A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Harcourt: Kangaroo route tied down, sport
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

World At Risk "Instant Book" Tomorrow">Vintage to Publish World At Risk "Instant Book" Tomorrow
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

PW Morning Report, December 2, 2008">The PW Morning Report, December 2, 2008
Extract not available.

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Het duurde niet lang, of dit raadsel helderde zich op. Te midden der
algemeene stilte, die in de stad heerschte, werd mijn oor pijnlijk
getroffen door het gelui van de klokken aller kerken, en van tijd
tot tijd hoorde ik uit mijne kamer een dof geluid, als van regelmatig
voortgaande voetstappen. Ik zag naar buiten: het waren lijkstaatsies,
die elkander opvolgden; somwijlen vertoonde zich de eene sombere
stoet nog voor dat de andere verdwenen was: het was een onafgebroken,
akelige processie. Het bleek mij nu, dat de herbergier van Csucsa
niet al te zeer gelogen had: de cholera richtte in Kolosvar geduchte
verwoestingen aan, en het was niet raadzaam hier lang te vertoeven. Ik
was inderdaad blijde, dat ik nog dien eigen avond door een vriend
zou worden afgehaald om naar buiten te gaan.

De kerken waren opgevuld met menschen in rouwgewaad; ook lokte het
alles behalve fraaie voorkomen dier gebouwen mij niet uit tot een
bezoek aan het inwendige. Ik liet dus de kerken voor wat zij waren,
en besteedde mijn tijd met eene wandeling door de stad en hare
onmiddellijke omstreken. Al dadelijk merkte ik op, met hoeveel zorg
het gemeentebestuur de riolen had laten reinigen, om in de straat,
van afstand tot afstand, kleine hoopen van allerlei onreine stoffen op
te stapelen, die nu in de brandende Augustus-zon lagen te rotten! Dit
deed mij denken aan eene anekdote, die ik onlangs in een dagblad
gelezen had. "Neemt u in acht; de cholera nadert! Verzuimt niet de
noodige voorzorgsmaatregelen te nemen";--zoo had men uit Pesth aan
de magistraten van eene of andere servische of magyaarsche stad van
het Banaat getelegrafeerd. Den volgenden dag reeds kwam het antwoord
van de heeren: "Wij zijn gereed. De cholera kan komen!" Men ging aan
het onderzoeken, en nu bleek het dat de gezondheidsmaatregelen in
niets anders hadden bestaan dan in het delven van eenige honderden
grafkuilen op het kerkhof!

Deze vuilnishoopen uitgezonderd, is de stad echter over het algemeen
zeer zindelijk. De huizen, bijna allen van eene enkele verdieping,
velen zelfs zonder bovenverdieping, zijn zorgvuldig wit gepleisterd,
terwijl de vensters met fraai traliewerk, naar spaansche manier,
prijken; de straten zijn breed en van voetpaden voorzien. In
afwijking van de gewone bouworde in de hongaarsche steden, staan
hier de woningen niet elk op zich zelve, te midden van een tuin;
even als in de westersche steden zijn zij naast elkander gebouwd, en
vormen meer of minder regelmatige blokken. Trouwens de stad is ook
van duitschen oorsprong, althans door Duitschers herbouwd. De oude
romeinsche kolonie toch was niet meer dan een ellendig walachijsch
gehucht, toen de Duitschers zich in het begin van de vijftiende eeuw
hier vestigden. Zij herbouwden de stad, en lieten haar haar alouden
naam van Clusia, overgezet in Klausenburg; daarop omgaven zij haar,
naar hunne gewoonte--eene gewoonte, waarvan de heldhaftige Magyaren
niets wilden weten;--met sterke muren. Die muren bestaan gedeeltelijk
nog, maar dienen nu deels als tuinmuren en zijn deels met kleine
huisjes bebouwd; ook zijn er nog enkele poorten, die aan overigens
zeer burgerlijke wijken een zeker antiek feodaal voorkomen geven.

