A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Harcourt: Kangaroo route tied down, sport
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

World At Risk "Instant Book" Tomorrow">Vintage to Publish World At Risk "Instant Book" Tomorrow
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

PW Morning Report, December 2, 2008">The PW Morning Report, December 2, 2008
Extract not available.

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Zij werden aan boord van de goelet la Mesange opgenomen, en naar
Vahitahi, hun vaderland, teruggebracht, dat zij voor omstreeks twintig
jaar verlaten hadden.

(Wordt vervolgd).


De uitvinder der alpakawol.

In vroeger tijd heerschte vrij algemeen de nog niet geheel
overwonnen meening, dat de som der goederen van deze wereld voor
geene vermeerdering vatbaar is, dat zij slechts van de eene hand in
de andere overgaan, en dat de rijkdom van den een niet te verkrijgen
is dan ten koste van de armoede van den ander. Het mag der nieuwere
wetenschap tot haar eer worden nagegeven, dat zij deze bekrompen
dwaling heeft bestreden, en het tegendeel met daden bewezen. Juist
daarom komt aan de uitvinders eene plaats toe onder de weldoeners
der menschheid, omdat zij, in zekeren zin, nieuwe goederen, nieuwe
waarden, scheppen, of althans tot dusver ongebruikte middelen ter
bevrediging van behoeften binnen het bereik van het algemeen brengen;
dat zij verborgen natuurkrachten dienstbaar maken, en den arbeid des
menschen verlichten of hem in staat stellen, met minder inspanning,
meer te volbrengen. Onder die weldoeners der menschheid rekenen wij de
onbekende ontdekkers van het ijzer, van den ploeg, van den wagen, van
het schip, van het glas, en evenzeer de uitvinders der stoomwerktuigen,
van de spin- en weefmachines, van spoorwegen en telegrafen, en van
zooveel meer, dat tot verhooging der menschelijke arbeidskracht of
tot vermeerdering van den welstand des levens bijdraagt.

Tot deze mannen behoorde ook Titus Salt, die voor weinige weken, in den
ouderdom van 74 jaar, op zijn landgoed bij Halifax is overleden. Met
hem is weder een dier heroen der industrie ten grave gedaald, aan
wie Engeland zijne tegenwoordige grootheid op ekonomisch gebied te
danken heeft. Maar bij weinigen slechts valt het verband tusschen
de werkzaamheid van een enkelen man en de welvaart eener gansche
landstreek, zoo duidelijk in het oog, als bij hem. Toen Titus Salt,
de zoon van een eenvoudigen wolhandelaar uit Wakefield, die zijne
geheele opvoeding op de gewone volksschool ontvangen had, met zijn
vader Daniel naar Bradford verhuisde, was deze plaats niets meer dan
een gewoon fabrieksdorp. De handel in wollen stoffen voor vrouwelijke
kleeding verkeerde nog in zijne kindschheid. De onvermoeide arbeid
en inspanning van vele tientallen jaren was noodig, om het vlek tot
eene zelfstandige stapelplaats zijner wollen stoffen te maken, en
nog telde Bradford niet meer dan 30.000 inwoners. Tegenwoordig heeft
het zich tot eene stad van 150.000 zielen en tot een der grootste
middelpunten van den wereldhandel verheven. Het is het brandpunt
der alpaka-industrie, van waar deze zoo zeer gezochte stof naar alle
deelen der wereld verzonden wordt.

Nog voor omstreeks dertig jaar wist men ter nauwernood, dat op
de hoogvlakten der Cordilleras van Peru en Chili een soort van
lama of bergschaap leeft, dat in groote kudden over de uitgestrekte
grasvelden ter hoogte van 2500 el boven de zee zwerft. Als lastdier is
de alpaka, uit hoofde zijner koppigheid en onhandelbaarheid, niet te
gebruiken. Intusschen wist men reeds ten tijde der oude Inkas uit zijne
wol eene stof te bereiden en die ook te verwen. Deze kunst was echter
met het rijk der Inkas te gronde gegaan; slechts de Indianen gebruikten
de alpakawol nog voor de vervaardiging van grove dekens en mantels. De
vervaardiging van fijnere stoffen en weefsels scheen langen tijd, door
den aard der wol zelve, onmogelijk, want deze was noch met de hand,
noch met de tot dusver bekende spinmachines voldoende te bewerken.

