A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


'Da Vinci Code' publisher one of two execs leaving Random House
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new magic from Potter author J.K. Rowling
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Rubin, Irwyn Applebaum Out in RH Reorg
NEW YORK - The man who helped give the world 'The Da Vinci Code' and a leading publisher of Danielle Steel and other brand-name authors are leaving Random House. The departing executives are Stephen Rubin, who as head of the Doubleday Publishing Group

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Onder de drie-en-vijftig aanhangers van Kellogg bevinden zich
acht-en-twintig negers, bijna allen gewezen slaven, die vroeger op
de rijstvelden en de katoenplantages hebben gearbeid. Enkelen hunner
kunnen drukwerk lezen en hun naam krabbelen; de meesten kunnen noch
het een noch het ander; terwijl hoogstens vier of vijf in staat zijn
hunne gedachten in verstaanbaar engelsch uit te drukken. Bijna allen
zijn zoo arm en onwetend, zoo opgeblazen ijdel en zoo onzinnig dom,
dat Kellogg hen niet zonder opzicht op straat en in de herbergen
durft vertrouwen. Nieuw-Orleans, eene vroolijke en luidruchtige stad,
is vol herbergen, kroegen en speelhuizen, waar lieden als Pinchback
hun leerjaren doorbrengen. Deze kroegen en speelhuizen oefenen eene
wondere aantrekkingskracht uit op Mozes en Peter, negers, zoo pas van
de katoenvelden ontslagen, en zeer begeerig om in eene groote stad van
hunne nieuwe vrijheid te genieten. Spionnen brengen op het Kapitool
de onrustwekkende tijding, dat de negers-senatoren en afgevaardigden
in handen dreigen te vallen van slimme en weinig nauwgezette lieden;
Cousins, de negers-afgevaardigde voor St. Tammany is, naar men zegt,
reeds in de straat opgelicht en weggevoerd. Zijne stem is verloren--een
revanche voor den ontrouwen conservatief. Andere negers verteren en
verdobbelen hun geld in de kroegen en drinken zich dronken.

Kellogg begreep dat het hoog tijd word om te handelen.

Hij liet timmerlieden en logementhouders komen, en gelastte hun, het
Kapitool in eene vesting en een hotel te herscheppen. Het Kapitool--een
groot en fraai gebouw, aan den hoek van de straat Saint-Louis en
de Koningsstraat--was oorspronkelijk een hotel, dat den naam droeg
van het hotel Saint-Louis, naar den koninklijken grondlegger der
volkplantingen in Louisiana. De straat Saint-Louis en de Koningsstraat
doorsnijden rechthoekig het oude fransche kwartier. Dit gedeelte van
Nieuw-Orleans, met zijn balkons, zijn groene zonneblinden, zijn hooge
koetspoorten, zijn binnenplaatsen,--waarop waterkommen en bakken met
oleanders de plaats vervullen van fonteinen en tuinen,--draagt een
eigenaardig karakter. Tegenwoordig is het stil en verlaten, het leven
en de beweging van den handel hebben zich sinds lang naar elders
verplaatst. Maar vroeger was deze wijk de fatsoenlijke buurt bij
uitnemendheid, waar de dames op de wandeling al hare bekoorlijkheden
ten toon spreidden, waar duellisten elkander ontmoetten, en waar de
regeerings-personen hunne woningen hadden. Sedert is de mode veranderd:
tegenwoordig gaat men in het hotel Saint-Charles logeeren. Het vroeger
zoo aanzienlijke hotel is nu het Statenhuis; de eene vleugel van het
oude logement bevat de bureaux der uitvoerende macht; een voormalige
eetzaal dient voor de zittingen der Kamer.

