A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Vroeger, voor de aankomst der protestantsche zendelingen, bestonden
er op Tahiti drie onderscheidene standen of kasten, die scherp van
elkander onderscheiden waren. De eerste was die der arii of vorsten;
de tweede die der raatira, kleine opperhoofden of wel eenvoudige
grondbezitters; de derde omvatte de manahoene of het volk.

De arii waren heilig en met bovennatuurlijke vermogens begaafd;
de spijs, die zij hadden aangeraakt, was taboe, en een doodelijk
vergif voor allen, behalve voor degenen, die ook tot de kaste der
vorsten behoorden. Onder deze arii was er een familiehoofd, waaraan
alle anderen ondergeschikt waren. Dit was dikwijls een kind, en bijna
altijd een jonkman, want zoodra hij een zoon had, werd dit kind het
wettige hoofd, en de vader vervulde van nu aan de rol van regent. Eene
soortgelijke gewoonte heerschte toen in alle familien; en zelfs nog
tegenwoordig heeft deze eigenaardige vereering der kindschheid stand
gehouden, in weerwil van het toenemend zedenbederf, en heeft zij
alleen de aloude voorvaderlijke overleveringen overleefd.

Deze arii waren waarschijnlijk de afstammelingen van de laatste
veroveraars, die deze eilanden onderworpen hadden. Zij hadden zoo
vele rechten en voorrechten en zoo weinig plichten, het volk was hun
zoo volkomen onderdanig en vereerde hen zoo hoog, dat hunne macht
reeds voor lang moet gevestigd zijn geweest. De naam arii vindt men
met geringe afwijkingen, zooals ariki, akariki, kariki, enz., overal
terug, van de grenzen van oostelijk Polynesie tot Nieuw-Caledonie,
Nieuw-Holland, en zelfs op Madagaskar, zoowel als op de westelijke
eilanden; waarschijnlijk brachten de veroveraars dien naam met zich:
van waar hij afkomstig is, weet ik niet.

De raatira (ook deze naam vindt men in alle archipels, van de
Toeamotoe tot Madagaskar), waren blijkbaar in rang verheven boven
de lieden, die niets bezaten, maar stonden ver beneden de arii, die
met even onbeperkte macht over hen heerschten als over de massa des
volks. Het eenige wat de raatira met de arii gemeen hadden, was dat
ook zij met het adellijke meervoud werden aangeduid.

De manahoene konden hunne kaste niet dan door bijzondere gunst
verlaten; zij konden tot raatira worden verheven, als de grond, dien
zij slechts in vruchtgebruik bezaten, hun in eigendom geschonken werd;
maar dit gebeurde niet dikwijls. Zij konden ook teoeteoe arii, dat wil
zeggen dienaars van een vorst, worden; dan bezaten zij dikwijls eene
groote mate van macht en invloed, maar slechts als vertegenwoordigers
van den vorst, dien zij dienden: alleen in den geheiligden naam van
den arii konden zij gehoorzaamheid en eerbied vorderen. Dit was het
hoogste toppunt, waartoe zij zich verheffen konden.

De marae of oude tempels waren hoogst eenvoudig. In zijn
oorspronkelijksten vorm bestond die tempel uit eene ongeveer
rechthoekige omwalling, en uit een altaar, dat omstreeks in
het midden der ruimte stond en de gedaante had van een recht
parallelepipedum. [18] In de marae, op Tahiti en Moorea gevonden,
heeft het altaar doorgaans eene andere gedaante: het parallelepipedum
eindigt in trappen, die zich over de gansche lengte van de groote
zijde, aan de voorzijde van den marae, uitstrekken. Het getal dier
trappen verschilde; doorgaans bedroeg het niet meer dan drie. Deze
altaren hadden veel overeenkomst met die, welke men in onze kerken
ziet; slechts was de bewerking veel ruwer, en waren zij ook van veel
grooter afmetingen, want sommigen moeten wel eene hoogte van vijftien
el hebben bereikt.

Voor den bouw dezer tempels gebruikte men rotsblokken of ook wel
koraal.

