A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Als wij, uit de kathedraal komende, het plein oversteken en een nauw
steegje inslaan, bevinden wij ons weldra tegenover het kleine monument,
dat algemeen onder den naam van het Mausoleum bekend is, hoewel
het volgens sommigen een tempel van Esculaap zou zijn geweest. Het
gebouw heeft den vorm van een parallelogram van acht el breedte bij
eene lengte van elf en een half el. Het is betrekkelijk goed bewaard
gebleven; de portiek echter, die den toegang tot den tempel vormde
en die veertien treden boven den grond verheven was, is verdwenen.

Het inwendige ontving al zijn licht door den ingang; de muren zijn
naakt; aan drie zijden loopt een rijk bewerkte kroonlijst, waarop het
uitnemend goed bewaarde gewelf rust. De basreliefs der fries stellen
amors, wijngaardranken, offervazen, leeuwen en luipaarden voor; naar
deze attributen te oordeelen, zou men veeleer denken aan een tempel
voor den god des wijns dan voor dien der geneeskunde. Voor den ingang
staat een antieke sarkophaag, met beeldhouwwerk versierd en blijkbaar
uit denzelfden tijd als de tempel afkomstig. Onder verschillende
allegorien herkent men duidelijk de afbeelding van den strijd van
Meleager met het wilde zwijn. De sarkophaag komt waarschijnlijk van
Salona; onderscheidene geleerden hebben gemeend, dat het basrelief
eene zinnebeeldige voorstelling was van den dood van Arius Aper, den
moordenaar van Numerianus, die door Diocletianus, toen nog generaal,
doch straks Keizer, ten aanschouwe van het geheele leger, met eigen
hand werd geveld. De overlevering verhaalt, dat eene priesteres der
druiden hem het keizerlijk purper had voorspeld, als hij een wild
zwijn (aper) zou hebben gedood; de italiaansche archeoloog Lanza
heeft zelfs op dien grond beweerd, dat deze sarkophaag eenmaal het
stoffelijk overschot van Diocletianus moet hebben bewaard. Zoo als
ik reeds zeide, dient het gebouw tegenwoordig nog voor doopkapel;
waarschijnlijk heeft het daaraan zijn behoud te danken.

Dit zijn de voornaamste overblijfselen van het beroemde paleis;
maar volstrekt niet de eenige. De gansche oppervlakte, eenmaal door
de keizerlijke residentie ingenomen, is thans bebouwd met nauwe en
donkere straten. Behalve de kathedraal, bevinden zich nog drie kerken
binnen deze ruimte; en wie nauwkeurig alle sporen en overblijfselen
wil nagaan, waarop de oudheidkundigen hunne voorstellingen van
het paleis ten tijde zijner heerlijkheid gegrond hebben, moet niet
alleen dit gansche terrein onderzoeken, maar moet ook in de huizen,
op de binnenplaatsen en zelfs tot in de kamers doordringen. Op een
bovenverdieping, achter een bed, op een trap, in een kast, vertoont
zich soms eensklaps een korintisch kapiteel; elders steekt een zuil
half uit den muur; ginds wederom is het een basrelief of een deel van
een muur, die dikwerf het spoor wijzen tot belangrijke ontdekkingen.

Wij verlaten het paleis door de Gouden-poort, die wij bereiken door
de straat, welke op het Domplein uitkomt, ten einde te volgen. De
afbeelding op bladz. 120 ontslaat mij van alle verdere beschrijving. De
poort waarvan de voet tegenwoordig eenige ellen in den grond begraven
is, was vroeger ongetwijfeld een prachtig monument; de nissen, waarvan
de sporen nog zeer duidelijk zijn te herkennen, waren oorspronkelijk
met standbeelden versierd, die, zoo als men zegt, naar Venetie zijn
overgebracht. Tijdens het venetiaansche bestuur, werd de Gouden-poort,
in het belang der verdediging, voorzien van twee achthoekige torens,
die nog voor een deel zijn in stand gebleven.

