De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
"Croz maakte eerst Walker los, ten einde eene voldoende lengte touw
vrij te hebben; toen waarschuwde hij ons, het touw stevig vast te
houden, en sprong naar beneden. Hij kwam behendig op zijne voeten
terecht, maakte het touw los, en wierp het Walker toe, die zijn
voorbeeld volgde. Nu was de beurt aan mij. Ik trad vooruit tot
aan den uitersten rand:--de sekonde, die toen volgde, zal ik nooit
vergeten. Ik had een gevoel, alsof de wereld met duizelingwekkende
snelheid ronddraaide, en mijn maag haar navloog. Het volgende oogenblik
lag ik plat voorover in de sneeuw; om mijn vriend Reynaud echter
gerust te stellen, richtte ik mij haastig op, en verzekerde hem dat
het niets te beteekenen had.
"Hij naderde den rand en gaf een luiden kreet. Ik ben overtuigd,
dat hij niet banger was dan iemand onzer, maar hij maakte veel meer
beweging. Hij wrong de handen roepende: "O, hoe vreeselijk! hoe
vreeselijk!
--Het beteekent niets, Reynaud, riep ik hem toe, niets hoegenaamd.
--Kom, spring, riepen ook de anderen;--spring dan toch!"
"Maar in plaats van te springen, begon Reynaud zich om en om te
draaien, voor zoover dat op den gladden ijsdam mogelijk was; toen
sloeg hij zijne handen voor het gelaat, roepende:
"Neen, op mijn woord, neen! neen!! neen!!! dat is onmogelijk!"
"Wat er toen eigenlijk met hem gebeurd is, weet ik niet. Wij zagen
de punt van een voet, die aan Moore scheen te behooren; daarop zagen
wij Reynaud, in een vogel veranderd, en tot ons nederzwevende, alsof
hij kopje onder in het water wilde springen; met uitgestrekte armen
en beenen; zijn schapenbout achter hem aanzwevende, terwijl hem de
stok uit de handen ontglipte; dat duurde een oogenblik:--daarop
hoorden wij een doffen slag, alsof er een matras uit een venster
werd geworpen. Toen wij hem weer op de been hadden geholpen, zag hij
er allerbeklagelijkst uit: zijn hoofd geleek een grooten sneeuwbal;
de brandewijn liep aan de eene zijde uit zijn reiszak, de chartreuse
[1] aan de andere. Hoezeer wij hem om dit verlies beklaagden, konden
wij toch ons lachen niet bedwingen."
Eenige dagen te voren, bij de even moeilijke als gevaarlijke bestijging
van de Pointe des Ecrins, had de gids Almer zijne vermetelheid bijna
met den dood bekocht. Hij had zich van het touw losgemaakt, en wilde
beproeven, geheel alleen den top te bereiken. Terwijl hij over een
smallen dam ging, deels uit sneeuw, deels uit rots bestaande, brokkelde
de sneeuw onder hem in den afgrond weg: hij wankelde een oogenblik,
terwijl hij zich staande trachtte te houden op het gedeelte dat nog
vast scheen. "Ik dacht niet anders, dan dat hij verloren was," zegt
de heer Whymper.
"Gelukkig viel hij naar de rechterzijde, en gelukte het hem een
vast steunpunt te vinden. Indien hij, in plaats van den linker,
den rechter voet op de brug van sneeuw had gezet, zou hij in eene
diepte van ruim honderd el zijn neergestort, en hij zou zich niet
aan de rotsen hebben kunnen vastklemmen, voor hij op den gletscher,
duizend el onder ons, ware terecht gekomen."
In datzelfde jaar, namelijk in 1864, trok de heer Whymper, in
gezelschap van den heer Moore, met de gidsen Almer en Croz, voor
het eerst over den bergpas van Moming, tusschen Zinal en Zermatt. De
opklimming was uiterst bezwaarlijk en vol gevaar geweest. Om de rotsen,
die alleen den toegang tot den pas mogelijk maakten, te bereiken,
waren de toeristen verplicht geweest eene zeer steil hellende ijsvlakte
over te trekken; zij hadden daarbij gaten in het ijs moeten hakken,
vlak naast en onder reusachtige spitsen en naalden, die op het punt
stonden van in te storten, en die ook werkelijk neervielen, vijf
minuten nadat Almer, de laatste van het gezelschap, was overgegaan.
