A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


'Da Vinci Code' publisher one of two execs leaving Random House
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new magic from Potter author J.K. Rowling
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Rubin, Irwyn Applebaum Out in RH Reorg
NEW YORK - The man who helped give the world 'The Da Vinci Code' and a leading publisher of Danielle Steel and other brand-name authors are leaving Random House. The departing executives are Stephen Rubin, who as head of the Doubleday Publishing Group

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



"Wij brachten een vroolijken avond door; het was prachtig weder;
rustig op onzen rug liggende, genoten wij ten volle van de stilte om
ons heen, en verkwikten ons hart door den aanblik van den onmetelijken,
met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Macdonald deelde mij zijne
reisavonturen mede. Dagen achtereen, had hij bijna dag en nacht
doorgewandeld om mij in te halen; maar hij had ons eerste bivouak
niet kunnen vinden, en had eenige honderden ellen van ons af, hooger
op den berg, onder eene andere rots overnacht. Den volgenden morgen
werd hij ons gewaar, terwijl wij, hoog boven hem, bezig waren tegen
eene steilte op te klauteren; maar daar hij ons toen onmogelijk kon
bereiken, onderwierp hij zich aan zijn lot, en bleef ons, met kloppend
hart, nastaren, tot eene kromming van de rots ons aan zijn oog onttrok.

De zware ademhaling onzer makkers, die in diepen slaap lagen gedompeld,
verbrak alleen de onuitsprekelijk plechtige, hartaangrijpende
stilte. Maar wat is dat? Luister! Wat beteekent dat onheilspellend
gerucht hoog boven ons? Ik hoor het weder, en duidelijker dan
straks;--het komt al nader en nader ... het is een rotsblok, dat van de
bergwanden boven ons is losgeraakt. Wat schrikwekkend gerucht! In een
oogwenk zijn wij allen op te been. Het rotsblok nadert met vreeselijk
geweld: wie kan het in zijn vernielende vaart tegenhouden? Het rolt
en springt en vliegt en stoot en botst tegen andere rotsen, dat de
stukken en splinters er afstuiven; brullende en loeiende ijlt het den
gapenden afgrond tegen. Goddank! het is ons voorbij gerold!... Neen,
daar is het weer.... Wij houden onzen adem in, als de steenklomp, door
eene onweerstaanbare kracht voortgeslingerd, met donderend geraas,
alsof eene gansche batterij nevens ons werd afgevuurd, pijlsnel, even
beneden ons bivouak, nederstort, gevolgd door een wolk van ratelende
steenen en kletterend gruis. Het is voorbij; en wij ademen vrijer,
als wij het gevaarte eindelijk op den gletscher, diep beneden ons,
hooren nederploffen.

"Wij keerden naar ons bivouak terug, maar ik was te opgewonden om
te kunnen slapen. Kwart over vieren nam ieder onzer zijn reiszak
weder ter hand, en hervatten wij onzen tocht. Ditmaal waren wij
overeengekomen, zooveel mogelijk rechts te houden, om zoodoende
het plateau te bereiken, zonder onzen tijd te verspillen met het
oversteken van den gletscher. Ik heb niet noodig nogmaals onzen
marsch te beschrijven: het zou slechts herhaling zijn van het
vroeger gezegde. Gedurende anderhalf uur klommen wij snel naar boven,
soms loopende, maar doorgaans met handen en voeten klauterende, om
eindelijk tot de overtuiging te komen, dat wij toch den gletscher
moesten oversteken. Ter plaatse waar wij nu den gletscher betraden,
was hij zeer steil en vol spleten en groote diepe gaten en kloven. De
grootste moeilijkheid was, den top te bereiken; maar met behulp van
ons touw, kwamen wij toch zonder ongeval aan de overzijde. Daar begon
op nieuw de oneindige reeks van contreforten en bolwerken. Uren lang
moesten wij onophoudelijk klimmen, waarbij wij ons dikwijls vergisten
en dan genoodzaakt waren weer af te dalen.