De duitsche bevolking zelve heeft zich minder goed in stand gehouden,
dan de door haar gebouwde muren. Men is vrij algemeen van gevoelen,
dat de Duitschers, als zij eenmaal in een land gevestigd zijn,
zich daar als eene afzonderlijke nationaliteit blijven handhaven,
en dat zij langzamerhand hunne buren met hun geest doordringen en
verduitschen. Dit is echter niet zoo: veeleer zou men kunnen zeggen,
dat het tegenovergestelde overal valt op te merken. Wel hebben
de Duitschers, in dichte massaas toestroomende, de slavische en
lithauische bevolkingen van oostelijk Pruissen, even als de Wenden
in Oostenrijk, verzwolgen; maar daar staat tegenover, dat in Polen,
in Hongarije, in de zuid-slavische landen, in Italie, de meeste
hunner kolonien als sneeuw voor de zon versmolten zijn. In de
Vereenigde-Staten vertoont zich hetzelfde verschijnsel: na verloop
van hoogstens een paar geslachten zijn de duitsche landverhuizers
Amerikanen geworden. In Zevenbergen hebben de uit de Rijnlanden
afkomstige Duitschers, ten onrechte Saksers genoemd, zich, dank zij
hunne privilegien, hunne hoogere beschaving, en de uitgebreidheid
van het door hen ingenomen grondgebied, tot op onzen tijd als eene
afzonderlijke natie weten te handhaven, maar een aantal van hunne
verspreide volkplantingen zijn toch mettertijd gemagyariseerd of
gerumaniseerd geworden. De duitsche kolonie van Klausenburg is, even
als de stad zelve, hongaarsch geworden. De meeste duitsche familien
hebben haar geslachtsnaam vertaald, of de spelling zoo veranderd, dat
hij er bijna magyaarsch uitziet; zij hebben de taal, de zeden en zelfs
den nationalen trots der Hongaren overgenomen: ook deze afstammelingen
van Germanje beroemen zich op hunne gewaande afkomst van Arpad en
Attila. Echter heeft zich ook to Kolosvar, even als elders, de invloed
der vermenging van verschillende rassen zeer duidelijk doen gevoelen:
de eigenaardigheden en tegenstellingen worden gaandeweg uitgewischt en
alle oorspronkelijkheid verdwijnt. Met uitzondering van de Tsiganen,
gewapend met hun violen, en van de walachijsche en magyaarsche
boeren, die nog hun traditioneel kostuum hebben behouden, is het
tegenwoordig zeer moeilijk, de verschillende ethnologische groepen,
waaruit de bevolking van Kolosvar en haar omtrek is saamgesteld,
van elkander te onderkennen. Zoo zijn de voornaamste kooplieden der
stad van afkomst Armeniers, maar niemand zou dat ooit vermoeden:
zij hebben tot zelfs hunne taal vergeten.

De buitenwijken on voorsteden van Kolosvar hebben geheel en al haar
duitsch karakter verloren. De huizen, die den breeden weg omzoomen,
maken niet de allerminste aanspraak op architectonische schoonheid;
zij laten den voorbijgangers niets zien dan een zijgevel, half
verdwijnende in de schaduw van een ver overhangend dak; de voorgevel
ziet op den tuin uit, maar die is doorgaans niet te bespeuren: dit
gedeelte van het huis is bijna geheel verborgen achter eene heining
of omwalling van planken of gebladerte, vermengd met vruchtboomen,
seringen, klimop en andere planten. Ik had mij kunnen voorstellen
in Amerika te zijn, zoo zeer geleken deze verstrooide woningen der
zevenbergsche stad op de huizen van menige stad in het zuiden der
Vereenigde-Staten. Soortgelijke oorzaken hebben soortgelijke gevolgen
gehad; en onder die oorzaken, aan beide landen gemeen, bekleedt de
geringe waarde van den grond en van het timmerhout eene eerste plaats:
van daar de schijnbaar zoo zonderlinge overeenkomst in de bouworde
van twee zoo ver verwijderde landen, door geheel andere rassen bewoond.