"Eindelijk, zoo verhaalt onze toerist, kwamen wij aan het dal
tusschen den Rothhorn en den Schallhorn; deze col ligt ter hoogte
van omstreeks acht-en-dertig honderd el. Wij waren met zeer veel
moeite naar boven geklommen, over allerlei soort van sneeuw, en te
midden van voortdurenden nevel, die ons nu eens aan de nevelen van
Schotland, dan aan een londenschen mist deed denken. Een steile muur
van ijs vormde de helling van den top, die naar Zinal gekeerd is. Maar
wij konden onmogelijk ontdekken of de andere helling, waarlangs wij
moesten afdalen, even zoo gevormd was, want dat deel van den berg
was voor ons geheel onzichtbaar door een geweldigen sneeuwklomp,
dien de westenwind boven den top had opgestapeld, en die nu hoog
boven Zermatt zweefde, niet ongelijk aan eene reusachtige zeegolf,
bevrozen juist op het oogenblik der kentering.
"Stevig aan het touw gebonden en vastgehouden door zijne drie makkers,
die op de helling aan de zijde van Zinal gebleven waren, begon Croz
uit alle macht met zijn bijl op dien sneeuwklomp te hakken, en hieuw
werkelijk de bevroren sneeuw af, tot hij eindelijk op het vaste ijs
stuitte; toen sprong hij kloekmoedig in den pas, en riep ons toe hem
te volgen.
"Wij waren gelukkig, dat wij een zoo onverschrokken man tot gids
hadden. Met een minder bekwamen en minder onversaagden gids zouden
wij waarschijnlijk geaarzeld hebben, de afdaling te ondernemen bij
zoo sterken nevel; ook Croz zelf zou vermoedelijk hier hebben stil
gehouden, als hij niet zoo buitengewoon krachtig en gespierd van
lichaamsbouw was geweest. Hij bracht zijne eigene woorden in praktijk:
"Waar vaste sneeuw is, kan men altijd loopen; waar ijs is, kan men
zich een weg banen, door gaten te hakken; dat komt eenvoudig aan op
lichaamskracht; ik bezit die kracht: al wat gij te doen hebt, is dit
eene:--mij te volgen." Men moet erkennen, dat hij zich niet spaarde;
als hij in een theater de schier ongeloofelijke dingen had verricht,
waarvan wij dien dag getuigen waren, dan zou de zaal gedaverd hebben
van toejuichingen."
Het volgende jaar (1865) beklom de heer Whymper de Dent-Blanche
(3464 el), die voor den eersten keer, op den 18den Juli 1862,
was bestegen door de heeren Kennedy en Wigram, met de gidsen Croz
en Kronig. Whymper volgde evenwel niet denzelfden weg, maar gaf
de voorkeur aan den zuidwestelijken rug; de grootste moeilijkheid,
die hij ondervond, was de overtocht over den bergschrund. Hij moest
tot eene hoogte van vierduizend el opklimmen, eer hij een brug van
sneeuw vond, waarop hij die spleet kon oversteken.
Op den col Dolent, dien Whymper in 1865 overtrok, om van Cormayeur
naar Chamonix te gaan, langs een korteren weg dan dien over den col
du Geant, had hij noch met een bergschrund, noch met een sneeuwbrug te
kampen, maar daarentegen vond hij hier een ijsmuur van vierhonderd el,
met een helling van vijftig graden, waarlangs hij moest afdalen. Croz,
die vooruit liep, vastgebonden aan een touw van manilla, hakte,
gedurende twee uren achtereen, gaten in dien muur, en was toen toch
nog tot slechts zestig el beneden den pas gedaald. Biener en Almer,
die het touw vasthielden, konden met hun beiden maar even op den rand
van den ijsklomp staan. Biener liet zich toen, met behulp van het
touw, tot bij Croz afzakken; en de heer Whymper, die tot dusver op
de andere zijde had moeten blijven, kon nu naast Almer komen staan
en op zijne beurt den zeer comfortabelen weg aanschouwen, dien hij
had ontdekt. Zeven uren achtereen waren de drie gidsen bezig met
gaten in het ijs te hakken, eer men den gletscher van Argentiere,
die aan den voet van dezen ijsmuur ligt, kon bereiken. Gelukkig liep
deze roekeloos gevaarlijke onderneming zonder ongelukken af, en kon
de heer Whymper ongestoord zijn triomf genieten.