"Al klimmende, was de bergketen achter ons langzamerhand gedaald: over
de toppen heen, konden wij in de verte den majestueusen Monte-Viso
onderkennen. Inmiddels verliep de tijd: de uren volgden elkander
snel op, en nog altijd was er geene verandering te bespeuren. Om
twaalf uur hielden wij stil om te ontbijten, terwijl wij onze blikken
lieten dwalen over het indrukwekkende panorama, dat zich hier voor
ons uitbreidde: met uitzondering alleen van den Viso, waren alle
bergtoppen die wij konden zien lager dan de plek, waar wij ons
bevonden; wij overzagen eene onmetelijke ruimte, een oceaan van
bergspitsen, rotsen en sneeuw. Toch verhieven zich de bolwerken en
contreforten van den geweldigen berg nog altijd boven ons, en algemeen
hielden wij ons overtuigd, dat wij dien dag den top van den Pelvoux
niet zouden zien. De oude Semiond was ons een voortdurende ergernis:
zoodra een van ons een oogenblik stilstond om zich te orienteeren,
begon hij te lachen en zeide met domme zelfvoldoening: "Wees niet bang,
volg mij maar."

"Eindelijk kwamen wij aan eene steile glooiing, geheel met losse
steenen en blokken bedekt, die nergens een vast steunpunt voor den voet
aanboden, Reynaud en Macdonald klaagden over vermoeienis en stelden
voor, hier te blijven overnachten. Echter ontdekten wij een punt,
waar wij verder konden komen; en een onzer, ik weet niet meer wie,
riep eensklaps: "Kijkt eens naar den Viso!" En inderdaad scheen het,
of de berg beneden om lag. Wij begonnen dus weer met frisschen moed
te klauteren, en eindelijk zagen wij den kop van den gletscher, ter
plaatse waar hij van het hoogste plateau afdaalt. Dit gezicht vervulde
ons met nieuwe hoop, die ditmaal niet bedrogen werd; met een luiden
vreugdekreet begroetten wij de verschijning der zoo vurig begeerde
sneeuwvelden. Eene breede kloof gaapte nog tusschenbeiden, maar wij
ontdekten eene brug, en ons aan elkander vastbindende, trokken wij
in eene rij achter elkander veilig daarover heen. Terwijl wij ons op
die natuurlijke brug bevonden, verhief zich een fraaie, geheel met
sneeuw bedekte bergtop voor ons. De oude Semiond riep eensklaps:

"De pyramide! Ik zie de pyramide!

--Waar dan, Semiond, waar?

--Daar, op den top van dien berg."

"En waarlijk, daar stond de pyramide, die hij ruim dertig jaar geleden
mede had helpen oprichten. Maar waar is dan toch de piek des Arcines,
die wij moesten zien? Die was nergens te bespeuren. Wij zagen niets dan
eene uitgestrekte sneeuwvlakte, begrensd door drie lagere toppen. Een
weinig teleurgesteld en ontmoedigd, trokken wij voort naar de pyramide,
zeer spijtig dat wij geen anderen top konden beklimmen; maar nauwelijks
hadden wij tweehonderd schreden in die richting afgelegd, of daar
zagen wij aan onze linkerhand een prachtigen witten kegel, die tot
dusver door een sneeuwheuvel aan ons oog was onttrokken. "De piek des
Arcines!" riepen wij verrast uit, en vroegen tegelijk aan Semiond
of die top ook, voor zoo ver hij wist, reeds vroeger was bestegen
geworden. Hij wist niets anders, dan dat die top daar voor ons de
Pyramide heette, en dat hij dertig jaar geleden, enz. enz.; ook wist
hij dat sedert dien tijd niemand dien top had beklommen.--"Dan is
alles in orde. Rechts-om-keert!" riep ik, en dadelijk wendden wij ons
rechts, en begaven ons naar den kegel, terwijl de arme Semiond nog
eenige zwakke pogingen aanwendde om ons naar zijne geliefde pyramide
mede te troonen. Nauwelijks hadden wij een eind wegs afgelegd, of
wij stuitten tegen den rand van een smallen dam, die de beide toppen
verbond, en die een fraaien hollen boog vormde. Wij waren onzes ondanks
gedwongen, op onze schreden terug te keeren. Semiond, die de rij sloot,
maakte zich los van het touw en weigerde verder mede te gaan; het was
te gevaarlijk, zeide hij en sprak van spleten en kloven. Wij bonden
hem weder vast, en hervatten onzen tocht. De sneeuw was zeer zacht,
wij zakten er altijd tot aan de knieen en somwijlen tot den gordel in;
maar eene fiksche beweging van voren naar achteren maakte ons telkens
weer vrij. Zoo kwamen wij aan den voet van de hoogste piek. Daar de
dam ter linkerhand ons beter en veiliger toescheen, dan die waarop
wij ons nu bevonden, beschreven wij een halven cirkel om dien dam te
bereiken. Ter hoogte van vijftig el onder den top, staken eenige rotsen
boven de sneeuw uit. Wij klauterden, al kruipende, daar tegen op, en
lieten onzen drager achter, die gansch niet op zijn gemak was. Toen
ik hem verliet, kon ik niet aan de verzoeking weerstaan, om hem te
wenken ons te volgen, en hem toe te roepen: "Wees niet bang, volg mij;"
maar hij luisterde daar niet naar en liet zich niet overhalen om den
top te beklimmen. De rotsen liepen uit op een korten ijsdam, dien wij
over moesten gaan, waarbij wij aan de eene zijde het plateau, aan de
andere een bijna loodrechten afgrond hadden. Macdonald hakte gaten
in het ijs; en ten kwart voor twee uur, drukten wij elkander de hand
op den hoogston top van den grooten Pelvoux, nu eindelijk gewonnen.