Intusschen is de oude stad, hoe belangrijk ook, niet het eenige
gedeelte van Spalato, dat de aandacht van den reiziger verdient. Aan
den oever der zee, links van den muur van het paleis, verheft
zich een achthoekige toren, dien wij niet met stilzwijgen mogen
voorbijgaan. Het plein, waarop deze toren, die uit den tijd der
hongaarsche heerschappij dagteekent en den naam van toren van
Harvoje draagt, zich verheft, dient tegenwoordig tot markt. Dit
plein behoort tot de schilderachtigste gedeelten der stad, en
toont door het eigenaardig karakter der omringende gebouwen, als
het ware den geleidelijken overgang tusschen drie verschillende
tijdvakken: tusschen de antieke periode, de hongaarsche heerschappij
en het tijdperk der venetiaansche regeering. Ook elders in de stad
hebben deze verschillende tijdperken overblijfselen en monumenten
achtergelaten. Natuurlijk heeft het venetiaansche karakter de overhand:
gedurende haar lange heerschappij heeft de trotsche republiek ook op
Spalato haar onmiskenbaren stempel gedrukt.

Het klimaat is gezond; de omstreken zijn vruchtbaar; de warmte is
niet te drukkend en de winter is er doorgaans zacht; verder heeft de
stad--natuurlijk met uitzondering van het paleis--weinig dat boeien
kan; en de gedaanteverwisseling, die zij heden ondergaat en die haar
den maar al te bekenden type onzer moderne steden nader brengt, doet
haar dat oorspronkelijke en eigenaardige karakter verliezen dat ons in
de andere steden van Dalmatie zoo zeer getroffen heeft. Binnen twintig
jaar zal te Spalato zeker eene derde nieuwe, geheel moderne stad zijn
verrezen, regelmatig van aanleg, maar koud en zonder eigen physionomie;
doch de eigenlijke oude stad, binnen de muren van het paleis van
Diocletianus besloten, zal aan die herschepping geen deel kunnen
nemen, want daar kunnen geene groote veranderingen worden aangebracht,
zonder hetgeen nog van het paleis over is, geheel te vernielen; en
de oostenrijksche regeering heeft alle mogelijke maatregelen genomen
om verdere schending van deze eerwaardige ruinen te voorkomen.

Spalato mag op een aantal beroemde mannen bogen, die hetzij daar
geboren zijn, hetzij daar hun verblijf hebben gehouden. Onder de breede
rij harer aartsbisschoppen komt menige schitterende naam voor; een der
meest bekende is wel die van den beroemden Marc-Antonio de Dominis,
den voorlooper van Newton en Descartes. Aanvankelijk hoogleeraar in
de wijsbegeerte aan de hoogeschool van Padua, werd hij door Clemens
VIII tot aartsbisschop van Segna benoemd, en besteeg in 1602 den
zetel van Spalato. Wijsgeer, wiskundige, natuurkundige van naam,
voegde hij bij zijne uitgebreide wetenschap een vast karakter
en eene zeldzame energie; bovenal man der daad, had hij het hoofd
geboden aan de Uskoken, en bewees hij tijdens het heerschen der pest
in 1607, de uitnemendste diensten te Spalato. Zijn levensloop is
zeer merkwaardig: ten gevolge van een geschil met het hof van Rome,
gedwongen zijn vaderland te verlaten, begaf hij zich naar Venetie,
waar hij geschriften in het licht gaf, die door de Inquisitie werden
veroordeeld. Sir Henry Wotton was destijds gezant van Engeland
bij de republiek; hij noodigde Dominis uit, hem te vergezellen,
en de voormalige aartsbisschop van Spalato zwoer zijne Kerk af en
schreef pamfletten tegen den Heiligen Stoel. In Engeland gekomen,
werd hij door Jacobus I beschermd en tot deken van de anglikaansche
kerk van Windsor benoemd. Toen Gregorius XV den pauselijken troon
beklommen had, wendde hij een poging aan om dezen afgedwaalden zoon
der Kerk, dien hij persoonlijk gekend had, en wiens zeldzame gaven
hij bewonderde, terug te brengen. Overtuigd dat Dominis juist door
de vervolging verbitterd en tot buitensporigheden gedreven was, zond
de Paus den spaanschen gezant tot hem, die geene moeite spaarde om
hem weder voor Rome te winnen. Dominis keerde ook inderdaad terug,
wierp zich voor de voeten van den Heiligen Vader, en zwoer zijne
dwaling af. Maar na den dood des Pausen, sloeg het Heilige College
een anderen weg in. Men beschuldigde Dominis van afval, men beweerde
dat hij in verstandhouding stond met de ketters, en in 1624, twee jaar
na zijn terugkeer te Rome, werd hij in den Engelenburcht opgesloten,
waar hij stierf. Zijn lichaam werd openlijk, op het Campo del Fiori,
verbrand, met een exemplaar zijner pamfletten.


