A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - 25% Off Sitewide Sale + Free Ship On Orders Over $50. Shop Now!

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Als ware het eene herinnering aan lang vervlogen grootheid, heeft
Salona nog een jaarmarkt overgehouden, die door geheel Dalmatie beroemd
is, en in de eerste helft van September gehouden wordt. Afgescheiden
van den levendigen handel, die bij deze gelegenheid gedreven
wordt, heeft de jaarmarkt voor den reiziger nog eene bijzondere
aantrekkelijkheid: hij vindt daar eene bijna volledige verzameling
van alle kleederdrachten van zuidelijk Dalmatie, beneden Sebenico,
bijeen. Al de dorpen tusschen de Adriatische-zee en de turksche
grenzen zijn op deze kermis vertegenwoordigd; het tafereel laat aan
rijkdom en verscheidenheid niets te wenschen overig, en de reiziger,
die het geluk heeft, in dezen tijd des jaars Dalmatie te bezoeken,
brengt van deze jaarmarkt eene onuitwischbare herinnering mede.

De Turken van Herzegowina vertoonen zich hier in grooten getale, want
de grens is niet veel meer dan eene dagreis verwijderd; maar toch
is het turksche element in geenen deele het meest schilderachtige;
er is zelfs een geoefend oog toe noodig om een Dalmatier van Sign of
Knin te onderscheiden van een Muzelman van Livno of Trebigne. Het
is de kleederdracht der vrouwen, die aan dit feest zijn grootsten
luister bijzet: ieder dorp heeft hierin zijne eigene schakeeringen van
kleur en tint, zijne eigenaardigheden van snede en patroon. Bovenal
wordt de aandacht van den vreemdeling getrokken door de vrouwen van
de Castelli: dit is de naam van zes kleine dorpen langs de kust der
baai van Spalato, die haar oorsprong ontleenen aan zestien burchten,
in de vijftiende en zestiende eeuw gesticht door de heeren, aan wie de
venetiaansche regeering landen in leen had gegeven, onder voorwaarde
dat zij er vestingen zouden bouwen, tevens bestemd tot wijkplaatsen
voor de boeren gedurende de oorlogen met de Turken. De dorpen hadden
zich allengs gevormd onder de wallen der burchten, en waren gaandeweg
in welvaart en ontwikkeling toegenomen; de voornaamste rijkdom der
bewoners bestond in hunne kudden. Van de zestien kasteelen, zijn er
tegenwoordig nog acht over: Castel Sucuraz, Abadessa, Castel Cambio
(dat nog heden aan de graven van Cambio behoort), Castel Vetturi,
Castel Vecchio, Castel Novo, Castel Stafileo en Castel Papali. De
burchtheeren bezaten verschillende heerlijke rechten, waarvan nog
enkelen zijn overgebleven, maar dezen hebben niets drukkends of
buitensporigs. Zoo bestaat, bij voorbeeld, een dier heerlijke rechten
hierin, dat de kop van ieder varken, hetwelk op zijn land geslacht
wordt, aan den heer behoort; ook ontvangt hij van ieder huisgezin
per jaar een paar kippen. Tot voor korten tijd ontving hij eene maat
olijven op elk dozijn maten, die de oogst opleverde; en had hij ook
recht op de tong van ieder rund, op zijn land geslacht. Daarentegen gaf
hij aan ieder, die hem als heer de verschuldigde hulde kwam bewijzen,
een brood ten geschenke.

De ligging der Castelli is allerbekoorlijkst. De uitstekende landpunt
van Spalato en het eiland Bua vormen daar een veilige, wel beschutte
golf, en de grond is zeer vruchtbaar; de kasteelen verrijzen allen
vlak aan den oever der zee; het is een der liefelijkste en schoonste
landschappen van geheel Dalmatie.

