De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 | 34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
De nacht was donker en zeer slecht; de zee stond hol; het woei hard,
en geweldige regenvlagen, met half gesmolten sneeuw doormengd, maakten
het verblijf op het dek alles behalve aangenaam. Toch waren wij in het
begin van April, in de valleien van Ionie de maand der rozen; maar zij,
die zich hunne voorstellingen van het Oosten gevormd hebben naar de zoo
vaak schitterende en gloeiende beschrijvingen en zangen der dichters,
waaraan de fantazie meer deel had dan de ervaring, moeten zich op
menige teleurstelling voorbereiden. Toen de dag aanbrak, bleek het
dat wij nog niet verder waren gekomen dan ter hoogte van Monemvasia,
aan de oostkust van den Peloponnesus, op twintig mijlen afstands van
kaap Malea. Daar het weder zich hoe langer hoe dreigender liet aanzien,
besloot de gezagvoerder eene schuilplaats te zoeken in deze kleine,
zeer onvoldoende haven, maar waar men althans eenigermate voor den
noordenwind gedekt is.
Ons oponthoud zou niet langer duren dan volstrekt noodig was: niettemin
kregen wij van den gezagvoerder verlof om aan land te gaan, mits wij
binnen drie uren weer terug waren.
Monemvasia, het oude Malvesia, is een eilandje van drie mijlen in
omtrek, dat aan alle zijden steil uit de golven oprijst. Ten zuiden
heeft zich, aan den voet van dien rotsmuur, een soort van glooiing
gevormd, waar eenige olijven groeien. Eene kleine stad, aan den oever
der zee gebouwd, is met het vasteland verbonden door middel van een
steenen brug, die eene lengte heeft van honderd-vijftig el; aan de
zijde van het eiland, verrijst op die brug een venetiaansche toren,
die blijkbaar tot verdediging dienen moest. Boven de poort is nog de
leeuw van Sint-Marcus uitgehouwen.
Boven op den berg ziet men nog oude middeleeuwsche vestingwerken, die
een zeer schilderachtig effect maken. Die vestingwerken dagteekenen
uit den tijd der Kruistochten, want Monemvasia of Malvesia was een der
belangrijkste vestingen van het vorstendom Achaie, dat de kruisvaarders
in de dertiende eeuw stichtten.
Willem van Villehardouin, de neef van den beroemden kroniekschrijver,
vermeesterde de stad in 1205, met behulp der Venetianen, na een
beleg van drie jaar. De inwoners, die goed van levensmiddelen waren
voorzien, lachten eerst, van hunne hooge sterke muren, de Franschen
uit; maar Villehardouin maakte ernst met zijn beleg, en liet drie of
vier blijden of katapulten aanvoeren, waarmede hij rotsblokken van
meer dan tweehonderd ponden zwaarte op de stad slingerde, die de
huizen vernielden, de verdedigers verpletterden en de muren deden
instorten. Na verloop van drie jaar, toen de inwoners, nadat de
voorraad was opgeteerd, aan het nijpendste gebrek ten prooi waren,
bood de kloeke stad eindelijk hare onderwerping aan. Monemvasia had
in vervolg van tijd nog vier belegeringen door te staan, en viel
driemalen in handen der Venetianen. Het laatste en meest beroemde
beleg is wel dat van 1821.
De meeste Turken van oostelijk Morea, door den griekschen opstand
verrast, hadden destijds de wijk genomen naar deze stad, die nu
door Kantakouzenos, een der krijgsoversten van prins Ypsilanti,
werd belegerd. Na al de Grieken, die zij in hunne macht hadden,
onder de afgrijselijkste martelingen ter dood te hebben gebracht,
zagen de Turken zich eindelijk genoodzaakt hun honger te stillen
met de lijken hunner gevangenen en hunne eigene kinderen. Op hunne
knieen moesten zij in 't eind de genade des overwinnaars afsmeeken,
die hun vergunde naar Klein-Azie te trekken. Deze zegepraal, een der
eersten door de Grieken behaald, wakkerde hun moed aan, en maakte
alom in Europa een diepen indruk.