X.

Spalato, wij zeiden het reeds, is de opvolgster van Salona, de
romeinsche kolonie, door de barbaren verwoest. Door de oostenrijksche
regeering waren gelden beschikbaar gesteld voor het doen van
onderzoekingen en opgravingen in deze streek, en de leiding dier
werkzaamheden was opgedragen aan professor Glavinich, directeur van
het museum van Spalato. De professor had de beleefdheid, ons tot een
bezoek aan zijn arbeidsveld uit te noodigen: de kleine reize zal dus
ook uit een historisch en archeologisch oogpunt, althans voor ons,
niet zonder belang zijn.

De plaats, waar Salona stond, is een uur van Spalato verwijderd;
een goede, gemakkelijke weg, die naar het binnenland der provincie
loopt, voert daarheen; nabij dien weg ziet men nog de buizen, die het
water naar het paleis van Diocletianus brachten. Het eenige dorpje,
dat de reiziger op zijn weg ontmoet, draagt zelfs den naam van Pozzo
Buono (goede put). Ter rechterhand ziet men een vierkant gebouw, door
vrij hooge muren omringd, dat bij de omwonende bevolking als de Zecca
(munt) van Diocletianus bekend staat. Dit is natuurlijk een dwaling:
waarschijnlijk is dit gebouw eene bisschoppelijke woning uit de
dertiende eeuw.

De baai, waaraan Salona lag, levert nog heden een schoonen aanblik
op. De stad verrees aan den noordelijken oever van den Giadro,
die in de golf van Spalato uitloopt; de rivier komt eensklaps uit
de spleten van een rots te voorschijn; haar lengte bedraagt niet
meer dan een halve mijl; zij levert voortreffelijke forellen op,
die van ouds beroemd zijn. Het landschap buiten Spalato is zeer
bekoorlijk; voor het eerst zien wij populieren; de geheele vlakte
is vruchtbaar en weelderig; overal groeien wijnstokken en olijven,
die buitengewoon groote vruchten voortbrengen. De vlakte strekt zich
uit tot aan de kust, maar een landtong steekt in zee uit, en draagt
een aardig miniatuurstadje, dat zich in de heldere golven spiegelt:
Branizza, het klein Venetie genoemd, dat welhaast een eiland schijnt.

De weg, die naar de plek voert waar eenmaal Salona stond, steekt
de rivier over op dezelfde plaats, waar zich reeds ten tijde der
Romeinen eene brug bevond. Wie niet vooraf op de hoogte was gebracht,
zou dezen klassieken grond kunnen betreden, zonder zelfs te vermoeden,
dat hier eenmaal eene groote stad verrees. Wel ziet men hier en daar
enkele brokken muur, maar zij verliezen zich in de oneffenheden van
den bodem; en met uitzondering van enkele bogen eener waterleiding,
niet of nauwelijks in de verte zichtbaar, is nergens eenig spoor
te ontdekken van eene antieke stad, die tot de voornaamste steden
der provincie behoorde. Even als te Pompeji en te Herculanum, is
ook hier de bodem belangrijk verhoogd; maar hier is die verhooging
niet te weeg gebracht door de asch- en lavastroomen van een vulkaan,
die alle monumenten heeft begraven: hier zijn alle verwoestingen
aangericht door menschenhanden, en heeft de tijd over alles zijn
sluier geworpen. Langzamerhand heeft de weelderige natuur haar gebied
hernomen; groote vijge- en amandelboomen wortelen in de aardlaag;
de boer heeft zijne hut gebouwd op de plek, waar de paleizen zijner
voorvaderen bedolven liggen, en de verwoeste stad slaapt in haar
graf onder de aarde. Het tegenwoordige dorp draagt nog den naam
van Salona, maar het beslaat slechts een zeer klein deel van de
oppervlakte der oude stad. Doch, zoo uitwendig niets het oog trekt,
behoeft men slechts even in den grond te delven, om tot de zekerheid te
komen dat daar eenmaal Salona stond. Reeds lang voor de tegenwoordige
opgravingen bestond daaraan geen twijfel; alle antieke overblijfselen
in het museum van Spalato, beelden, vazen, graftomben, opschriften,
enz. getuigen onwedersprekelijk van de juistheid der traditie, die in
het tegenwoordige dorp Salona den nederigen opvolger ziet der eenmaal
zoo beroemde stad.