Tot de eigenaardigheden der Castellanen behoort ook deze, dat zij
eene sterke ontwikkeling der borst tot de voornaamste schoonheden
der vrouw rekenen; ik behoef nu wel niet te zeggen, dat de vrouwen,
om genade te vinden in de oogen der mannen, tot de zonderlingste
kunstgrepen haar toevlucht nemen. Dit valt nog te meer in het oog door
den bijzonderen vorm van het kleine vest, zeer kort en nauwsluitend en
van voren zeer laag uitgesneden, dat hier door alle vrouwen gedragen
wordt. Ook de jurk is zeer nauw aan het lijf sluitend; een kleine lage
hoed, met bloemen versierd, gele kousen, groote gespen op haar zwarte
schoenen, breede en lange zilveren kettingen, waaraan een mes hangt,
dat aan den gordel bevestigd is, en een geheel garnituur van knoopen
van filigraan aan haar jakje, voltooien het kostuum.

Natuurlijk begeven alle inwoners van Spalato zich naar de jaarmarkt,
en ook zij dragen tot het schilderachtig effect bij, want de stad
heeft hare eigene kleederdrachten. De gezeten burger vooral maakt
aanspraak op bijzonderen smaak en elegantie in kostuum; de vrouwen
onderscheiden zich door niets bijzonders, evenmin als die van de
andere steden langs deze kust. Men kan zich gemakkelijk verbeelden,
in Livorno, in Spezzia, in Apulie, of in eenige andere streek
aan de overzijde der Adriatische-zee te zijn. De hier vergaderde
menigte is zeer talrijk, zeer levendig en zeer woelig; daar niets dan
slavisch gesproken wordt, kan ik niet zeggen of er goede zaken worden
gemaakt. Men ziet hier een groot aantal ossen, schapen en varkens
bijeen; de nijverheid is voornamelijk vertegenwoordigd door hout- en
aardewerk, bekers, huisraad, knoopen, gedrukte stoften uit Oostenrijk,
juweelen en sieraden van dalmatischen oorsprong. Ik wil niet zeggen,
dat de jaarmarkt maar een voorwendsel is om pret te maken, doch dit
laatste wordt stellig niet veronachtzaamd, en draagt niet weinig bij
tot het schoone on schilderachtige van het bonte tafreel. Hier ziet
ge aardige groepen, die op het kleine plein voor de kerk van Salona,
aan de oevers van den Giadro, zijn gekampeerd; andere bezoekers
nemen hun intrek in de nederige woningen hunner vrienden in het dorp;
sommigen installeeren zich aan den oever zelven der rivier, zoo dicht
mogelijk bij het water; zij graven een gat in den grond, maken vuur
aan en bereiden hun maaltijd in de open lucht. Het geheel maakt
bijna den indruk van eene groote karavaan in rust. Gansche kudden
worden aan het spit gestoken; even als in geheel het Oosten, wordt
het schaap in zijn geheel, aan een langen stok geregen, gebraden. Er
wordt veel gegeten on gedronken en zeer druk gepraat: tegen den
avond heerscht er dan ook eene algemeene opgewondenheid, maar er
wordt veel minder getwist en ruzie gemaakt dan men oppervlakkig zou
meenen, vooral als men bedenkt dat de deelnemers aan dit feest voor
het meerendeel onbeschaafde en onwetende lieden zijn. Alles bepaalt
zich tot luidruchtig en niet zeer welluidend gezang, met begeleiding
van de guela, het nationale instrument, en tot zeer karakteristieke
dansen. Vooral des avonds stroomen de stedelingen naar de kermis,
om deelnemende getuigen te zijn van de pret der landlieden, die zij
te zamen met den naam van Morlaken aanduiden.

Dank zij de krachtige maatregelen der oostenrijksche regeering,
draagt de jaarmarkt van Salona thans een ander, vreedzamer karakter
dan vroeger: zij was weleer de uitgezochte gelegenheid voor de
uitoefening der nationale vendetta, waarbij in den regel bloed
stroomde en verbitterd gevochten werd; men heeft, ten voorbeelde,
eenige schuldigen zeer streng gestraft, en tegenwoordig wordt de orde
stipt gehandhaafd door de sirdars en hunne onderhebbende pandoeren.