(Wordt vervolgd.)
De Merinos in Spanje.
De reiziger, die in de lente of den herfst de wijd uitgestrekte en
vaak zoo eenzame en eentonige vlakten van centraal Spanje doorkruist,
ontmoet dikwijls op zijn weg groote kudden schapen, die door hun
lange witte wol de aandacht van den vreemdeling trekken. De kudden
worden geleid en bestuurd door een aantal gewapende mannen, deels
te voet, deels te paard, die op het eerste gezicht meer op roovers
dan op herders gelijken. Voorts behooren nog tot de kudde een zeker
aantal muildieren, met allerlei zaken beladen, en eene menigte groote
honden, wier muil met scherpe tanden is gewapend. Die schapen zijn
de beroemde merinos, wier wol vroeger aan Spanje zoo veel millioenen
piasters heeft opgebracht, toen men zich in het overige Europa bijna
niet op de schapenfokkerij toelegde, waaraan in Spanje destijds zoo
groote zorg werd gewijd.
De merinos slapen nooit onder een dak: zij brengen hun leven door
in de open lucht. Zij veranderen alleen van weidegrond, en trekken
van het noorden naar het zuiden of van het zuiden naar het noorden,
van de sierra naar den campo of van den campo naar de sierra, naar
gelang van den tijd des jaars.
Zulk eene kudde merinos, met haar herders en haar honden, is bijna
een kleine staat op zichzelven. Want men bedenke wel, dat zulk eene
kudde, als algemeene regel en behoudens enkele uitzonderingen, uit
niet minder dan tienduizend stuks bestaat.
De opperste herder of mayoral heeft vijftig ondergeschikte herders
onder zijne bevelen: dit is dus een man voor elke tweehonderd
schapen. Elk dezer herders heeft zijn eigen hond, zoowel om op de
schapen te passen als om ze te verdedigen, want de wolven zijn verre
van zeldzaam in de spaansche sierras. Deze honden, die den strijd
tegen de wilde dieren niet moeten duchten, zijn groot van gestalte
en sterk van bouw en spieren. Zij behooren tot een bijzonder ras,
dat zich door eene groote mate van verstand, vatbaarheid en ijver
onderscheidt. Zij zijn bijna even groot als wolven en zeer goed tegen
die vijanden opgewassen; om hun echter de overwinning gemakkelijker te
maken, dragen zij nog een ijzeren halsband met lange scherpe punten,
die een geducht wapen is.
De herders zijn, evenals hun honden, een eigenaardig ras van
menschen. Echte nomaden, keeren zij maar zelden en dan slechts
voor weinige dagen, ja somwijlen nimmer, naar hunne eigenlijke
woonplaats terug. Gedurende het grootste gedeelte des jaars op reis,
slijten zij hun leven in een tent of in armelijke hutten van takken,
leem of gedroogde steenen. Met hun door de zon gebruind gelaat,
hun woest voorkomen, maken deze krachtige, forsch gespierde mannen
een zeer eigenaardigen indruk. Hunne kleeding bestaat uit slopkousen
van geitenvel, een korten broek, een hemd, een vuil vest van bruin
leder, waarover zij dikwijls een buis zonder mouwen van merino-wol
dragen. Hunne met vodden omwikkelde voeten steken in lompe schoenen;
somwijlen bestaat hun eenig schoeisel uit ruwe sandalen; op hun
kroesharig hoofd, dat nimmer met een kam in aanraking komt, dragen zij
een groven vilten hoed; over hun schouders hangt een schilderachtige
mantel, hetzij van versleten laken, hetzij van rijststroo. Deze
wilde, ruwe, maar dappere en eerlijke herders zijn gewapend met een
vuursteengeweer van buitengewone lengte, en met een sterken doornstok.