Ook nadat Titus Salt zijne nieuwe methode van bewerking had toegepast,
zagen andere fabriekanten, zoo lang hij zijn geheim niet had
geopenbaard, zich gedwongen, de alpakawol met andere, meer handelbare
stoffen, zooals katoen, zijde, kamgaren, te vermengen. Nadat Salt
echter zijne uitvinding, die het hem mogelijk maakte uitsluitend
alpakawol voor zijne weefsels en stoffen te gebruiken, algemeen had
bekend gemaakt, en den handel met een nieuw artikel verrijkt, dat alle
soortgelijke artikelen in schoonheid, duurzaamheid en goedkoopheid
overtreft, heeft de alpakateelt een zeer groote vlucht genomen,
en treft men in Peru en Chili talrijke kudden van deze dieren aan,
die echter vrij rondzwerven en door de eigenaars alleen voor het
scheeren bijeen worden gedreven.

Reeds in den eersten tijd van zijn verblijf te Bradford, werd de
aandacht van Titus Salt op de aanwending van nieuwe, tot dusver in de
wolindustrie onbruikbaar geachte grondstoffen gevestigd. Aanvankelijk
bepaalde hij zijne keus op eene uit zuidelijk Rusland, van de oevers
van den Don, afkomstige grondstof, de zoogenaamde Donskoiwol. Hij
stichtte eene nieuwe fabriek, uitsluitend met het doel om deze zeer
gewone stof te bewerken, en deze proefneming werd het uitgangspunt voor
zijne latere, meer belangrijke uitvinding. In het jaar 1836 toonde hem
een koopman van Liverpool, van wien hij wol placht te koopen, eenige
balen met glansrijk hair, die men hem gezonden had, doch die hij aan
niemand kwijt kon worden. Dit hair was afkomstig van de alpaka's. De
jonge Salt nam een baal mede naar huis, en kwam later terug om
niet alleen de gansche bezending, maar ook den geheelen voorraad,
die daarvan in Liverpool te vinden was, op te koopen. Na volhardende
inspanning en herhaalde proefnemingen, en na raadpleging met ervaren
werktuigkundigen, was het hem ten slotte gelukt een middel te vinden,
niet alleen om het alpakahair in de wolindustrie te gebruiken, maar
ook om eene geheel nieuwe kleedingstof te vervaardigen, die het midden
houdt tusschen zijde en wol. Hij liet een nieuw stel van werktuigen
maken, die enkel voor de bewerking van de weerbarstige alpakawol
waren ingericht, en verzekerde zich het uitsluitend eigendom dezer
machinerie door een patent voor zijn persoonlijk gebruik te nemen,
en die toestellen voorloopig niet voor het algemeen verkrijgbaar te
stellen. Daardoor verkreeg hij voor een tijdvak van vijftien jaar
het monopolie van zijn artikel.