"Het weder was ons voortdurend zoo gunstig mogelijk geweest. Van verre
en nabij verhieven zich tallooze spitsen en toppen in de heldere lucht,
terwijl geen enkel wolkje het alom stralende licht verduisterde. In
de eerste plaats werden onze blikken geboeid door den koning der
Alpen, door den Mont-Blanc, ruim zeventig mijlen van ons verwijderd;
verder op vertoonde zich de groep van den Mont-Rose. Oostwaarts
verhieven zich lange reeksen van onbekende bergtoppen, stralende in
weergaloozen glans; hun toon werd al flauwer en flauwer, toch behielden
zij al de zuiverheid en scherpte hunner lijnen en omtrekken; maar het
schemerende oog kon eindelijk de bergen niet meer van den eindeloozen
hemel onderscheiden, en aan den verren, verren horizon smolten zij
weg in zachte, blauwe tinten. De Monte-Viso stond daar voor ons in al
zijne grootheid; maar, daar hij nauwelijks veertig mijlen verwijderd
was, konden wij, over zijne rotsmuren heen, eene nevelachtige massa
onderscheiden: dat moest de vlakte van Piemont zijn. Die blauwe
nevel ten zuiden mocht wel de verre Middellandsche-zee zijn; ten
westen zagen wij tot aan gene zijde der bergen van Auvergne. In bijna
alle richtingen overschouwden wij dus hier een panorama van meer dan
honderd mijlen afstands. Niet zonder moeite wendden wij onze blikken
van deze verwijderde punten af, om acht te geven op hetgeen meer
in onze nabijheid was. Mont-Dauphin was zeer duidelijk zichtbaar;
maar wij hadden eenige moeite om La Bessee te ontdekken; geene andere
menschelijke woning was van hier te bespeuren; alles was rots, sneeuw
of ijs. Wij wisten dat de sneeuwvelden van Dauphine zeer uitgestrekt
waren, maar zoo groot en wijd uitgestrekt als ze nu bleken te zijn,
hadden wij ze ons toch nooit voorgesteld.

"Onmiddellijk ten zuiden van Chateau-Queyras, bijna tusschen ons en
den Viso, verhief zich een prachtige berggroep van zeer aanzienlijke
hoogte. Een weinig meer zuidwaarts verrees een andere, onbekende top,
schijnbaar nog hooger; en niet zonder verwondering ontdekten wij in
onze nabijheid nog een anderen berg, die den top waarop wij stonden
in hoogte overtrof. Althans dit kwam mij zoo voor; Macdonald hield
echter dien berg voor lager dan de Pelvoux, en Reynaud dacht dat hij
omstreeks even hoog was.