Onze landing ging alles behalve gemakkelijk. Eenige rotsen, waarover
iedere hooge golf heensloeg, dienden als aanlegplaats; en onze matrozen
hadden al hun behendigheid en de inspanning van al hunne krachten
noodig, om te zorgen dat de sloep niet te pletter gestooten werd.
De wandeling door de stad leverde niets merkwaardigs op. De
huizen hebben voor het meerendeel een zeer armoedig, verwaarloosd
voorkomen; sommigen prijken nog met beeldwerk van venetiaanschen
oorsprong. Eene kleine, half verwoeste kerk, weleer door de Franschen
gebouwd, draagt nog, op een harer muren, het wapenschild der familie
Villehardouin. Voor het beklimmen van den berg ontbrak ons de tijd;
ook was daar niets te zien dan vervallen muren en kudden geiten. De
rots van Monemvasia herinnert, op kleine schaal, aan die van Gibraltar,
en is, even als deze, eene natuurlijke vesting. Maar bij de middelen
van vernieling, waarover de hedendaagsche krijgskunst beschikt, heeft
deze vesting haar belang verloren: zij wordt dan ook niet meer door
den Staat onderhouden. De stad drijft geen noemenswaardigen handel
en ontvolkt zich gedurig meer; tegenwoordig telt zij ter nauwernood
duizend inwoners. De eenmaal zoo beroemde Malvesie-wijn groeit sinds
lang niet meer in den omtrek; indien de heuvelen van het vasteland,
tijdens de venetiaansche heerschappij, inderdaad met wijngaarden
waren beplant, dan zijn die nu al sedert geruimen tijd door steenen
en doornen vervangen. De zoogenoemde Malvezye komt tegenwoordig uit
het eiland Tinos.
Den volgenden morgen was de lucht opgehelderd en konden wij onze reis
naar het noorden hervatten. Ook nu hielden wij altijd de bergachtige,
woeste, naakte kust in het gezicht. Van tijd tot tijd teekende zich
tegen de grauwe, kale rotshellingen een witte streep: dat was de
uitgedroogde bedding van een bergstroom. Somwijlen ook, aan den mond
van een smal dal, verhieven zich, dicht bij den oever, eenige wilde
olijven, wier grijsachtig groen gebladerte eigenaardig paste bij dit
onbeschrijfelijk treurige, sombere landschap. Nergens was een huis,
nergens was een akker of tuin te zien; zelfs geen pad verlevendigde
deze eentonige verlatenheid.
Als wij langs den mond der golf van Nauplia heenvaren, verliezen wij
de kust uit het gezicht; maar weldra duikt zij weder voor ons op, en
straks stoomen wij door de smalle straat tusschen Kastri en het eiland
Hydra, dat zich als een reusachtig zeemonster uit de golven verheft.
De stad van denzelfden naam is zeer schilderachtig gelegen,
aan den oever eener kleine baai, aan drie zijden door de rotsen
ingesloten. Tegen den steilen rotswand op den achtergrond verrijzen,
boven elkander, de groote en fraaie huizen der stad, ten getale van
ruim drieduizend, die met haar platte daken en haar witte muren een
zeer eigenaardigen, verrassenden indruk maken. De smalle straten zijn
als trappen in de rots uitgehouwen.
De geschiedenis van dit plekje gronds is zeer merkwaardig en toont,
in een sterk sprekend voorbeeld, van welke schijnbaar zeer verwijderde
oorzaken de bloei en het verval van steden kunnen afhangen.
Tot in de achttiende eeuw was Hydra eene onbekende en geheel onbewoonde
rots; maar omstreeks 1730 vestigden zich hier eenige albaneesche
uitgewekenen, door de dwingelandij der turksche ambtenaren uit
hun vaderland verdreven. Op deze naakte verlaten rots waren zij
nu wel veilig voor de schraapzucht en afpersingen hunner tyrannen,
maar tevens ontbrak het hun aan elk middel van bestaan. Wil men hier
een tuin aanleggen--een weelde, waaraan toen niemand dacht, maar die
eerst later in zwang kwam;--dan moet de aarde, met groote kosten, op
een afstand van vijf-en-twintig mijlen, uit den Peloponnesus worden
gehaald en naar het eiland gebracht. Water is hier evenmin te vinden;
het regenwater wordt zorgvuldig in groote bakken opgevangen, en is
er geen regen genoeg gevallen, dan moet het drinkwater, in kleine
langwerpige vaatjes, van de kust worden aangevoerd.
