De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 | 14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
"Eenige oogenblikken later bond ik mij aan den jongen Pieter
Taugwalder vast, en met hem onze vrienden naloopende, haalde ik hen in
juist op het oogenblik, toen zij langs het gevaarlijkste punt zouden
gaan afdalen. Alle mogelijke voorzorgsmaatregelen waren genomen.
"Slechts een man tegelijk ging voor; zoodra hij een vast steunpunt
voor den voet gevonden had, ging de volgende persoon op zijn beurt
voort, en zoo vervolgens. Echter had men het nog beschikbare touw
niet aan de rotsen vastgemaakt, en niemand sprak er van om dat te
doen. Daar ik dezen maatregel niet had voorgesteld in het belang
mijner eigene veiligheid, durf ik niet zeggen, of ik er zelf op dat
oogenblik nog aan dacht. Gedurende eenige oogenblikken volgden wij,
Pieter Taugwalder en ik, onze makkers, zonder aan hen vastgebonden
te zijn; waarschijnlijk zouden wij zoo verder zijn blijven dalen,
als lord Douglas mij, omstreeks half vier, niet verzocht had, dat ik
mij aan den ouden Pieter zou vastbinden; hij vreesde, zoo zeide hij,
dat Taugwalder alleen geen kracht zou hebben om zich staande te houden,
als iemand mocht uitglijden.
"Eenige oogenblikken later liep een knaap, met een bijzonder scherp
gezicht begaafd, haastig naar het hotel du Mont-Rose, om aan den heer
Seiler te zeggen, dat hij eene lawine van den top van den Matterhorn
op den gletscher had zien nederstorten. Men beknorde hem, omdat hij
zulk een dwaas vertelsel durfde doen: helaas, hij had gelijk! Ziehier
wat hij gezien had.
"Michel Croz had zijn bijl naast zich nedergelegd; en zooveel mogelijk
voor de veiligheid van den heer Hadow willende zorgen, wijdde hij al
zijne aandacht aan de taak om diens gang te besturen, door, zooals
meermalen gebruikelijk is, de voeten van den jongen toerist een voor
een te zetten in de positie, die zij moesten innemen. Voor zoover
ik heb kunnen nagaan, was op dat oogenblik niemand met afklimmen
bezig. Ik kan dit echter niet met zekerheid zeggen, omdat Croz en
Hadow door een stuk rots gedeeltelijk aan mijn oog waren onttrokken:
ik geloof evenwel dat ik gelijk heb; naar de beweging hunner schouders
te oordeelen, meende ik dat Croz, na de voeten van den heer Hadow
geplaatst te hebben, zich omkeerde, om zelf een paar schreden af
te dalen. Op dat oogenblik gleed de heer Hadow uit, viel op Croz,
en wierp hem omver. Ik hoorde Croz een luiden gil geven, en bijna op
hetzelfde oogenblik zag ik hen beiden met duizelingwekkende snelheid
afglijden; onmiddellijk daarop werd zoowel Hudson als lord Douglas
in hun val medegesleept. Dit alles geschiedde met de snelheid des
bliksems. Nauwelijks hadden de oude Pieter Taugwalder en ik den kreet
gehoord, of wij klemden ons met al onze macht aan de rots vast; het
touw werd plotseling strak gespannen, en wij kregen een geweldigen
schok. Wij hielden ons echter goed en bleven staande; maar eensklaps
brak het touw omstreeks halverwege tusschen Taugwalder en lord Douglas
midden door.... Gedurende eenige sekonden zagen wij onze rampzalige
reisgenooten, met ijlende vaart, op hun rug liggende afglijden, met
uitgestrekte armen vergeefs pogende zich aan een of andere uitstekende
rotspunt vast te klemmen en alzoo hun leven te redden. Een voor een
verdwenen zij uit ons oog, zonder eenige kwetsuur bekomen te hebben, en
vielen van afgrond tot afgrond tot op den gletscher van den Matterhorn,
in eene diepte van twaalfhonderd el beneden ons. Nadat het touw was
gebroken, was het ons volstrekt onmogelijk iets tot hunne redding
te doen.