De bijval, dien de nieuwe stof al aanstonds bij het damespubliek
vond, en de groote belangstelling, op de eerste wereldtentoonstelling
te Londen daardoor opgewekt, bewogen Titus Salt tot de oprichting
van eene nieuwe groote alpakafabriek, in de nabijheid van Bradford,
niet ver van de ijzergieterij van Low-Moore, na de fabriek van Krupp
de grootste der wereld. Do kolossale inrichting, waarin tegenwoordig
4800 werklieden arbeiden, was in 1855 voltooid, en den schrijver
van deze regelen viel in 1864 het bijzondere voorrecht ten deel,
het anders ontoegankelijke binnenste heiligdom dezer fabriek te
mogen bezichtigen. Onder de talrijke fabrieken, die ik zoowel in
Engeland als op het vaste land had bezocht, zijn er maar weinigen,
waar mijne belangstelling in zoo hooge mate gewekt werd als hier door
de vernuftige machinerie, waarmede de stroeve alpakawol tot fijne
draden geweven werd. Daar de bekende toestellen, die voor het spinnen
van wol, katoen en vlas worden gebruikt, voor dit minder handelbare
materiaal niet dienen konden, bedacht Salt geheel nieuwe, vernuftige
werktuigen, waardoor alle mogelijke wendingen en buigingen, die met
de hand gemaakt kunnen worden, door de als met leven bezielde machine
worden uitgevoerd. Terwijl de toestel zich keert en draait, beweegt hij
de grondstof, ter behoorlijke hoogte, boven gasvlammen, die de wol door
verhitting zacht en buigzaam maken en haar alzoo, door telkens draaien
en wenden, in een draad van de verlangde fijnheid herscheppen. Toen
ik de fabriek bezocht, werd zij door twee stoomwerktuigen van te
zamen 1200 paardekrachten gedreven; deze werktuigen werden door
twaalf naast elkander staande stoomketels gevoed, die reeds toen
met een zeer eenvoudigen rookverteringstoestel waren voorzien. Wie
ooit de fabriekdistrikten, en vooral de ijzer- en kolendistrikten van
Engeland bezocht heeft, zal mij toegeven, dat er weinig dingen zijn,
die op het verstand en de verbeelding beiden sterker indruk maken, dan
de aanblik van eene groote fabriek, waar de machine en de menschelijke
hand als in elkander grijpen en harmonisch samenwerken tot een doel,
en waar de geest van den lang overleden uitvinder nog voort schijnt
te leven in dat samenstel van machines, zich bewegende in vasten
takt, met nimmer falende regelmatigheid. Maar niemand zal ontkennen,
dat dit genot zeer wordt vergald door den onverdrijfbaren kolendamp,
die over deze streken en over bijna alle engelsche steden hangt, en
dezen als tot een voorportaal der hel maakt;--al willen wij gaarne
toegeven dat het leven op de engelsche landgoederen en kasteelen
bijna een voorsmaak des hemels mag genoemd worden. Hoe groot was dus
mijne verbazing, toen ik, nog met de versche herinnering aan de zwart
berookte baksteenmuren en den grauw-zwarten dampkring der engelsche
fabrieksteden vervuld, het reusachtige etablissement van Salt in volle
werking vond, zonder dat een spoor van rook, hetzij aan de gebouwen,
hetzij in den dampkring, te bemerken was. Sedert negen jaar stond
daar de fabriek, en in haar omtrek honderden arbeiderswoningen: en
nog hadden de grijze zandsteenmuren niets van hunne oorspronkelijke
kleur verloren. Slechts aan de beweging der lucht boven den geweldigen
slanken schoorsteen, was het te bemerken dat de stoomketel gestookt
werd. En hoe eenvoudig was deze inrichting! Boven elken vuurhaard der
twaalf ketels was een rij pijpen aangebracht, die eene massa stoom
boven het vuur lieten spelen, waardoor de kooldeeltjes, welke den rook
vormen, werden nedergeslagen en door het vuur verteerd. Het is bijna
twintig jaar geleden, dat het Parlement eene wet heeft uitgevaardigd,
waarbij aan de fabrieken de verplichting is opgelegd tot het aanbrengen
van rookverterende werktuigen. Nog steeds wordt die wet geregeld
ontdoken, en de dampkring van vele engelsche steden verpest, hoewel
het middel ter voorziening zoo eenvoudig is, en de rookverslinder bij
de lokomotieven op de onderaardsche spoorwegen in Londen zoo uitnemend
werkt, dat men onder den grond soms betere lucht inademt dan boven.