De ouder-herders gaan bijna altijd te voet; de mayoral zit steeds
te paard, vergezeld en gevolgd door muilezels, die het benoodigde
dragen, zooals levensmiddelen, zout voor de merinos, tenten en
keukengereedschap. De mayoral geniet eene jaarlijksche belooning
van tusschen de zes- en zevenduizend gulden; de ondergeschikten
verdienen in den regel niet meer dan twee- of driehonderd gulden;
hun dagelijksch rantsoen bestaat uit twee pond brood; de hond krijgt
evenveel, maar zijn brood is van minder gehalte.
De merinos, aldus genoemd naar een spaansch woord, dat zwerven
beteekent, zijn van middelbare grootte, met een kleinen kop en fijn
gevormde pooten. Hunne wol, die gewasschen zijnde helder wit is,
maar er doorgaans zeer vuil en besmoezeld uitziet, doet hen veel
grooter schijnen dan zij inderdaad zijn: die wol is somwijlen een voet
lang, licht gekruld, en hangt bijna tot op den grond. Overigens is de
merino-wol niet meer zoo veel waard als vroeger; zij doet tegenwoordig
in fijnheid voor andere soorten, met name voor de saksische wol,
onder. Dit neemt niet weg, dat nog altijd in Spanje kudden schapen
worden gevonden, welker wol door geene andere overtroffen wordt. Maar
men geeft zich geene moeite om het ras te veredelen, en houdt zich
over het algemeen, ook in de wijze van behandeling der schapen en de
bereiding der wol, te veel aan den ouden sleur.
De provincie Segovia, langs de noordelijke helling van de sierra van
Guadarrama, in Oud-Castilie, wordt over het algemeen als de gunstigste
en meest geschikte streek voor de schapenfokkerij beschouwd. Anderen
spreken dit tegen; niettemin schijnt men als algemeenen regel te
mogen aannemen, dat hooge en droge landstreken, zooals Segovia, het
meest voor de teelt der merinos geschikt zijn. In deze landstreken
is het gras fijn en niet met onkruid vermengd, maar daarentegen
rijk aan aromatische kruiden. Het vaderland der beroemde geiten van
Thibet is eene landstreek van soortgelijke natuur, maar nog veel
schraler en onvruchtbaarder. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk,
dat men de geiten van Thibet in sommige bergstreken van Spanje zou
kunnen overbrengen en inheemsch maken. Het ware wel de moeite waard,
de proef te nemen. Spanje zou wellicht in het zoo zeer gezochte en
kostbare zijdeachtige hair dezer geiten eene vergoeding kunnen vinden
voor het verlies, door het dalen der prijzen der merino-wol geleden.
Men meent dat verscheidenheid van voedsel gunstigen invloed uitoefent
op de algemeene gezondheid der dieren, en dus, in dit geval, ook op
de hoedanigheid en den rijkdom der wol. De spaansche veefokkers zijn
daarvan overtuigd; daarin ligt de oorsprong der mesta.
Dit woord (letterlijk vereeniging, vermenging) beteekent de
samensmelting tot eene groote kudde, van een zeker aantal kleinere
kudden, die, naar gelang van het jaargetijde, in een of ander deel
van het schiereiland rondtrekken. Door deze zwervende levenswijze
bekomen de merinos ongetwijfeld, dank zij de voortdurende beweging
en verandering van lucht, dank zij ook de afwisseling van voedsel,
eenige der eigenschappen, die over het algemeen de in den vrijen
natuurstaat levende dieren onderscheiden van de getemde, aan eene
bepaalde plaats en bepaalde levenswijze gebonden huisdieren. De
merinos met de beste en fijnste wol vindt men in enkele weinig
uitgestrekte landstreken, bij voorbeeld in de vallei van Venasque in
de Pyreneeen, en in het partido of distrikt van Albarracin (in Aragon,
in het bovenste gedeelte der vallei van den Guadalaviar of Turia,
nabij de kusten der Middellandsche-zee); maar het is duidelijk dat
niet al de schapen van Spanje op zoo bekrompen ruimte zouden kunnen
leven; ook is het zeer waarschijnlijk, dat zelfs de daar inheemsche
schapen, als zij nimmer deze streken verlieten, toch spoedig zouden
verbasteren. Om aan het gemis of de schaarschte van voortreffelijke
weidegronden tegemoet te komen, heeft men zijn toevlucht genomen
tot de verre reizen, tot het zwervend leven, in de open lucht, met
zijne beweging, zijne vrijheid, zijn veelzijdigheid van voedsel. En
de voordeelen dezer methode wegen tegen het gemis van voldoenden
weidegrond binnen zekere grenzen ruimschoots op.