"Zoo kwamen onze beklagenswaardige makkers om het leven! Meer dan een
half uur stonden wij onbewegelijk, als vastgenageld, ter nauwernood
adem halende. Door angst en schrik overmand, weenden de beide gidsen
als kinderen; zij beefden zoo, dat ons elk oogenblik een dergelijk
ongeluk als onzen vrienden overkomen was, te duchten scheen.
"De oude Pieter Taugwalder riep telkens, al jammerend, uit:
"Chamonix! Oh, wat zal Chamonix zeggen?" hetgeen zooveel wilde
zeggen als: Wie had ooit kunnen denken dat Croz kon vallen?--De
jonge Taugwalder snikte onophoudelijk, en kreet al luider en luider:
"Wij zijn verloren! o God, wij zijn verloren!"
"Daar ik tusschen hen beiden aan het touw was vastgebonden, kon ik
geen stap doen, zoolang zij onbewegelijk op hunne plaats bleven
staan. Ik verzocht dus den jongen Pieter, dat hij zou afdalen:
hij durfde niet. Noch zijn vader, noch ik kon iets uitrichten,
zoolang hij niet begon te dalen. De oude Taugwalder, den ernst van
het oogenblik en het dreigende gevaar ten volle beseffende, begon
nu ook te roepen: "Wij zijn verloren, verloren!" De angst van den
ouden man was begrijpelijk en natuurlijk: hij vreesde voor zijn
zoon; maar de jongen dacht slechts aan zichzelven en toonde zich
lafhartig. Eindelijk herstelde de oude man zich toch weder, en kroop
naar eene rots, waaraan het hem gelukte een touw vast te binden. De
jonkman verkreeg het nu ook van zich om af te dalen, en wij stonden
alle drie bij elkander. Ik wilde toen onmiddellijk het touw zien, dat
gebroken was: en tot mijn onuitsprekelijken schrik bemerkte ik, dat
dit touw het zwakste van de drie was. Het had nimmer gebezigd moeten
worden voor het doel, waartoe het nu was gebruikt, en was ook niet om
die reden medegenomen. Het was een oud touw, dat, in vergelijking met
de andere, bepaald zwak was te noemen. Men had het in reserve moeten
houden, voor het geval dat men een touw, aan de rotsen gebonden,
had moeten achterlaten. Ik liet mij het overgeschoten eind geven,
ten einde de zaak nader te onderzoeken. Het touw was afgebroken,
alsof het doorgesneden was.
"Gedurende de twee uren, die thans volgden, dacht ik elk oogenblik
dat ook mijn laatste stonde gekomen was; niet alleen toch waren de
Taugwalders, door den schrik als verlamd, geheel buiten staat mij
eenige hulp te bieden, maar zij hadden zoozeer alle zelfbeheersching
en overleg verloren, dat ik bij iederen stap vreesde dat zij zouden
uitglijden. Eindelijk echter deden wij, wat dadelijk toen wij
begonnen af te stijgen had moeten geschieden: wij bonden touwen aan
de stevigste rotsen, om ons bij onzen gevaarlijken tocht behulpzaam
te zijn. Sommige van die touwen werden doorgesneden en bleven aan
de rotsen hangen. Ook bleven wij nu aan elkander vastgebonden. De
verschrikte gidsen durfden bijna geen voet verzetten, ook ondanks de
hulp van de touwen; de oude Pieter wendde zich herhaalde malen tot
mij, telkens, met bleek gelaat en bevende over al zijn ledematen,
op angstigen toon herhalend: "Ik kan niet meer."
"Omstreeks zes uur des avonds bereikten wij de sneeuw op den rotskam,
die naar de zijde van Zermatt afdaalt: nu was alle vrees voor gevaar
geweken. Meermalen deden wij vergeefsche pogingen om eenig spoor van
onze ongelukkige reisgezellen te ontdekken; over den rand der rotsen
heengebogen, riepen wij hen uit al onze macht: maar daar kwam geen
antwoord. Eindelijk overtuigd dat zij buiten het bereik waren van
onze stem en van ons oog, staakten wij deze vruchtelooze pogingen.