De weg liep opwaarts: ik had dien voorbedachtelijk gekozen, in de
hoop dat hij mij naar een heuvel of eene hoogte voeren zou, van waar
ik op mijn gemak de in de vlakte gebouwde stad zou kunnen overzien;
maar de voorsteden zijn zoo uitgestrekt, dat ik een geruimen tijd
loopen moest, eer ik een punt bereikte, van waar de blik vrijelijk
het geheele dal van Kolosvar kon omvatten. Echter beklaagde ik mij
de moeite der wandeling niet. De stad met haar torens; de valleien
van den Nadas en den Szamos, die tusschen slanke populieren hunne
wateren vermengen; de lommerrijke heuvelen en dalen, waaruit heldere
beeken te voorschijn treden; de bergen van Bihar met de overblijfselen
hunner statige wouden:--dit alles vormt, aan de zijde van het westen,
een zeer bekoorlijk geheel; maar als men zich naar het noorden en het
oosten keert, welk eene akelige tegenstelling! Daar strekt zich de
Mesoeseg, de Middenvlakte, uit: een treurig, somber, golvend plateau,
niet ongelijk aan eene grauwe zee. Geen enkele boom is hier staande
gebleven; het hart van het Land der Wouden is herschapen in eene
naakte, grijze, eentonige vlakte, waar de toenemende verdroging van den
grond en het ongebreidelde geweld der van de bergen stroomende wateren
al meer en meer de bebouwing moeilijk, den oogst onzeker maken. Aan
den verren, verren gezichteinder schemeren flauwelijk de toppen der
bergen van Bistritz: ge wendt het oog naar deze blauwende omtrekken,
nog even zichtbaar, als om u te troosten over de akelige dorheid
dezer streek, door de natuur zoo mildelijk met schoonheid begaafd,
maar door den mensch zoo ruw geschonden.

De heuvel, waarop ik stond, is een voorsprong van den Felek, die de
scheiding vormt tusschen de bekkens van den Szamos en den Maros. Deze
berg is bij de geologen wel bekend, uithoofde van de langwerpige
of wel geheel ronde zandsteenen, die men hier in groote menigte
aantreft. Aan de hoeken van alle straten van Kolosvar, bij den ingang
der koetspoorten, en langs de wegen die van de stad uitgaan, merkt de
reiziger die steenen op, die daar zoowel dienen tot grenspalen als tot
sieraad. Het zijn groote kogels, door concentrische lagen zandsteen
gevormd; sommige dezer blokken, vooral die men beneden aan den berg
vindt, zijn zoo regelmatig en zuiver van vormen, dat men moeite heeft
om niet aan den arbeid eener menschenhand te denken. Anderen munten
uit door hunne kolossale afmetingen; nog anderen zijn aan elkander
verbonden, even als de kralen van een ketting, in vroegere tijden
door een reuzenhand daar neergeworpen.


III.

Te Kolosvar teruggekeerd, vond ik den vriend, die mij daar bescheiden
had, en zonder langer oponthoud begaven wij ons op weg naar een dorp,
omstreeks twintig kilometers meer noordelijk, in de vallei van den
Szamos gelegen. De avond begon te vallen; een koude noordoosten wind,
volgende op de warme temperatuur van den dag, noopte ons, ons zoo
dicht mogelijk in onze jassen en mantels te wikkelen, waarin wij
schier wegdoken als een schildpad onder haar schild. Het was mij dus
niet mogelijk, veel aandacht te wijden aan het omringende landschap,
dat trouwens niet veel bijzonders opleverde; alleen de voorwerpen,
die aan de noordzijde den weg begrensden, trokken nu en dan mijne
blikken tot zich.

Het eerste groote gebouw, dat buiten de voorsteden van Kolosvar
verrijst, vertoont in zijn zwarte en afgebrokkelde muren de duidelijke
sporen van brand; ook is het dak verdwenen. Ik meende eerst, dat ik
de overblijfselen voor mij zag van eene of andere fabriek, die bij
ongeluk een prooi der vlammen geworden was; maar vernam tot mijne
verbazing, dat dit de bouwval was eener adellijke hongaarsche woning,
in 1849 door de rumeensche boeren geplunderd en verbrand. Zoo had
men dus welhaast een menschenleeftijd laten voorbijgaan, zonder
die sporen van den noodlottigen burgeroorlog te doen verdwijnen, en
dat in de onmiddellijke nabijheid eener hoofdstad! Later, bij het
bezoeken van andere streken van Zevenbergen, had ik gelegenheid,
vrij wat belangrijker ruinen te zien; en ook daar schenen noch de
eigenaars, noch de gemeentebesturen er aan te denken, de vernielde
huizen weder op te bouwen. Er zijn, in die streken, enkele dorpen,
waar men zou kunnen meenen, dat de verbitterde oorlog der rassen nog
niet of zoo pas geeindigd is.

