A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


'Da Vinci Code' publisher one of two execs leaving Random House
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new magic from Potter author J.K. Rowling
Ad - 25% Off Sitewide Sale + Free Ship On Orders Over $50. Shop Now!

Rubin, Irwyn Applebaum Out in RH Reorg
NEW YORK - The man who helped give the world 'The Da Vinci Code' and a leading publisher of Danielle Steel and other brand-name authors are leaving Random House. The departing executives are Stephen Rubin, who as head of the Doubleday Publishing Group

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Dien dag dansten de Magyaren ook. Hoewel de nabuurschap het verschil
van zeden en gewoonten voor een groot deel heeft uitgewischt,
en hoewel de mannen der beide rassen de hongaarsche csarda dansen,
meende ik toch een zeker onderscheid op te merken. Het kwam mij voor,
dat de Walachen meer natuurlijke bevalligheid bezitten, terwijl de dans
der Magyaren minder levendig, doch misschien waardiger en ernstiger
is. De hongaarsche danser is zeer beleefd, zeer galant; maar men zou
zeggen, dat zijne beleefdheid niets meer dan een vorm is: eigenlijk
schijnt hij zich weinig om zijne danseres te bekommeren. Boven alles
schijnt hij ingenomen met zijn eigen persoon. Niemand danst beter
dan hij als cavalier seul. Dan draait en wervelt hij op een voet,
heft zijn armen zegevierend in de hoogte, maakt allerlei buigingen,
en neemt de meest verschillende standen aan. Zijne linten en kleurige
franjes wapperen als vluchtige vlammen om hem heen: zijne belletjes
en zijn sporen rinkelen en klingelen; maar dit geluid is hem niet
voldoende: al dansende en springende, buigt hij zich om tegen zijne
laarzen te kloppen, en als hij van vermoeidheid niet meer kan, als
het zweet hem van het gelaat gudst, dan windt bij zich nog op door
een zonderling woest geschreeuw.

Tusschen de dansers der beide natien scheen de beste verstandhouding
te bestaan. De Magyaren hadden zelfs de beleefdheid, de Tsiganen
met hun violen naar hunne vrienden de Rumeniers, wien het juist aan
muziek haperde, te zenden. De eenigen, die bij het feest ontbraken,
waren de Szeklers, de maaiers: groote, forsch gebouwde boeren, met
een onbeteekenend gelaat en een zwaarmoedigen, plompen gang, die mij
door hun voorkomen en hunne kleeding aan de landlieden uit Perigord
deden denken. Misschien ook hadden zij van dezen rustdag gebruik
gemaakt, om te Kolosvar een hunner kameraden te gaan bezoeken, die,
ik weet niet voor welk vergrijp, in de gevangenis zat. Gedreven door
een inderdaad treffend gevoel van medelijden en aanhankelijkheid,
hadden al de bloedverwanten en vrienden van den gevangene, mannen en
vrouwen, de lange reis afgelegd van de grenzen van Moldavie naar de
vallei van den Szamos, om den beproefde een woord van troost en liefde
toe te spreken; om de kosten van den tocht te kunnen betalen, hadden
zij zich onderweg als maaiers verhuurd. De Hunnen hebben in Europa
vreeselijke herinneringen achtergelaten; maar als hunne rechtstreeksche
afstammelingen, de Szeklers, op hen gelijken, dan waren zij toch niet
zulke monsters, als zij ons in de legende geschilderd worden.


IV.

Ik mocht de vallei van den Szamos niet verlaten, zonder een bezoek
te brengen aan de armenische stad Szamos-Ujvar. Men had mij gezegd,
dat die stad het in netheid en regelmatigheid van bouworde van alle
zevenbergsche steden won; en ik hoopte daar nog enkele gebouwen te
zullen vinden, die in hun stijl en hunne versiering iets eigenaardigs
hadden, en op wier muren als het ware nog een weerglans speelde van
de zon van Perzie. Deze verwachting werd echter teleurgesteld. De
armenische huizen onderscheiden zich in hunne bouworde door niets van
de hongaarsche huizen, en doen volstrekt niet denken aan de woningen
van Erivan en Ordubad; maar zij hebben boven die van Kolosvar althans
dit vooruit, dat zij niet omzoomd zijn door stinkende riolen: men vindt
in de straten geen stilstaande poelen, en de stad bezit, op een eiland
in den Szamos, een openbaren tuin met fraai geboomte en heestergewas,
met een theater en een muziektent. Dat mag inderdaad iets zeldzaams
heeten in een land, waar niemand aan dergelijke zaken van algemeen
belang schijnt te denken. De afstammelingen der aziatische Haikanen
zijn dan ook niet weinig trotsch op het in het oog vallend contrast
tusschen hunne kleine sierlijke woonplaats en de vervallen slordige
steden der omwonende Magyaren en Rumeniers.