Daar hun eiland volstrekt niets opleverde waarvan zij leven konden,
waren de Hydrioten wel gedwongen op zee naar middelen van bestaan om te
zien. Bekwame en stoutmoedige zeevaarders, werden zij in korten tijd de
voornaamste agenten van den geheelen handel in den Levant. Gedurende
de oorlogen der revolutie en van het eerste fransche keizerrijk,
doorkruisten zij, onder de bescherming der neutrale turksche vlag,
de Middellandsche-zee in alle richtingen, in hunne handelsoperatien
gesteund door de rijke kooplieden van het eiland Chio. In de havens
van westelijk Europa verkochten zij hunne ladingen tegen hooge
prijzen, en kochten voor een spotprijs de artikelen, waarmede men
dikwerf geen weg wist, weder in; zij verbraken de blokkade, tartten de
oorlogschepen, en wisten zich ook in het dreigendste gevaar te redden
met eene onverschrokkenheid, een behendigheid en eene bekwaamheid in
de zeemanskunst, die de bewondering van alle deskundigen opwekten.
Het is niet mogelijk te berekenen, wat in die jaren door het Westen
aan Griekenland werd betaald. Te Hydra werden kolossale fortuinen
gegrondvest; koffers met goud gevuld werden in de kelders dezer
eilanders opgestapeld. De belasting, aan den Sultan verschuldigd,
kweten zij door jaarlijks een zeker aantal matrozen te leveren voor
de keizerlijke vloot. Zij regeerden verder zich zelven, en geen
muzelmansch ambtenaar oefende op het eiland eenig gezag uit. Hydra
was metterdaad eene kleine, onafhankelijke republiek, bestuurd door
haar eigen primaten, die bijna altijd uit dezelfde familien gekozen
werden. Een raad der oudsten besliste zonder hooger beroep de weinige
rechtsgedingen, die nu en dan mochten voorkomen.
Toch had deze weergalooze voorspoed en de noodwendig daarmede
gepaard gaande weelde de liefde voor het vaderland en de behoefte
aan onafhankelijkheid in de harten der Hydrioten niet uitgedoofd of
verzwakt. Het hun zoo overvloedig toebedeelde goud had het gemoed
dezer kloeke zeevaarders niet verweekelijkt; en toen, in 1821, het
teeken van den griekschen onafhankelijkheidsoorlog gegeven werd, waren
zij de eersten, die met blakende geestdrift voor de heilige zaak der
nationale vrijheid partij kozen. Hun fortuin, hun leven, alles brachten
zij ten offer om den kamp te kunnen volhouden. De familie Kondouriotis
geeft aan Griekenland anderhalf millioen; anderen geven een millioen,
vijfhonderd-, vierhonderdduizend franken; de vrouwen staan haar
juweelen en sieraden af; de matrozen zelfs doen afstand van hun
aandeel in de winst. Al die koopvaardijschepen, die de ottomannische
vlag voerden, worden nu in even zooveel onverschrokken kaapvaarders
herschapen, die de vloot van den Sultan, tot zelfs onder het geschut
der aziatische vestingen, gaan bestoken. Men rust branders uit, die
de turksche matrozen met schrik en verbijstering slaan. Tombazis,
Tzamados, Miaoulis vooral, alle drie Hydrioten, wonnen zich een
onsterfelijken naam door hunne heldendaden, in dezen heiligen krijg,
dien geheel Europa met de grootste belangstelling gadesloeg.
