden wij onzen tocht hervatten, maar nu zonder gids;
de sterkste en verstandigste mijner metgezellen zou dan als drager
dienst kunnen doen. Ik had daarbij bepaaldelijk aan Giraud gedacht,
een flinke kerel, altijd gereed om alles aan te vatten en toch zonder
eenige pretensie. Maar wij werden bitter teleurgesteld: hij moest
noodzakelijk naar Briancon gaan.

"Onderweg hadden wij allerlei oponthoud. De boeren, die wij
tegenkwamen, vroegen ons, hoe het met onzen tocht was afgeloopen, en de
beleefdheid vorderde dat wij stilhielden om te antwoorden. Intusschen
vreesde ik, dat Macdonald mij ontsnappen zou, want, naar men ons
mededeelde, zou hij niet langer dan tot tien uur op ons wachten,
en die termijn was welhaast verstreken. Wij liepen dus zoo hard wij
konden. Eindelijk stond ik op de brug te Ville, juist vijf kwartier
nadat wij Ailefroide verlaten hadden; hier hield een wegwerker mij
tegen, met het bericht dat de engelsche heer naar La Bessee was
vertrokken. Ik spoedde mij voort, en liep een poos haastig over
den weg, zonder hem te zien; maar eindelijk, bij het omslaan van
een nieuwen hoek, bespeurde ik Macdonald, met snellen tred voor mij
uitgaande. Ik riep hem aan; gelukkig hoorde hij mij, en wij keerden te
zamen naar Ville terug. Daar voorzagen wij ons van nieuwen voorraad;
en nog dien eigen middag stegen wij bergopwaarts tot voorbij de rots,
waar ik den vorigen keer had overnacht. Zooals ik gezegd heb, hadden
wij ons voorgenomen ditmaal geen gids te nemen; maar toen wij te La
Pisse kwamen, bood de oude Semiond ons zijne diensten aan. Ondanks
zijne jaren, kon hij nog zeer goed loopen, en Macdonald was van
oordeel dat wij beter deden hem mede te nemen. Ik bood hem een vijfde
van zijne vroegere belooning, en hij nam zonder bedenken mijn aanbod
aan; maar ditmaal vervulde hij eene meer ondergeschikte betrekking:
wij zouden den weg wijzen, hij had slechts te volgen. Onze tweede
metgezel was een jonkman van zeven-en-twintig jaar, die ons weinig
reden tot tevredenheid gaf. Hij dronk den wijn van Reynaud, rookte
onze sigaren, en hield zeer kalm onze provisien achter, toen wij half
dood waren van honger.

"Toen het avond geworden was, sloegen wij ons bivouak op, hoog boven
de grenslijn der boomen, zoodat wij het noodige hout op vrij grooten
afstand moesten gaan halen. De rots, die ons ditmaal tot schuilplaats
strekte, was daartoe veel minder geschikt dan die, waaronder ik den
eersten nacht had doorgebracht. Om eene geschikte plaats te kunnen
vinden, moesten wij eerst een zwaren steenklomp uit den weg ruimen;
aanvankelijk gelukte dit niet, maar eindelijk kwam er toch beweging
in den klomp, en begon hij te rollen, eerst langzaam, en toen al
sneller en sneller; eindelijk nam de steen zijn vaart, en stortte,
van rots tot rots springende, in de diepte neder. Telkens als hij
tegen een rotspunt sloeg, spatte er een regen van vonken omhoog,
die den somberen afgrond zonderling verlichtten. Lang nadat wij den
steenklomp uit het oog verloren hadden, hoorden wij hem nog van de
eene rots op de andere springen, tot hij eindelijk met een doffen slag
nederkwam op den gletscher. Toen wij naar ons bivouak terugkeerden,
vroeg Reynaud of wij nooit eene brandende beek hadden gezien. Volgens
zijn zeggen, voert de Durance, in de lente, als zij door het smelten
der sneeuw gezwollen is, zoo veel rotsblokken en steenen mede, dat
men te La Bessee, waar de bedding zeer smal is, geen water meer ziet,
maar alleen steenklompen, die over elkander voortrollen en met zooveel
geweld tegen elkaar botsen, dat geheele zwermen van vonken omhoog
spatten, alsof de beek zelve vlam had gevat.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.