Op last van Kellogg worden nu planken voor de deuren en vensters
gespijkerd en met ijzeren bouten bevestigd. In de straat Saint-Louis
worden barrikaden opgeworpen, en de hoofdingang van het hotel wordt
gesloten; slechts eene enkele deur, een achterdeur in de Koningsstraat
uitkomende, blijft opengelaten. Van binnen en van buiten wordt het
Statenhuis in behoorlijken staat van verdediging gebracht, om des noods
een bestorming te kunnen doorstaan. Veertig zwarte policie-agenten,
met knuppels en revolvers gewapend, bezetten het voorhuis, terwijl
anderen op de trappen en in de gangen post vatten. Geweren staan
langs de muren geschaard; een zekere generaal Campbell, een voormalig
zuidelijk officier nu tot de partij der scalawags overgeloopen, wordt
met de verdediging belast. Op de binnenplaats worden levensmiddelen
saamgebracht, voldoende voor een beleg van twintig dagen: ingelegde
vruchten, gedroogde visch, gezouten vleesch, whisky, tabak, bier. Er
wordt eene cantine geopend, en de noodige spuwbakken geplaatst. Honderd
matrassen, uit de kazernen gehaald, worden in de gangen en portalen
nedergelegd. Het avondmaal wordt gereed gemaakt, en kistjes sigaren
ter beschikking gesteld. Toen nu alles klaar was, zond Kellogg zijne
spionnen en agenten uit, om de negers-afgevaardigden op te zoeken en
hen uit te noodigen in het Statenhuis te komen rooken, eten, drinken
en slapen, ten einde tijdig gereed te zijn voor den arbeid van den
volgenden dag.

Een honderdtal personen, Kamerleden, schuimloopers, policie-agenten
en dergelijke lieden, waarvan vijf op de zes kleurlingen, brachten den
Zondagnacht in Kelloggs cantine door, onophoudelijk whisky drinkende en
liederlijke liedjes uitgalmende. Den geheelen nacht houden Kelloggs
ambtenaren zich gereed om, zoodra door een of ander toeval het
getal tegenwoordige leden de wettige meerderheid van zes-en-vijftig
mocht bereiken, aanstonds appel nominaal te houden en de Kamer te
constitueeren. Het is een roekeloos spel, maar lieden als Kellogg,
eens tot het uiterste gedreven, volgen meermalen blindelings hunne
dolzinnigste ingevingen. Als men het zoo ver kan brengen dat een bureau
kan worden samengesteld, dan zal men wel middelen weten te vinden om de
kleine conservatieve meerderheid onschadelijk te maken. William Vigers,
griffier der vorige Kamer en kandidaat voor de nieuwe, wacht in de
voorkamer van Kellogg, met de officieele naamlijst bij zich. Michael
Hahn, een advokaat, dien de republikeinsche partij tot voorzitter wilde
benoemen, zit in Kelloggs kabinet. De scalawags wantrouwen Michael
Hahn, omdat hij zich nog eenigermate gebonden rekende door de wet;
maar hun partij was veel te arm aan rechtsgeleerden, om hem voorbij
te kunnen gaan. Wien zullen zij anders tegenover Louis A. Wiltz, den
conservatieven kandidaat, stellen? Eenige leden willen een neger op
den voorzittersstoel plaatsen. Anderen, door den drank opgewonden,
roepen dat men Kellogg moet afzetten en Pinch in zijne plaats benoemen.

"De ouwe Pinch een echte neger!" schreeuwt een van zijn dronken
aanhangers.

"Dat's waar," stottert een ander, niet minder beschonken. "Pinch
echte neger. Hoera voor Pinch!"

Pinchback bevond zich in het kabinet van Kellogg, met Hahn en Campbell,
wachtende op een gunstig toeval. Als maar zes of zeven conservatieven,
door nieuwsgierigheid gedreven, het Kapitool binnen traden, zou de
wettig vereischte meerderheid tegenwoordig zijn; men kon dan dadelijk
appel nominaal houden, de vergadering openen, Hahn tot president en
Vigers tot griffier benoemen.

Nu en dan treden werkelijk eenige aanhangers van Warmoth de zaal
in,--zoo zij zeggen, om een kijkje te nemen en een glas te drinken,
waarna zij weer heengaan. Pinch houdt deze bezoekers nauwkeurig in
het oog. Op een gegeven oogenblik telt hij inderdaad vijf-en-vijftig
leden in de cantine. Dadelijk belegt hij eene voorloopige vergadering
en opent de beraadslagingen; maar wat hij ook doe, zelfs de geniale
Pinch kan geene minderheid van vijf-en-vijftig veranderen in eene
wettige meerderheid van zes-en-vijftig.

Er moesten meer afdoende maatregelen worden genomen. Een honderdtal
manschappen van de zwarte milicie trekken het Kapitool binnen en
worden onder de bevelen gesteld van generaal Campbell. Men roept de
hulp in der federale officieren, en ondanks de jongste berisping van
den President, wordt die hulp bereidwillig verleend, niet alleen door
de landmacht, maar ook door de vloot.

