A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


'Da Vinci Code' publisher one of two execs leaving Random House
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new magic from Potter author J.K. Rowling
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Rubin, Irwyn Applebaum Out in RH Reorg
NEW YORK - The man who helped give the world 'The Da Vinci Code' and a leading publisher of Danielle Steel and other brand-name authors are leaving Random House. The departing executives are Stephen Rubin, who as head of the Doubleday Publishing Group

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



"Beschaamd over den toestand, waarin mijne eigene onhandigheid mij
gebracht had, sloop ik stilletjes langs de hut der koeherders, die
ik hoorde lachen en praten, heen, en trad haastig de herberg binnen,
hopende dat ik naar mijn kamer zou kunnen gaan, zonder door iemand
gezien te worden. Maar in den gang kwam Favre mij tegen, en vroeg:
"Wie is daar?" Toen hij licht gehaald had en mij zag, begon hij
luidkeels te roepen, en bracht zoo het gansche huis op de been. Twee
dozijn hoofden werden toen bij elkaar gestoken om te raadplegen over
den toestand van het mijne, zonder dat die plechtige beraadslaging
groote vruchten opleverde. De dorpelingen gaven eenstemmig den raad,
dat ik mijne wonden moest wasschen en verbinden met heeten azijn met
zout vermengd. Te vergeefs verzette ik mij tegen dit paardemiddel: ik
moest mij onderwerpen. Andere geneeskundige verpleging viel mij niet
te beurt. Heb ik het aan dit zeer eenvoudig geneesmiddel of aan mijn
krachtig gezond gestel te danken, dat ik zoo spoedig herstelde? Ik
weet het niet; maar zeker is het dat mijne wonden al spoedig genezen
waren en dat ik na verloop van eenige dagen weer op de been was."

Dit noodlottig ongeval, waarbij hij op den rand des verderfs
was geweest, vermocht den heer Whymper niet af te schrikken. Den
23sten derzelfde maand begaf hij zich weder op weg met Jean Antoine
Carrel, een jager Cesar genaamd, en Meynet. Achter den Toren gekomen,
werden zij door een zoo geweldigen storm overvallen, dat zij moesten
terugkeeren. Eene vijfde poging, op den 24 en den 25sten beproefd,
slaagde niet beter; en den daarop volgenden dag moest ook de heer
Tyndall het opgeven, hoewel hij, volgens zijn zeggen, slechts een
steenworp van den top verwijderd was geweest.

De zesde poging van den heer Whymper had plaats in 1863. Een geweldig
onweder en herhaalde steenstortingen, waarbij zijn leven groot gevaar
liep, dwongen hem ook nu onverrichter zake terug te keeren.

Twee jaar later, in 1865, hervatte de onverschrokken reiziger den
aanval. Ditmaal besloot hij eerst langs de oostelijke helling op te
stijgen, die, volgens zijne waarnemingen, niet zoo steil was als zij
wel scheen. Verschillende redenen echter bewogen hem, wijziging in
zijn plan te brengen. Het reisgezelschap vertrok van Breuil den 21sten
Juni; het bestond uit de heeren Whymper en Reilly en de gidsen Croz,
Almer en Biener. Geweldige steenlawinen noodzaakten hen zoo spoedig
mogelijk op hunne schreden terug te keeren, en naar den Hoernli te gaan,
om van daar de oostelijke helling te bereiken; maar hier stuitte men
op een onverwacht beletsel. De overgang naar den Mont-Cervin was
niet meer mogelijk: de gletscher had zich zoo ver teruggetrokken,
dat het niet meer doenlijk was naar den gletscher van Furggen af te
dalen. Bovendien sloeg het weer eensklaps om: het begon te sneeuwen,
en de gidsen weigerden verdere pogingen aan te wenden. De heer Whymper
gaf het teeken tot den terugtocht, keerde naar Breuil weder, begaf
zich van daar naar Chatillon en verder door de vallei van Aosta naar
Cormayeux. "Het spijt mij, zoo zegt hij, dat aan den raad der gidsen
gehoor is gegeven. Als Croz niet op den terugtocht had aangedrongen,
zou hij nog in leven zijn. Hij verliet ons op den bepaalden dag te
Chamonix; maar door een zonderling toeval ontmoetten wij elkander
drie weken later weder te Zermatt; en twee dagen daarna kwam hij,
voor mijne oogen, jammerlijk om het leven op dienzelfden berg, waarvan
wij ons, ingevolge zijn raad, op den 21sten Juni verwijderd hadden."