Onder de eigenaardige instellingen van deze eilandengroep komt
ongetwijfeld eene eerste plaats toe aan het beruchte genootschap der
arioi, dat tegelijk met het heidendom verdwenen is. Als stichter
dezer vereeniging noemt men zekeren Horotetefa; aanvankelijk van
weinig beteekenis, had zij zich gaandeweg over al de eilanden van den
archipel uitgebreid. In de laatste jaren van haar bestaan, omvatte zij,
naar men beweert, een vijfde deel der geheele bevolking van elk eiland.

De hoofdvoorwaarde voor het lidmaatschap was, geen kinderen te hebben:
die moesten bij hunne geboorte aanstonds gesmoord worden. Het lichaam
van den kandidaat werd ingesmeerd met de roode kleurstof van den mati
(ficus tinctoria). De hoofden werden alleen verkozen op voorwaarde
dat zij geene levende afstammelingen mochten hebben. Er waren onder
hen verschillende rangen; de lageren waren niet meer dan de bedienden
van de hooger geplaatsten, die, als lieden van rang geeerd, geene
andere bezigheid hadden, dan zich voor zonsondergang in de rivier
te gaan baden, zich het hoofd te bekransen met bloemen, door anderen
voor hen geplukt, en den mond open te doen om de spijs te ontvangen,
dien arioi van minderen rang hun aanboden. Het leven dezer lieden
was een voortdurend feest, verdeeld tusschen dans en zingenot; de
vrouwen waren onderling gemeen. De arioi, wien een kind geboren word,
werd als onteerd beschouwd en uit het genootschap gebannen, indien
hij het niet aanstonds om het leven bracht.

Even als de anderen, gingen ook zij naar den marae, en namen getrouw
hunne godsdienstplichten waar. Zij bezaten sommige privilegien,
volgens hun rang; zoo mochten zij zich, bij voorbeeld, sommige zaken
zonder betaling toeeigenen; zij kwamen ook bijeen voor de woningen
der vorsten, van wie zij kleedingstoffen ten geschenke ontvingen,
want zelven vervaardigden zij niets.

Doch alleen in vredestijd leidden de voornaamste arioi dit weelderige
leven. In den oorlog waren zij de getrouwste wapenbroeders des konings,
en muntten zij in den regel door hunne dapperheid boven anderen
uit. De vereeniging was eene ware kweekplaats van krijgslieden, die
zich echter niet door voortplanting, maar door aanwerving in stand
hield en uitbreidde. Staatkundigen invloed bezaten de arioi niet;
zij bleven steeds aan de vorsten en hoofden onderworpen. Uitnemende
soldaten in tijd van oorlog, sleten zij in vredestijd hunne dagen in
uitspatting en zingenot: hunne vereeniging had nooit een hooger doel
dan bevrediging van den lust der zinnen. Zij konden dus moeielijk
iemands achterdocht opwekken, en vooral aan deze omstandigheid moet
het lange bestaan dezer zonderlinge vereeniging worden toegeschreven.


VI.

Wij besluiten met een blik op het tegenwoordige Tahiti. Wij zullen hier
geen verhaal geven der gebeurtenissen, die tot onze tusschenkomst op
Tahiti voerden. De eerste aanleiding daartoe was de komst op het eiland
van de heeren Laval en Carret, fransche katholieke missionarissen,
die vroeger op de Gambier-eilanden gevestigd waren. Hunne prediking
lokte botsingen uit met de regeering, die onder den invloed stond
der engelsche protestantsche zendelingen; er ontstond eene vervolging
tegen de Katholieken, die Frankrijk eindelijk noodzaakte tusschenbeiden
te komen. Er moesten echter verscheidene bloedige gevechten geleverd
worden, eer de fransche vlag voor goed op het eiland woei, dat later
onder fransch protektoraat werd geplaatst.