"Te zeer ter neer geslagen om te kunnen spreken, brachten wij
in stilte de voorwerpen bijeen, die aan ons en aan onze verloren
makkers hadden toebehoord, en maakten wij ons gereed, naar Zermatt
af te dalen, toen plotseling een vreemd verschijnsel onze oogen
trok. Hoog boven den Lyskamm teekende zich eensklaps een reusachtige
regenboog in de lucht. Bleek, kleurloos, zwijgend, vertoonde deze
zonderlinge verschijning volkomen zuivere en scherpe omtrekken,
uitgenomen aan de twee uiteinden, die zich in de wolken verloren:
het scheen een visioen uit eene andere wereld. Met bijgeloovige vrees
vervuld, volgden wij met stomme verbazing de langzame ontwikkeling der
beide groote kruisen, ter wederzijde van dezen zoo zonderlingen boog
geplaatst. Ik zou ter nauwernood mijne oogen geloofd hebben, indien
niet de beide Taugwalders nog voor mij dit uiterst vreemde verschijnsel
hadden opgemerkt; natuurlijk zochten zij daarin een bovennatuurlijk,
geheimzinnig verband met ons droevig ongeluk. Een oogenblik hield ik
dit verschijnsel voor eene loutere luchtspiegeling, waarbij wij zelven
mede een rol vervulden; maar onze bewegingen brachten in de figuren
hoegenaamd geene verandering te weeg. De spookachtige verschijning
bleef, in al hare geheimzinnige duidelijkheid, onveranderlijk. Het
was een aangrijpend, wonderlijk, ongekend schouwspel, ook voor mij,
die al zoo veel zonderlinge dingen had gezien. In de bijzondere
omstandigheden, waarin wij ons bevonden, maakte deze verschijning,
waarvan ik nog heden geen verklaring of rekenschap kan geven, een
onuitsprekelijken indruk.
"Ik was gereed om te vertrekken, en wachtte op de twee gidsen. Zij
hadden honger gekregen, hadden gegeten en waren ook weer spraakzaam
geworden. Daar zij met elkander in de volkstaal spraken, kon ik hen
niet verstaan. Eindelijk zeide de zoon tot mij in het fransch:
"Mijnheer.
--Wat is er?
--Wij zijn arme menschen; wij hebben onzen meester verloren; niemand
zal ons betalen; dat is wel hard voor ons.
--Zwijg, zeide ik, hem in de rede vallende. Dat is gekkepraat, wat gij
daar zegt; ik zal u betalen, evenals of uw meester nog in leven ware."
"Zij spraken nog eenige oogenblikken met elkander in de volkstaal;
toen begon de zoon weer:
"Wij verlangen van u niet, dat gij ons betalen zult. Wij vragen alleen
dat gij in het boek van het hotel te Zermatt, en in uwe dagbladen
zult vermelden dat wij geene betaling ontvangen hebben.
--Wat dwaasheid is dat nu? Ik begrijp u niet. Wat beteekent dat?
"Hij ging voort:
"Ja, ziet u ... in het volgende jaar zullen er een aantal reizigers
te Zermatt komen, en wij stellig veel te doen krijgen."
"Wat viel er op zulk een voorstel te antwoorden? Ik zweeg; maar
zij bemerkten zeer goed, hoezeer zij mijne verontwaardiging hadden
opgewekt. Hun cynisme had den bitteren beker mijner smart doen
overloopen; in mijn wanhoop slingerde ik met zooveel woede steenen
en fragmenten van rotsen in de ledige ruimte, dat de beide mannen
misschien nu en dan de vrees voelden opkomen dat ik henzelven in
den afgrond zou werpen. Ik moest op eene of andere wijze aan mijn
overkropt gemoed lucht geven!
"De avond viel; een uur lang gingen wij voort met in den donker af
te dalen. Ten half tien uur vonden wij een soort van hut of afdak,
dat nauwelijks voldoende ruimte aanbood voor ons drieen om te slapen;
daar brachten wij zes eindelooze, verschrikkelijke uren door. Met
het krieken van den dag waren wij weder op de been; in vluggen tred
daalden wij van den Hoernli naar de hutten van Buhl, en vandaar naar
Zermatt af. Seiler, dien ik aan de deur van het logement ontmoette,
volgde mij zwijgend in mijne kamer.
"Wat is er toch gebeurd, mijnheer? vroeg hij.