"Deze berg was niet meer dan twee mijlen van ons verwijderd; tusschen
hem en ons gaapte een vreeselijke afgrond, waarvan wij den bodem niet
konden zien. Aan de overzijde van dezen afgrond verrees een kolossale
piek, met loodrechte wanden, zoo steil, dat de sneeuw er niet op kon
blijven liggen, zwart als de nacht, vol uitstekende scherpe punten,
en uitloopende in een smallen, spitsen top. Wij wisten niet, welke
berg dat was, daar wij die streek niet hadden bezocht. Naar onze
meening, moest La Berarde beneden in den afgrond liggen, die zich
voor onze voeten opende; maar inderdaad lag dit dorp aan gene zijde
van dien anderen berg, die ons naderhand bleek de hoogste top van
de geheele groep te zijn, op de fransche kaarten aangeduid als de
Pointe des Ecrins. Van La Bessee of Vallouise is deze top echter
geheel onzichtbaar en verborgen achter den Pelvoux.

"Eindelijk maakten wij ons gereed om af te dalen en terug te keeren
naar Semiond, dien wij bij de rotsen hadden achtergelaten. Ik liet
sneeuw smelten, en maakte het water aan de kook om thee te zetten. Na
een sigaar gerookt te hebben, zagen wij dat het tien minuten over
drieen was, en mitsdien hoog tijd om de reis te hervatten. De tocht
door de sneeuw duurde vijf-en-twintig minuten; wij moesten ons eenige
inspanning getroosten en gleden telkens uit; toen begonnen wij,
omstreeks vier uur, langs de rotsen af te klimmen. Om acht uur zou het
volslagen duister zijn; wij hadden dus geen oogenblik te verliezen en
gunden ons geen rust. Dit gedeelte van den tocht onderscheidde zich
door niets bijzonders. Wij hielden ons dicht bij den gletscher, dien
wij op dezelfde plaats als des morgens overstaken. Het verlaten van den
gletscher was ruim zoo moeilijk en zoo gevaarlijk als de overtocht. De
oude Semiond had zonder ongeval de bezwaarlijke operatie volbracht;
ook Reynaud; maar Macdonald, die hen volgde, gleed uit terwijl hij
een groot ijsblok trachtte te beklimmen; ware hij niet stevig aan
het touw vastgebonden geweest, dan zou hij onmiddellijk in een diepe
kloof verdwenen zijn.

"Toen wij eindelijk allen weer op vasten bodem stonden, was het
bijna geheel duister geworden; maar toch voedde ik nog de hoop,
dat wij voor den nacht onze rots zouden bereiken, om daar te kunnen
overnachten. Macdonald was daaromtrent minder gerust; en hij had
gelijk, want in het eind waren wij geheel aan het dwalen, en zwierven
een uur lang doelloos rond, terwijl Reynaud en Semiond voortdurend
met elkander twistten. Daar wij niet verder konden dalen, moesten wij,
tot onze groote ergernis, blijven waar wij waren.

"Wij bevonden ons op eene hoogte van ruim drieduizend-vijfhonderd
el; en wanneer het ging sneeuwen of regenen, zoo als de wolken,
die zich om den Pelvoux samenpakten, en de opstekende wind schenen
te voorspellen, dan kon onze toestand vrij onpleizierig worden. Daar
wij sedert drie uren in den morgen bijna niets gegeten hadden, begon
de honger ons te kwellen; en het ruischen eener naburige beek, die
wij echter niet konden zien, verdubbelde onzen dorst, Semiond wilde
water uit die beek gaan scheppen; het gelukte hem inderdaad haar te
bereiken, maar nu kon hij niet meer naar ons terugkeeren; om hem in
zijne gedwongene afzondering te troosten, riepen wij hem van tijd
tot tijd in den donker toe.

"Men zou moeilijk een minder geschikte plaats kunnen bedenken om den
nacht onder den blooten hemel door te brengen: de plek was geheel open
en onbeschut. Ons bivouak lag geheel bloot voor den ijskouden wind, die
van oogenblik tot oogenblik aanwakkerde; daarbij ontbrak het geheel aan
ruimte om ons door heen en weder te loopen eenigermate te verwarmen. De
grond was bedekt met steenen en gruis, die wij moesten wegruimen,
alvorens wij konden gaan zitten om te rusten. Deze gedwongen arbeid,
die ons aanvankelijk zuur genoeg viel, had althans dit voordeel,
dat ons bloed in beweging bleef en wij dus minder last van de koude
hadden. Na met dit wegruimen van steenen zoo wat een uur bezig te zijn
geweest, had ik althans een vrij terrein van ongeveer drie el lengte
verkregen, waar ik op en neder loopen kon. Reynaud maakte zich eerst
boos, en schold op den drager, naar wiens raadgevingen meer dan naar
de zijne geluisterd was; toen stelde hij zich aan als een wanhopige,
maakte allerlei heftige gebaren, wrong zich de handen en jammerde
luide: "O ramp, o ramp! Die ellendelingen!"