Welke was de oorsprong dezer stad? Dit is niet te zeggen; voor den
tijd van Julius Caesar is alles duisternis en onzekerheid. Na de
verwoesting van Delminium, wordt Salona de hoofdstad van Dalmatie, en
Caecilius Metellus vermeestert haar voor de eerste maal; andermaal
opent zij hare poorten voor Cneius Cosconius, en gedurende den
burgeroorlog tusschen Pompejus en Caesar, tast Octavius haar tweemaal
te vergeefs aan. Salona kiest in 't eind partij voor Brutus en Cassius;
C. Asinius Pollion slaat het beleg voor de stad, vermeestert haar,
en zij komt in de macht van Octavianus. Aanstonds na de tweede
verovering wordt zij tot den rang van romeinsche kolonie verheven,
en ontvangt, uit hoofde van haar gewicht, den titel van Colonia
Martia, Julia Salona, later dien van Colonia Claudia Augusta Pia
veteranorum. Onder Augustus bereikt zij haar volle ontwikkeling:
zij geldt als het voornaamste bolwerk der romeinsche bezittingen
aan dit gedeelte der Adriatische-zee. Achtervolgens republiek,
Conventus Colonia, Metropolis, Prefectura, en Praetorium, naar gelang
van haar belangrijkheid en de wisseling der tijden en toestanden,
wordt zij in den christelijken tijd hoofdplaats van een bisdom, door
Sint-Doimo gesticht; een-en-zestig bisschoppen volgen elkander op dien
alouden zetel. Onder de latere romeinsche Keizers was de stad reeds
aanmerkelijk verfraaid geworden; maar toen Diocletianus den troon
beklom, herinnerde hij zich dat hij Dalmatier van geboorte was; hij
beminde zijn vaderland en wilde daar zijne dagen eindigen: hij liet
mitsdien de stad geheel herbouwen. Tot omstreeks de helft der vijfde
eeuw, alzoo gedurende ongeveer honderd-vijftig jaar na den dood van
Diocletianus, ondergaat zij weinig verandering; maar in 481 maakt
Odoaker, Koning der Herulen, zich van de stad meester en verwoest
haar. In de zesde eeuw valt zij in handen van Totila, den Vorst der
Gothen, tot zij in 535 door Keizer Justinianus wordt heroverd. Zij is
nu op nieuw eene romeinsche stad; haar verwoeste muren worden hersteld
en van nieuwe versterkingen voorzien; en nauwelijks weder uit haar
verval opgeheven, weerstaat zij met goeden uitslag twee belegeringen,
door de soldaten van Vitiges en door Totila. Van Salona vertrekken, in
544 en 552, de beroemde grieksche veldoversten Narses en Belisarius,
om Italie aan de handen der barbaren te ontrukken; gedurende bijna
eene eeuw geniet de stad nu eene betrekkelijke veiligheid; maar de
inwoners, in stede van zich in den wapenhandel te oefenen en tot
de onvermijdelijke worsteling voor te bereiden, leven in zorgelooze
weelde en verbrokkelen hunne kracht in onderlinge partijschappen. Zoo
nadert haar laatste ure. In 639 veroveren de Avaren Clissa, een sterke
rotsvesting, die Salona beheerscht; de stad zelve biedt nauwelijks
wederstand; zij wordt vermeesterd, geplunderd, en voor de laatste maal
aan de vlammen prijs gegeven;--zij stond niet weder uit haar asch op.