Generaal Emory had zijn intrek genomen in het douane-kantoor. Hij laat
zijn drie veldstukken in batterij brengen, en een eskadron kavallerie
onder de wapenen komen. Zijn onderbevelhebber, generaal De Trobriand,
krijgt last, om bij het aanbreken van den dag de Koningsstraat te gaan
bezetten. De federale vlootvoogd laat zijne schepen zoodanig positie
innemen, dat hun vuur de kaaien bestrijkt en de Kanaalstraat kan
schoonvegen. Bovendien wordt eene afdeeling mariniers in gereedheid
gehouden om aan wal te gaan.

Sheridan blijft inmiddels rustig in zijn hotel. Conservatieve spionnen,
naar de Rotonde gekomen om zijne bewegingen gade te slaan, vinden
hem, als naar gewoonte, op en neder kuierende, zijn sigaar rookende,
en met de officieren van zijn staf schertsende, alsof hetgeen op het
Kapitool en in de arsenalen voorviel, hem niet meer aanging dan eenig
anderen gast in het hotel.

De dagen van het carnaval naderen. De komst van "Koning Carnaval"
wordt aangekondigd; en schrijvers in satirieke bladen--wier aantal te
Nieuw-Orleans zeer groot is--verzekeren spottend dat niemand anders dan
"Koning Philip" de verwachte potentaat is, voorloopig nog incognito.

Sheridan lacht er om en rookt maar altijd door zijn sigaar.

(Wordt vervolgd.)


Uit het dagboek van een Alpenbeklimmer.

(Vervolg van bladz. 15).


II.

Onder de Alpentoppen, die, als nog nimmer door eens menschen voet
betreden, den heer Whymper bijzonder aantrokken, was er geen, waarvan
de bestijging vuriger door hem werd gewenscht dan de Matterhorn of
Mont-Cervin. De beklimming van dien berg, hoezeer dikwerf beproefd
door de bekwaamste gidsen en de onverschrokkenste reizigers, was
tot dusver altijd mislukt. Zij ging dan ook inderdaad met schier
onoverkomelijke zwarigheden gepaard. Eerst na zeven vergeefsche
pogingen mocht het den heer Whymper, bij een achtsten tocht, gelukken,
den top te bereiken. Doch, helaas! die groote overwinning werd tot
een duren prijs gekocht. De beste Alpengids en drie der reisgenooten
van den heer Whymper verloren op den terugtocht het leven. Bij het
afdalen van den berg, stortten zij, van eene hoogte van ruim duizend
el, op den gletscher van den Matterhorn neder.

De Mont-Cervin is buiten kijf de merkwaardigste berg van de geheele
Alpenketen, ja misschien van de geheele aarde. De afbeelding op
bladz: 80 geeft, beter dan eene beschrijving doen kan, een zeer juist
denkbeeld van die reusachtige obelisk van graniet, die zich ter hoogte
van 4432 el verheft aan het westelijk uiteinde van de vallei van
Zermatt, tusschen de geweldige groep van den Mont-Rose ten oosten,
de Dent d'Herens (4180 el) en de Tete-Blanche (3750 el) ten westen,
en de Dent-Blanche (4364 el) ten noorden, juist op de grenzen van
Zwitserland en Italie. De bijkans loodrechte rotswanden stijgen ter
hoogte van 1600 of 1700 el boven de omringende gletschers op.

"De Matterhorn, zegt de heer Giordano, hoofdingeneur der mijnen
in Italie, bestaat van de basis tot den top, uit vrij regelmatig
gevormde rotslagen, die allen een weinig naar het oosten, dat wil
zeggen naar den Mont-Rose, oploopen. Deze rotsen, hoewel blijkbaar
van sedimentairen oorsprong, hebben eene zeer sterk uitkomende
kristalvormige gedaante, zoo als in dit gedeelte der Alpen meermalen
het geval is.

"De tegenwoordige piek is slechts het overblijfsel eener
vroegere, geologische formatie, waarvan de geweldige lagen van
drieduizend-vijfhonderd el, even als een onmetelijke mantel, de
groote granietmassa van den Mont-Rose omhulden. De eigenaardige
geologische samenstelling van den berg is voor een deel de oorzaak
van den scherpen vorm en de piramidale gedaante van den top, waarover
de reizigers zich zoo zeer verbazen. De gletschers, die zich aan den
voet dezer piramide bevinden, voeren voortdurend de afvallende steenen
en blokken weg; zonder hen, zou de wonderbare obelisk wellicht reeds
onder hare eigene puinhoopen begraven zijn."