De Armeniers van Szamos-Ujvar zijn geuenieerde Katholieken. Hunne kerk,
die hoog boven de lage huizen uitsteekt, heeft niets bijzonders,
hoewel de koster, met een vloed van woorden, niet nalaat de
aandacht te vestigen op een schilderij, die naar hij beweert van
Rubens zou zijn. In eene kast worden oude priesterlijke gewaden,
met goud en zilver borduursel overladen, bewaard, die vroeger bij de
godsdienstoefeningen werden gebruikt; op het altaar liggen armenische
boeken, die de geestelijken nog wel kunnen lezen, maar die niemand
verstaat. Wat, bij ons kortstondig bezoek, ons het meeste belang
inboezemde, was ons gesprek met den Armenier en zijn zoon, die ons tot
gidsen verstrekten. Beiden waren geheel vervuld van dat eigenaardig
patriotisme, dat zich niet aan den grond hecht, want de Armeniers
wonen hier in een vreemd land; dat evenmin in het ras wortelt, want
de stamgenooten van verschillende godsdienstige belijdenis houden met
elkander weinig of geen gemeenschap; maar dat enkel zijn grond vindt
juist in de godsdienstige overtuiging, in de eenheid des geloofs,
en dat juist daarom misschien de sterkste band van allen is. Toen zij
met ons spraken over hunne kleine gemeente, schitterden de oogen der
beide mannen van vreugde en innige liefde. Zij weidden uit over de
geleerdheid van hun pastoor, over de goede inrichting hunner scholen,
over den voorspoed en de welvaart hunner kooplieden. Ik vroeg eenige
inlichtingen omtrent de Joden, maar bemerkte aanstonds dat ik daarmede
een gevoelige snaar had aangeraakt. "O, riep de zoon op levendigen
toon, die kunnen hier geen zaken doen, en bovendien heeft de cholera ze
voor de helft uitgeroeid." De oude Armenier, hoewel blijkbaar met dit
antwoord ingenomen, meende het echter aan zijne waardigheid verplicht
te zijn, zijn erfgenaam eene zachte berisping toe te dienen over het
min betamelijke van zijne uitdrukking.