Den 7den der volgende maand bevond de heer Whymper zich nogmaals te
Breuil, met het vaste besluit om voor de achtste maal de beklimming
van den Matterhorn te beproeven. Zijne gidsen toonden zeer weinig
opgewektheid om hem te vergezellen. "Al wat ge wilt, mijn goede heer,
zeide Almer, behalve den Matterhorn; daar moeten wij van afzien." Hij
begaf zich naar Val Tournanche om Carrel op te zoeken. Carrel was
er niet. Men verhaalde den heer Whymper, dat hij den 6den met drie
andere gidsen vertrokken was, om zoo mogelijk langs een anderen kant
den Matterhorn te beklimmen. Het weder was zeer ongunstig. Te Breuil
komende, vond hij daar Carrel, Cesar, C.E. Garet en J.J. Maquignaz. Zij
hadden het zelfs niet tot den gletscher du Lion kunnen brengen. Er
werd al spoedig eene overeenkomst getroffen. Men zou den 9den den col
Saint-Theodule overtrekken, en den 10den de tent, zoo hoog mogelijk aan
de oostelijke helling opslaan. Carrel aarzelde om den ouden bekenden
weg te verlaten. De heer Whymper beloofde hem, dat als de nieuwe
weg niet de verwachte resultaten opleverde, men tot den ouden zou
terugkeeren. De achtste Juli ging geheel voorbij met de toebereidselen
voor den tocht. Het weder was onstuimig en stormachtig. In den avond
van den volgenden dag begaf de heer Whymper zich naar Val Tournanche,
om een kranken landgenoot te bezoeken. Daar ontmoette hij een vreemden
reiziger, vergezeld van een muilezel en van personen, die zijne bagage
droegen: onder die dragers bevonden zich ook Jean-Antoine Carrel en
Cesar. De heer Whymper sprak hen aan, en eene niet zeer aangename
woordenwisseling volgde. Echter werd nu weder afgesproken, dat men
elkander te Breuil zou ontmoeten; maar Carrel en Cesar verbraken
hunne belofte: zij vertrokken om den Matterhorn te beklimmen met een
Italiaan, den heer Giordano, ingenieur der mijnen.

Woedend over deze teleurstelling, besloot de heer Whymper zich naar
Zermatt te begeven. Den 11den zag hij te Breuil een jeugdig Engelschman
aankomen, in gezelschap van een der zoons van Pieter Taugwalder. Zij
spraken elkander aan. De jonkman was lord Francis Douglas, wiens
heldhaftige beklimming van den Gabelhorn de bewondering van den
heer Whymper had opgewekt. Hij bracht goede tijdingen mede: de oude
Taugwalder was onlangs den Hoernli overgetrokken, en het was hem daarbij
gebleken, dat de beklimming van den Matterhorn aan die zijde zeer goed
mogelijk was. Lord Douglas bood zich aan om den heer Whymper op zijne
nieuwe onderneming te vergezellen, waarmede genoegen genomen werd. Den
12den trokken zij te zamen over den col Saint-Theodule, vervolgens om
den voet van den bovensten gletscher van Saint-Theodule heen, staken
den gletscher van Furggen over, en bezorgden de tent, benevens dekens,
touwen en levensmiddelen, in de kleine kapel van Schwarzsee. Zij
hadden tweehonderd ellen lengte touw bij zich. Vervolgens naar
Zermatt afgedaald, namen zij Pieter Taugwalder als gids aan; en in
het hotel van den Mont-Rose terugkeerende, ontmoetten zij Croz met
den Rev. Charles Hudson, die naar Zermatt gekomen was, om op zijne
beurt de beklimming van den Matterhorn te beproeven. Weldra waren de
noodige afspraken en schikkingen gemaakt, en de beide reisgezelschappen
vereenigden zich. De kleine karavaan bestond nu uit de gidsen Croz,
Pieter Taugwalder en zijne twee zonen, den heer Whymper, lord Douglas
en den heer Hudson. Deze laatste vroeg en verkreeg vergunning om
een zijner landgenooten, den heer Hadow, die zoo pas den Mont-Blanc
bestegen had, mede te nemen.

Maar wij zullen nu het woord laten aan den heer Whymper.