Pomare, de tegenwoordige koningin van Tahiti, is in 1813 geboren;
in 1822 huwde zij voor de eerste maal met Tapoa, welk huwelijk
kinderloos bleef; zij liet zich daarom van hem scheiden en huwde
toen met Ariifaaite, een der schoonste mannen van den geheelen
archipel. Haar oudste zoon is den 13den Mei 1855, in den ouderdom van
achttien jaar, aan eene borstziekte overleden, meer dan waarschijnlijk
het gevolg der woeste uitspattingen van allerlei aard, waaraan hij
zich had overgegeven. De tegenwoordige troonopvolger, Ariiaoee, is
in 1839 geboren. De andere kinderen der koningin zijn: de prinses
Teriimaevaroea, in 1840 geboren, en sedert den 3den Augustus 1860
koningin van Borabora; prins Tamatoa, in 1842 geboren, en den 19den
Augustus 1857, onder den naam van Tamatoe V, tot koning van Raiatea
uitgeroepen, maar eenige jaren later door zijne onderdanen, die hij
op gruwelijke wijze mishandelde, afgezet; naar men zegt, is hij,
ondanks zijn buitensporig liederlijk leven, de gunsteling zijner
moeder; voorts prins Teriitapoenoei, die kreupel is, in 1846 geboren,
de minst bekende der zonen van de koningin. De in 1848 geboren prins
Teriitoea Toeavira, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft,
is onlangs mede gestorven.

Het grondgebied der tot het protektoraat behoorende staten,--zijnde de
eilanden Tahiti, Moorea, Tetoearoa en Maitea, de eilanden Toeboeai,
Vavitoe en Rapa, de Toeamotoe- en de Gambier-eilanden,--is in
distrikten verdeeld; de bevolking is in dorpen gegroept. Elk inwoner
is verplicht, eene hut te bezitten, die in behoorlijken staat
van zindelijkheid moet worden onderhouden. Is de bevolking van een
distrikt weinig talrijk, dan wordt zij met die van een of meer naburige
distrikten vereenigd, om te zamen een dorp of gemeente te vormen.

Sedert 1855 wordt elk dorp bestuurd door een raad, die een zeer
uitgebreide macht bezit, en eigenlijk voor al de belangen der
gemeente te zorgen heeft. Deze raad bestaat uit het opperhoofd
(tavana, verbastering van het engelsche governor), tevens president;
uit den rechter, den eersten mutoi en twee raadsleden, die door de
ingezetenen gekozen worden. Als er in het dorp geen rechter is, wordt
hij vervangen door een opzettelijk daartoe benoemd raadslid. In elk
dorp moet eene school zijn. In elk dorp zijn ook eenige inlandsche
policie-agenten, die onder den naam van mutoi imiroa, den hoofd-mutoi
bij de uitoefening zijner functien behulpzaam zijn. Deze hulpagenten
worden door den raad gekozen.

De opgaven der verschillende zeevaarders omtrent de
bevolking van Tahiti loopen zeer uiteen. Cook schat die
op ruim tweehonderd-veertigduizend zielen; Forster op
honderd-twintigduizend. In 1797 geeft de zendeling Wilson het
vermoedelijk cijfer der bevolking op, als bedragende zestienduizend
personen van elken leeftijd in het geheele eiland. Het is waar,
dat Wilson reeds toen ten tijde gewag maakte van eene zeer snelle
vermindering der bevolking; maar zelfs wanneer men aanneemt, dat de
bevolking tusschen 1767, toen Wallis Tahiti bezocht, en 1797, met de
helft verminderd is--stellig een zeer overdreven cijfer--dan nog blijft
men ver beneden de fabelachtige cijfers van Cook en Forster. Trouwens,
de uitgestrektheid van het bewoonbare gedeelte des eilands en de
hoeveelheid zijner voortbrengselen bewijzen reeds voldoende dat deze
opgaven ver van de waarheid moeten afwijken.

Bij de voor hen zoo vreemde en verrassende verschijning der europeesche
schepen, zullen de toenmalige bewoners van Tahiti stellig op ruime
schaal hebben gedaan, wat hunne nakomelingen heden nog dikwijls
doen: namelijk de schepen overal op hun tocht volgen. Zoo zijn Cook
en Forster waarschijnlijk onwillekeurig misleid geworden, en hebben
zij de rondtrekkende bewoners van een zeker deel des eilands voor de
vaste bevolking van een bepaald distrikt aangezien.