De kerk verlatende, brachten wij eenige uren door met het bezoeken der
winkels en magazijnen, en met eene wandeling door de straten, in den
openbaren tuin en langs de oevers der rivier: maar nergens bespeurden
wij eene armenische vrouw; slechts eens meenden wij, achter een dubbel
raam, een vrouwelijk gelaat te zien, dat een haastigen, vluchtigen
blik op de vreemdelingen wierp; en in den tuin ontdekten wij twee in
lange kleederen gehulde schimmen, die bij onze verschijning haastig
wegvloden. De Armeniers van Szamos-Ujvar zijn niet zoo onhandelbaar
jaloersch als hunne stamgenooten in de vallei van den Araxes; zij
sluiten hunne vrouwen niet als in een kerker op; zij verbieden de
jonge vrouw niet, zelfs met haar broeder en haar vader te spreken,
en zorgen niet voor de stipte naleving van dit verbod, door haar
een doek voor den mond te binden, die elk gesprek onmogelijk maakt;
maar zonder nu juist zoo barbaarsch te zijn, als zij naar aloude
zeden mochten wezen, zijn zij toch zeer streng, en hunne vrouwen
brengen verreweg het grootste gedeelte van haar leven afgezonderd in
het vrouwenvertrek door. Eenige jaren geleden, toen de hongaarsche
gouverneur den grooten weg deed aanleggen, die de vallei van den Szamos
doorsnijdt, hadden de ingenieurs natuurlijk voorgesteld, om dien weg
door de nijvere en handeldrijvende stad Szamos-Ujvar te laten loopen;
maar de armenische kooplieden, die toch zeer goed begrijpen van hoeveel
belang eene goede en gemakkelijke communicatie is, verzetten zich
met hand en tand tegen het hun aangeboden geschenk. Zij meenden dat
de weg de vreemdelingen zou uitlokken en naar de stad voeren, en dat
hunne vrouwen daardoor tot nieuwsgierigheid zouden worden geprikkeld,
van haar huis afkeerig zouden worden, lust zouden gevoelen om te gaan
reizen, om de wereld te zien, en, als de westersche dames, ijdel en
coquet zouden worden. Eindelijk gaf men aan hun verlangen, waarvoor
zij zich zelfs geldelijke opofferingen getroostten, toe, en hunne stad
is thans alleen door een lange populierenlaan en een houten brug over
den Szamos, indirect met den grooten weg verbonden. Zal het hun ook
gelukken, het gevaar af te wenden van den spoorweg, die hun boven
het hoofd hangt; of wel zal het gezicht der lokomotieven en wagons
zoo sterk op hun gemoed als kooplieden werken, dat zij ter wille van
het handelsbelang, ditmaal alle andere bezwaren ter zij zullen zetten?

Wat hiervan zij, waarschijnlijk zullen de Armeniers eerlang ophouden
eene afzonderlijke groep te vormen te midden der verschillende
volksstammen van Zevenbergen. Het aantal hunner gezinnen is gering,
vooral in vergelijking met de Rumeniers; bovendien slinken hunne
kolonien door eene aanhoudende verhuizing naar Pesth, Weenen en andere
groote steden van het Westen; en zij die blijven, hoewel nog dikwijls
kenbaar aan hun zwaren, zwarten hairdos, aan hunne langwerpige oogen,
hun bruine tint en hunne dikke lippen, nemen toch langzamerhand
den magyaarschen type aan; zij hebben hunne eigene taal vergeten,
zij wijzigen hunne oude zeden en gebruiken, en hunne geschiedenis
lost zich op in die der Hongaren, die deze ballingen gastvrij in
hun midden hebben ontvangen. Op onze wandeling ontmoetten wij een
merkwaardig exemplaar van zulk een gemagyariseerden Armenier. Een
heer van een hoogst gedistingeerd voorkomen kwam met een beleefden
glimlach naar ons toe, en richtte eenige vriendelijke woorden tot
ons. Deze man was niet wel bij het hoofd en verbeeldde zich een zeer
gewichtig personage te zijn; maar in plaats van zich nu uit te geven
voor den mythischen Haik, den goddelijken Sint-Gregorius of een ander
groot man uit de armenische geschiedenis, had hij zich in het hoofd
gezet dat hij Koning Matthias was, een der helden van Hongarije.