"Den 13den Juli 1865, des morgens ten half zes, vertrokken wij van
Zermatt; het was prachtig schoon weder, geen wolkje was aan den hemel
te bespeuren. Ons gezelschap bestond uit acht personen: Croz, de oude
Pieter Taugwalder en zijn twee zonen, lord Francis Douglas, Hadow,
Hudson en ik. Tot overmaat van zekerheid, had iedere toerist zijn
eigen gids. De jongste Taugwalder werd mij toegevoegd; hij was er
trotsch op dat hij deel mocht nemen aan onze expeditie, en gelukkig
dat hij zijne kracht en zijne behendigheid kon ten toon spreiden,
bewees hij ons van den aanvang af de gewichtigste diensten.

"Ik had de zakken te dragen, waarin onze voorraad wijn was geborgen;
telkens nadat men in den loop van den dag van dien wijn gedronken had,
vulde ik de zakken in stilte weder met water aan; bij het volgende
halt waren zij dan ook nog beter gevuld dan bij ons vertrek! Dit
verschijnsel, dat bijna voor een wonder gold, werd algemeen als een
gelukkig voorteeken aangemerkt.

"Het lag niet in ons plan, op dien eersten dag tot eene aanmerkelijke
hoogte op te klimmen; wij gingen dus op ons gemak voort: twintig
minuten over achten waren wij aan de kapel van Schwarzsee, waar
wij de touwen en dekens, benevens de tent en provisie medenamen;
vervolgens zetten wij de bestijging voort van den rotswand, die den
Hoernli met den Matterhorn verbindt. Ten half twaalf kwamen wij aan den
voet van den voornaamsten top: daar, de steile rotskam verlatende,
moesten wij om eenige uitspringende rotsen heengaan, ten einde de
oostelijke helling te bereiken. Alsnu eindelijk op den berg zelven
gekomen, bemerkten wij, tot onze groote verwondering, dat sommige
gedeelten, die, van den Riffel of zelfs van den Furggengletscher
gezien, volstrekt ongenaakbaar schenen, zoo gemakkelijk te beklimmen
waren, dat wij bijna al loopende naar boven konden komen.

"Nog voor twaalven hadden wij een zeer gunstige plaats gevonden voor de
tent, op eene hoogte van drieduizend-driehonderd-vijftig el. Croz ging
op verkenning uit met den jongen Pieter Taugwalder, ten einde voor den
volgenden dag tijd uit te winnen. Zij gingen boven over de besneeuwde
hellingen heen, die in de richting van den Furggengletscher afdalen,
en verdwenen achter een uitstekende rots; maar weldra verschenen
zij weder, hoog op den berg, waar wij hen ijverig zagen klimmen. Wij
hielden ons inmiddels bezig met het in orde brengen van eene veilige
plaats voor de tent; toen dit werk afgeloopen was, wachtten wij met
ongeduld op den terugkeer der beide gidsen. De steenen, die zij naar
beneden deden rollen, wezen aan dat zij zich op eene zeer aanzienlijke
hoogte bevonden; wij mochten dus de verwachting koesteren, dat de
beklimming niet zoo moeilijk zou blijken. Eindelijk, omstreeks drie
uur in den namiddag, kwamen zij terug, schijnbaar zeer opgewonden.

"Welnu, Pieter, wat zeggen zij er van? vroegen wij aan den ouden
Taugwalder, die met Croz en zijn zoon in de landtaal gesproken had.

--Niet veel goeds, mijne heeren."

"Maar de twee gidsen zelven spraken op geheel anderen toon: "Alles
was zoo gunstig mogelijk; er bestond niet de minste zwarigheid. Wij
hadden gemakkelijk den top kunnen bereiken, en nog dienzelfden dag
terugkeeren!"

"Het overige van den dag ging zeer kalm voorbij; sommigen zaten
zich in de zon te warmen; anderen maakten schetsjes of zochten
fragmenten van steenen bijeen; de prachtige zonsondergang beloofde
voor morgen een heerlijken dag, en tevreden en opgewekt begaven wij
ons in de tent, waar wij de noodige toebereidselen maakten voor ons
nachtverblijf. Hudson zette thee; ik maakte koffie klaar; vervolgens
wikkelde ieder van ons zich in zijn reisdeken. Lord Francis Douglas en
ik sliepen in de tent met de Taugwalders; de anderen brachten liever
in de open lucht den nacht door. Nog lang nadat de avond was gedaald,
weerkaatsten de echo's der bergen ons vroolijk gelach en het gezang
der gidsen. Geen enkel gevaar was te duchten; wij gevoelden ons allen
zoo veilig en zoo blijde mogelijk.