Bij het doorkruisen van het binnenland van Tahiti, vindt men in
onderscheidene groote valleien sporen van oude woningen en grafsteden,
waaruit men heeft afgeleid, dat de bevolking, te talrijk om lang
de kust plaats te kunnen vinden, in lang vervlogen tijden voor een
deel naar het binnenland is verhuisd. De ondervinding tijdens onzen
krijg met de inboorlingen opgedaan, schijnt deze meening voldoende
te wederleggen. De overwonnen partij, door den overwinnaar, van wien
zij geen genade te hopen had, achtervolgd, verliet haar woningen
en akkers, en trok zich terug naar de dalen en valleien in het
gebergte, waar zij zich gemakkelijker kon verdedigen, en waar men
het niet licht zou wagen haar te volgen. Daar werden nieuwe woningen
gebouwd en nieuwe plantages aangelegd; daar werden marae gesticht
en werden de dooden begraven, tot een keer in de krijgskans of wel
een dikwijls maar zeer voorbijgaande vrede, den uitgewekenen vergunde
naar hun distrikt terug te keeren, en naar den oever der zee, die de
inlander zoo lief heeft. De valleien van het eiland, de voornaamste
niet uitgezonderd, leveren te weinig op, dan dat men daar immer voor
goed zijne woonplaats zou hebben gevestigd: zij zijn zeker nooit iets
meer geweest dan een tijdelijk toevluchtsoord. Een ander bewijs van
de overdrijving in de eerste opgaven ten aanzien der bevolking van
Tahiti, vinden wij in de voorschriften van dat genootschap der arioi,
waarvan wij boven spraken. Wij zeiden dat de kindermoord een wet was
voor de leden van dat genootschap. Van de verschillende redenen, die
men ter verklaring van dit barbaarsche gebruik heeft kunnen aanvoeren,
komt mij nog altijd deze de waarschijnlijkste voor, dat de vorsten en
hoofden de noodzakelijkheid hadden ingezien, om door alle mogelijke
middelen een al te snellen en te sterken aanwas der bevolking te
stuiten, en te voorkomen dat zij nooit zekere grenzen overschreed,
omdat anders het land niet meer in het onderhoud zijner bewoners zou
kunnen voorzien.

In het begin van 1848 heeft er eene volkstelling plaats gehad. Door het
bestuur waren alle mogelijke voorzorgsmaatregelen genomen, en niets
was verzuimd wat strekken kon om de juistheid der verkregen cijfers
te waarborgen. Blijkens de uitkomst dier telling was de bevolking
aldus verdeeld: op Tahiti, achtduizend-vijfhonderd-zeven-en-vijftig
zielen; op Moorea, veertienhonderd-twaalf zielen: alzoo in het geheel,
negenduizend-negenhonderd-negen-en-zestig inwoners.

In 1829 gaf de volkstelling op Tahiti, destijds door de engelsche
zendelingen met groote zorgvuldigheid verricht, dit resultaat:
achtduizend-vijfhonderd-acht-en-zestig personen: een cijfer, dat
op merkwaardige wijze overeenstemt met dat van 1848. Als men nu
in aanmerking neemt, dat verschillende ernstige epidemien en een
tweejarige oorlog met Frankrijk niet onbelangrijke verwoestingen
moeten hebben aangericht, dan schijnt het wel als zeker te mogen
worden gesteld, dat de bevolking van Tahiti, van 1829 tot 1848,
eer is vermeerderd dan verminderd. Destijds was trouwens het bestuur
over het eiland in vaste en niet onbekwame handen; de oorlogen, die de
voornaamste hoofden tegen elkander voerden, hadden opgehouden; aan den
kindermoord, aan de menschenoffers, aan vele andere buitensporigheden
van allerlei aard, had het Christendom, door de engelsche zendelingen
gepredikt en ingevoerd, althans een einde gemaakt. Voor dien tijd
is de bevolking van Tahiti waarschijnlijk wel sterker geweest dan
tegenwoordig, maar onmogelijk kan het verschil zoo groot geweest zijn,
als men zich dit doorgaans wel voorstelt. De heer Lessou, heelmeester
aan boord van de Coquille, schijnt mij toe, niet ver van de waarheid
te zijn, als hij de oorspronkelijke bevolking des eilands op circa
twaalfduizend zielen schat.