Zoo wij de eer haddon, een minzamen groet te ontvangen van "Koning
Matthias", kwam het daarentegen niet in ons op, ons te laten
voorstellen aan de meest bekende grootheid van de geheele provincie,
aan den beroemden Rosza Sandor, wiens naam heeft gezweefd op alle
hongaarsche lippen. Hij was de stoutmoedigste, de vermetelste betyar,
roover, die ooit de harten der bewoners van de Puszta met angst en
schrik heeft vervuld. Niemand kon zonder siddering zijn naam hooren
uitspreken, maar tegelijk voelde men zich gestreeld dat een man van zoo
onversaagden moed in Hongarije het levenslicht had aanschouwd. Toen
de onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, liet hij zijn rooversbedrijf
varen, om als krijgsoverste op te treden; weldra won hij zich een
schitterenden naam: Petoefi dichtte liederen te zijner eere, en in
alle legerkampen werd luid de lof van den betyar gezongen. Indien
hij het geluk had gehad, op het veld van eer te sneuvelen, dan
zou de legende hem tot den rang van een der nationale helden hebben
verheven: hij zou in de herinnering des volks zijn blijven voortleven
als een wreker der verdrukte onschuld, als een strijder voor recht
en vrijheid, die het land doortrok om de geweldenaars te straffen
en de onschuldigen te verdedigen. Ongelukkig sneuvelde hij niet,
en wist zelfs te ontsnappen uit de vesting, waarin de Regeering hem
opgesloten had. Nu weer eenvoudig boosdoener geworden, stelde hij
zich aan het hoofd van eene bende dieven en moordenaars; en toen bet
eindelijk gelukte hem te vatten, bleek hij het bagatel van eenige
duizenden misdaden op zijn geweten te hebben: een last trouwens,
dien hij zonder de minste moeite droeg. Men moest er wel toe komen,
om den grooten man op te sluiten, en der gevangenis van Szamos-Ujvar
viel de eervolle onderscheiding te beurt, dezen vorst der bandieten
binnen hare muren te ontvangen. Misschien waren het wel vrienden en
bewonderaars van Rosza Sandor, die, toen de cholera op het hevigst
woedde, wisten te bewerken dat in drie steden van Hongarije de
gevangenen op vrije voeten werden gesteld, onder voorgeven dat de
epidemie in de kerkers een brandpunt zou kunnen vinden, van waar zij
zich verder door het land zou verspreiden! Is dit zoo, dan hebben
de Armeniers van Szamos-Ujvar zich verstandiger getoond en het oor
gesloten voor dergelijke inblazingen: althans Rosza-Sandor zit nog
achter slot.


V.

De kleine wandelingen in den omtrek van Kolosvar zouden weldra
gevolgd worden door eene langdurige reis in de bergen van westelijk
Zevenbergen. Wij zouden met ons drieen die reis ondernemen, drie
vrienden, allen evenzeer begeerig naar het genot der vrije schoone
natuur. Ons klein gezelschap was, wat de verscheidenheid der talen
aangaat, eenigermate een beeld in miniatuur van wat Zevenbergen in het
groot is. De een, een echte Magyaar, hoewel hij een kroatischen naam
draagt, sprak met den een zijner reismakkers in zijne moedertaal, met
den ander in het duitsch; de tweede, ook een Magyaar, maar het duitsch
slecht meester, sprak rechts in het hongaarsch, links in het fransch;
de derde, Franschman van afkomst en taal, bediende zich beurtelings
van het fransch en het duitsch; wanneer wij een boer tegenkwamen,
bijna altijd een Rumenier, moesten wij onze toevlucht nemen tot de
walachijsche taal, die maar door een onzer gesproken werd. Wij waren
maar met ons drieen, en toch hadden wij vier talen noodig, anders
moesten wij ons met gebarenspraak behelpen.

Ondanks de cholera, was Kolosvar voor ons het aangewezen punt van
uitgang; daar moesten wij de noodige toebereidselen voor onze reis
maken en ons het een en ander aanschaffen. Van de weinige uren,
die wij beschikbaar hadden, maakten wij gebruik om het geologisch
museum van Kolosvar te bezoeken, onder geleide van den heer Brassay,
een geleerde, die misschien beter dan eenig ander met zijn vaderland
bekend is, en die door de zeldzame welwillendheid, waarmede hij de
vreemdelingen ontvangt, aan allen eene aangename herinnering van
dat land medegeeft. Onder zijne aanwijzing, hadden wij het genoegen,
in de zalen van het museum, als het ware een kort begrip te zien van
alle mijndistrikten, die wij gingen bezoeken; onder al de minerale
schatten, waaraan dit Land der Wouden zoo overrijk is, toonde men ons
ook blokken van dien prachtigen, witten en violetachtigen rotssteen,
het ditroiet, dat misschien binnen kort de fraaiste zuilen zal
opleveren, welke tot hiertoe door menschenhanden zijn opgericht.