"Den 14den waren wij reeds voor het krieken van den morgen op
de been, en zoodra het licht genoeg geworden was om de richting
te kunnen onderscheiden, begaven wij ons op weg. De jonge Pieter
Taugwalder ging als gids met ons mede, terwijl zijn broeder naar
Zermatt terugkeerde. Dezelfde richting volgende, die de beide
gidsen den vorigen dag hadden ingeslagen, bevonden wij ons weldra
aan gene zijde der uitspringende rots, die, zoo lang wij bij de tent
waren, ons het gezicht op de oostelijke berghelling belette. Eerst
toen overzagen wij met een enkelen blik die geweldige piramide,
die zich als een reusachtige, door de natuur gevormde trap, ter
hoogte van omstreeks duizend el, voor onze oogen verhief. Zij was
lang niet overal even gemakkelijk genaakbaar, maar wij ontmoetten
toch geen moeilijkheden van zoo ernstigen aard, dat zij ons konden
tegenhouden; als zich een onoverkomelijke hinderpaal op onzen weg
opdeed, dan was het ons toch altijd mogelijk, door rechts of links
uit te wijken, die belemmering te overwinnen. Gedurende het grootste
gedeelte van deze beklimming behoefden wij niet eens van de touwen
gebruik te maken. Hudson en ik gingen beurtelings voorop aan het
hoofd van den stoet. Twintig minuten over zessen hadden wij eene
hoogte bereikt van drieduizend-negenhonderd el; wij namen een
half uur rust, daarop begonnen wij weder te klauteren, en gingen
zonder ophouden daarmede voort tot vijf minuten voor tienen; wij
hielden toen een tweede halt van vijftig minuten, op eene hoogte van
vierduizend-tweehonderd-zeventig el. Tweemaal moesten wij overgaan op
de noordoostelijke kam, die wij een klein eind weegs volgden; maar
zonder dat die verandering ons eenig voordeel bracht, want deze kam
was veel minder stevig, veel steiler en altijd moeilijker te beklimmen
dan de oostelijke helling. Uit vrees voor de steenlawinen evenwel,
droegen wij zorg ons niet te ver van die kam te verwijderen.

"Wij waren nu aan den voet gekomen van dat gedeelte van den Matterhorn,
dat, van den Riffelberg of van Zermatt gezien, volkomen loodrecht
schijnt en zelfs over het dal schijnt heen te hangen; het was ons
nu ook verder onmogelijk, langs de oostelijke helling naar boven
te klimmen. Gedurende eenigen tijd moesten wij, de sneeuw volgende,
tegen de helling opklauteren, die naar de zijde van Zermatt afdaalt;
daarop wendden wij ons met algemeen goedvinden weder rechts, dat wil
zeggen, naar de zuidelijke flank van den berg. Wij hadden toen in de
orde van den tocht eenige verandering gebracht. Croz liep aan het
hoofd der kolonne; ik volgde hem; Hudson kwam achter mij; Hadow en
de oude Taugwalder vormden de achterhoede. "Nu, zeide Croz, terwijl
hij zich in beweging stelde, zal het anders gaan worden." Naarmate
de moeilijkheden van ernstiger aard werden, werd het noodig de
meest mogelijke voorzorgen te nemen. Op sommige plaatsen was ter
nauwernood eenig steunpunt te vinden: het was dus raadzaam dat zij,
wier tred de meeste vastheid had, vooraan gingen. De helling van
dezen bergwand bedroeg over het algemeen nog geen veertig graden;
de sneeuw, die zich hier had opgehoopt, had de gaten en spleten der
rotsen geheel gevuld; de rotspunten, die hier en daar boven de sneeuw
uitstaken, waren somwijlen overdekt met eene dunne ijskorst, gevormd
door de sneeuw, die gesmolten en bijna onmiddellijk weder bevroren
was. Het was, maar op kleiner schaal, hetzelfde verschijnsel als bij
de laatste tweehonderd-vijftien el van den top der Pointe des Ecrins;
met dit belangrijke verschil echter, dat de bergwand van de Ecrins
eene helling heeft van meer dan vijftig graden, terwijl de helling van
den Matterhorn ter nauwernood veertig graden bedraagt. De beklimming
was niet bijzonder gevaarlijk voor een ervaren bergreiziger. De heer
Hudson had niemands hulp noodig, zoo als hij trouwens op de geheele
reis geene ondersteuning behoefde. Meermalen reikte Croz mij de hand,
om mij op moeilijke plaatsen te helpen; mij omwendende, bood ik dan
den heer Hudson mijne hand aan; maar hij nam die hand nooit aan,
zeggende, dat het niet noodig was. De heer Hadow was aan dergelijke
expeditien niet gewoon: het was dan ook telkens noodig, hem te hulp
te komen. Maar de moeilijkheid, die hij op sommige punten ondervond,
was niet zoozeer een gevolg van de gesteldheid des bergs, maar enkel
en alleen van zijne onervarenheid.