In de gebergten van Biscaya, in de sierra's van Asturie, zijn de
schapen van veel slechter ras; in den jongsten carlistischen oorlog is
het meermalen gebeurd, dat de soldaten weigerden zulk een schaap zelfs
voor een matigen prijs te koopen. Deze schapen worden door de zwarte
arenden der Pyreneeen meermalen geroofd en naar hun nest medegevoerd,
om tot voedsel voor hun jongen te dienen. Een echt volwassen
merinoschaap zou deze tyran der lucht wel nimmer mede kunnen voeren.
De mestas of zwervende kudden behooren meestal aan eene maatschappij,
bestaande uit adellijke heeren, aanzienlijke geestelijken of rijke
grondeigenaars, die zich met de exploitatie belast. Elke mesta of
groote kudde bestaat, zooals gezegd is, uit tienduizend stuks schapen
en meer; de mayoral, die met de opperste leiding is belast, is tevens
de algemeene arts dezer blatende gemeente.
Dalmatie.
I.
Herinnert de lezer, die ons op den tocht door Istrie heeft willen
vergezellen, zich nog de belofte, later eene uitnoodiging te
zullen ontvangen voor gelijken tocht door de golf van Quarnero met
hare eilanden en door Dalmatie? [2] Welnu, die belofte komen wij
thans inlossen: zijn hem goede herinneringen van de vorige reis
bijgebleven, dan vertrouwen wij dat hij ook nu genegen zal zijn,
ons te vergezellen. Wij nemen dan te Pola plaats op een der booten
van de oostenrijksche Lloyd, die naar Fiume varen; wij stevenen kaap
Promontore om en de golf van Quarnero binnen.
Met den naam van golf van Quarnero, of wel enkel Quarnero, bedoelt
men de geheele watervlakte tusschen Istrie, te beginnen bij kaap
Promontore, en de kust van Kroatie tot nabij Zara. In den Quarnero
liggen vijf groote eilanden en eene menigte eilandjes en klippen. Deze
vijf eilanden dragen de namen van Cherso, Ossero (of Lussine),
Veglia, Arbe en Pago; zij bevatten allen een of meer kleine steden
en een aantal dorpen. De kanalen tusschen die eilanden en de kust
leveren voor de scheepvaart dikwerf ernstige gevaren op, vooral bij
het heerschen van de bora, de plaag dezer kusten.
Van Triest kan men op tweeerlei wijze Fiume en de golf van Quarnero
bereiken. Een spoorweg, die het plateau van Karst doorsnijdt, verbindt
de beide steden, en brengt u in zeven uren van Triest aan den oever
der golf. Een tweede middel van vervoer is de stoomboot, die van
Triest naar Pola, en verder, deels langs de oostkust van Istrie,
naar Fiume vaart, Maar wie van Fiume verder wil gaan, zal daartoe
bezwaarlijk gelegenheid vinden, tenzij hij eene eigen boot hure en
uitruste om van het eene eiland naar het andere te zeilen. Hieraan
zijn echter bezwaren verbonden, die niet te licht mogen worden
geteld. Vooreerst kost de huur en uitrusting van zulk eene boot,
het loon der bemanning daaronder begrepen, veel geld; daarbij is
goed weder een onontbeerlijk vereischte, en moet men ook eenigszins
aan dergelijke tochten op zee gewend zijn. Die in de kuststeden op
de stoombooten wil wachten, moet over veel tijd kunnen beschikken,
want die booten varen, in elke richting, maar eens in de week.