Het was reeds volslagen duister, toen wij te Thorda, ons eerste
station, aankwamen. Deze echt magyaarsche stad, ondanks haar duitschen
naam van Thorenburg, ligt aan de oevers van den Aranyos of Goudrivier,
tegen de laatste hellingen van een voorgebergte, dat het stroomgebied
van den Maros van dat van den Szamos scheidt. Thorda is een der
beroemdste punten van geheel Zevenbergen: aan de overzijde van den
Aranyos strekt zich de wijde vlakte uit, waaraan de Walachen den
naam geven van het Veld van Trajanus, omdat de romeinsche Keizer
hier eene beslissende overwinning behaalde op hunne destijds nog
barbaarsche voorouders. Nog andere bloedige gevechten zijn hier
geleverd tusschen de verschillende volksstammen, die elkander
het bezit van Zevenbergen betwistten: want Thorda is het door de
natuur aangewezen punt van overgang tusschen de twee belangrijkste
stroombekkens van het geheele land, en iedere veroveraar moest in
de eerste plaats trachten, dezen strategischen sleutel in handen te
krijgen. De nationale milicie kampeerde vroeger telken jare in deze
van bloed doorweekte velden, bij de Hongaren bekend onder den naam
van Keresztes-mesoe (het Kruisvaardersveld); daar ook vertoonde de
legeraanvoerder zich aan zijne soldaten, alvorens men ten oorloge trok.

Maar aan den naam van Thorda hechten zich nog andere herinneringen van
meer vredelievenden aard. In deze stad werd, ten jare 1545, tusschen
de Magyaren, de Szeklers en de Saksers het verbond van vriendschap
gesloten, dat de grondslag werd der "zevenbergsche drieeenheid,"
waarvan echter het verdrukte en verachte ras der Walachen was
uitgesloten. Vijf-en-twintig jaar later proklameerde hier de Landdag
volledige gewetensvrijheid voor alle inwoners des lands: een zeer
loffelijk besluit, maar dat zonder eenig gevolg bleef: de godsdienstige
vervolgingen toch begonnen ook weldra in Zevenbergen, en waren hier
niet minder hevig dan in de andere landen der oostenrijksche monarchie.

Het geologisch onderzoek van Zevenbergen heeft doen zien, dat al de
latere formatien, waaruit de groote golvende vlakte van Meroeseg, in het
hart des lands, thans bestaat, in haar geheel beschouwd kunnen worden
als een soort van deksel boven een uitgestrekte, onzuivere zoutlaag
liggende, die op hare beurt niet anders is dan het overblijfsel van
een vroeger meer, waarvan het water sinds lang verdampt is. Deze
zoutbank, die zonder moeite zou kunnen geexploiteerd worden, hetzij
rechtstreeks, hetzij door middel van de zeshonderd zoutbronnen,
die er uit ontspringen, heeft eene oppervlakte van niet minder dan
vijf-en-twintigduizend vierkante kilometers; maar behalve deze in
waarheid onuitputtelijke minerale schatten, in het hart der aarde
verborgen, bezit Zevenbergen nog ontzaggelijke hoeveelheden zout,
dat zich aan de oppervlakte zelve vertoont, en dat door den regen
wordt afgespoeld en tot zonderlinge gestalten gevormd. Te Paradj,
in het hooge dal van een der nevenstroomen van den oostelijken Maros,
ziet men zelfs een berg van zuiver zout, waarvan de overhangende kruin
niet minder dan zeven kilometers in omtrek heeft en, naar men zegt,
tweemaal zooveel mineraal bevat als de beroemde zoutberg van Cordona
in Catalonie. Elders ziet men een zestigtal blanke zoutpyramiden,
op den kleiachtigen bodem verrijzende als de tenten van een leger.

De zoutbank van Thorda kan niet, als de berg van Paradj, zonder
veel moeite bij wijze van een steengroeve bewerkt worden; maar zij
heeft daarentegen het voordeel eener veel gunstiger ligging voor het
vervoer harer voortbrengselen naar de hongaarsche vlakte, waar het
zout overvloedigen aftrek vindt. Langs den voet der zoutlagen van
Thorda vloeit de rivier de Aranyos, waarlangs de blokken klipzout
zonder bezwaar naar de steden langs den Maros en de Tisza (Theiss)
knnnen vervoerd worden. Aan dit voorrecht heeft Thorda, het Salinae der
Romeinen, het waarschijnlijk te danken, dat sedert de allervroegste
tijden der dacische geschiedenis, hier het mijnwezen in vollen
bloei was. Tegenwoordig leveren de bergwerken van Thorda jaarlijks
gemiddeld vijf-en-twintigduizend ton steenzout op; zoo noodig zoude
deze opbrengst waarschijnlijk verhonderdvoudigd kunnen worden.