"Dit eenige wezenlijk moeilijk te bestijgen gedeelte der berghelling
was daarbij niet bijzonder uitgestrekt: naar mijne schatting hadden
wij daarvoor niet meer dan anderhalf uur noodig. Eerst gingen wij,
over een lengte van omstreeks honderdtwintig el, in schier horizontale
richting voort; vervolgens klommen wij rechtstreeks naar den top, over
eene lengte van ongeveer twintig el; toen moesten wij terugkeeren naar
de rotskam, die naar Zermatt afdaalt. Een lange en moeilijke omweg,
dien wij moesten maken om langs eene uitspringende rots heen te komen,
bracht ons op de sneeuw terug. Maar nu was ook de laatste twijfel aan
den goeden uitslag verdwenen. Nog slechts zestig ellen van gemakkelijk
te beklimmen sneeuw, en de Matterhorn was ons!

"Keeren wij even in gedachten terug naar de Italianen, die den
11den Juli van Breuil vertrokken waren. Vier dagen waren sedert
hun vertrek verloopen, en wij vreesden dat zij nog voor ons den
top zouden bereiken. Gedurende den ganschen tocht waren zij telkens
het onderwerp van ons gesprek geweest; en meermalen hadden wij ons
verbeeld, menschen op den top des bergs te zien. Dat was tot dusver
zinsbedrog geweest; maar toch nam, naarmate wij hooger klommen, onze
spanning toe. Indien ons eens op het laatste oogenblik de prijs werd
afgewonnen! Daar de helling minder steil werd, kon het touw, dat ons
samenbond, worden losgemaakt: Croz en ik stormden dadelijk vooruit,
in een dollen wedloop, die daarmede eindigde dat wij beiden, naast
elkander loopende, te gelijker tijd op dezelfde plaats aankwamen. Des
namiddags, tien minuten over half twee, lag de wereld aan onze voeten:
de onverwinnelijke Matterhorn was overwonnen! Hoezee! geen spoor van
voetstap was in de ongerepte sneeuw te bespeuren!

"En toch--waren wij wel zeker van de overwinning?

"De top van den Matterhorn bestaat uit eene slecht geeffende kam
van eene lengte van ongeveer honderdzeven ellen; misschien waren de
Italianen aan het andere uiteinde aangeland? Ik spoedde mij dus naar
de zuidelijke punt, met scherpen blik de sneeuw onderzoekende. Nog
eens hoezee! geen menschelijke voet had dit sneeuwveld betreden!

"Waar konden onze mededingers thans wel zijn? Ik keek, mij voorover
buigende, over den rand der rotsen heen, verdeeld tusschen twijfel en
zekerheid. Aanstonds werd ik hen gewaar, ver in de diepte beneden ons:
niet dan met moeite waren zij met het bloote oog te ontdekken. Ik
zwaaide met mijne armen en mijn hoed, en begon uit alle macht te
schreeuwen:

"Croz! Croz! kom, kom gauw!

--Waar zijn zij, mijnheer?

--Daar, ziet ge ze niet, daar, beneden?

--Ah! de gauwdieven! zij zijn nog op verren afstand.

--Croz, zij moeten ons geroep kunnen hooren en onze zegepraal
vernemen!"

"Wij schreeuwden dus zoo luid wij konden, tot ons de stem begaf. De
Italianen schenen naar onzen kant te zien, maar wij konden dit niet met
zekerheid uitmaken.--"Croz, ik wil dat zij ons hooren! zij moeten ons
hooren!" Toen een rotsblok aanvattende, rolde ik het uit al mijne macht
naar de diepte, en noodigde mijn metgezel uit hetzelfde te doen. Met
behulp van onze stokken, die wij als hefboomen gebruikten, tilden
wij zware rotsblokken op, en weldra ratelde een vloed van steenen,
als een vreeselijke lawine, met donderend geweld naar beneden. Ditmaal
was geene vergissing mogelijk. De verschrikte Italianen namen haastig
de vlucht.