Bezoeken wij nu haar graf. Sedert zeventien dagen is men met de
opgravingen bezig; een veertigtal werklieden spitten den grond
om, en de vrouwen van Salona voeren de aarde weg in korven, die
zij op het hoofd dragen. Bij afwezigheid van den directeur, is de
katholieke pastoor van het dorp met de leiding der werkzaamheden
belast. Wij vinden hem bij de opgravingen; een geneesheer, die te
paard voorbij komt rijden, houdt, ons gezelschap ziende, stil, en
voegt zich bij ons. Er is een gelukkige ontdekking gedaan: op een
diepte van zes tot acht el onder den bebouwden grond, heeft men eene
begraafplaats gevonden, waarvan de aanleg nog duidelijk te herkennen
is, met den kleinen ronden tempel, waar de lijken werden gewasschen
en toebereid. De steenen kuip ligt op den grond: de voetstukken der
dorische zuilen zijn ongeschonden, de schachten zijn ter hoogte van
een el afgebroken. De sarkophagen zijn, in vrij grooten getale,
hier en daar verspreid: allen zijn zeer eenvoudig van vorm. Wij
bevinden ons op eene christelijke begraafplaats uit de eerste eeuwen:
de sarkophagen zijn meest allen versierd met een grieksch kruis, en
afkomstig uit de vierde of vijfde eeuw onzer jaartelling; maar tot
onzen spijt zijn zij allen aan de hoeken gebroken: blijkbaar hebben
de barbaren deze graven geschonden. Bijna alle sarkophagen zijn dus
of ledig of met aarde gevuld. Vermoedelijk was dit hier eene voorstad
van Salona, daar het niet waarschijnlijk is dat de Christenen hunne
dooden binnen de muren der stad mochten begraven.

Eindelijk wordt een ongeschonden sarkophaag ontdekt, die nog zijn
zegels, met het jaartal 437, behouden heeft. "Toen Honorius en
Theodosius consuls waren, de eerste voor de zevende maal, de tweede
voor de tweede maal" ... zoo luidt de aanhef van het opschrift. Niet
zonder aandoening zien wij, hoe de arbeiders, op eene knie liggende,
den hefboom tusschen den sarkophaag en het deksel schuiven; al de
landlieden hebben den arbeid gestaakt en zich op de aardhoopen en
heuveltjes gegroept, om getuigen te zijn van hetgeen hier voorvalt;
de vrouwen, met den korf op het hoofd, houden haar oogen gevestigd
op de groep in het midden. Het deksel heeft losgelaten: het is nog
ongeschonden en wordt zachtkens op den grond nedergelegd; maar het
regenwater is langzamerhand in de lijkkist doorgedrongen en heeft haar
tot den rand gevuld. Het water wordt uitgeschept, en nu vertoont zich
een geraamte benevens stukken aardewerk: verder bevat de sarkophaag
niets. Professor Glavinich kopieert het opschift, dat hij echter
niet ontcijferen kan; volgens hem, zijn er maar twee mannen, die deze
letters kunnen lezen: Mommsen te Berlijn en Leon Renier te Parijs.

Inmiddels gaat men met de opgravingen voort; de gansche begraafplaats
is reeds ontbloot, en wij wandelen door de ruimte rond. Hetgeen
wij van elders omtrent de inrichting der antieke nekropolen weten,
stelt ons in staat ook hier de bestemming der bijzondere gedeelten
te onderkennen. Daar werden de lijken gewasschen, eer ze in het graf
werden bijgezet; daar werden zij voor het altaar nedergelegd, en kwamen
de bloedverwanten en vrienden hunne gebeden uitstorten. Wij zijn er
echter niet zeker van, of zich onder den bodem van de begraafplaats
niet nog eene onderaardsche krypt bevindt; want in een der hoeken
van de nekropolis hebben de arbeiders een gewelf geopend en bogen van
romeinschen oorsprong ontbloot, die aantoonen dat daar eene belangrijke
uitgraving moet aanwezig zijn. Wij zien eene zwarte opening, maar zij
is nog te klein om te kunnen nagaan, wat men eigenlijk heeft gevonden:
en men durft het gewelf niet verder te ontgraven, uit vrees dat het
zal instorten en het souterrain verstoppen. Heeft men hier boven op de
antieke bouwwerken later andere gebouwen aangebracht, zoo als meermalen
het geval is in die romeinsche steden, die door de barbaren werden
ingenomen en bezet? Of hebben wij hier werkelijk een grafgewelf, eene
krypt voor ons? Wij kunnen bij ons vluchtig bezoek dit niet uitmaken,
en hebben ook geen tijd, de oplossing van dit vraagstuk af te wachten:
morgen hopen wij reeds ver weg te zijn. De heer Glavinich echter is
zeer opgewonden en vol hoop.