"Het duurde niet lang of het begon te donderen; zonder ophouden rolde
de donder en flikkerden de bliksemstralen tusschen de bergtoppen rondom
ons; de wind, die de temperatuur tot bijna op nul had doen dalen,
drong verstijvend door tot op ons gebeente. Huiverend zaten wij daar
bijeen, en onderzochten onzen voorraad. Wij hadden nog zes en een halve
sigaar, twee doosjes lucifers, een derde pint brandewijn met water,
en een halve pint wijngeest: een schrale voorraad voor drie toeristen,
die half dood waren van honger en koude, en die nog zeven uren moesten
wachten eer de dag aanbrak. De lamp met wijngeest werd aangestoken,
en wij warmden daarop het overschot van den wijngeest, den brandewijn
en een weinig sneeuw, alles te zamen. De drank was wel wat al te sterk;
maar toch zouden wij er gaarne meer van hebben gehad. Toen de voorraad
opgedronken was, poogde Macdonald zijn schoenen te drogen bij de vlam
van de lamp; daarop gingen wij alle drie onder mijn plaid liggen,
om zoo mogelijk wat te rusten. Ongelukkig werd Reynaud geplaagd door
eene vreeselijke kiespijn, die er juist niet toe bijdroeg om hem in
zijn humeur te brengen en ons een rustigen nacht te verzekeren.

"Maar zelfs aan de langste nachten komt toch een einde, en ook deze
ging voorbij als alle andere. In vijf kwartier volbrachten wij des
morgens den tocht bergafwaarts naar onze rots, waar wij onzen drager
vonden, schijnbaar zeer verbaasd over onze afwezigheid. Volgens
zijn zeggen had hij een groot vuur aangelegd om ons bij het afdalen
van dienst te zijn, en had hij den geheelen nacht door van tijd tot
tijd geroepen om ons te waarschuwen. Wij hadden niets van zijn vuur
bemerkt, noch zijn roepen gehoord. Hij beweerde dat wij er uitzagen
als spoken. Wat wonder! dit was de vierde nacht, dien wij in de open
lucht doorbrachten.

"Wij verfrischten ons zoo goed wij konden, en reinigden ons, wat
hoog noodig was. De bewoners dezer valleien hebben altijd eene
menigte van die kleine insecten bij zich, wier vlugheid wedijvert
met hun aantal en hunne gulzigheid. Het is gevaarlijk, die lieden
te dicht te naderen: men moet daarbij steeds letten op den wind en
zorgen dien in zijn voordeel te houden. Ondanks al deze voorzorgen,
liepen wij toch soms gevaar, binnen weinige oogenblikken levend
verslonden te worden. Trouwens, wij allen konden hoogstens rekenen op
een kortstondigen wapenstilstand in dezen noodlottigen krijg, want
de herbergen wemelen van dit gedierte, niet minder dan de huid der
inlanders. De plaatselijke traditie weet zelfs te verhalen van een al
te zorgeloos reiziger, die door een leger dezer gulzige folteraars uit
zijn bed werd gelicht! Maar dit feit eischt nadere bevestiging. Nog
een enkel woord, en ik stap van dit misselijk onderwerp af. Toen
wij, na ons gewasschen te hebben, bij ons gezelschap terugkeerden,
waren de Franschen onderling in gesprek. "O, zeide de oude Semiond,
wat de vlooien betreft, maak ik er geen aanspraak op, anders te zijn
dan de anderen: ik heb er althans geen gebrek aan!" Ditmaal voor
't minst sprak hij stellig de waarheid.

"Wij daalden op ons gemak naar Ville af, waar wij eenige dagen
vertoefden en ons zoo goed mogelijk vermaakten, onder anderen
ook door het balspel, waarbij de dorpelingen ons altijd de baas
waren. Eindelijk, na een pleizierigen tijd hier in het schilderachtige
vlek te hebben doorgebracht, moesten wij van elkander afscheid nemen:
ik ging zuidwaarts naar den Monte-Viso, terwijl Macdonald naar
Briancon vertrok.