"En toch speet het mij inderdaad, dat de leider van deze expeditie
op dat oogenblik niet bij ons was, want onze zegekreten moesten
hem wel smartelijk in de ooren klinken. De vurigste wensch van zijn
geheele leven, het groote doel zijner eerzucht, ontging hem, juist
op het oogenblik der vervulling, door onze overwinning. Van alle
moedige bergreizigers, die de beklimming van den Matterhorn hadden
beproefd, had er zeker niemand meer dan hij recht op, het eerst den
top te bereiken. Hij was de eerste, die vast aan de mogelijkheid van
het welslagen der onderneming had geloofd, en die steeds, ondanks
tegenspraak van alle zijden, bij zijne overtuiging had volhard. Het
was zijn wensch, den top te bereiken langs de helling aan de zijde van
Italie, ter eere van de vallei, waar hij geboren werd. Eens had hij
alle troeven in de hand; hij speelde zoo goed hij kon, maar een enkele
fout deed hem het spel verliezen. De tijden zijn sedert veranderd
voor Carrel. Zijne meerderheid, waaraan vroeger niemand twijfelde,
wordt thans in Val Tournanche ernstig betwist; nieuwe gidsen hebben
proeven van hunne bekwaamheid afgelegd: men beschouwt hem niet meer als
den jager bij uitnemendheid. Wat mij betreft, voor mij zal hij altijd
blijven wat hij heden is; men zal niet licht zijn meerdere vinden.

"Mijne vrienden hadden zich bij ons gevoegd, en wij keerden naar het
noordelijk uiteinde van den top terug. Croz greep den stok van de
tent, dien de gidsen bij ons vertrek hadden medegenomen, en plantte
dien op het hoogste punt, in de sneeuw.

"Goed, zeiden wij: daar is de vlaggestok, maar waar is de vlag?

--Hier, antwoordde hij, zijn kiel uittrekkende, die hij aan de
stok bond.

"Dat was een armzalige vlag, en geen enkel zuchtje deed dat dundoek
wapperen: toch zag men dit teeken alom in het ronde,--te Zermatt,--op
den Riffel--in Val Tournanche. Ook te Breuil waren veler oogen op
den top gevestigd, om de verschijning der gidsen waar te nemen:
toen men deze vlag zag opsteken, begonnen de lieden daar verheugd
te roepen: "De overwinning is aan ons!" De bravoos voor Carrel en
de vivats voor Italie weerklonken van alle kanten; ieder haastte
zich, de groote gebeurtenis te vieren. Niet lang mocht deze vreugde
duren. Alles bleek geheel anders; de gidsen keerden terug, ontstemd,
ontmoedigd, vol schaamte en spijt.--"Het is maar al te waar, zeiden
zij; wij hebben ze met onze eigen oogen gezien, zij hebben steenen
op ons doen afrollen! De oude overlevering is waar: de top van den
Mont-Cervin wordt door geesten bewaakt!"

"Wij keerden naar de zuidelijke punt van de kruin terug, en richtten
daar eene kleine piramide van steenen op; vervolgens beschouwden
wij, vol bewondering, het onmetelijke panorama, dat zich voor onze
blikken ontrolde.

"Het was een dier heldere dagen, die gewoonlijk door slecht weder
gevolgd worden. De stille, lichte atmosfeer werd door geen nevel,
geen enkele wolk verduisterd. De bergen, op vijftig, wat zeg ik? op
honderd mijlen afstands van ons, waren zoo duidelijk zichtbaar,
dat men gemeend zou hebben, ze met de hand te kunnen grijpen:
alle bijzonderheden, de scherpe rotskammen, de steile wanden, de
smettelooze sneeuwvelden, de stralende gletschers--ze waren allen, in
hunne lijnen en omtrekken, duidelijk waarneembaar. Menig bekende top
riep de herinneringen wakker aan tochten en uitstapjes van vroegere
jaren. Geen enkele der groote toppen van de Alpenketen was voor onzen
blik verborgen. Wij waren bijzonder gelukkig, want in den regel is het
panorama naar het zuiden door wolken bedekt. Van de honderd keeren
is misschien maar een enkele maal het uitzicht geheel onbelemmerd.