De eerste pogingen om den Mont-Cervin te beklimmen, werden in de
jaren 1858 en 1859 beproefd. Eenige moedige gidsen of liever jagers
van Val Tournanche trachtten, van de zijde van Breuil, den berg te
bestijgen. Dit waren Jean-Antoine Carrel, Jean-Jacques Carrel, Victor
Carrel, de abt Garet en Gabrielle Maquignaz. Het eenige wat men van
hunne expeditien weet, is dat zij het punt bereikten, tegenwoordig
onder den naam van den Schoorsteen bekend, ter hoogte van ongeveer
3860 el.

In 1860 waagden de heeren Alfred, Charles en Sandbach Parker, van
Liverpool, andermaal eene poging om den Matterhorn aan de oostelijke
zijde te beklimmen. Zij hadden geen gidsen bij zich. Zware wolken,
hevige wind en gebrek aan tijd noodzaakten hen nog dien eigen avond
naar Zermatt terug te keeren, van waar zij des morgens vertrokken
waren. Zij hadden slechts eene hoogte van 3650 el bereikt.

De derde poging werd beproefd in de laatste dagen vau Augustus
1860. De heer Vaughan Hawkins vertrok toen van Val Tournanche, met
de gidsen Bennen en J. Jacques Carrel. De heer Tyndall vergezelde
hem. Hij hield met Carrel stil op honderd el boven den Schoorsteen:
Bennen en de heer Tyndall stegen nog ongeveer twintig el hooger,
maar zagen zich toen ook genoodzaakt terug te keeren.

In 1861 hernieuwden de heeren Parker de gevaarlijke onderneming. Even
als den vorigen keer, was ook ditmaal Zermatt hun punt van
uitgang. Doch, ook even als den vorigen keer, waren thans wederom al
hunne pogingen tot vermeestering der onbedwingbare veste ijdel.

Op den 28sten Augustus van datzelfde jaar kwam de heer Whymper te
Breuil. Hij vernam daar, dat de heer Tyndall er een paar dagen had
doorgebracht, maar geene nieuwe poging had gewaagd. Vast besloten,
het gevaarlijke avontuur te beproeven, begreep Whymper dat een enkele
dag voor een dergelijken tocht te kort was. Hij klom dus, vergezeld
van slechts een gids, in den namiddag tot aan den Col du Lion, en
sloeg daar zijn tent op. De nacht was zeer koud. Het water bevroor
in een flesch, onder zijn hoofdpeluw geplaatst. Den geheelen nacht
door vielen rotsblokken rondom de tent naar beneden, gelukkig zonder
schade te veroorzaken. Zoodra de dag aanbrak, begon de heer Whymper
langs de zuidwestelijke helling naar boven te klauteren. Binnen een
uur bereikte hij den Schoorsteen. Daar weigerde zijn gids, wiens
naam hij verzwijgt, verder mede te gaan, zoodat hij genoodzaakt was
de onderneming op te geven en naar Breuil terug te keeren.

De heer Kennedy van Leeds verbeeldde zich, dat de bestijging van
den Matterhorn in den winter minder bezwaar zou opleveren dan in den
zomer. Mitsdien begaf hij zich in Januari 1862 naar Zermatt, om dat
zeker zeer zonderlinge denkbeeld in praktijk te brengen. Hij bracht,
daags na zijne komst, den nacht door in de kapel van Schwarzsee, in
gezelschap van Pieter Pernn en Pieter Taugwalder; en bij het eerste
morgenkrieken begon hij, op het voetspoor van de heeren Parker,
de rotskam tusschen den Hoernli en den Matterhorn te beklimmen. Maar
nadat hij, ter hoogte van 3298 el, eene kleine steenen piramide van
twee el hoog had opgericht, zag hij zich door de sneeuw, de koude en
den wind gedwongen zoo spoedig mogelijk den terugtocht aan te nemen
en naar Zermatt weder te keeren.