Op de jaarmarkt te Salona vond ik ook gelegenheid om den nationalen
slavischen dans, den kollo, te bestudeeren, die ook in Servie en
onder de slavische bevolkingen van Turkije inheemsch is. Het woord
kollo beteekent kring; men danst dan ook in een kring, mannen en
vrouwen paarsgewijze, met deze eigenaardigheid, dat de man niet de
hand geeft aan zijne buurvrouw, maar zijn arm onder den arm doorsteekt
der danseres, naast wie het lot hem geplaatst heeft, om dan de hand te
vatten van de danseres, die op haar volgt. De gansche keten slingert
zich alzoo dooreen en danst, onder het zingen van een eentonig lied,
dat eenigszins droevig klinkt, maar toch niet onbevallig is. Bij dat
woord dansen, moet men zich evenwel iets anders denken, dan hetgeen wij
daaronder verstaan. Deze dans is, als alle oorspronkelijke volksdansen,
veeleer een soort van mimiek, waarbij het niet zoo zeer op kunstmatige
bewegingen, veelmin op onnatuurlijke tours de force aankomt, maar op
de plastische voorstelling van een hartstocht of gemoedsaandoening,
die mede uitdrukking vindt in het den dans begeleidende lied. Zoo is
de kollo meer een soort van omgang met rythmische beweging, dan wel
wat wij een dans noemen: desniettemin, of liever juist daarom, maakt
hij een levendigen indruk. Te Gradisca zag ik eens, op een zondag,
den oever der Save, wel een mijl ver, geheel bezet met groepen van
zonderling uitgedoste vrouwen, met groote kransen van kunstbloemen
op het hoofd, met allerlei juweelen en sieraden getooid en stralende
in de meest schitterende kleuren. Er werd een feest gevierd--ik weet
niet meer voor welke gelegenheid;--de vrouwen dansten alleen, bij
groepen, langzaam, en schier zonder van plaats te veranderen; zij
maakten met haar lichaam eene eigenaardige beweging, die mij aan de
jota, den bolero en fandango van Castilie en Andalusie denken deed;
ik heb zelden iets zonderlinger en meer karakteristiek gezien.

Mevrouw de prinses Dora d'Istria, die van de zeden en gewoonten der
slavische volksstammen eene bijzondere studie gemaakt heeft, heeft
in de Revue des deux Mondes, in een artikel over de servische poezie,
een lied aangehaald, waaruit blijkt welken machtigen invloed de kollo
op het gemoed dezer volken kan uitoefenen.

"De haidouk Radoitza, in den kerker te Zara opgesloten, veinst
gestorven te zijn, en speelt zijn rol zoo goed, dat Bekis bevel geeft
hem te begraven. De vrouw van den aga, twijfelende aan de waarheid van
een zoo plotselingen dood, geeft den raad, dat men vuur zal ontsteken
op de borst van den haidouk, om te zien of de "roover" nog teeken
van leven geeft. Radoitza, in wiens hart de echte heldenmoed woont,
maakt geene enkele beweging. De turksche vrouw eischt dat men de
proefneming voortzette; men legt op de borst van Radoitza een door
de zon verwarmde slang; de haidouk blijft onbewegelijk en kent geen
vrees. De vrouw van den aga geeft nu den raad, hem twintig spijkers
onder de nagels te drijven: hij houdt zich goed en laat geen zucht
ontsnappen. Eindelijk beveelt de boosaardige, dat men een kollo om den
gevangene zal vormen, in de hoop dat Haikouna den haidouk een glimlach
zal afpersen. Haikouna, de schoonste en slankste der dochteren van
Zara, leidt den rondedans; haar halssnoer rammelt bij iedere beweging,
men hoort het ruischen van haar zijden onderkleed. Radoitza, wien de
marteling niet deeren kon, kan aan deze betoovering geen weerstand
bieden; hij ziet haar aan en glimlacht; maar het jonge servische
meisje, verrukt en tevens bedroefd over haar zegepraal, laat haar
zijden zakdoek op het gelaat van Radoitza vallen, opdat de andere
meisjes den glimlach van den haidouk niet zullen zien. Nadat de
proef voleindigd is, wordt Radoitza in de diepe zee geworpen; maar,
weergaloos zwemmer als hij is, keert hij des nachts in het huis van
Bekis-aga terug, houwt hem het hoofd af, doodt de turksche "draak",
door haar de spijkers, die hij uit zijn lichaam gehaald heeft, onder
de nagels te drijven, voert Haikouna, "het hart zijner borst", mede,
brengt haar naar het land van Servie en huwt haar in eene witte kerk."