Maar de Hydrioten ruineerden zich door de met zooveel ijver gebrachte
offers; en de grieksche regeering, die bij herhaling heeft verklaard
dat zij tegenover hen een heiligen plicht had te vervullen, heeft
tot dusver nog niets gedaan om hen schadeloos te stellen voor
de ontzaggelijke verliezen, die zij geleden hebben. Hun handel,
reeds zeer bedreigd door de stichting van Syra, kreeg vooral een
doodelijken slag door de ontwikkeling der stoomvaart. Het eiland
is thans schier ontvolkt; in plaats van veertigduizend, telt
het tegenwoordig nauwelijks zevenduizend inwoners, en dit getal
vermindert nog voortdurend. Sommigen hebben zich te Syra gevestigd;
anderen in den Piraeus, en hebben hunne oude woningen verlaten, die
langzamerhand in puin vallen. Als men tegen de smalle straten der
stad opklautert, ziet men overal hooge huizen, waarvan de gesloten
vensters, de geschonden muren, de ingestorte terrassen, de groote
eenzame voorhuizen, aan Hydra het voorkomen geven van eene verlaten,
gezonken stad en den vreemdeling met weemoed vervullen.
Toch, ondanks dit diep verval, is het vaderland van Miaoulis nog wel
de belangstelling van den vreemdeling waard, al ware het alleen omdat
het grieksche volksleven zich hier op eene zoo hoogst eigenaardige
wijze ontwikkeld heeft, en een karakter vertoont, dat op het punt
staat te verdwijnen en nergens elders wordt wedergevonden.
Men heeft dit eiland, dat achttien mijlen lang en slechts vier mijlen
breed is, meermalen vergeleken met de kiel van een omgekeerd schip;
maar men had de vergelijking nog verder kunnen uitstrekken, want
zoodra ge de kleine haven zijt binnen gevaren, treft u aanstonds
het eigenaardig maritiem karakter van alles wat u omgeeft. Langs de
kaaien hangen, aan ijzeren haken, sloepen en booten, even als aan
boord van een schip; in de rots zijn windassen, hefboomen en andere
werktuigen bevestigd, even als op het dek van een fregat. In ruime
pakhuizen, van ruwe grijze marmerblokken opgetrokken en van smalle
ijzeren deuren voorzien, liggen of lagen vroeger balen en pakken
gerangschikt, als in het ruim van een schip.
Waarheen ge ook uwe oogen wendt, overal ziet ge zeelieden, kenbaar aan
hunne buizen, aan hun wijde broeken, aan hun eigenaardigen slingerenden
gang, vooral ook aan hun door de zon gebruind gelaat, aan hun rustig,
vastberaden voorkomen. Nergens bespeurt ge een rijtuig, zelfs geen
handwagen; ook zijn er geen andere dieren, dan eenige honden. De
straten in de bovenstad zijn als uitgestorven; slechts enkele
malen wordt er eene lage deur geopend, en hoort ge het geruisen van
vrouwen-voetstappen op de steenen. Want ge vindt hier bijna niets
dan vrouwen en kinderen, daar de mannen schier zonder uitzondering
op zee zijn.
Laat ons een dier oude huizen binnengaan, in de rijke dagen van Hydra
gebouwd, en waarvan de fondamenten, in de rots uitgehouwen, meer
gekost hebben dan die der prachtigste paleizen in onze hoofdsteden. De
ruime zalen en vertrekken zijn met marmer geplaveid en met fraaie
smyrnasche tapijten belegd; de vensters zien op zee uit. De muren zijn
witgepleisterd, en laten uit het oogpunt van reinheid niets te wenschen
over. Wij zien geen andere bedienden dan jonge meisjes, knapen, die
nog niet berekend zijn voor den zwaren arbeid huns vaders, of oude
mannen, voor wie het beroep van zeevaarder te zwaar is geworden.
In een afgelegen vertrek vinden wij de vrouwelijke bewoners, de moeder,
de echtgenoote, de dochters van den heer des huizes, bijeen en aan den
arbeid; de oudsten herstellen het linnengoed, de jongeren borduren die
fijne, kunstige, smaakvolle weefsels van zijde met goud doormengd,
die, jammer genoeg! meer en verdrongen worden door de gedrukte
stoffen van Manchester. Zij spreken weinig of niet, en schijnen in
gedachten verzonken. Haar eenzaam, afgezonderd leven heeft aan haar
fraai besneden, bevallig gelaat eene uitdrukking van droefgeestigheid
en stille berusting gegeven. Op het hoofd dragen zij een lichtgelen
zijden doek, met goud geborduurd, die onder de kin wordt saamgevouwen
en het geheele gelaat omlijst, zoodat slechts een smalle hairvlecht op
het voorhoofd zichtbaar is. Een nauwsluitend buisje van rood fluweel,
van voren open, en met nauwe, met goud borduursel versierde mouwen,
wordt onder de borst toegegespt over een fijn batisten hemd. Deze
vrouwen gaan nimmer uit, tenzij om nu en dan een bezoek te brengen
bij hare buren. Waar zouden zij ook heen gaan in dit eiland, waar
geene wandelingen zijn, en waar de wegen en straten meer dan op iets
anders op ladders gelijken?