"De beklimming van den Pelvoux biedt weinig afwisseling aan: uit
mijn verhaal zelf is dit zeker duidelijk genoeg gebleken; toch durf
ik die beklimming aan de toeristen aanbevelen, ter wille van het
heerlijk uitzicht op den top. Met uitzondering alleen van den Viso,
die in dat opzicht geen wedergade heeft, zou ik geen anderen berg van
aanmerkelijke hoogte kunnen noemen, die een zoo volledig panorama van
de westelijke Alpen te aanschouwen geeft als de Pelvoux. Trouwens,
een blik op de kaart maakt dit van zelf begrijpelijk.

"Zeker was het, in zekeren zin, voor ons eene voldoening geweest,
te hebben ontdekt dat de piek, onder den naam van de Pointe des
Ecrins bekend, een op zich zelven staande berg is, afgescheiden
van den Mont-Pelvoux, en niet diens hoogste top;--maar toch had die
ontdekking ons ook zekere teleurstelling gebaard.

"Naar La Bessee afdalende, verwarden wij ten onrechte deze piek met
den bergtop, dien men, van dit punt, tor linkerzijde van den Pelvoux
aanschouwt. De beide bergen gelijken zeer veel op elkander, zoodat
eene vergissing licht mogelijk is. Hoewel deze berg aanmerkelijk
hooger is dan de Wetterhorn of de Monte-Viso, voert hij toch geen
bijzonderen naam: wij noemden hem Piek-zonder-Naam.

"Het is bijna niet te onderstellen dat de ingenieurs eenige dagen
op den top der Pyramide zullen hebben vertoefd, zonder een bezoek
te brengen aan den anderen hoogeren top. Indien zij daar werkelijk
geweest zijn, dan is het echter minstens zonderling dat zij geen enkel
spoor van hunne tegenwoordigheid hebben achtergelaten. De landlieden,
die hen op hun tocht vergezeld hadden, verzekerden ons dat zij niet
van den eenen top naar den anderen waren gegaan; wij maakten daarom in
den beginne aanspraak op de eer der eerste beklimming van den hoogsten
top. Maar sedert is het mij gebleken, dat de heer Puiseux voor ons
dien top bestegen had. De kwestie van prioriteit is van zeer weinig
belang; onze tocht had voor ons al het aantrekkelijke eener eerste
beklimming; en ik herinner mij deze eerste ernstige expeditie in het
gebergte met meer voldoening en niet minder genot dan eenige andere,
waarvan dit boek het verhaal bevat."

Na den Monte-Viso bezocht te hebben, ging de heer Whymper naar Abries,
en van daar naar Veran en Molines, bij welk laatste dorp hij eene
afbeelding maakte van de zonderlinge naalden, onder den naam van
de Gekapte-Zuilen bekend. Die naalden of obelisken, geologisch van
dezelfde formatie als de bergwanden, zijn ongelijk van hoogte en
omvang; de grootste, aan den oever der beek oprijzende, is meer dan
twaalf ellen hoog; de anderen, op een rij naast elkander staande,
nemen regelmatig in hoogte af naarmate zij den berg naderen. Op den
top van elk dezer obelisken (eene enkele uitgezonderd) ligt een blok
serpentijnsteen, dat ongetwijfeld van den top des bergs is afgerold:
dit geeft haar het voorkomen of zij eene muts of hoed op hadden:--van
daar haar naam. Ongetwijfeld is de voet van den berg door het water
uitgehold en weggevoerd; deze naalden, die zijn blijven staan, wijzen
de hoogte aan, waarop vroeger de bodem der vallei lag.

Het spreekt van zelf, dat wij den heer Whymper niet op al zijne
tochten volgen kunnen: wij zouden dan de ons gestelde perken zeer
verre moeten overschrijden. Wij zullen hem later zijn vreeselijke
beklimming van den Matterhorn laten verhalen; voor ditmaal ontleenen
wij aan zijn boek nog enkele schetsen, in verband met de teekeningen,
die deze bladen versieren. Begeven wij ons dus in de eerste plaats
naar den col de Pilatte, tusschen Vallouise en La Berarde.