Aan de voortreffelijke mechanische inrichting der grootste
alpaka-fabriek, die naar haren stichter den naam van Saltaire draagt,
beantwoordt de niet minder uitnemende ligging voor den handel. In dit
opzicht mochten wel alle toekomstige fabrieken aan deze een voorbeeld
nemen. Hierin ligt ook een der redenen van de meerderheid der engelsche
fabrieken. Er loopt namelijk niet alleen door de fabriek een spoorweg,
die aan twee kanten met de groote lijnen voor het verkeer in Engeland
in verbinding staat, maar een der vleugels van het hoofdgebouw grenst
onmiddellijk aan het kanaal, dat Engeland in de breedte doorsnijdt,
en Liverpool met Hull verbindt. De produkten der fabriek kunnen
alzoo, rechtstreeks, door vrachtschepen, aan de eene zijde naar den
Atlantischen-oceaan, en aan de andere naar de Noordzee en het Kanaal
worden vervoerd. Door middel van de boven het gebouw oprijzende kraan
worden de schepen, die de grondstof aanbrengen, gelost, en weder met
de produkten der fabriek geladen om die naar de havens te brengen,
van waar stoombooten ze naar alle oorden der wereld vervoeren. Geen
wonder, dat de fabriek onmetelijke winsten oplevert, die reeds in 1864
op niet minder dan 30.000 pond sterling per jaar werden geschat. En
dit cijfer is inderdaad niet overdreven, daar Titus Salt reeds in het
negende jaar na de stichting zijner fabriek, met zijn spaarpenningen
een landgoed ter waarde van 250.000 pond aankocht!

Titus Salt heeft zich evenwel niet met deze persoonlijke voordeelen
tevreden gesteld: hij heeft al zijne gaven en vermogens, zoo
geestelijke als stoffelijke, ook gebruikt om het geluk en de welvaart
zijner arbeiders te verzekeren, en om den bloei te bevorderen
der stad Bradford, wier voorspoed zoo nauw met zijne industrie
verbonden was. Zijne edele pogingen vonden bij zijne landgenooten
billijke erkenning en waardeering. Hoewel hij zijn loopbaan als
eenvoudig industrieel begonnen had, werd hij tot lid van het Lagerhuis
verkozen. In 1869 schonk de Koningin hem den titel van baronet; voor
weinige jaren, alzoo nog bij zijn leven, viel hem de eer te beurt,
dat een marmeren standbeeld in de stad Bradford tot zijne gedachtenis
werd opgericht.--Sir Titus heeft elf kinderen nagelaten, waarvan
verscheidene zonen de leiding der fabriek op zich hebben genomen,
en de oudste zoon, als chef der firma Titus Salt's Zonen en C^o,
tevens de baronie erfde.

Bijzondere vermelding verdient hetgeen Salt heeft gedaan voor de
arbeiders zijner fabriek, voor wie hij, om zoo te zeggen, een eigen,
gezonde stad vol fraaie woningen gebouwd heeft. Volgens de laatste
volkstelling bevatte Saltaire 820 huizen met 4389 inwoners. Sir
Titus heeft op zijne fabriek niet slechts sedert lang eene kerk
en eene school gesticht, maar nog in het vorige jaar heeft hij
10.000 pond uitgegeven voor de oprichting en het onderhoud eener
nieuwe zondagsschool. De fabriek heeft niet alleen eigen wasch- en
badinrichtingen, maar er is ook een hospitaal, een invalidenhuis en
bovendien vijf-en-veertig kleine afzonderlijke woningen ten behoeve
van oude gehuwde lieden en weduwen, die niet meer werken kunnen; de
eersten ontvangen bovendien eene wekelijksche tegemoetkoming van tien
shillings, en de laatsten van zeven en een halve shilling. Daarbij
heeft hij in zijn testament aan de arbeiders en de armen van Saltaire
een legaat gemaakt van 30.000 pond sterling, waarvan de renten
moeten dienen voor de oprichting van een bibliotheek en een club met
leeskamer, billard en schaakspelen, en tevens ter bestrijding van de
toenemende behoeften der armen. Ook de stad Bradford dankt aan zijne
weldadigheid nog andere inrichtingen van openbaar nut: Sir Titus schonk
haar een klein park van veertien acres aan de oevers der Aire, en droeg
voor eene zeer aanzienlijke som bij voor den aankoop van het Peelepark.

Eere der nagedachtenis van den man, die niet alleen het geluk zijner
familie, maar ook de welvaart van zijn land door zijn rusteloozen en
verstandigen arbeid bevorderd heeft.

Max Wirth. (Ueber Land und Meer.)


Dalmatie.

(Vervolg van bladz. 40).


VI.