Buiten de stad is er letterlijk niets te zien. Van alle zijden breken
de golven op loodrechte, ongenaakbare rotswanden, en op de toppen dier
rotsen, waarover onophoudelijk de winden heenstrijken, vinden enkele
kudden geiten een schraal voedsel. Nergens is eene woning te zien,
nergens eenig spoor van bebouwing; volgens de officieele statistiek,
vindt men op het gansche eiland, dat eene oppervlakte beslaat van
omstreeks negentig vierkante mijlen, niet meer dan tien grondeigenaars
en zeventig herders tegen duizend zeelieden.
Voor wij weder naar boord terugkeerden, wilden wij althans de
voornaamste kerk van Hydra zien, die in Griekenland haars gelijke
niet heeft. Deze kerk, de kathedraal, werd voor omstreeks anderhalve
eeuw gebouwd. Zij is geheel uit wit marmer opgetrokken, en is rijk
versierd met beeldhouwwerk en met fraaie byzantijnsche schilderijen op
gouden grond. Aan het gewelf hangt een reusachtige kroon van massief
zilver, in venetiaanschen smaak bewerkt en met prachtig beeldwerk
versierd. Daarnaast hangt een fraaie kroon van verguld brons, in den
stijl van Lodewijk XIV en prijkende met de koninklijke lelien van
Frankrijk. Naar men zegt, werd deze kroon, tijdens de omwenteling,
uit een der koninklijke kasteelen gestolen en te Marseille door een
koopvaardijkapitein van Hydra gekocht, die bij zijne terugkomst dit
kunstwerk, als een ex-voto aan de Panagia (de Heilige Maagd, letterlijk
de Al-heilige) wijdde. Nevens de kerk, en daarvan afgescheiden, staat
een campanile of klokkentoren, geheel opengewerkt en gebeeldhouwd,
als ware het een reusachtig stuk speelgoed uit ivoor gesneden. De
koepel van dezen wondervollen toren bestaat uit tien open bogen van
wit marmer, waartusschen men den blauwen hemel ziet; de koepel gelijkt
sprekend op eene kroon.
Ik mag het eiland niet verlaten, zonder er aan te herinneren dat Hydra
het vaderland is van een staatsman, die in de diplomatieke wereld van
Europa een welbekenden naam draagt: Demetrius Bulgaris, thans ruim
vijf-en-zeventig jaar oud, en die sedert meer dan vijftig jaar een
zeer werkzaam aandeel heeft genomen aan de politieke geschiedenis van
zijn land. Zijne tegenstanders beschuldigen hem van hartstochtelijke
partijschap en van oneerlijke praktijken en intriges, waaraan hij
meermalen het belang des lands zou hebben ten offer gebracht. Ik
wil zijne politieke loopbaan niet beoordeelen; zeker is het, dat hij
getoond heeft een man van zeldzame geestesgaven te zijn.
Hij is meer dan tienmaal eerste minister geweest; bij de omwenteling
van October 1862, die Koning Otto van den troon stootte, plaatste hij
zich aan het hoofd van het voorloopig bewind; en ondanks zijn hoogen
leeftijd, schijnt zijn ijver en zijn eerzucht nog onverflauwd. Hij
heeft nimmer de nationale kleederdracht willen afleggen; en te midden
der andere ministers en hooge staats-ambtenaren, allen in de vulgaire
moderne liverei uitgedost, maakt deze grijsaard in zijn lang golvend
kleed, met bont omzoomd--het traditioneele kostuum der primaten van
Hydra--eene inderdaad eerbiedwekkende figuur.
II.