Toen zij nog eene romeinsche kolonie was en tijdens hare verdelging
door de barbaren, was de stad geheel omgeven door een versterkten
muur: een klein gedeelte van dien muur is aan de oostzijde nog
zichtbaar, maar naar den kant der rivier kan men zijn spoor niet
volgen; daarentegen is het noordelijk gedeelte vrij wel bewaard,
en de uitspringende hoeken der torens en bolwerken zijn zelfs
voor de oningewijden te herkennen; over het geheel genomen, geeft
deze omwalling een vrij duidelijk denkbeeld van het stelsel van
fortificatie der romeinsche steden. Ik moet hier echter bijvoegen,
dat men niet zoo zeer de vestingwerken zelven, maar alleen het
plan dier werken kan wedervinden. Ditzelfde geldt trouwens van
de openbare gebouwen, het raadhuis, het forum, het rechthuis, de
verschillende tempels, de schouwburgen en het gymnasie. Men weet uit
de berichten der oude schrijvers, dat Salona ook eene wapenfabriek,
eene schatkamer, een vrouwengesticht en een baphium, dat wil zeggen
eene inrichting voor het verwen van stoffen, bezat. Deze laatste
gebouwen behoorden aan den staat, en stonden onder het toezicht van
beambten, procuratores genoemd, aan wier hoofd de zoogenaamde "graven
der heilige uitdeelingen," zoo veel als keizerlijke aalmoezeniers,
waren geplaatst. De verwerij was voor het persoonlijk gebruik des
Keizers, wien bij eene wet het uitsluitend recht was toegekend om
stoffen purperkleurig te verwen; overtreding dezer wet door andere
inrichtingen werd als een staatsmisdaad gestraft. Salona had ook een
haven van eenige beteekenis; maar om daarvan de overblijfselen terug
te vinden, zal men langs en waarschijnlijk ook in de Adriatische-zee
nasporingen en opgravingen moeten doen.

De heer Glavinich toonde ons het theater en amphitheater, die zeer goed
te herkennen zijn: zij zijn geheel opgegraven en zouden gemakkelijk
hersteld kunnen worden. Van het theater is niets meer over dan
het grondvlak en voetstukken van zuilen, die zeer goed bewaard zijn
gebleven, en waarvan de bewerking een vrij zuiveren stijl verraadt. Het
amphitheater is veel vollediger: een gedeelte van het proscenium en
de grondslagen der bogen waarop de galerijen der zitplaatsen rustten,
zijn nog aanwezig; de galerijen zelven zijn verdwenen: en geen wonder:
geen ander gedeelte der antieke bouwgewrochten is zoo gemakkelijk weg
te nemen en voor andere doeleinden te gebruiken. Bij het beschouwen van
deze overblijfselen der oude monumenten van Salona, kan ik den indruk
niet van mij weeren, dat de stad toch niet zoo groot en belangrijk was,
als men ons wel verzekert: noch het theater, noch het amphitheater,
noch de begraafplaatsen, noch de tempels, passen bij eene stad, zoo
als ons beschreven wordt. Te Verona, te Nimes, te Arles, te Pola, te
Rome, krijgt men een levendigen indruk van de grootheid der stad en de
talrijkheid der bevolking, door de groote afmetingen der monumenten
zelven; maar hier is dit geenszins het geval: of het theater kon de
inwoners niet bevatten, of het getal der inwoners was minder dan de
geschiedschrijvers zeggen.

De stichting van Salona, althans de herbouwing der stad, geschiedt
in een tijd van verval: de romeinsche wereld neigt ten ondergang:
de Christus is verschenen en heeft een nieuw tijdvak in de
wereldgeschiedenis geopend; en het paleis van Diocletianus, hoe
prachtig en grootsch ook van aanleg, mist de onuitputtelijke sobere
bevalligheid, de volkomen harmonische schoonheid van den echt antieken
geest: het draagt veelmeer de kenmerken van oostersche overlading en
mateloozen praal.