De groote mijn van Thorda ligt ten noorden van de stad. De wagon had
ons weldra overgebracht naar het hart van den zoutheuvel; nu stonden
wij op een vooruitstekende rotskam, van waar men in een der groote
galerijen nederziet. Uit de diepte stijgt een verward gedruis van
stemmen en geluiden tot ons op. Een lichte nevel vervult de niet te
peilen ruimte, waarin de blik vergeefs poogt door te dringen. Kleine
lichtende stippen, of liever gesluierde glansen, dwalen door den
reuzigen kuil; maar wij kunnen de mijnwerkers niet onderscheiden, zelfs
niets bespeuren wat aan eene menschelijke gedaante denken doet. Wij
zoeken vergeefs naar eenig vast punt, naar een voorwerp, waaraan
wij een maatstaf ontleenen kunnen om de diepte van dezen afgrond
te peilen; hij schijnt inderdaad bodemloos, en duizeling bevangt u,
als ge daarin nederblikt: maar in werkelijkheid bedraagt de hoogte
van den vloer tot het gewelf honderd-vier-en-veertig el: eene hoogte,
ongeveer gelijk staande met die van den toren van Straatsburg of van
de groote pyramide van Ghizeh.

Een eindelooze wenteltrap, in het kristalzout uitgehouwen, voerde
ons naar beneden, naar het voorportaal der groote zaal, te midden der
bezige mijnwerkers. Dezen, voor het meerendeel Hongaren, zijn alleen
met een broek gekleed, want zij hebben een zwaren arbeid te verrichten
en het zweet gudst van hun naakt bovenlijf. Twee aan twee op een in
de rots uitgehouwen trede staande, trachten zij de blokken van de
massa te scheiden. Al hunne bewegingen zijn regelmatig: zij buigen
zich te gelijk en richten zich te gelijk weder op: hunne houweelen
dalen op hetzelfde oogenblik neder op de juiste plek, aangewezen
door de lijn, die twee blokken scheidt. Eerst trachten zij den steen
ter zijde los te maken, dan houwen zij het blok van onderen los door
horizontale slagen. Een helder geluid geeft hun eindelijk te kennen,
dat het zoutblok los en vrij is. Zij nemen daarvan de proef met een
hefboom: dan wisschen zij zich het gelaat af, en wachten een oogenblik,
alvorens aan een ander blok te beginnen. Dit werk is alles behalve
gemakkelijk, maar het wordt goed betaald, althans in vergelijking
met het gemiddeld bedrag der loonen in Zevenbergen. Elk zoutblok
wordt verdeeld in stukken van vijftig pond, waarvoor de mijnwerker
zeventien tot achttien centimes ontvangt; nu kan hij, naar gelang
van zijne kracht en de hardheid van de rots, tusschen de twintig en
zes-en-twintig van zulke stukken afhakken. Hij verdient dus ongeveer
vijf francs per dag, de dag gerekend op tien uren. Doorgaans begint
de mijnwerker zijn arbeid des morgens ten vier uur: hij werkt door
tot twee uur in den namiddag, keert dan naar de vrije lucht terug en
houdt zich verder bezig met zijn tuin of zijn wijngaard, want hij is
bijna altijd grondeigenaar. Juist aan die betrekkelijke welvaart heeft
hij het te danken, dat hij beter betaald wordt dan andere werklieden:
hij wordt niet door gebrek gedwongen tot den arbeid, als het loon te
laag is.