De volkstelling van 1 Januari 1863, de laatste die wij kennen,
had plaats onder gunstiger omstandigheden dan die van 1848. De
gemeente- of dorpsraden begonnen hunne functien in de distrikten
uit te oefenen; de nauwkeurige uitvoering der kieswet van 22 Maart
1852, gewijzigd den 16den Februari 1857, waarbij bepaald is dat een
inlander om kiezer te zijn vijf jaar in een distrikt moet hebben
gewoond, gaf het middel aan de hand, om met volkomen juistheid het
cijfer te kennen der inwoners in elk der distrikten van Tahiti en
Moorea. Volgens deze telling bedroeg het totaal cijfer der bevolking
tienduizend-driehonderd-zeven-en-veertig inwoners van polynesisch
ras. Men mag veilig aannemen, dat dit cijfer het naast bij de
waarheid komt.

1 Maart 1873. De gepantserde korvet Atalante, die wij sedert eenige
dagen verwachtten, is de haven binnengeloopen. Dit schip voert
de vlag van den schout-bij-nacht kommandant der divisie van den
Stillen-Oceaan, waartoe ook de Vaudreuil behoort. De komst van de
Atalante is eene gebeurtenis van gewicht voor de gansche bevolking. De
muziek van de korvet speelt bijna iederen avond op het plein voor het
gouvernementshuis. Daarna trekken de muziekanten, met begeleiding
van fakkellicht, onder het spelen van een vroolijken marsch, naar
de kaai, om weer naar boord terug te keeren. Onnoodig te zeggen,
dat zij daarbij door de gansche menigte, eene wonderlijke mengeling
van Europeanen en inboorlingen, al zingende gevolgd worden.

Het vriendschappelijk verkeer, dat wij aanstonds met onze kameraden
van de Atalante hadden aangeknoopt, werd eensklaps afgebroken
door het bericht van het overlijden van de koningin van Borabora,
dochter van Pomare. Den 10den Maart stevenden wij naar Borabora, om
bij de begrafenis tegenwoordig te zijn. De echtgenoot der koningin,
Ariifaaite, die met ons medeging, scheen niet bovenmatig bedroefd over
den dood zijner dochter. Wij keerden dadelijk na de begrafenis naar
Papeete terug, waar, op den 18den Maart, de schout-bij-nacht inspectie
hield. Ondanks haar pas geleden verlies, kwam koningin Pomare aan boord
van de Atalante, om den opperbevelhebber een tegenbezoek te brengen.

De Atalante verliet ons den 21sten Maart; en ook voor ons naderde
met snelheid de dag van het vertrek; de Bruat, die de Vaudreuil kwam
aflossen, verscheen den 3den April.

Niet zonder diepen weemoed namen wij afscheid van het heerlijke
eiland Tahiti, zoo rijk aan natuurschoon, en waar wij een zoo gastvrij
onthaal gevonden hadden, ons dubbel welkom, na de vermoeienissen en
onberingen eener langdurige zeereis. De tijd, dien ik op dat eiland
gesleten heb, zal voor immer in mijne herinnering blijven leven,
als een der liefelijkste beelden uit mijn zeemansloopbaan.


Reis door Griekenland.


I.

Wij zaten aan tafel. Er was een vrij talrijk en vroolijk gezelschap
aan boord van de stoomboot; een aangename toon heerschte onder de
passagiers, ondanks--of misschien wel omdat--verschillende en zeer
uiteenloopende nationaliteiten onder ons vertegenwoordigd waren. Een
onzer medereizigers, een Franschman, die veel gereisd had, was
juist bezig ons een zijner avonturen in Nieuw-Caledonie te verhalen,
waarbij hij groot gevaar had geloopen, door de inboorlingen opgegeten
te worden; wij allen en hij zelf het eerst lachten hartelijk om het
fantastisch tooneel, dat hij ons voor de oogen schilderde, toen
plotseling de gezagvoerder binnentrad en ons mededeelde, dat wij de
kust in het gezicht hadden.