In waarheid, waar aan een dans zulk een vermogen wordt toegeschreven,
moet hij wel inderdaad nationaal zijn, in het volksleven wortelen,
evenzeer als de erfelijke, traditioneele Turkenhaat, waarvan ook dit
lied met zoo ruwe welsprekendheid getuigt.

(Wordt vervolgd.)


Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen.


De lezers van de Aarde zijn bezig, aan de hand van den heer Charles
Yriarte, met wien zij reeds vroeger het schiereiland Istrie bezochten,
eene wandeling te maken door Dalmatie. Wij noodigen hen thans
uit tot een tocht naar een ander grensland der wijd uitgestrekte
oostenrijksch-hongaarsche monarchie, een land weinig meer bekend
dan Dalmatie, en waar toch ook zooveel te vinden is, waardig om de
aandacht en belangstelling te boeien van ieder, die een open oog heeft
voor de rijke verscheidenheid van het natuur- en menschenleven. En te
meer durven wij op aandacht en belangstelling rekenen, nu onze gids op
dezen tocht niemand minder zal zijn dan de beroemde fransche geograaf
Elisee Reclus, wiens naam zeker weinigen onzer lezers onbekend zal
zijn, en die in 1873 deze streken bezocht. Het verhaal zijner reis
laten wij hier volgen.


I.

De spoortrein, die ons medevoerde, had zoo juist Nagy-Varad [9]
achter zich gelaten. De verstrooide huizen slonken al meer en meer,
en schenen niets meer dan witte stippen te midden van het groen der
tuinen. Er kwam meer beweging en verheffing in het landschap. Reeds
strekten enkele kleine heuvelen hunne half begroeide hellingen ter
wederzijde van den weg uit; een helder, dartel riviertje schoot
lustig murmelend voort over haar bedding van glimmende steentjes;
tegenover ons, naar de zijde van Zevenbergen, verhieven zich de blauwe
toppen der bergen van Bihar, terwijl zich achter ons de onafzienbare
hongaarsche vlakte uitstrekte, door den purperen avondgloed beschenen
en bijna aan een reusachtig vaal lijkkleed gelijk.

O zeker, de magyaarsche vlakte, de wijde Puszta, heeft hare
eigenaardige schoonheid, die ik niet miskennen zal, maar toch
deed het mij genoegen, dat ik weder de bergen naderde. Als men
een ganschen dag lang, van de ochtendschemering tot den avond,
onophoudelijk hetzelfde landschap heeft aanschouwd, dat niet achter
ons wegzinkt in het verschiet dan om voor ons weer op te doemen; als
onze oogen moede zijn van het staren op altijd dezelfde boschjes van
acacia's, dezelfde korenvelden, dezelfde diep doorgroefde kleiwegen,
dezelfde dorpen met hunne vierkante witte hutten, dezelfde poelen
waarin ganzen spartelen, dezelfde putten met hunne schuine balken;
als wij te vergeefs hebben uitgezien naar golvende heuvellijnen aan
den schemerenden horizon:--zie, dan is het een waar genot, weder eene
meer afwisselende, rijker geschakeerde natuur te mogen aanschouwen,
bergen, wouden, ruischende wateren.

De bergketen, die door den spoorweg wordt doorsneden, vormt de
natuurlijke grensscheiding tusschen Hongarije en Zevenbergen. De bergen
van Bihar, die zich ter rechterhand in zuidelijke richting uitstrekken,
hangen samen met de minder hooge Besy-bergen, die ten noorden den
horizon begrenzen. De bergwanden naderen van beide zijden al meer en
meer; weldra laten zij niet meer dan eene smalle kloof over, waarin
de Sebes-Koeroes stroomt, die haar naam (Snelle Koeroes) met volle recht
draagt, want pijlsnel stuwt zij hare wateren voort. Straks schijnt
de vallei geheel gesloten; kalm vervolgt de lokomotief haar weg naar
een loodrechte witachtige kalkrots, die als een muur oprijst; wisten
wij niet welke schijnbare wonderen de ingenieurs weten te verrichten,
wij zouden huiveren bij de nadering van die dreigende, overhangende
rotsmassa, die telkens ontzagwekkender gedaante aanneemt.