De heer Whymper besteedde dien zelfden winter aan de vervaardiging
van eene nieuwe tent, veel beter en doelmatiger ingericht dan die,
waarin hij aan den col du Lion den nacht had doorgebracht. Vervolgens
begaf hij zich weder op reis, en verscheen in de eerste dagen van
Juli 1863 te Breuil. Den 7den vertrok hij van daar, om, met den heer
Macdonald en drie gidsen, wien hij den weg zou wijzen, Jan Tangwalder,
Jan Kronig van Zermatt en Luc Meynet, de eerste hellingen van den
Matterhorn te bestijgen. Hij vergiste zich echter in de richting;
toen hij zijne dwaling bemerkte, werd hij tevens gewaar dat hij,
zonder het te weten, den kleinen bergtop had bestegen, die zich
boven den col du Lion verheft. Het bovenste gedeelte van dien top
biedt geen vast steunpunt aan; de rotsen zijn hier op verschillende
plaatsen met een laag zeer glad ijs overdekt. Kronig deed een val,
waarbij hij gelukkig met den schrik vrijkwam, maar die zeer licht
doodelijk had kunnen worden. Eindelijk bereikte men, na veel moeite
en niet zonder ernstig gevaar, den col du Lion, waar de tent werd
opgeslagen. Maar de scherpe oostenwind, die den geheelen nacht
met toenemende hevigheid had gewaaid, ging allengs in een orkaan
over. Groote massaas steenen rolden van alle kanten naar beneden; de
koude werd haast onuitstaanbaar. De drie gidsen verklaarden op den
meest stelligen toon, dat zij niet verder wilden gaan; en om half
drie in den namiddag keerde de heer Whymper te Breuil terug, zeer
ter neer geslagen door den slechten uitslag dezer nieuwe proefneming.

Toch gaf hij den moed nog niet op: reeds den 9den Juli klom hij met
zijn vriend Macdonald, Jean-Antoine Carrel en Pession, nogmaals naar
den col du Lion. Het was heerlijk schoon weer. Volgens den raad vau
Carrel, werd het bivouak voor den nacht opgeslagen aan den voet van
den Schoorsteen, op de oostelijke zijde der berghelling, ter hoogte van
3825 el. Den volgenden morgen beklommen Carrel en de heeren Macdonald
en Whymper, zonder te groote inspanning, dien zoogenaamden Schoorsteen:
Pession volgde hen, maar aan het boveneinde gekomen, verklaarde hij
zich te ziek te gevoelen om nog hooger te kunnen klimmen. Carrel wilde
zonder zijn vriend niet verder gaan. De heer Macdonald wilde den tocht
zonder de beide gidsen voortzetten, maar de heer Whymper achtte het
voorzichtiger, in 's hemels naam naar Breuil terug te keeren.

"Drie malen, zoo zegt hij, had ik gepoogd dien berg te beklimmen, en
drie malen had ik met schande moeten terugkeeren. De grens, door mijn
voorgangers bereikt, was ook door mij niet noemenswaard overschreden:
ik was geen el hooger gestegen dan zij. Tot op eene hoogte van ongeveer
4000 el, bood de bestijging geene buitengewone moeilijkheden aan;
die reis kon bijna voor een pleiziertochtje gelden. Er bleven dus
slechts 500 el te beklimmen over; maar geen menschelijke voet had
nog ooit dit gedeelte des bergs betreden, en hier waren de geduchtste
hinderpalen en moeilijkheden te wachten, Er viel niet aan te denken,
om alleen en onverzeld den top te bereiken.... Om sommige gevaarlijke
punten te kunnen passeeren, waren er minstens drie mannen noodig,
volgens Carrel zelfs vier. Waar zou men die twee of drie onontbeerlijke
gidsen kunnen vinden? De grootste moeilijkheid lag niet in den berg,
maar in het gebrek aan geschikte manschappen."

De heer Whymper begaf zich naar Zermatt, om daar de mannen te
zoeken, die hij noodig had; maar hij vond ze niet, en ondernam nu de
beklimming van den Mont-Rose. Te Breuil teruggekeerd, trachtte hij,
doch te vergeefs, Carrel en Meynet te bewegen, hem op den tocht
naar den Matterhorn te vergezellen. Vreezende dat zijne tent, die
op het tweede platform was blijven staan, door den wind zou worden
medegevoerd, ging hij den 18den Juli alleen op weg, om te zien wat
er van haar geworden was. De tent stond nog op dezelfde plaats,
maar was geheel met sneeuw overdekt. Na het prachtige panorama,
dat zich voor zijne oogen ontrolde, bewonderd te hebben, bracht hij
zijne tent, waarin hij nog eenige levensmiddelen vond, weer in orde,
en besloot alleen op den berg te overnachten.