Dat moest de kust van Griekenland zijn. In zonderlinge spanning,
spoedde ik mij naar het dek. Vlak bij ons, aan de linkerhand,
zag ik een donker, roodachtig gekleurd voorgebergte, dat loodrecht
uit zee oprees, en door de sterke branding met vlokken schuim werd
overspat; daarachter verhieven zich, amphitheatersgewijze, dorre
naakte heuvelen, en ver op den achtergrond, met het hoofd in de
wolken, een met sneeuw bedekte bergtop. Nergens, in dit sombere,
woeste landschap eenig teeken van leven: geen enkele woning, geen
levend wezen, geen boom, geen grasspriet zelfs: niets dan doodsche
eenvormigheid en verlatenheid. Slechts een kleine brik laveerde met
moeite langs de kust, en deed haar best, om nog voor het vallen van
den avond uit dit vaarwater te komen, waar het, bij den opstekenden
zuidenwind, voor zeilschepen zeer gevaarlijk worden kon.

En dit was Griekenland, het land, waarvan de naam alleen, als een
zoete tooverklank, zoo vele liefelijke herinneringen mijner jeugd
wakker riep! Hoe menigmalen hadden wij niet, aan de akademie, met die
onvergetelijke klassieke herinneringen, met het oude Hellas, gedweept;
hoe menigmalen was niet de vurige wensch in ons opgerezen, dit land
te mogen aanschouwen, dien gewijden bodem te mogen betreden! Nu stond
die wensch voor mij vervuld te worden ... en dit was de eerste indruk!

Echter, laat ons niet te haastig oordeelen. Deze kaap Matapan of
Tenaros, zoo als zij eigenlijk heet, stond van oudsher in een kwaden
roep. Geheel aan de zuiden- en zuidwestenwinden, de heerschende in
de Middellandsche-zee, blootgesteld, werd en wordt zij nog heden met
volle recht door de zeevaarders gevreesd, die groot gevaar loopen om
door de branding tegen de onherbergzame rots geworpen te worden.

Een tempel van Poseidon, rustende op een onderbouw van dat prachtige
roode marmer, dat uitsluitend aan de groep van den Taygetos eigen
schijnt, blikte weleer van deze rotshoogte op de zee neder, als een
waarschuwing en eene vertroosting tevens voor de zeelieden, die daar
beneden met de golven worstelden en uit wier hart zeker menigmalen
eene bede tot den god is opgestegen. Door de werking van wind en
weder is deze tempel langzamerhand geheel gesloopt: tegenwoordig is
er zelfs geen spoor meer van te vinden.

Maar nog andere gevaren dan die der golven plachten hier de zeevaarders
te bedreigen. Als windstilte de schepen aan hunne plaats boeide, of als
zij, door den orkaan van hun zeilen beroofd, machteloos ronddreven op
de onstuimige wateren, dan gebeurde het maar al te vaak, dat vlugge
kapers, plotseling uit kreek en inham te voorschijn schietende als
roofvogels op hun prooi, de schepen overvielen, de bemanning over
den kling joegen en gingen strijken met den buit. Het is nog niet
zoo lang geleden, dat deze wateren van de plaag der zeeschuimers zijn
verlost. Wel had admiraal Paulicci een aantal dezer roovers opgehangen,
maar eerst de krachtige tusschenkomst van de vloten der westersche
mogendheden gedurende den Krimoorlog, maakte voor goed een einde aan
deze kaapvaart, die voor de kustbewoners bijna tot een geoorloofd
bedrijf geworden was.