"Gedurende onze opstijging hakte Croz (de gids), met onvermoeiden
ijver, voortdurend gaten in de sneeuw om onze voeten daarin te zetten;
kwart voor elven hadden wij den top van den col (bergpas) bereikt,
en stelden ons voor, hier geruimen tijd uit te rusten; maar juist
op het oogenblik toen wij daar aankwamen, daalde een dichte nevel,
die boven om den top zweefde, eensklaps neder en belette ons ieder
uitzicht aan de noordzijde. Met uitzondering van Croz had niemand
onzer den tijd gehad, om na te gaan hoe wij weder naar beneden moesten
komen; wij oordeelden het daarom raadzaam aanstonds neer te dalen,
eer de herinnering aan het waargenomene misschien ook bij hem zou
zijn verflauwd. Ik kan dus niets van den col zelven zeggen, dan alleen
dat hij juist ten oosten van den berg Bans ligt, en dat zijne hoogte
ongeveer drie-duizend-zeven-honderd-vijftig el bedraagt. Het is de
hoogste bergpas van Dauphine. Wij noemden hem den col de Pilatte.

"Wij begonnen af te dalen naar den gletscher van Pilatte, langs eene
glooiing van glad ijs, die, volgens de waarnemingen van den heer Moore,
een hoek maakte van vier-en-vijftig graden! Croz liep steeds vooruit,
en wij volgden hem met tusschenruimten van ongeveer vijf el; wij waren
allen met een touw aan elkander vastgebonden, en Almer (mede een gids)
sloot den trein: niet de meest benijdenswaardige positie! De afstand
tusschen de beide gidsen bedroeg dus ongeveer vijf-en-dertig el. De
nevel verborg hen voor elkanders oogen; en wij zelven zagen hen als
twee schimmen, maar flauwelijk kenbaar. Maar wij allen konden hooren
dat Croz onder ons gaten in het ijs hakte; van tijd tot tijd drong
zijne luide stem door den nevel heen:

--"Past op dat gij niet uitglijdt, mijne heeren; zet uwe voeten goed;
gaat niet vooruit, zoo lang gij geen vast steunpunt gevonden hebt."

"Zoo gingen wij drie kwartier al dalende voort. Eensklaps hield de
bijl van Croz op.

"Wat is er Croz?

--Een bergschrund, mijne heeren.

--Kunnen wij er overkomen?

--Ik weet het nog niet; ik geloof dat wij een sprong zullen moeten
wagen."

"Juist terwijl hij met ons sprak, dreven de wolken links en rechts
uiteen: het effect was aangrijpend. Het was inderdaad iets als een
coup de theatre, om ons voor te bereiden op den grooten luchtsprong,
die zoo aanstonds door het gansche gezelschap zou worden uitgevoerd.

"Eene onbekende oorzaak, waarschijnlijk de eigenaardige vorm of
schikking der rotsen beneden ons, had den geweldigen ijsdam, langs
welken wij afdaalden, in tweeen gespleten; zoo ver het oog reikte,
strekte zich ter wederzijde een diepe kloof uit. Met andere woorden:
een wijde scheur scheidde het bovenste gedeelte van den ijsklomp,
waarop wij stonden, van het onderste stuk beneden ons. Wie, om voort
te kunnen gaan, gaten voor zijne voeten moet hakken in eene hellende
ijsvlakte met een hoek van vier-en-vijftig graden, heeft niet veel
tijd of lust om naar een gemakkelijken weg te gaan zoeken: er schoot
niets anders over, dan op het punt zelf waarop wij ons bevonden,
en wel zonder uitstel, den sprong over den afgrond te wagen.

"Wij moesten niet alleen van eene hoogte van vijf el springen, maar ook
dien sprong zoo nemen, dat wij tusschen de twee en drie el voorwaarts
sprongen. Dat is niet veel, zal men misschien zeggen. Zeker, dat is
niet veel; maar de eigenaardige aard van den sprong verontrustte ons
vrij wat meer dan de afstand. Wij moesten juist terecht komen op een
vrij smallen ijsdam; sprongen wij te ver, dan zouden wij onfeilbaar
naar beneden rollen in den afgrond; sprongen wij te kort, dan vielen
wij in de gapende kloof, die hoewel aan den ingang gedeeltelijk met
ijs en sneeuw gevuld, toch meer dan overvloedige gelegenheid aanbood
om te verongelukken.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.