Den volgenden morgen begon hij op nieuw te klimmen, om zoo mogelijk een
hooger terras of platform te bereiken. Niet zonder veel moeite, bracht
hij het tot aan den voet van den Grooten-Toren, het hoogste punt,
dat de heer Hawkins in 1860 bereikt had. "De Groote-Toren, zegt hij,
is eene van de merkwaardigheden van de Matterhorngroep. Hij gelijkt in
voorkomen op een middeleeuwschen wachttoren, zoo als men dien aan de
hoeken van feodale burchten ziet. Van den col Saint-Theodule gezien,
schijnt de Toren van weinig beteekenis; maar naarmate men dichter bij
komt, neemt hij in omvang toe, en als men zijn voet bereikt heeft,
onttrekt hij het geheele bovengedeelte van den berg aan het oog. Ik
vond daar, om mijne tent op te slaan, eene geschikte plaats, die,
hoewel minder gedekt dan het tweede platform, boven dit het voordeel
had, honderd el hooger te liggen."

Na een merkwaardig uitstapje achter den Grooten Toren gemaakt te
hebben, besloot de heer Whymper terug te keeren, daar het blijkbaar
onmogelijk was, alleen de beklimming voort te zetten. Hij hield zich
overtuigd dat hij, zonder iemands hulp, tot eene hoogte was opgestegen,
nog door geen zijner voorgangers bereikt. "Mijne vreugde, zegt hij,
was ietwat voorbarig.

"Tegen vijf uur in den avond verliet ik andermaal de tent, en ik waande
mij reeds goed en wel in Breuil teruggekeerd. Met mijn touw en mijn
haak had ik tot dusver alle moeilijkheden kunnen overwinnen. Ik daalde
den Schoorsteen af, waarbij ik het touw aan een rots vastmaakte, en
mij daarlangs naar beneden liet glijden; ik sneed vervolgens het touw
door en liet het hangen; het overschietende dacht mij genoeg. Mijne
bijl was mij bij de afdaling zeer hinderlijk geweest; ik had haar
mitsdien in de tent achtergelaten. Het was een oude enterbijl, die
niet aan den met ijzer beslagen stok vastzat. Als ik met de bijl gaten
in de sneeuw hakte om naar boven te klimmen, sleepte mijn stok, aan
het touw vastgemaakt, mij achterna; bij het opklimmen stak ik mijn
bijl achter mij in het touw, dat om mijn middel gebonden was, zoodat
zij mij niet kon hinderen; maar bij het afdalen, als ik met den rug
naar de rotsen gewend stond (hetgeen altijd is aan te raden, als het
eenigszins mogelijk is), gebeurde het meermalen dat de bijl of de steel
bleef haken aan de uitstekende punten en oneffenheden van den rotswand,
en reeds meermalen had de onverwachte schok mij bijna doen vallen. Ik
liet dus mijn bijl in de tent, hetzij om dit gevaar te vermijden,
hetzij uit vadsigheid. Die onvoorzichtigheid kwam mij duur te staan.

"Ik had den col du Lion reeds achter mij, en vijftig ellen lager zou
ik den Grooten Trap vinden, dien men in een draf kan afgaan. Maar
aan een hoek der groote steile rotsen van de Tete du Lion gekomen,
bemerkte ik, terwijl ik voortging langs het bovenste gedeelte der
sneeuwlaag, die tegen deze rotsen leunt, dat de warmte van de laatste
twee dagen bijna geheel de gaten had doen verdwijnen, die ik in de
sneeuw had gehakt om naar boven te klauteren. De rotsen waren op
dit punt volstrekt ongenaakbaar; er schoot dus niets anders over,
dan nieuwe gaten in het ijs te steken. De sneeuw was te hard om mij
daarin een pad te kunnen openen, en bij den hoek, waar ik mij bevond,
was niets dan ijs te ontdekken: een half dozijn treden waren echter
voldoende om mij op de naakte rotsen te brengen, waar ik vasten voet
vinden kon. Mij met de rechterhand aan de rots vastklemmende, boorde
ik met de punt van mijn stok gaten in het ijs, totdat ik een voldoend
pad gemaakt had; toen plaatste ik mij tegen den hoek der rots, om aan
de andere zijde hetzelfde werk te volvoeren. Tot dusver ging alles
goed, maar toen ik dien hoek wilde omslaan--ik kan nog niet zeggen
hoe het eigenlijk kwam--gleed ik uit, en stortte in den afgrond.