Voor den aanleg van den spoorweg, vermeden de inwoners dezer streek
de kloof van den Sebes-Koeroes, en bestegen, ten noorden van den pas,
een der hellingen van het Besy-gebergte. De weg, die, zoo ver de
heugenis reikt, de beide landen verbond en steeds door reizigers
en legerbenden gevolgd werd, draagt den naam van Kiralyhago of
Koningsopgang, ongetwijfeld omdat menigmaal de monarchen hier aan
het hoofd hunner troepen langs trokken, en van deze hoogte een
blik wierpen op de beide landen, aan hun schepter onderworpen. In
de volkstaal worden nog heden zeer dikwijls Hongarije en Zevenbergen
aangeduid door de benaming van het land aan deze en aan gene zijde van
den Koningsopgang. Aan deze plek hechten zich belangrijke historische
herinneringen. Naar men wil, volgden de Hunnen dezen weg, toen zij naar
Hongarije trokken, na in de nabijheid den grond te hebben gelegd voor
de sterke vesting Hunyad, sedert en nog Banffi-Hunyad genoemd. Walachen
en Hongaren, Oostenrijkers en Russen hebben sedert de voetstappen der
Hunnen gedrukt, dikwijls genoeg om, even als zij, verderf en dood te
verspreiden. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou een der zeven
burchten of kasteelen, waaraan het land zijn duitschen naam [10]
dankt, tot verdediging van den pas van Kiralyhago hebben gestrekt.

De pas aangelegde spoorbaan heeft nog niet de eer gehad, voor
strategische doeleinden gebruikt te worden, maar zij vergunt
den reiziger een blik te werpen in eene liefelijke en uitnemend
schilderachtige vallei. In plaats van den berg te beklimmen, zoo als de
oude heirbaan, volgt de spoorweg den loop der rivier, en baant zich,
met behulp van tunnels, een pad door de rotsen en bergen, die hem
den doortocht zouden beletten. Bij een plotselinge wending, strijkt
hij rakelings langs den voet eener rots, die nog de overblijfselen
draagt van een vierkant gebouw, nauwelijks van de rots zelve te
onderscheiden: dit is het Feeenkasteel. Daarnevens opent zich een grot:
het Drakenhol; het monster zwerft door de sombere gangen en spleten van
den hoogen kalkberg, en werpt, door de gaten en scheuren in de rots,
een blik in de stille vallei. Gelukkig kunnen noch de fee, noch de
draak langer kwaad stichten, want een der rotsen, die ge daar ginds
boven de boschrijke hellingen ziet oprijzen, draagt den naam van de
Bisschopsrots: en ge begrijpt dat de kerkvoogd niet heeft verzuimd, van
zijn hoogen zetel de machten der duisternis onschadelijk te maken. Aan
de andere zijde der vallei lokt u een liefelijker tafreel: de hellingen
zijn minder steil; de rotsen hebben een minder dreigend voorkomen;
de plantengroei is weelderiger; een zilveren beek treedt eensklaps
uit het groen te voorschijn, en stort zich, met een bevalligen sprong,
in den Koeroes.