--Ik ben met de Taugwalders teruggekeerd.
"Hij begreep mij en barstte in tranen uit; maar zonder verder den
tijd met jammeren te verspillen, ging hij dadelijk heen om het gansche
dorp te wekken. Het duurde niet lang, of een twintigtal mannen hadden
zich gereed gemaakt om de hoogten van den Hohlicht te beklimmen,
die zich boven den gletscher van den Matterhorn verheffen. Na verloop
van zes uren keerden zij terug, en brachten ons de tijding dat zij de
lichamen onzer ongelukkige reisgezellen hadden gezien, onbewegelijk op
de sneeuw uitgestrekt. Het was Zaterdag; zij stelden ons dus voor,
des Zondagsavonds op weg te gaan, ten einde des Maandagsmorgens
vroeg het plateau van den gletscher te bereiken. Ik sprak daarover
met mijn landgenoot, den Rev. Cormick; en daar wij ook zelfs de meest
onwaarschijnlijke kans van behoud niet wilden veronachtzamen, besloten
wij reeds des Zondagsmorgens op weg te gaan. Maar geen van de gidsen
van Zermatt wilde met ons medegaan, omdat zij de vroegmis niet durfden
verzuimen. Voor meer dan een onder hen was dit een harde strijd;
Pieter Perrn verklaarde uitdrukkelijk, met tranen in de oogen, dat
dit de eenige reden was, waarom hij zich niet bij ons kon aansluiten
om zijne oude makkers te gaan opzoeken. Maar onze landgenooten
kwamen ons te hulp. De Rev. J. Robertson en de heer Phillpotts waren
bereid met ons te gaan, met hun gids Franz Andermatten; een andere
Engelschman stelde de gidsen Joseph Marie en Alexander Lockmatter te
onzer beschikking. Frederic Payot en Jean Tairraz van Chamonix boden
zich ook aan als vrijwilligers om den tocht mede te maken.
"Wij vertrokken dus den 16den, des Zondagsmorgens vroeg, ten twee
uren, en volgden tot aan den Hoernli denzelfden weg, waarlangs wij den
vorigen Donderdag getogen waren. Van daar daalden wij rechts af, en
klommen toen omhoog tusschen de spitsen en naalden van den gletscher
van den Matterhorn. Ten half negen hadden wij het bovenste plateau
van den gletscher bereikt, en bevonden wij ons in het gezicht van de
noodlottige plek, waar de lijken onzer ongelukkige makkers moesten
liggen. Elke gids nam op zijn beurt den kijker, en reikte dien zwijgend
aan zijn buurman over, terwijl eene akelige bleekheid zijn gelaat
overtoog. Alle hoop was verloren. Wij traden naderbij. Daar lagen zij
op de sneeuw, in dezelfde volgorde, waarin zij naar beneden gegleden
waren. Croz een weinig naar voren; Hadow dicht bij hem; en vervolgens
op eenigen afstand daarachter Hudson; maar van lord Francis Douglas
was geen spoor te ontdekken: later vond men van hem slechts een paar
handschoenen, een gordel en een laars. Wij begroeven de lijken in de
sneeuw, op de plaats zelve waar wij ze gevonden hadden, aan den voet
der hoogste piramide van den majestueuzen berg der Alpen.
"Croz en de drie verongelukte toeristen waren aan elkander vastgebonden
geweest met het touw van Manille of met een ander even sterk touw; bij
gevolg was het zwakste touw alleen gebruikt om lord Francis Douglas
en den ouden Pieter Taugwalder aan elkander vast te binden. Dit feit
was zeer in het nadeel van Taugwalder; hoe kon men aannemen dat de
slachtoffers zelven genoegen hadden genomen met een touw, dat uit
het oogpunt der soliditeit zooveel te wenschen overliet, te meer
daar er nog ruim vijf-en-zeventig el van het beste touw in voorraad
was? Het was dus zeer te wenschen, dat dit punt tot helderheid werd
gebracht, en wel in het belang van den ouden gids zelven, die zich
in een onbesproken naam mocht verheugen. Zoodra ik mijne verklaring
had afgelegd voor eene commissie van onderzoek, door de kantonnale
regeering van Wallis ingesteld, reikte ik aan de leden dier commissie
een stuk over, waarop ik eene reeks vragen had geschreven, waardoor
den ouden Pieter Taugwalder de gelegenheid gegeven werd zijne onschuld
te bewijzen en de zware vermoedens, die op hem rustten, af te wenden.