Onze kleine karavaan bestaat uit drie karren op lage wielen, zoo als
die in Hongarije en Wallachije gebruikelijk zijn, en waaraan hoegenaamd
geen ijzer gevonden wordt. De mannen liggen bijna allen op het hooi in
de wagens, die door kleine, magere paarden getrokken worden; ettelijke
vrouwen zitten schrijlings te paard. Daar ook ik liever te paard rijd
dan in den wagen te hossen, plaats ik mij in den zadel, een turkschen
zadel, waarin men even gemakkelijk zit als in een leuningstoel. De
pandoeren geleiden ons, en wij trekken het binnenland in.

Het landschap vertoont een eigenaardig karakter, dat zich in een
enkel woord laat samenvatten: het is een onmetelijke steenwoestijn,
slechts hier en daar door vruchtbare velden afgewisseld. De
enkele groenende plekjes uitgezonderd, bespeurt ge, mijlen ver,
niets dan steenen, en geen anderen plantengroei dan een armelijk,
laag, grauwachtig struikgewas, bijna niet van den valen bodem te
onderkennen. Maar ondanks deze somberheid en deze groote armoede,
heeft de natuur van Dalmatie hare schoonheid en bevalligheid. Alles
straalt en schittert; van den blauwen hemel daalt de zonnegloed,
als een stroom van vuur, op den rotsachtigen grond. Wij zijn in de
maand October: eene verkwikkelijke warmte doordringt en koestert ons;
een fijn zilverachtig stof beweegt zich trillend boven den grond en
hult alle voorwerpen in een doorzichtigen sluier.

Even voorbij Lissone, een der armoedige, verstrooide dorpen, die wij
doortrekken, wordt onze aandacht getrokken door een eigenaardig gezang,
zacht en sleepend van toon, dat ons herinnert aan de liederen der
bergbewoners van Andalusie, of aan het droevig, eentonig gezang der
kabylische herders. Aan de spits harer kudde, bestaande uit mouflons,
bokken, grijze en zwarte schapen, wandelt eene jonge herderin, in
schitterende kleeding. Al voortgaande, borduurt zij met vlijtige hand,
en geleidt tevens hare kudde, die schijnt te volgen op de maat van
haar zonderling gezang. De jonge herderin volgt de uitgedroogde, met
steenen bezaaide bedding van een diepen stroom, en kan ons, die langs
den grooten weg door de hooge vlakte voorttrekken, niet zien. Onbemerkt
volgen wij haar. Op een grooten witten doek, met een rooden zoom
naar griekschen smaak geborduurd, teekent zij met de naald fraaie
eikenbladeren, en dat niet naar een patroon, maar geheel naar eigen
ingeving en smaak. Eene uiterst bevallige verschijning. Haar blonde
hairen, kroezig en kort geknipt als die van een knaap, ontsnappen van
onder haar nauwsluitend rood mutsje, met zilveren pailletten versierd;
vergulde sechinen en medailles hangen aan haar ooren en tot op haar
schouders; om haar hals slingeren zich glaskoralen snoeren. Hare borst
is bedekt met een fraai geborduurd hemd, in kleur en teekening aan de
russische hemden niet ongelijk; een breede gordel van gedreven zilver
omsluit den veelkleurigen wollen rok met lange franje omzoomd, die
tot op de beenkleederen van dezelfde stof afdaalt. De wijde mouwen,
ter hoogte van den elleboog met sterren geborduurd, steken helder af
bij den donkerblauwen overrok, die tot beneden de knieen reikt. Een
groote geborduurde zak hangt op haar rug; haar sierlijke herderstaf
steekt in haar gordel.

Zij is geheel alleen, te midden dezer groote eenzaamheid: men zou
geneigd zijn zich af te vragen, waartoe dit goud, die pailletten, die
muntstukken, die koralen, en al die levendige, schitterende kleuren,
te midden dezer naakte, sombere rotsen? en door welk zonderling toeval,
waar de natuur zoo doodsch, het landschap zoo eentonig en dor is,
kleur en leven, glans en harmonie herboren worden en triomfeeren in
de kleeding eener eenvoudige herderin?