Bij het zien dier puinen, de getuigen en bewijzen eener plotselinge
uitbarsting van wilde woede bij de bevolking, zou men lichtelijk
in den waan komen, dat de Magyaren en de Rumeniers elkander
instinktmatig een onverzoenlijken haat toedragen: en toch is dit zoo
niet. Ongetwijfeld is de herinnering aan het van weerszijde vergoten
bloed niet uitgewischt, en zullen beide partijen u hare eigene lezing
geven van de oorzaken van den fellen strijd en van de geschiedenis
dezer vreeselijke dagen: lezingen, die, in menig opzicht van elkander
afwijken;--maar toch schijnt het mij niet toe, dat hier inderdaad
nationale haat in het spel is.

De vriendelijke woning, waarin ik eenige dagen zou doorbrengen, door
de meest kiesche en voorkomende gastvrijheid voor mij tot feestdagen
gemaakt, stond midden in een dorp, waar Hongaren, Rumeniers en
Tsiganen in vrede en eendracht naast elkander leven. Om de bonte
verscheidenheid nog te vermeerderen, was een troep Szeklers van de
moldavische grenzen gekomen, om den oogst te helpen binnenhalen;
terwijl eene kleine kolonie van zwervende Tsiganen haar kamp op den
naburigen heuvel had opgeslagen. De Duitscher, dien men anders in
geen hongaarsch dorp mist, was hier niet te vinden; maar hij was toch
niet verre: hij had eene herberg gebouwd op eene verhevenheid, waar
twee wegen samenloopen, zoodat hij de reizigers van verre kon zien
aankomen. De Joden hadden mede eene kolonie in den omtrek; eindelijk
zag men in de verte eenige boomen en enkele witte stippen: daar lag
de armenische stad Szamos-Ujvar. Iemand, die zich aan de studie van
vergelijkende ethnologie wilde wijden, zou in geheel Zevenbergen
weinig streken vinden, die hem rijker stof konden aanbieden.

Onze naaste buren waren Tsiganen. [11] Hunne schuren en hunne woningen
met de pyramidale strooien daken staan schilderachtig gegroept op den
berm van een beek, waarin een aantal kinderen spelen en ploeteren,
te midden van buffels, die, ter halverlijve in den modder verzonken,
rustig liggen te herkauwen. De leemen wanden zijn zorgvuldig met
witkalk bestreken, en de vensters zijn versierd met grove roode
freskoos. De woning bevat twee of drie vertrekken, waarvan de harde
kleibodem altijd netjes geveegd wordt; de aarden kachel of vuurhaard,
het voornaamste meubel van het huis, is, even als de vensters, versierd
met schilderwerk in schel roode kleur; de kasten en planken staan vol
met allerlei soort van voorwerpen, wel zonderling geplaatst, maar toch
zonder wanorde. De verschillende gereedschappen voor den arbeid en
voor de huishouding hangen aan den wand, even als de violen, waaruit
de Tsigane zoo wondervolle tonen te voorschijn brengen kan. Hij heeft
ook een klein schilderijenkabinet: godsdienstige prenten, karikaturen,
zorgvuldig uitgeknipt uit een langs den weg gevonden dag- of weekblad,
afbeeldingen van fantastische lokomotieven en velocipeden. Het is
waar dat de zoldering van het vertrek zeer laag is, en dat iemand
van meer dan middelbare lengte groot gevaar loopt zijn hoofd tegen de
balken te stooten; maar in haar geheel genomen, ontbreekt het dezer
woning toch niet aan comfort en maakt zij door haar zindelijkheid
een aangenamen indruk.