"Inmiddels had de regeering bepaalden last gegeven dat de lijken
naar Zermatt moesten worden gebracht. Den 19den Juli begaven zich
mitsdien een-en-twintig gidsen van het dorp op weg om deze droevige
en tevens gevaarlijke taak te volbrengen. Bij het afdalen liepen zij
inderdaad groot gevaar: er scheelde weinig aan, of zij waren door
het instorten van een der spitsen van den gletscher onder de sneeuw
en het ijs bedolven. Ook zij vonden geen spoor van lord Douglas, die
ongetwijfeld op een of andere rotspunt was terecht gekomen en daar
blijven liggen. De stoffelijke overblijfsels van Hudson en Hadow werden
in het noordelijk gedeelte der kerk van Zermatt ter aarde besteld,
in tegenwoordigheid van eene talrijke en diep bewogen schare. Het
lichaam van Michel Croz werd aan de andere zijde der kerk begraven;
zijn eenvoudig grafteeken draagt eene inscriptie, waarin aan zijn
moed, zijne rechtschapenheid en zijne toewijding eene welverdiende
hulde wordt gebracht.
"De traditie, volgens welke de Mont-Cervin volstrekt onbeklimbaar
zou wezen, was dan gelogenstraft; andere legenden, op meer waarheid
gegrond, kwamen gaandeweg hare plaats innemen. Later reizigers zullen
op hun beurt beproeven, deze trotsche, ontzagwekkende rotswanden te
beklimmen: maar de geduchte berg zal voor geen der later komenden ook
maar van verre dat kunnen zijn, wat hij was voor hen, die het eerst
den voet op zijn top zetten. Anderen zullen die met ijs omschorste
kruin kunnen betreden; maar geen hunner zal de onbeschrijfelijke
gewaarwording gevoelen, welke de borst doorstroomde van hen, die voor
het eerst hun blikken lieten dwalen over dit wondervol panorama. Maar
vurig hoop ik, dat geen later reiziger de blijdschap der overwinning
aldus zal zien verkeeren in droefheid, de vroolijke juichtonen in
smartelijke wanhoopskreten!
"De Matterhorn heeft zich jegens ons een geducht en verbitterd vijand
getoond; langen tijd heeft hij al onze pogingen verijdeld; meer dan
eenmaal heeft hij ons gedwongen, beschaamd en verslagen terug te
keeren. Eindelijk, na eene overwinning, zoo gemakkelijk behaald als
wij ons niet hadden durven voorstellen, heeft de wreede berg, als een
ter aarde geworpen, maar niet vernietigde vijand, zijne nederlaag
schrikkelijk, bloedig gewroken. O, er lag een verpletterende koele
spotternij in de kalme, ontzaglijke majesteit, waarmede de granieten
reus zich hoog ten hemel hief, nadat hij de vermetele stervelingen,
die hem zijn geheim hadden ontrukt, in den afgrond had geslingerd!
"De dag zal eenmaal komen, waarop ook de Mont-Cervin zelf zal verdwenen
zijn; waarop een reuzige, vormelooze steenhoop de plaats zal aanwijzen,
waar de heerlijke berg stond. Atoom voor atoom, duim voor duim, el
voor el, zwicht hij, langzaam maar zeker, voor de onophoudelijke,
onverbiddelijke werking der eeuwige natuurwetten, waaraan niets
weerstand bieden kan. Die dag is nog verre, zeer verre verwijderd:
eeuwen en eeuwen zullen voorbijgaan, eer de zon zal opgaan over
de puinhoopen van den Matterhorn! En inmiddels zullen de volgende
geslachten vol bewondering hunne oogen opheffen naar dien berg, die,
wat de eigenaardige schoonheid van zijn vorm aangaat, geen gelijke
heeft onder de Alpen; zij zullen met ontzetting staren in zijne gapende
afgronden, met vasten voet zijne steile rotsen beklimmen. En niemand
dergenen, wien het geluk te beurt valt dezen berg te aanschouwen,
hoe hoog zijne verwachting ook gespannen moge zijn, zal ontevreden
huiswaarts keeren, omdat de werkelijkheid niet aan zijn ideaal
beantwoordde."