Wij komen te Ostrovitsa en overnachten aldaar. De vlakte nabij het
dorp, aan alle zijden door bergen omgeven, gelijkt een reusachtigen
circus: naar men zegt, werd hier eenmaal een bloedige slag tusschen
de Turken en de Kroaten geleverd; het slagveld is tegenwoordig een
groot moeras, waarin het wemelt van bloedzuigers. De duisternis valt
plotseling in: wij hebben den voet van een hoogen heuvel bereikt,
die op een lagen voorsprong de nederige kerk van Ostrovitsa draagt,
waarboven zich de eigenaardig gevormde granietmassa verheft. Hier wordt
de karavaan ontbonden: ieder gaat zijns weegs en zoekt een geschikt
verblijf voor den nacht op. Inmiddels leggen onze pandoeren vuur aan
in eene vrij groote ruine, die tot karavanserai dient. Een geheel
schaap wordt aan het spit--een eenvoudigen stok--gestoken en boven
het vuur gebraden; de mannen legeren zich deels op den grond in de
nabijheid van het vuur, en staan deels, half in de schaduw, half door
den rossen gloed verlicht, wachtende dat het smakelijk maal gereed
zij. De ruine, waarin wij ons bevinden, is meer dan waarschijnlijk
een dier groote kavaleriekazernen, die de maarschalk Marmont, tijdens
het fransche bestuur, op verschillende punten in Dalmatie liet bouwen.

Wij hebben den nacht doorgebracht op een matras van mais, in
een kamer met witgepleisterde muren en zonder meubelen: de zon
dringt door de reten van het luik, dat het venster afsluit: het
is bereids klaar dag. Wij keeren naar de kazerne terug en laten de
paarden zadelen. Kort daarna gaan wij op weg, aangestaard door de
saamgestroomde nieuwsgierigen van het dorp.

Wij komen achtervolgens door Otres, Kernievo, Varivode, Zetchevo en
Kistagne. Het landschap is hier veel minder eentonig en zelfs schoon,
hoewel de streek toch over het algemeen een treurigen indruk maakt. Nu
eens zijn het uitgestrekte vlakten van eene fraaie grijze kleur,
met sombere olijven, die zich donker afteekenen tegen den bleek
gouden achtergrond van het gebladerte der wijngaarden in den herfst;
dan weder, rotsige heuvelen, straks andermaal afgewisseld door grijze
valleien, waarin talrijke kudden grazen, als witte en zwarte stippen
alom verspreid. Overal is gebrek aan aarde: over eene uitgestrektheid
van vele mijlen is de grond letterlijk als met steenen geplaveid,
waartusschen gaten, spleten en scheuren, even als in die oude,
vervallen romeinsche wegen, waarvan het plaveisel door den tijd
is losgeraakt.

De weg is eenzaam: het is duidelijk dat de streek weinig bevolkt
is; wij ontmoeten een griekschen pope met zijne echtgenoote en eene
vrouwelijke bediende, allen op het hooi liggende in een kleine kar,
door twee magere paarden getrokken. Nu en dan komen wij eene kleine
armelijke karavaan tegen, waarvan al de vrouwen schrijlings te paard
zitten, de voeten rustende in een van touw gevlochten stijgbeugel.

Een met moerbezienboomen beplante weg brengt ons te Kistagne. Sommige
eigenaardigheden van het kostuum verraden hier de nabijheid van
Turkije: de oude vrouwen bedekken reeds het benedenste gedeelte van
haar gelaat, terwijl de jonge meisjes haar aangezicht onbedekt houden;
alle mannen dragen een tulband, en de meesten hebben in hun gordel
een lange houten pijp met een kop van gebakken aarde. De bevolking
behoort tot de grieksche Kerk; in de tien dorpen, die tot het kanton
van Kistagne behooren, vindt men slechts enkele katholieke familien. De
vlakte is uitgestrekt en tamelijk vruchtbaar: sedert ons vertrek van
Zara, hebben wij nog zoo veel boomen als hier niet bijeen gezien. Voor
het eerst bespeuren wij op den rotsgrond eene laag vruchtbare aarde
van eenige dikte. Vroeger was er te Kistagne een sirdar gevestigd,
een hoofdman der pandoeren, onder de bevelen staande van den kolonel
van het distrikt. De oostenrijksche regeering heeft, op de meeste
plaatsen, deze soort van plaatselijke milicie afgeschaft en door haar
bureaukratie en gendarmerie vervangen. De oorspronkelijke organisatie
dagteekende uit den tijd der Venetianen. Dalmatie was destijds verdeeld
in zee- en landdistrikten; de sirdars waren toen in de eerste plaats
burgerlijke overheidspersonen, die tevens recht spraken in alle
civiele geschillen, waarbij geen hooger bedrag dan van tien gulden
betrokken was. Zij hadden onder hunne bevelen de plaatselijke milicie
der pandoeren, die, zoo als ik reeds gezegd heb, niets anders waren
dan gewapende boeren, bij beurte een of twee dagen in de week dienst
doende, naar gelang van omstandigheden, en die, in geval van nood,
eene niet onaanzienlijke macht konden op de been brengen.