De Tsigane zou niet zoo veel zorg voor zijne woning dragen, haar niet
zoo versieren, indien hij zijn tehuis niet liefhad. Sedert hij zich
eene vaste woonplaats gekozen heeft, dat wil zeggen sedert ongeveer
honderd jaar, heeft hij geheel en al dien lust tot zwerven verloren,
dien men tot dusver algemeen voor een ingeboren hartstocht van zijn ras
gehouden had. Hij kent zich den stamverwant van den zwervenden Tsigane,
die als een wolf langs de zoomen van het woud sluipt, maar hij gevoelt
niet de minste begeerte om hem na te volgen. Hij is tegenwoordig een
beschaafd man, een gezeten burger, even als zijn buurman de Walacher
en de Magyaar, en zijn huis is niet het minst aangename.

De Tsiganen zijn zeer op vormen en etiquette gesteld, en zouden het als
eene beleediging beschouwen, indien men tegenover hen aan die etiquette
te kort deed. Onze eerste bezoeken golden dus de overheidspersonen
en magnaten van het dorp, want elke kleine volkplanting heeft haar
miniatuur hofhouding, bestaande uit een woiwode of vorst en uit een
"zederechter." De eerste zorgt voor de tijdelijke, de andere voor de
geestelijke belangen. De eerste voert den stok, of beter gezegd den
schepter, sinds onheugelijke tijden het teeken des gezags. Hij bestuurt
en regelt den veldarbeid, hij bekleedt de eerste plaats bij de feesten,
hij opent den dans, hij antwoordt met een genadigen glimlach op de
huldebetooningen zijner onderdanen. De zederechter bezoekt de gezinnen,
doet onderzoek naar het gedrag der jongelingen en der jonge meisjes,
tracht de echtgenooten, die door hun twisten den slaap hunner buren
verstoren, weer te verzoenen, legt de onderlinge geschillen bij,
bepaalt en int de boeten. Wij hadden niet het voorrecht, de beide
potentaten te huis te treffen; maar eenige uren later ontmoetten wij
den woiwode zelven te midden van een groep maaiers. Zoodra hij ons
gewaar werd, nam hij eene deftige houding aan, en hief majestueus zijn
stok in de hoogte, om de arbeiders tot ijver aan te sporen. Men zegt
echter van hem, dat hij zeer lui is, en dat hij van elke afwezigheid
van den landheer en den rentmeester gebruik maakt, om zijn onderdanen
het voorbeeld van volslagen werkeloosheid te geven: maar dit kleine
gebrek daargelaten, verdient hij niets dan lof. De noodlottige
bedwelming van het gezag is hem niet naar het hoofd gestegen. Zijn
paleis onderscheidt zich ter nauwernood van de andere huisjes, en
zijn vermoedelijke opvolger brengt, even als de andere jongelieden
van het dorp, Tsiganen of Walachen, den nacht door in de open lucht
nabij een loods; alleen als het des winters sneeuwt of stormt zoekt
hij eene schuilplaats in de ouderlijke woning.

Het is niet gemakkelijk, de eigenlijke meening van den Tsigane
te doorgronden, want hij is het altijd eens met dengeen, die hem
ondervraagt. Buigzaam en onderdanig, wacht hij met zijn oordeel te
zeggen tot dat de aanzienlijke en machtige gesproken heeft; maar wie
weet, welk ondoorgrondelijk geheim hij in zijn hart bewaart? Misschien
heeft hij ook eene eigen godsdienstige overtuiging; maar hij heeft
zoo dikwijls van geloofsbelijdenis moeten wisselen, naar gelang zijn
meesters dat wilden, dat hij in 't eind de eenvoudigste partij gekozen
heeft: die van de heerschende godsdienst des lands te belijden, waar
hij zich bevindt. Als hij van woonplaats verandert, verandert hij ook
van geloofsbelijdenis; nu eens behoort hij tot den griekschen, dan
tot den latijnschen ritus. In ons dorp waren de Tsiganen Calvinisten,
en lieten er zich vrij wat op voorstaan dat zij tot dezelfde kerk
behoorden als de magyaarsche adel des lands. Zij beschouwden zich
ook als verheven boven hunne buren de Walachen.