De Quarnero staat in een zeer slechten roep: de kustbewoners
van de Adriatische-zee, ervaren en onverschrokken zeevaarders,
zoo als men weet, noemen den naam dier golf niet dan met zekeren
schrik; de oude historieschrijvers zien in dien naam zelven eene
toespeling op de bij uitstek kwade faam van dit vaarwater: carnivoro,
vleeschetend, verscheurend. Wat hiervan zij, een enkele blik op de
kaart is voldoende, om deze noodlottige reputatie der golf alleszins
begrijpelijk te maken. De Quarnero is, zooals ik zeide, bezaaid
met eene menigte eilanden en klippen, die fragmenten schijnen van
een door het water half verzwolgen, en door de bora uitgedroogde en
verschroeide bergketen. In de talrijke engten en kanalen tusschen
de kust en die eilanden, wordt de wind opgevangen, juist als in
den hals van eene omgekeerde flesch. De zuid-oosten winden, die de
golven van Venetie en Triest kunnen teisteren, vinden daar althans
een ruim veld voor zich en verliezen daardoor veel van hun kracht:
maar in den Quarnero, waarin zij door het nauwe kanaal Della Morlacca
doordringen, stuiten zij dadelijk tegen de bergwanden van den Karst
en tegen de hooge oevers van Istrie; zij vallen dan met verdubbelde
kracht op de eilanden terug en brengen de opgezweepte wateren in de
geweldigste beroering. De stormen woeden hier met zoo hevige kracht,
dat zelfs de ervarenste matrozen het dan niet zullen wagen, de kanalen
over te steken, maar een toevlucht zoeken in de zoogenaamde valleien
of vluchthavens, die door de eilanden gevormd worden, waar het water
diep en de ankergrond veilig is.
De golf is bij uitnemendheid vischrijk: niet alleen de bewoners der
eilanden, maar ook de visschers van Ghioggia, aan de italiaansche kust,
komen hun deel van dezen overvloed halen. Deze laatsten verschijnen
hier in November en blijven tot Paschen; zij verlaten hun eiland, waar
de vischvangst minder voordeelig is, en brengen den winter in deze
wateren door. Eens terwijl ik te Venetie vertoefde, was ik getuige
van het vertrek der vloot van Chioggia: dit is een van de meest
belangwekkende tooneelen, die men langs de noordelijke kusten der
Adriatische-zee aanschouwen kan. Vijftig tot zestig groote schuiten,
bragozzi, genoemd, ieder met tweehonderd-vijftig koppen bemand,
verlaten het eiland en varen naar de overzijde der golf. De gevangen
visch wordt echter niet op de plaats zelve verbruikt of verkocht;
beurtelings gaan eenige vaartuigen uit de vloot naar Chioggia en
Venetie terug, om den buit te verkoopen: het totaal der vangst,
gedurende het geheele saizoen, bedraagt gemiddeld vierhonderd-duizend
pond, vertegenwoordigende eene waarde van honderdvijftig-duizend
francs.
De visschers van Fiume leven mede van de golf: te Prelucca en
te Buccari oefenen zij de tonijnvangst uit; deze tonijnen worden
vervolgens gezouten en naar het buitenland verzonden. Een eigenaardig
product der golf zijn ook de scampi, eene soort van kreeften, die
hier zeer geliefd zijn en bij feestelijke gelegenheden met rizzotto
gegeten worden; deze soort komt, behalve hier, enkel in de noorweegsche
fjords voor.
De belangrijkste stad aan de golf, met inbegrip van de steden op
de eilanden, is Fiume. De kust noordwaarts van kaap Promontore is
aanvankelijk naakt en dor; bij de landpunt van den Monte-Maggiore
neemt zij een vriendelijker karakter aan; en zoodra ge het kanaal van
Farasina zijt doorgevaren, maakt de geheele streek, van Moschenizza
tot Fiume, door het eiland Cherso tegen den wind gedekt, den indruk
van een grooten bloeienden tuin. Maar deze buitengewone vruchtbaarheid
houdt geen stand: als ge verder langs de kust vaart naar Novi en Segna,
komt de oude dorheid en woestheid weder, en ziet ge niets dan eene
grauwe kust en naakte rotsen.