Herinneringen van den Stillen-Oceaan. [8]
I.
De archipel der Markiezen-eilanden.
I.
Het oogenblik van vertrek is gekomen: brommende en snuivende ontsnapt
de stoom, in zware zwarte wolken, uit de pijp: al de toebereidselen
zijn voltooid: alle man is op zijn post. Op het gegeven bevel wordt
het anker haastig opgehaald: het is geheel bedekt met dat vuile en
kleverige slijk, dat aan de reede van Callao (Peru) eigen is.
"Vooruit, zachtjes aan!"
De Vaudreuil wendt haar achtersteven naar de stad, die weldra uit
onze oogen verdwijnt.
Het is voor den zeeman altijd een moeilijk oogenblik, als hij
een haven moet verlaten, waar hij lang genoeg heeft vertoefd om
met sommige personen vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen. Wij
hadden verscheidene goede vrienden, hetzij te Callao, hetzij te Lima,
en vooral aan hunne welwillendheid hadden wij het te danken dat wij
aangename herinneringen medenamen van de voornaamste haven en van de
hoofdstad van Peru. Het zij mij vergund, hier nogmaals openlijk mijn
dank uit te spreken voor de vele genoegelijke uren, die wij met hen
hebben doorgebracht.
De lange reis door de archipels van Polynesie begon. Ik voor mij
was hartelijk verheugd, dat mij aldus eene uitmuntende gelegenheid
geboden werd om nader kennis te maken met deze nog zoo weinig bekende
streken. Ik had voor dien tijd, in 1869, slechts eenige weken op
Tahiti vertoefd.
Den 1sten Mei, bij zonsondergang, zagen wij uit of wij land konden
ontdekken. Maar de duisternis, die tusschen de keerkringen zoo snel
invalt, noopte ons aldra onze nasporingen te staken. Eenige uren
later werden wij aan bakboord een vuur gewaar. "Dat is een schip,"
zeiden wij tot elkander; intusschen, toen wij nader kwamen, werd het
telkens duidelijker dat de sterke lichtglans, dien wij aanschouwden,
het gevolg was van een geweldigen brand. Uit den blakenden gloed
stijgen reusachtige vlammen, wier roode tongen zich kronkelend in
de lucht verheffen: te midden der diepe nachtelijke duisternis en
storelooze stilte, is de aanblik van dezen verren brand aangrijpend
schoon; die bewegelijke roode plek, daar aan den zwarten horizon, maakt
een zonderlingen, spookachtigen indruk. Volgens onze waarnemingen,
moet de brand woeden op de hoogten van kaap Balguerie, ten oosten van
het eiland Hiwa-Oa. Wij richten onzen koers naar die vreemdsoortige
vuurbaak, die waarschijnlijk door de onvoorzichtigheid van een
of anderen Kanak is ontvlamd; en den geheelen nacht varen wij met
volle zeilen door het breede en lange kanaal, dat de zuidoostelijke
eilandengroep van de noordwestelijke scheidt.
Met het aanbreken van den dag is de zuidelijke kust van het eiland
Oea-Oeka in het gezicht. De hooge bergen van het naburige eiland
Noekoe-Hiwa, het doel van onzen tocht, teekenen zich in flauwe
omtrekken aan den horizon. Wij varen dicht voorbij kaap Saint-Martin
(bij de inlanders, Tikapo geheeten), die de zuidoostelijke punt van
Noekoe-Hiwa vormt. De kaap levert een zeer schilderachtigen aanblik op:
zij eindigt in een hoog, rotsachtig, naakt voorgebergte, dat bijna
loodrecht uit zee opstijgt; boven op de zware, sombere rotsmassa
verheft zich een reusachtig, vierkant steenblok, dat veel op een
omgestorten gothischen toren gelijkt. Naarmate wij verder doorvaren,
neemt dit kolossale steenblok telkens eene andere gedaante aan;
op het oogenblik als de donkere massa op het punt staat van weg te
zinken achter de hooge kust, vertoont het zich als een reusachtige
vinger, waarschuwend opgeheven boven de zee, wier golven in wolken
schuim tegen den voet der hooge kaap uiteen spatten.