Wat mij bovenal trof, was dat het land hier inderdaad zijn hongaarschen
naam Erdely, Land der Wouden, ten volle verdiende. Aan alle kanten,
niet slechts op de zacht glooiende heuvelen, maar ook op de steile
rotswanden, overal waar maar een spleet of scheur voor de wortels
gelegenheid bood om zich vast te hechten, zag ik bosschen en
kreupelhout. Alom teekende zich het donkergroene gebladerte scherp
af, hier tegen de witachtig grijze wanden der kalkrotsen, elders
tegen den roodachtigen zandsteen of de metaalkleurige tinten van
het glimmer-schiefer. Bij het verlaten van iederen tunnel, bij elke
kromming van den weg, omringde ons op nieuw het woud: de heerlijke,
verkwikkende geuren van het groote bosch woeien ons tegen op den
adem des winds. Weinig vermoedde ik, dat ik reeds morgen in dit
Land der Wouden, door naakte, boomlooze vlakten zou trekken, waar
zelfs de acacia-boschjes van Hongarije ontbreken. Te oordeelen naar
de onzinnige drift, waarmede de industrieelen de boomen omhakken,
staat het te vreezen dat ook de vallei van den Sebes-Koeroes haar
tooi van groenende wouden niet lang meer zal bezitten. Dennen balken
drijven in lange rijen op de rivier, en stapelen zich op tot kleine
eilandjes; bij elk station ziet men houtzagerijen, waar bergen van
planken gereed liggen tot verzending; zwaar beladen wagens wachten op
alle zijwegen. Het hout wordt hier voor allerlei doeleinden gebruikt;
zelfs de bermen der spoorwegen zijn met een beslagwerk van takken
belegd, waarvoor men toch zeer gemakkelijk steen had kunnen gebruiken.

Het begon donker te worden. Ik stapte uit aan het dorp Csucsa
(spreek uit Tshoetsha), en liet den trein doorstoomen naar Kolosvar
(Klausenburg). Hier zette ik voor het eerst, niet zonder aandoening
den voet in een land, door Rumeniers bewoond. De innige sympathie,
die ik voor dit geheimzinnige volk gevoel, deed mijn hart sneller
kloppen. Ik vroeg mij-zelven af, van waar die aandoening? Is het omdat
de rumeensche natie ongelukkig is geweest, en vele eeuwen lang heeft
gezucht onder het juk der dienstbaarheid en het brood der verdrukking
gegeten? Is het omdat hare taal denzelfden oorsprong heeft als de
latijnsche talen der westersche volken, en is het de stem des bloeds,
het instinkt der familie, dat onbewust in mij spreekt? Ongetwijfeld
werkten deze beide oorzaken samen; bovendien overviel mij ook die
geheimzinnige aandoening, welke ieder aangrijpt, die voor het eerst
eene vreemde wereld betreedt.

Een jonkman gaat ons voorbij. Zijn kleine stroohoed met omgeslagen
randen staat coquet op zijne bruine golvende lokken; hij draagt een
overjas van witte wollen stof en een breeden gordel van geborduurd
leder. Hij ziet mij even aan.

"Roumoun? vroeg ik.

--Roumoun," antwoordde hij.

En wij groetten elkander. De ontmoeting was zeer vluchtig, en toch was
er meer tusschen ons voorgevallen, dan in die twee gewisselde woorden
lag opgesloten. Ongetwijfeld zal hij zich zelven hebben afgevraagd,
waarom ik, een vreemdeling, hem zoo vriendelijk toesprak: en ik dacht
weder aan zijn arm, overwonnen en veracht ras, aan al de rampen en
beproevingen, die het wellicht nog in de toekomst wachten. Zonderling
toch is het lot der Rumeniers in Zevenbergen. Zij vormen de groote
meerderheid der bevolking, en toch zijn zij verstoken van alle
staatkundige rechten; zij hebben zelfs geen officieel bestaan, en hun
land is verdeeld tusschen de drie officieel erkende natien: Hongaren,
Szeklers en Saksers.