Van buiten zou men Fiume allicht voor eene groote stad aanzien:
dit is echter eene illusie, die, bij meer nauwkeurige beschouwing,
spoedig verdwijnt. Die witte stad, aan den oever eener fraaie golf,
aan den voet van hooge bergen, verrast den reiziger door haar reeks
van trotsche huizen, paleizen schier, die zich langs de breede kaai
verheffen. Haar ruime en gemakkelijke haven, haar uitgestrekte
werven en grootsche magazijnen, dit alles geeft den indruk van
eene bloeiende, rusteloos werkzame stad, in volle ontwikkeling en
rasschen vooruitgang. De openbare gebouwen en monumenten zijn edel
en indrukwekkend van stijl; het Corso is breed en goed aangelegd;
hier ziet ge een smaakvol aangelegd plein; elders ruischen overvloedig
springende fonteinen: overal ruimte, licht, groote afmetingen. Ondanks
de groote natuurlijke voordeelen der ligging--Fiume is de natuurlijke
haven voor Hongarije, het Banaat en Kroatie, allen hetzij koren-
hetzij boschrijke landen;--heeft de stad toch niet aan de verwachting
der Hongaren beantwoord, ook niet nadat men haar door spoorwegen
met Agram en Laibach verbonden heeft. De oostenrijksch-hongaarsche
regeering heeft zich de zwaarste offers getroost om haar te verfraaien
en haar eene goede haven te bezorgen. Desniettemin verkeert de handel,
ook volgens officieele opgaven, hier in kwijnenden toestand en neemt
de in- en uitvoer af.
In de andere steden langs de kust, die wij bezocht hebben eer wij
te Fiume kwamen, herkent men nog altijd onder het officieele masker,
door de tegenwoordige regeering voorgebonden, de oude venetiaansche
kolonie, waar de republiek, na eene heerschappij van vier of vijf
eeuwen, niet alleen onmiskenbare sporen en karakteristieke monumenten
heeft achtergelaten, maar ook aan alles, aan menschen en dingen, dat
onuitsprekelijk bevallige en bekoorlijke gegeven, dat in Italie wel
in de lucht schijnt te zitten en een onvervreemdbaar erfdeel van dat
gezegend land en zijne kinderen is. Hier daarentegen is, althans voor
het uiterlijke, alles hongaarsch: hier vindt ge het Corso Deak, hot
plein Adamich, de Kossuthstraat, enz. De brouwerijen zijn monumentale
gebouwen; vlugge, handige buffetmeisjes met nette voorschoten, en
muziekanten met zwarte rokken zouden u in den waan brengen dat ge u
te Pesth bevindt. Even als te Weenen en in Hongarije, is ook hier met
ieder hotel een restauratie verbonden; de regeling van de etensuren
is dezelfde als daar ginds, en in de koffiehuizen ziet ge aan bijna
ieder tafeltje kaartspelers, even als in de magyaarsche bierhuizen. De
aanplakbiljetten en de opschriften op de uithangborden zijn in het
hongaarsch gesteld; tegen de muren kunt ge somwijlen groote papieren
geplakt vinden, waarin de kiezers, met hartstochtelijke opgewondenheid,
worden aangespoord om toch vooral te zorgen, dat het bestuur der stad
niet in duitsche of italiaansche handen gerake. Maar er zijn twee
steden te Fiume: de oude stad, die zich eensklaps onthult als ge de
poort van het Corso uitgaat; en deze moderne stad, waar de reizigers
aan wal stappen, en wier straten, evenwijdig loopende met de kaai,
op zee uitzien.
In de oude stad loopen de straten steil naar boven: smalle trappen
voeren naar fantastische steegjes, die u aan Subiaco en aan de
dorpen in do Campagna van Rome denken doen; daar vindt ge, onder lage
gewelven, achter sombere, schemerachtige winkels, pittoreske osterie,
waar, bij het drinken van nieuwen wijn, italiaansche liederen worden
gezongen, terwijl men daar ginds beneden bier drinkt en slavisch of
hongaarsch spreekt. De overigens weinig schilderachtige stad ontleent
toch aan deze verscheidenheid een eigenaardig karakter.
Pages:
1 |
2 | 3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65