Hydra verlatende, wendden wij ons westwaarts, om de golf van
Egina in te stevenen. Deze golf, die tusschen kaap Skyli en kaap
Kolonna of Sunium eene breedte heeft van acht-en-veertig mijlen, is
verreweg de grootste der vele baaien en inhammen langs de oostkust
van Griekenland; zij is als het ware de voortzetting van de golf van
Lepanto, waarvan zij slechts door eene smalle en niet hooge landtong
gescheiden is. Juist in het midden der golf ligt het eiland Egina,
en de prachtige waterkom is verder aan alle zijden omlijst door de
beroemdste streken van het oude Griekenland. Links ligt Argos, rechts
Attika; achter de golf verrijst Korinthe, voorts Megara, Eleusis,
Salamis, overschaduwd door de hooge toppen van den Kitheron. Welke
herinneringen roepen deze enkele namen niet voor den geest!
Wij moesten aan de kust van Argos ophouden, te Poros, waar het rijks
marine-arsenaal is gevestigd, en waar onze boot een gebrek aan de
machine herstellen moest. Het voorkomen der kust was sedert gisteren
geheel veranderd. De bergen waren met groen en hout bedekt, en op
de lagere hellingen trokken gansche bosschen van olijven, oranje-
en citroenboomen het oog.
Na kaap Skyli te zijn omgevaren, bereikt men, door eene nauwe straat,
waarvan de toegang door een versterkt eilandje verdedigd wordt,
de reede van Poros, eene ruime, prachtige baai, door groene bergen
omgeven. De stad Poros heeft niets bijzonders; het arsenaal verkeert
in min of meer vervallen toestand, en op de werven wordt niet gewerkt;
de sommen, ten behoeve der marine op het budget uitgetrokken, zijn
onvoldoende om iets degelijks tot stand te brengen, en bovendien
worden die gelden juist niet altijd gebruikt voor het doel waarvoor
zij bestemd zijn. Echter heeft men in de laatste jaren een droog dok
aangelegd, tot groot gemak voor de vreemde schepen, die anders bij de
minste averij genoodzaakt waren naar Constantinopel of naar Marseille
te gaan.
Tijdens den onafhankelijkheidsoorlog heeft Poros eene belangrijke
rol gespeeld; gedurende eenigen tijd was deze op een eiland gelegen
stad de hoofdstad van den om zijn bestaan worstelenden staat. Te
Poros had, in 1828, de conferentie plaats tusschen de engelsche,
fransche en russische gevolmachtigden, die over het toekomstig lot van
Griekenland moesten beslissen; te Poros stak, in 1831, de admiraal
Miaoulis de grieksche vloot in brand, liever dan te gehoorzamen aan
het bevel van Capo d'Istria, en haar in handen van den russischen
admiraal over te leveren.
Wij steken de golf in hare volle breedte over, en laten het eiland
Egina aan onze linkerhand liggen; uit de verte groet ons de oude
tempel, op een kegelvormigen heuvel gebouwd. Een smetteloos blauwe
hemel, stralende van licht, welfde zich over ons; met vluggen
gang kliefde de boot de donkerblauwe golven. Telkens duidelijker
teekenden zich voor onze starende blikken alle trekken en lijnen van
het wonderschoone landschap, dat zich als eene onmetelijke schilderij
voor onze oogen ontrolde.
Boven eene lage, rossige vlakte verheffen zich twee hooge bergen, en
steken met hunne breede lijnen scherp tegen den helderen hemel af:
dat zijn de Pentelikon, beroemd om zijn schitterend wit marmer, en
de Hymettos, eens rijk aan honig en welriekende bloemen. Tusschen die
beiden, verrijst uit de vlakte een eenzame steile rots, gekroond met de
zuilen van het Parthenon. Rondom die rots scharen zich eenige lagere
hoogten, en achter haar stijgt, in koene majesteit, de Lykabettos
omhoog. Stort over dit onbeschrijfelijk schoon panorama al den gloed,
al de verwen, al de kleurenpracht, al den wondervollen lichtglans uit,
die een zonsondergang in deze oostersche zeeen tooverend scheppen kan,
en misschien zult ge u eenigermate een flauw denkbeeld kunnen maken van
de heerlijkheid van dit tooneel, dat ik niet wagen zal te beschrijven.