Onder de beelden, bas-reliefs, gegraveerde steenen, vazen, opschriften,
sarkophagen, architectonische fragmenten van allerlei aard, van Salona
en Spalato afkomstig, en tegenwoordig bijeengebracht in het museum
dezer laatste stad, vindt men een aantal voorwerpen die, afgescheiden
van hunne onbetwistbare historische waarde, ook wezenlijke kunstwaarde
bezitten. Vooral onder de sarkophagen zijn er velen, die in hooge mate
de aandacht verdienen. Zij zijn niet allen van Salona afkomstig, en men
is omtrent hunne herkomst nog dikwijls in het onzekere, daar zelfs de
geleerde Lanza, de voormalige directeur van het nationaal museum van
Zara, die zoo geheel op de hoogte is van al hetgeen Dalmatie betreft,
noch de juiste dagteekening wanneer, noch de juiste plaats waar men
deze sarkophagen gevonden heeft, kan opgeven. Maar het is tot op
zekere hoogte onverschillig, op welke plek zij nu juist opgedolven
zijn: dit is zeker dat zij door romeinsche of dalmatische kunstenaars
vervaardigd zijn, en meer dan waarschijnlijk tot Salona behooren. Een
dezer sarkophagen, waarvan wij boven reeds spraken, en waarop de jacht
op het calydoonsche zwijn is afgebeeld, wordt zelfs door sommigen
voor den sarkophaag van Diocletianus gehouden. Een andere sarkophaag,
waarop de strijd tusschen de Centauren en de Lapithen is afgebeeld,
is ongetwijfeld van Salona afkomstig, en evenzoo die andere, met het
opschrift Mesia Capta Temporum Felicitas, betrekking hebbende op
de verovering van Moesie. Vooral merkwaardig is een christelijke,
mede van Salona afkomstige sarkophaag, waarop onder anderen de
doortocht der kinderen Israels door de Roode-zee is afgebeeld,
benevens Christus als de goede herder. Het bas-relief is uitnemend
goed bewaard; de steensoort is niet minder fraai dan oostersch albast;
nog heden kan men dit kostbaar gedenkstuk zien voor den ingang van
een klooster, nabij het nieuwe plein van Salona; langen tijd heeft
het als altaartafel gediend in de kerk der Minderbroeders. Blijkens
de bewerking, moet deze sarkophaag uit de derde eeuw onzer jaartelling
afkomstig zijn. Men verhaalt u, dat de voorstelling van het bas-relief
onbekend bleef tot in 1818, toen Keizerin Carolina Augusta, die met
Keizer Frans I Dalmatie bezocht, op het eerste gezicht de uitlegging
gaf. Nog zijn op deze tomben de sporen te herkennen van het werktuig,
dat de barbaren gebruikten om de graven te openen.

Te Salona waren wij getuigen van een tooneeltje, dat waardig was door
eene teekening in de herinnering bewaard te worden, en dat overigens
herhaaldelijk voorkomt. Terwijl wij uitrustten bij eene hut, in welker
muur oude inscripties waren ingemetseld, kwam een jong meisje van
Salona, bijkans nog een kind, in het schilderachtige nationale kostuum
gekleed, aan professor Glavinich eene inscriptie aanbieden, die zij
op het veld gevonden had. De archeoloog heeft hun, die dagelijks dezen
historischen grond bewerken, op het hart gedrukt, geen enkel fragment
te vernietigen; als zij het een of ander aanbrengen, krijgen zij
eene kleine geldelijke belooning. Toen zij de hand had uitgestoken,
om het geld te ontvangen, bleef het meisje, beschaamd en verward,
staan; weldra echter vatte zij moed, en vroeg of het opschrift niet
het aanwezen van een schat bewees op de plek waar zij het gevonden
had. Wij lachten om de naieve vraag, maar oordeelden het beter, de
eenvoudige landlieden in den waan te laten, dat elke inscriptie een
schat kan verbergen: dit is het zekerste middel om hen van vernieling
of veronachtzaming terug te houden. En is zij geen kostbare schat,
zulk eene inscriptie, die somwijlen eensklaps aan de historische
wetenschap het aanzijn openbaart van een tot dusver onbekend volk,
dat niemand in die streek gekend had en welks tegenwoordigheid
onwedersprekelijk blijkt uit eenige regelen, voor tweeduizend jaar
op een marmeren plaat gegraveerd? Dit toch was het geval met eene
inscriptie, eenige jaren geleden nabij Sign gevonden.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.