De wijze van exploitatie heeft in den loop der eeuwen wijziging
ondergaan. De uitgravingen hebben tegenwoordig de gedaante van
koepels of groote klokken; naar mate de arbeid vordert, wordt de
mijn dieper en tevens breeder, maar zoo, dat de omringende wanden
steeds de as naderen, ten einde het gewicht der bovenste lagen te
kunnen torschen. Eindelijk is men onlangs op het denkbeeld gekomen,
om in de rots lange galerijen uit te houwen, waarvan de zijwanden zich
tot een gewelf vereenigen als in de kazematten. Zoo worden de mijnen
van Maros-Ujvar bewerkt, en in een deel der mijnen van Thorda begint
men hetzelfde stelsel in praktijk te brengen; maar de oude wijze van
bewerking wordt daarom niet opgegeven. De plaats waar het grootste
getal mijnwerkers bijeen is, is de Josefsput, waarheen onze gids
ons het eerst heeft heengevoerd; men heeft uit dezen geweldigen put
bereids vierhonderd-duizend kubiek el klipzout gehaald, en voortdurend
is men bezig de mijn nog meer uit te graven.

De grootste van alle zalen, de Theresiaput, had eene diepte van niet
minder dan honderd-zes-en-vijftig el, met een daaraan geevenredigde
doorsnede. De koepel dezer mijn, in het hart der rots uitgehouwen,
was misschien de grootste, die ooit door menschenhanden werd gewrocht:
althans zou men vergeefs zijn wedergade hebben gezocht onder al de
koepels, die zich boven kerken of paleizen welven. Eindelijk zag
men er van af, om dit reusachtig gewelf nog verder uit te houwen:
inderdaad zou het ook meer dan zonderling zijn, voort te gaan met de
nasporing van het zout in het hart der aarde, wanneer men het in de
naburige vlakte in grooten overvloed op de oppervlakte zelve vinden
kan. De Theresiamijn is dus tegenwoordig verlaten.

Uit de Theresiamijn komende, liet de opzichter ons langs een kleinen
trap opklimmen, even als de anderen in het zout uitgehouwen. Weldra
deed een zonnestraal het schitterend kristal der wanden als diamanten
flonkeren; de gids lichtte een luik op, opende toen de deur van een
schuur: wij stonden in de open lucht. Het landschap om ons heen geleek
sprekend op dat der woestijnen van Afrika. Dijken van grijsachtige
klei beletten ons het uitzicht op de vlakte en de bergen; klippen van
onzuiver zout verhieven naast ons haar roodachtige, blauwe en groene
naalden en spitsen, aldus gekleurd door de vreemde bestanddeelen
in het zout opgenomen; enkele schrale planten, zooals men ook langs
de stranden der zee vindt, toonden in de spleten hare bleek blauwe
stengels en bladeren; een schitterend spoor van helder zout wees de
bedding aan van eene nu waterlooze beek; in de holten en kloven stonden
plassen van zout water, omzoomd door sneeuwwitte randen. Dit waren
voormalige, nu ingestorte putten. De naakte, blanke, metaalachtige
bodem kaatste het licht en de hitte der blakerende en brandende zon
terug: het was hier niet om uit te houden.

(Wordt vervolgd.)


Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van bladz. 72).


XIX.

De staatsgreep.

Bij het aanbreken van den dag, terwijl de neger-afgevaardigden zich
nog geeuwend op hunne met koortsmos gevulde matrassen rondwentelen en
voortdurend om meer whisky schreeuwen, vult zich de Koningsstraat met
soldaten, die de voetpaden bezetten en hunne geweren op den rijweg in
rust zetten. Wat heeft dit te beduiden? De gansche stad schijnt reeds
ontwaakt en op de been. De voetpaden wemelen van burgers zoowel als van
soldaten, en bijtende spotternijen, krenkende woorden worden van beide
zijden gewisseld. De mariniers naderen van de zijde der kaaien; nabij
het Tolkantoor is de kavalerie opgesteld. Twee kanonnen staan bij het
havenhoofd, een derde beschermt den toegang tot het Statenhuis. Emory,
met het opperbevel belast, blijft in het Arsenaal, gereed daar heen
te gaan, waar zijne tegenwoordigheid vereischt wordt. Zijn luitenant,
De Trobriand, na zijne troepen in de straat Saint-Louis te hebben
opgesteld, met hun rechtervleugel geleund tegen de gesloten poorten
van het Kapitool, en de linker zich uitstrekkende naar de rivier,
bezet met een deel zijner brigade de Koningsstraat. Tweeduizend
federale soldaten zijn onder de wapenen.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.