Eensklaps verdwijnt dit gansche tafreel achter een vooruitspringend
voorgebergte, en wij varen de haven van den Piraeus binnen, langs
een zware gemetselde paal, die vroeger een der oude leeuwen droeg,
tegenwoordig voor de poort van het arsenaal te Venetie geplaatst. In
de oudheid dienden de beide zuilen, waarop de roode en groene vuren
waren geplaatst, die den nauwen mond der haven aanwezen, tevens tot
bevestiging van een zwaren ijzeren ketting, waarmede in tijd van
oorlog de ingang der haven voor vijandelijke schepen werd afgesloten.
Dat smalle bochtige kanaal daar ginds, ter linkerhand, achter het
eiland Psytalia, kenbaar door zijn vuurtoren, dat is de beroemde reede
van Salamis, ingesloten tusschen het bergachtige eiland van dien naam
en de hooge kust van Attika. Op gindsche vooruitspringende rotspunt
stond de gouden troon van Koning Xerxes, die van deze rotsige hoogte
de nederlaag zijner vloot aanschouwde.
Welke herinneringen knoopen zich aan dien naam van Salamis! En nu,
stelt de werkelijkheid u niet te leur? Ja zelfs, begint ge niet te
twijfelen aan de waarheid der berichten, die omtrent dezen eeuwig
gedenkwaardigen zeeslag tot ons gekomen zijn? In die smalle zeeengte
zouden nauwelijks tien onzer hedendaagsche oorlogschepen ruimte
kunnen vinden om te manoeuvreeren: en naar men verhaalt, kampten hier
tweeduizend vaartuigen, een ganschen dag lang.
Is het niet zoo, dat wij tot de erkentenis moeten komen, dat de
eigenliefde en nationale trots der grieksche schrijvers, die ons de
heldendaden hunner landgenooten hebben verhaald, zich niet altijd
voor overdrijving heeft weten te wachten? Bij Salamis betoonden
de Grieken nu juist niet zoo grooten ijver om den strijd aan
te binden. Zij aarzelden en bedachten zich vrij lang, eer zij het
durfden wagen de Perzen te lijf te gaan; als naar gewoonte twistten
zij onder elkander, wierpen elkander van boord tot boord scheldwoorden
naar het hoofd, en daagden elkander uit om den aanval te beginnen:
niemand wilde de eerste zijn. De Peloponnesiers beweerden dat hunne
eigene haardsteden werden bedreigd, en wilden onverwijld vertrekken
om die te verdedigen. Zij waren bevreesd, en zouden ongetwijfeld op de
vlucht gegaan zijn, zoo niet Themistokles de krijgslist verzonnen had,
waardoor ieder misleid werd. Toen er eenmaal geen ontkomen meer aan
was, en de strijd onvermijdelijk was geworden, ja gewis, toen deed
juist de onderlinge naijver den heldenmoed nog te feller ontbranden
en vochten allen als leeuwen. Maar niet zoodra was het gevaar voorbij,
of het oude gekijf begon op nieuw: nu wilde ieder het eerst den aanval
begonnen zijn. Is het ook niet waar, dat den avond voor den slag,
in het grieksche kamp, aan de goden menschenoffers werden gebracht,
en dat de Grieken, zelfs in dezen bloeitijd hunner beschaving,
de gewoonte hadden om hun krijgsgevangenen de duimen af te houwen,
zoo als na den slag van Thespiae gebeurde?
Van de drie oude havens van Athene, Phaleros, die te open lag,
Munychia, die te klein was, en de Piraeus, wordt tegenwoordig
alleen de laatste nog gebruikt. De haven is ruim genoeg, maar slecht
onderhouden; en aan de noordzijde is een vrij uitgestrekt terrein in
een ongezond moeras herschapen, waaronder men nog groote marmeren
zerken vindt, de overblijfsels van den vloer van een voormalig dok
voor do krijgsgaleien. Dit thans geheel aangeslibde dok of bekken ligt
nevens het station van den spoorweg naar Athene, en zou uitstekend
geschikt zijn voor spoorweghaven. Tot dusver is daar echter nog
niets aan gedaan, hoewel het toch niet zoo moeilijk zou vallen dien
modderpoel op te ruimen.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 | 34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65