De zuidelijke kust van Noekoe-Hiwa verheft zich loodrecht uit de baren;
van tijd tot tijd vertoonen zich groote, zonderling gevormde rotsen aan
den rand der wateren. Een dezer rotsen doet u denken aan een kolossaal
beeld van de Moedermaagd, het kind Jezus in de armen houdende.
Ziet daar de Schildwachten, twee groote eilandjes, die de baai van
Taio-Hae insluiten: wij hebben den eindpaal bereikt. De Vaudreuil,
die zijne zeilen heeft gereefd en alleen nog van zijn stoom gebruik
maakt, vaart tusschen deze twee natuurlijke bakens door, en spoedt
zich naar de ankerplaats.
Het land, dat wij sedert den ochtend in het gezicht hadden, had op
mij een indruk van majestueuzen ernst, maar nog meer van sombere,
akelige dorheid en verlatenheid gemaakt; doch, zoodra wij de baai
binnenstoomden, veranderde het tooneel. De steile rotshoogten, die den
ingang omzoomen, sluiten zich aan eene hooge bergketen, wier statig
en grootsch amphitheater eene prachtige omlijsting om de ruime haven
vormt. Het opmerkelijkste punt van deze bergketen is de Moea-Ke,
een groote, loodrechte bazaltkegel, waarvan het bovenste gedeelte
van twee openingen, niet ongelijk aan reusachtige schietgaten,
is voorzien. Onze blikken, vermoeid van het staren op de sombere,
rotsige kust, slechts hier en daar de armelijke sporen van schralen
plantengroei vertoonende, rusten nu met welgevallen op eene bloeiende
vlakte, van waar onderscheidene valleien, vol weelderig groen, naar
het binnenland uitgaan.
De rots Toehiwa verdeelt het strand in twee ongelijke deelen. Boven
op die rots liggen de ruinen van het fort Collet, eene herinnering
uit de eerste tijden der fransche bezetting. Het dorp volgt eerst
den oever der zee, ten westen van het fort Collet, en verspreidt zich
dan vrij ver weg in de voornaamste vallei landwaarts in.
Hier woont de fransche resident, die in den archipel de regeering
vertegenwoordigt. Hij staat onder de bevelen van den kommandant der
fransche nederzettingen in Oceanie, aan wien hij geregeld verslag moet
doen van zijn bestuur en van alle bijzonderheden van eenig belang. Hij
ontvangt het leggeld in de baai (vijftig francs per schip), zorgt
voor de handhaving van het havenreglement, van de verordeningen op
het loodswezen, op de deserteurs, enz. enz. Eene kleine afdeeling
gendarmerie is belast met de zorg voor de policie in het algemeen;
maar, als weggeloopen matrozen moeten worden nagejaagd en gegrepen,
moet men bijna altijd de hulp der inlanders inroepen. Zij krijgen
daarvoor een premie van vijftig francs voor iederen gevangen deserteur;
welke som dan vergoed wordt door den gezagvoerder van het schip,
waartoe de weggeloopen manschappen behooren. Als de deserteurs eerst
na het vertrek van hun schip weder gevangen worden, komt de premie
ten laste van het gouvernement; de manschappen worden dan naar
Tahiti gezonden. Men heeft wel strenge maatregelen moeten nemen,
om te voorkomen dat het eiland niet door vagebonden werd bevolkt.
De resident der Markiezen-eilanden vervult ook de functien van
vrederechter. In ernstige gevallen zendt hij de beschuldigden naar
Tahiti, om door de fransche rechtbank te Papeete geoordeeld te
worden. De plaatselijke reglementen zijn voor het meerendeel naar
die van het moederland gevolgd, natuurlijk gewijzigd in verband met
het karakter der inboorlingen. De zeer zwakke afdeeling gendarmerie,
waarover de resident beschikken kan, is toch geheel voldoende om orde
en rust te handhaven in de baai van Taio-Hae, waar de inboorlingen
aan den omgang met vreemden gewoon zijn en geleerd hebben, zich aan
onze policie-maatregelen te onderwerpen.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 | 14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65