Nauwelijks was ik het dorp ingetreden, of een joodsche herbergier kwam,
al buigende en glimlachende, op mij af. Hoe kon ik ontkomen aan een
man, die mij met zoo uitgezochte beleefdheid behandelde? Hij vroeg
met zooveel belangstelling naar mijne gezondheid, bleef zoo getrouw
mij ter zijde, putte zich zoo zeer uit in allerlei vriendelijkheid en
toonde zich zoo vaardig om aan al mijne wenschen te gemoet te komen
en mij aangenaam te zijn! Mijne zeer korte antwoorden schrikten hem
in 't minst niet af. Terwijl ik het middagmaal gebruikte, dat hij in
aller ijl had laten gereed maken, trachtte hij mij met een vloed van
woorden aan het verstand te brengen, dat ik niet beter kon doen dan een
paar weken in zijne gastvrije woning doorbrengen. Daar hij al spoedig
bemerkte, dat ik niet reisde om zaken te doen, maar om de natuur en de
menschen te bestudeeren, prees hij mij het dorp Csucsa aan als het door
de natuur zelve aangewezen uitgangspunt voor alle belangrijke tochtjes,
die men in westelijk Zevenbergen kan doen. Was het mij om historische
herinneringen te doen, had ik dan niet in mijne onmiddellijke
nabijheid de oude magyaarsche stad Banffi-Hunyad, en nog dichter bij
het oude kasteel van Sebes? Trokken fraaie landschappen mij meer aan,
dan boden de vallei van Kalota en de boschrijke heuvelen, van waar
de bovenste nevenstroomen van den Koeroes afdalen, mij alles aan, wat
ik redelijker wijze wenschen kon. Was de hooge bergtop van Vlegyasza
niet minder dan eene dagreis verwijderd? Wilde ik de onderscheidene
volksstammen met hunne eigenaardige kleederdrachten leeren kennen,
dan vond ik in den omtrek van Csucsa daartoe ruime stof: Rumeniers,
Magyaren, Joden en zelfs eene servische kolonie. Eindelijk--en dit was
de dooddoener--moest ik mij wel wachten om het zoo bij uitnemendheid
gezonde Csucsa te verlaten en mijn verblijf te gaan vestigen te
Kolosvar, want daar heerschte de cholera, en--het was verschrikkelijk
om te zeggen--nooit keerde een vreemdeling van daar terug.

Ik beken dat deze laatste mededeeling eenigen indruk op mij maakte;
maar ik sloeg maar half geloof aan de woorden van den kruiperigen,
gluiperigen Jood, wien het louter om mijn geld te doen was; de
pogingen die hij aanwendde om, tegen zijn natuurlijken aard in,
oprecht te schijnen, vervulden mij met dubbel wantrouwen.

Den volgenden morgen vertrok ik dus met den eersten trein, ondanks de
vermaningen en vertoogen van mijn kastelein. Ik moet echter bekennen,
dat hij, toen hij de schoonheid der omstreken van Csucsa roemde, eens
niet gelogen had. Nog half in den doorzichtigen morgennevel gehuld, was
het landschap allerbekoorlijkst: vrouwen, met rooskleurig voorschoot,
met smaakvol geborduurde jakjes, stonden om de fontein gegroept, en
keerden zich om, ten einde ons na te zien; groote witte ossen met lange
hoornen leschten hun dorst aan de murmelende beek; ruischende wateren
stroomden te midden van het malsche gras; de weilanden en bosschen
verdwenen dommelend in den nevel, terwijl de bergtoppen, reeds door
de zon verlicht, zich stralend in de heldere lucht verhieven.

Maar nauwelijks had ik den tijd een blik te werpen op dit bevallig
tafreel, en reeds was het verdwenen. Tot mijn spijt: want naarmate
wij Kolosvar naderden, werd het land vlakker, dorder en alledaagscher.


II.

Kolosvar, de tweede stad van Zevenbergen, wat het aantal harer
bevolking aangaat, is uit een staatkundig oogpunt de eerste: ook
beroemt zij er zich op, al de andere steden te overtreffen door de
schoonheid harer gebouwen, den beschaafden toon van haar gezellig
verkeer, de verfijning harer zeden. En toch, als ik het niet vooruit
geweten had, zou ik nimmer op de gedachte zijn gekomen, dat ik mij in
eene hoofdstad bevond. Twee rijtuigen stonden zeer bescheiden aan het
station te wachten, en ik was de eenige reiziger, die hier afstapte. De
straten waren bijna ledig; op het groote plein waren geen wandelaars
te zien; en toen ik langs het voornaamste koffiehuis ging, draaiden
de weinige bezoekers zich nieuwsgierig om, alsof de verschijning van
een vreemdeling eene zeldzame gebeurtenis was. Ook de overdreven ijver
van de bedienden in het hotel maakte een zonderlingen indruk. Kolosvar
had inderdaad geheel het voorkomen van eene kleine provincie-stad;
maar toch was er in de manieren der inwoners iets dat mij verbaasde.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.