Dezen, de afstammelingen der oude Daciers, vormen de meerderheid
der bevolking in de vallei van den Szamos, zoo als in het grootste
gedeelte van Zevenbergen. Bovendien hebben zij zich vermenigvuldigd
ten koste der Magyaren; men vindt onder hen een aantal boeren,
wier namen zuiver hongaarsch zijn gebleven, maar die de taal hunner
voorouders geheel vergeten hebben, en zoowel door hun spraak als
door hun zeden echte Rumeniers zijn geworden; zelfs de magyaarsche
dorpelingen, die zich hunner afkomst nog bewust zijn, en die onder
elkander hunne moedertaal nog in al hare zuiverheid spreken, hebben
toch de levenswijze der Rumeniers aangenomen. In Zevenbergen doet zich
een verschijnsel voor, waarvan de geschiedenis talrijke voorbeelden
heeft aan te wijzen, dat, namelijk, de kaste, meer nog dan het ras,
van overwegenden invloed is geweest op de splitsing der bevolking in
verschillende nationaliteiten. De van grondbezit beroofde Hongaar werd
een Walacher; daarentegen liet de tot den adelstand verheven Rumenier
nooit na, zich voor een Magyaar te doen doorgaan. In het zuidelijk
gedeelte van Zevenbergen, vooral in het comitaat van Hunyad, zijn de
rumeensche edelen zeer talrijk, en sinds onheugelijke tijden hebben
zij nevens de hongaarsche edelen zitting gehad in de raadzalen en
vergaderingen. Men heeft hun eindelijk den naam van Magyaren gegeven,
en zij beschouwen zich zelven ook als zoodanig.

Sedert de groote gebeurtenissen, die omstreeks de helft dezer eeuw
in Zevenbergen plaats grepen, hebben ook de Walachen hun aandeel
aan het grondbezit ontvangen. Langs de hellingen der heuvelen ziet
men alom lange smalle streepen, die juist geen gelukkig effect maken
in het landschap: dat zijn de grondstukken, die hun zijn toebedeeld
geworden. Het moet trouwens erkend worden, dat de wijze waarop zij
den grond bebouwen, hun niet tot eer strekt. De velden en akkers,
die zij als eigenaars bewerken, verkeeren in geen beteren toestand
dan de velden, waarop zij als daglooners arbeiden. Ik stond verbaasd
toen ik vernam, dat zij in meer dan een dorp zelfs onbekend zijn met
het gebruik van mest. De grond raakt dan ook vrij spoedig uitgeput;
als de temperatuur en de vochtigheid niet bijzonder medewerken, houdt
de voortbrenging eensklaps op; al wordt de akker geploegd en bezaaid,
dan is de oogst toch geheel onbeteekenend. Dit is de oorzaak van de
telkens herhaalde schaarschte en zelfs van werkelijken hongersnood,
waardoor de bevolking van Zevenbergen zoo menigmaal geteisterd wordt:
zelfs de cholera is waarschijnlijk niets anders dan het gebrek en
de honger, onder eene andere gedaante. Tijdens mijne reis, maakte
het land over het algemeen een allertreurigsten indruk. De mais,
hier koukouroutz genoemd, was al door de zon verbrand, nog eer zij
zich tot airen gezet had; op sommige plaatsen zelfs was het zaad in
het geheel niet opgekomen; in plaats van graan, zag men uitgestrekte
bosschen van allerlei soorten van distels en onkruid. De meest gewone
is de zoogenoemde russische distel, waarvan de russische paarden,
in 1849, het zaad in hun hair medebrachten: dit was het geschenk der
blijde inkomste, dat de Russen aan Zevenbergen aanboden!