"De zeer steile helling vormde den eenen wand van een spleet, die
tusschen twee uitstekende rotsen afdaalde naar den gletscher du Lion,
die beneden ter diepte van 300 el zichtbaar was. Deze spleet werd hoe
langer hoe nauwer, en was eindelijk niet meer dan een dunne draad van
sneeuw, ingesloten tusschen twee rotswanden, die eensklaps afbraken
boven een gapenden afgrond, tusschen het benedeneinde der spleet en
den gletscher. Men denke zich een trechter, over de lengte midden
doorgesneden, en met eene helling van 45 deg. geplaatst, met de punt naar
beneden, en men zal eene getrouwe voorstelling hebben van de plek,
waar ik het evenwicht verloor.

"Het gewicht van mijn zak trok mij achterover; ik kwam eerst terecht
op eenige rotsen, drie of vier el beneden mij; toen rolde ik, met
het hoofd naar beneden, in de spleet; mijn stok ontsnapte aan mijn
handen, en ik viel, al om en om buitelende, nu eens tegen het ijs,
dan tegen de rotsen stootende, vijf of zes maal achtereen met mijn
hoofd tegen den steen bonzende. Een laatste stoot slingerde mij van
den eenen wand der spleet, over een ruimte van tusschen de vijftien en
achttien el, naar den anderen;--gelukkig kwam ik met mijne linkerzijde
tegen de rots terecht, waar mijne kleederen aan vasthaakten: ik
tuimelde achterover op de sneeuw, dadelijk gevoelende dat mijn val
gebroken was. Bij geluk was mijn hoofd naar de goede zijde gewend;
met stuipachtige krachtsinspanning klemde ik mij aan de oneffenheden en
punten der rots vast, en kon mij eindelijk ophouden aan den benedensten
ingang der spleet, juist aan den rand van den afgrond. Mijn hoed,
stok en sluier schoten in volle vaart langs mij heen en verdwenen
in den afgrond; en toen ik de rotsbrokken, die ik in mijn val had
losgestooten, beneden op den gletscher in scherven hoorde springen,
besefte ik eerst recht aan welk ontzettend gevaar ik als door een
wonder ontkomen was. Inderdaad had ik, in zeven of acht buitelingen,
een afstand afgelegd van ongeveer zestig el. Ware ik nog drie el
verder gevallen, dan zou ik onfeilbaar, met een enkelen sprong, ter
hoogte van tweehonderd-vijftig el, op den gletscher zelven zijn te
pletter gestort.

"Toch was de toestand, waarin ik mij nu bevond, alles behalve
geruststellend. Ik kon geen oogenblik de rots, waaraan ik mij
vastgeklemd had, loslaten, en ik bloedde uit meer dan twintig
wonden. De gevaarlijkste waren die aan mijn hoofd, en vergeefs trachtte
ik met de eene hand het bloed uit die wonden te stelpen, terwijl ik mij
met de andere aan de rots vasthield. Al mijne pogingen waren vergeefs:
bij iederen polsslag vloeide het bloed mij over het gelaat en maakte
mij het zien bijna onmogelijk. Eindelijk was het alsof ik eene ingeving
kreeg: met mijn voet woelde ik een klomp sneeuw los, die ik nu, bij
wijze van pleister, op mijn hoofd legde; het middel baatte, want de
bloedvloeiing verminderde aanstonds. Nu begon ik onmiddellijk naar
boven te klauteren, en nog juist bij tijds bereikte ik een veiliger
plek, waar ik in zwijm viel. Toen ik weder bij mijzelven kwam, ging de
zon onder, en eer het mij mogelijk was den Grooten Trap af te dalen,
was het volkomen duister geworden. Doch met de uiterste voorzichtigheid
mocht het mij, dank zij mijn goed gesternte, gelukken naar Breuil af
te dalen, zonder uit te glijden en zonder mij een enkele maal in den
weg te vergissen: Breuil ligt evenwel zeventien-honderd el lager dan
de Groote Trap.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.