Even voor wij aan Kistagne komen, juist waar de Kerka den weg snijdt,
slaan wij ter zijde af om een blik te werpen op de diepe kloof, waarin
deze rivier stroomt, en op enkele romeinsche bogen, aan den zoom
dezer diepte verrijzende. De plek heet Archi-Romani of Soupiaia: eene
verbastering van Supplia zarkva (doorboorde kerk). Daar stond de oude
stad Burnum, waarvan nu niets meer overig is dan deze bogen. De Kerka
vormt, op korten afstand van deze plek, in haar smalle vallei, een
fraaien waterval van eenige ellen hoogte. Behalve dezen val heeft de
Kerka nog twee andere cascaden: die van Roncislap en die van Scardona.

Wij keeren spoedig naar den grooten weg terug, ten einde Knin,
waarvan wij nog drie uren verwijderd zijn, voor den nacht te kunnen
bereiken. Hoe verder wij komen, des te vruchtbaarder wordt het land;
welhaast kunnen wij ons hart ophalen aan het gezicht van groote
boomen, noteboomen, en akkers met gerst en sorgho beplant; eindelijk
zien wij het stadje Knin, amphitheatersgewijze gelegen aan den voet
van een hooge rots, waarop eene indrukwekkende citadel is gebouwd,
en waarboven zich de toppen van den berg Dinara verheffen.

Knin is wel een der schilderachtigste punten in geheel Dalmatie. Het
stedeke ligt aan den oever van de Kerka, maar zijne laatste huizen
bestijgen de helling van den rotsigen heuvel, die op zijn top de
trotsche vesting draagt. De plaats telt betrekkelijk weinig huizen;
enkelen daarvan zijn van hout, waardoor de buurt langs de rivier
een eigenaardig turksch karakter verkrijgt. Voor de uitvinding van
het geschut, was deze stelling bijna onneembaar. In de oorlogen
tusschen de Turken en de Venetianen, werd de stad twintigmaal
genomen en hernomen. De Koningen van Kroatie en Hongarije hebben
haar beurtelings bezeten; de Turken veroverden haar in 1522, en
hielden haar honderd-vijf-en-twintig jaar in bezit. De venetiaansche
krijgsoversten Foscolo en Cornaro ontnamen haar in 1647 aan de Turken,
waarna de stad, tot aan den ondergang der republiek, in de macht
van Venetie bleef. Allen, die hier achtervolgens de heerschappij
in handen hadden, ten volle het belang beseffende dezer stelling,
die de vallei van de Kerka beheerscht, hebben voortdurend gearbeid
aan de versterking der plaats, in verband met de vorderingen der
militaire wetenschap; ook nog tijdens het fransche bestuur zijn hier
zeer belangrijke werken aangelegd. De bezetting van deze citadel,
als een arendsnest op den top der rotsen gebouwd, en niet dan langs
moeilijke, eindeloos slingerende paden bereikbaar, bestaat thans uit
eene kompagnie artillerie en eene kompagnie infanterie.

Het ontbreekt der kleine stad, waar drie wegen samenloopen, niet aan
levendigheid; de Kerka deelt aan de omringende streek vruchtbaarheid
mede, en er wordt een vrij drukke handel met Bosnie gedreven. De
Turken voeren daar het hout hunner bosschen aan; zij laden dit hout op
kleine, sterk gespierde, tegen alle vermoeienissen geharde paarden,
die in lange karavanen de uiterst bezwaarlijke bergpaden met hunne
zware vracht beklimmen.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.