Aan gene zijde van kaap Matapan opent zich de wijde golf van
Marathonisi, ten noorden door de vallei van Sparta begrensd. Zeker
schrijver, even weinig ervaren in de botanie als in de aardrijkskunde,
heeft den Peloponnesus bij een moerbezienblad vergeleken. De
vergelijking is zoo onjuist mogelijk. Wilde de man zijn voorbeeld
volstrekt aan het plantenrijk ontleenen, dan kon hij in Griekenland
een boom vinden, die hem de eenig juiste vergelijking aan de hand
zou doen: de plataan. Een plataanblad toch geeft inderdaad vrij wel
den vorm van Morea weer, met zijn drie, naar het zuiden gerichte
voorgebergten, waarvan het middelste de beide anderen in lengte
overtreft. De eerste landpunt, van het westen komende, is die van
Koron, uitloopende in kaap Gallo; daarop volgt het schiereiland Maina,
welks hooge en woeste rotsgebergten afdalen naar kaap Matapan; het
oostelijke voorgebergte eindigt in kaap Malea.

Tegenover deze kaap, eene groote bruine rotsmassa, en slechts door een
zeearm van twaalf mijlen breedte van het vasteland gescheiden, verheft
het eiland Cerigo zijn lage, naakte heuvelen uit de wateren. Deze
zee-engte levert voor de zeilvaartuigen dikwijls groote moeielijkheden
op: als in den Archipel de noordenwind heerscht, zijn zij dikwijls
genoodzaakt het anker uit te werpen aan den ingang der zeeengte,
in de golf van Marathonisi, en daar geduldig, soms dagen lang, te
wachten tot de wind naar het zuiden of het zuidwesten loopt. Blijft
het slechte weder aanhouden, dan ziet men daar soms meer dan honderd
schepen, vooral grieksche en italiaansche, bijeen. Thans zagen wij
er slechts enkelen, die zwaarmoedig op hunne ankers dobberden.

De zwarte wolken, die wij in haastige vlucht over de bergtoppen
zuidwaarts zagen spoeden, verwittigden ons, dat ook wij, bij het
verlaten der straat, met tegenwinden zouden te kampen hebben. De
moeielijkheden en gevaren, aan dezen waterweg, die de belangrijkste
havens en stations van den Levant verbindt, eigen, hebben al meermalen
naar een middel doen omzien om daarin verbetering te brengen. Het meest
voor de hand lag wel het denkbeeld, om de landengte van Korinthe,
die noordelijk Griekenland met den Peloponnesus verbindt, door te
graven. Op het eerste gezicht schijnt dit plan zich alleszins aan te
bevelen; maar bij nader onderzoek op de plaats zelve, zal het ons
duidelijk worden dat de voordeelen hoegenaamd in geene verhouding
zouden staan tot de moeielijkheid van het werk en het bedrag der
kosten, vooral nu niet, nu de stoomvaart steeds meer en meer de
zeilschepen verdringt.

Het eiland Cerigo, het oude Kythera, dat wij ter rechterhand laten
liggen, is niet veel meer dan een groote, steile, onvruchtbare
rotsmassa. Vroeger behoorde het, met de andere Ionische eilanden,
aan Engeland; door deze steenklomp aan Griekenland af te staan, heeft
Groot-Brittannie niet veel verloren. Eenige witgepleisterde huizen,
met platte daken, aan den voet eener naakte en door de zon geblakerde
rots--ziedaar alles wat thans nog de herinnering bewaart aan het oude
Kythera, wellustiger gedachtenis.

De hoofdplaats van het eiland, het vlek Sint-Nicolaas, heeft geen
haven en geen drinkwater, geen tuinen en geen boomen: ik zou bijna
zeggen ook geen inwoners, indien niet enkele wijngaarden, hier en
daar verspreid, het bewijs leverden dat hier toch inderdaad menschen
wonen. In de valleien en langs de minder steile hellingen, waar eene
dunne laag vruchtbare aarde den steenigen bodem bedekt, wordt een
weinig gerst geteeld en wijn verbouwd; eenige olijvengaarden leveren
de olie, die de bewoners van het eiland voor hun gebruik noodig hebben.

Volgens de officieele opgave, telt Cerigo eene bevolking
van tienduizend-zeshonderd zielen, verdeeld tusschen
tweeduizend-achthonderd gezinnen, ongeveer even veel huizen
bewonende. De meest bevolkte stad is Potamos, aan de noordoostkust
van het eiland. Scheepvaart en handel behooren tot de voornaamste
bronnen van bestaan.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.