"Nog zie ik dien grootschen gordel van geweldige bergtoppen voor
mij, zoo duidelijk als in dat plechtige, onvergetelijke uur: dien
weergaloozen kring van ontzaggelijke reuzen, zich hoog verheffende
boven de massaas en bergketens, die hun als het ware ten voetstuk
verstrekken. Ik zie weer de Dent-Blanche, met haar fiere witte
kruin; den Gabelhorn, den Rothhorn, met de scherpe spits; den
onvergelijkelijken Weisshorn; de Mischabelhoerner, niet ongelijk aan
reusachtige torens, geflankeerd door den Allalinhorn, den Strahlhorn,
en den Rimpfischhorn; dan den Mont-Rose met zijn talrijke naalden,
den Lyskamm en den Breithorn. Achter ons verheft zich de prachtige
berggroep van het Berner Oberland, beheerscht door den Finsteraarhorn;
dan de groepen van den Simplon en den Sint-Gothard; de Disgrazia en
den Orteler. Naar het zuiden dringen onze blikken door tot ver voorbij
Chiavasso, in de vlakte van Piemont. De Viso, hoewel honderd mijlen
verwijderd, schijnt dicht bij; op een afstand van honderd-dertig mijlen
vertoonen zich de Zee-Alpen, door geen nevelsluier omhuld. Onder
hunne toppen herken ik al dadelijk mijne eerste liefde, den
Pelvoux, dan de Pointe des Ecrins en de Meye; voorts de groepen
der Graische Alpen; eindelijk, ten westen, troont, schitterende in
het gouden zonnelicht, de fiere koning der Alpen, de wonderschoone
Mont-Blanc. Drieduizend-driehonderd el beneden ons strekken zich de
groene velden van Zermatt uit, bezaaid met hutten, woningen, chalets,
waaruit dunne zilveren rookwolkjes opstijgen. Aan de andere zijde
vertoonen zich, in eene diepte van tweeduizend-zevenhonderd el, de
weilanden van Breuil. Nog zie ik voor mijne oogen opdoemen dichte
sombere wouden, malsche groene weiden, schuimende watervallen,
spiegelgladde meeren, vruchtbare akkers en eenzame wildernissen,
vlakten blakerende in de zon, en kille ijsvelden. Wat oneindige
verscheidenheid van vormen en omtrekken! Zacht golvende lijnen,
glooiende hellingen, en steile, loodrechte, overhangende rotsen;
bergen van steen en bergen van sneeuw; somber, donker, ernstig, of
wel schitterend van oogverblindend wit; versierd met hooge muren,
torens, spitsen, naalden; uitloopende in piramiden, in koepels,
in kegels, in naalden, slank en bijna doorzichtig als de torens der
gothische kathedralen.... Geen samenvoeging van lijnen, geen spel van
contrasten, geen schakeering van tinten, die zich hier niet voor den
verrukten blik onthulde.

"Wij toefden een uur lang op den top.

"One crowded hour of glorious life

"Een uur geheel vervuld van heerlijk leven.

"Dit uur ging al te snel voorbij, en wij maakten ons gereed om af
te dalen.

"Op nieuw raadpleegde ik met Hudson over de maatregelen, die in het
belang onzer veiligheid noodig waren. Wij bepaalden met algemeen
goedvinden, dat Croz vooruit zou gaan, gevolgd door Hadow; Hudson,
die, wat de vastheid en zekerheid van zijn voetstap betrof, bijna met
een gids gelijk stond, wilde de derde zijn; daarop zou lord Douglas
volgen, en achter dezen de oude Pieter Taugwalder, de sterkste van de
nog overblijvenden. Ik stelde aan Hudson voor, om op de gevaarlijkste
punten een touw aan de rotsen vast te binden, ten einde, zoo noodig,
daardoor een nieuwen steun te hebben; hij keurde dat denkbeeld goed,
maar wij kwamen niet uitdrukkelijk overeen, dat er ook uitvoering aan
gegeven zou worden. Terwijl ik een schets maakte van den bergtop, had
ons gezelschap zich in de zooeven aangegeven orde gerangschikt; alles
was klaar, en men wachtte slechts om mij aan het touw vast te binden,
toen eensklaps iemand riep, dat wij onze namen niet in een flesch
hadden achtergelaten. Men verzocht mij, die haastig op te schrijven,
en terwijl ik dit deed, stelde de stoet zich reeds in beweging.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.