Dat de Rumenier uit de vallei van den Szamos zoo weinig zorg aan
zijn akker besteedt, mag ook hierin zijne verklaring vinden, dat hij
vooruit weet dat hij zijn eigendom spoedig kwijt zal zijn. De Jood is
zijn natuurlijke erfgenaam. De herberg en de kruidenierswinkel zijn
beiden in joodsche handen. De Jood verkoopt op krediet; hij leent
ook geld, natuurlijk tegen schandelijke rente, die zeer dikwijls meer
bedraagt dan het kapitaal; zoolang echter zijn ongelukkig slachtoffer
nog een duimbreed gronds bezit, is hij voor hem zoo inschikkelijk
en voorkomend mogelijk, louter kruipende beleefdheid; maar niet
zoodra heeft de stelselmatig bestolen Rumenier, in een tijd van
schaarschte en gebrek, zijn laatste stuk grond moeten verkoopen
of verpanden om zich het noodige meel te kunnen aanschaffen,
of de Jood, nu volkomen eigenaar geworden, sluit voor goed zijn
kas; en het spreekt wel van zelf, dat geen gebeden of smeekingen
van den rampzalig geplunderde den vuigen woekeraar vermurwen
kunnen. De Walacher schijnt niet die onverzettelijke wilskracht,
dat onuitputtelijk geduld en die onuitroeibare gehechtheid aan den
grond te bezitten, die de karaktertrekken zijn van den franschen boer;
hij weet zich niet te ontdoen van zijne schulden en door onverpoosden
arbeid, ten koste van de uiterste inspanning, zich in zijn bezit te
handhaven. In minder dan een menschenleeftijd hebben de Walachen,
in onderscheidene distrikten, de hun toegewezen grondstukken reeds
weder geheel verloren; op nieuw zijn zij hoorigen geworden, nu wel niet
krachtens de wet, maar door de macht der feiten. Slechts zijn zij van
meesters veranderd, en deze verandering is in elk opzicht ten kwade:
in plaats van de onvrije boeren te zijn van den hongaarschen magnaat,
toch altijd een Christen en een edelman, aan wiens geslacht zij vaak
door traditioneele banden en erfelijke herinneringen verbonden waren,
moeten zij thans de onwaardigste en verachtelijkste van alle meesters,
de joodsche geldschieters, de gewetenlooze bewerkers van hun eigen
ongeluk, dienen. Van daar die verbittering en die haat, die somwijlen
tot een uitbarsting komt, en waarbij men niet, zoo als sommigen het
wel gaarne doen voorkomen, aan godsdienstige onverdraagzaamheid
of aan verschil van ras te denken heeft, maar uitsluitend aan de
tot wanhoop gedreven vertwijfeling van het arme, met duivelsche
list en sluw bedrog uitgezogen, uitgeplunderde en vertrapte volk,
dat eindelijk opstaat in zijn toorn om deze gierige bloedzuigers
van zich af te schudden. Mochten deze landen, vroeg of laat, op
nieuw een crisis hebben te doorleven, als in de jaren 1848 en 1849,
dan zou, buiten eenigen twijfel, de woede van de boeren zich niet
tegen de Magyaren, maar tegen de Joden keeren. En wanneer dan, door
eene onder eigenaardige invloeden staande pers, het medelijden en de
sympathie van westelijk Europa zal worden ingeroepen, dan zal het, als
ook nu in dergelijke gevallen, niet zijn voor de ware slachtoffers,
maar voor de koele, gewetenlooze beulen, wie eindelijk de gerechte
wraak heeft achterhaald en die toch aan het goed geloovig publiek als
onschuldige martelaars worden voorgesteld, ten wier behoeve zelfs de
diplomatie haar invloed moet laten gelden!

Doch als het op pret maken aankomt, dan vergeet de Rumenier gaarne
voor een dag zijn ellende en zijn wrok. Eens, op een zondag, had ik
het genoegen, de walachijsche dansen bij te wonen, en ik geloof niet,
ooit zoo veel geestdrift, zoo veel opgewektheid te hebben gezien,
als misschien bij de negers op de Antillen. De balzaal was alles
behalve ruim: het was er zoo heet en zoo benauwd, dat men dreigde
te stikken; zelfs den rustigen toeschouwers droop het zweet van het
gelaat; maar de groepen van sierlijk uitgedoste dansers sprongen on
draaiden en huppelden onvermoeid. De ruimte was zoo beperkt voor de
talrijke menigte, dat de paren bijna niet van hun plaats kwamen, en
dat men door koene sprongen in de hoogte vergoeding moest zoeken voor
wat in de breedte ontbrak. Maar dat hinderde niet: de rythmus van den
dans leed er niet onder: boven de bont gekleurde, schier verbijsterende
werveling van rokken en buizen, wiegelden in snelle beweging rustelooze
armen en hoofden. De hartstochtelijke pret was zoo aanstekelijk,
dat ik zelf bijna in dezen onweerstaanbaren dans werd medegesleept.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.