De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 | 35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
De haven van den Piraeus ligt doorgaans vol met allerlei vreemde
oorlogschepen, waarvan de gezagvoerders zich meestal niet veel
bekommeren om de bevelen van den havenmeester maar ten anker
komen zoo als dat hun het beste bevalt, zeer dikwijls dwars in het
vaarwater. Verschijnt er een pakketboot van honderd en meer ellen
lengte aan den ingang der haven, dan heeft het dikwijls moeite genoeg
in om aanvaring met een of ander zwaar gepantserd russisch of engelsch
fregat te vermijden, dat eenvoudig den doortocht verstopt.
In 1835 bestond de Piraeus uit niet meer dan een tiental ellendige
hutten, langs een moerassig, hoogst ongezond strand verspreid. In
1861, toen ik hier voor de eerste maal aan land stapte, begonnen
ruime pakhuizen en eenige groote fraaie huizen uit den grond te
verrijzen. Er ontstonden straten; zelfs was er reeds eene openbare
wandelplaats aangelegd, die in al de frischheid van het eerste groen
prijkte. Deze verschillende werken dankten voor een groot deel hun
ontstaan aan het fransche bezettingskorps, dat gedurende den Krimoorlog
hier in den Piraeus lag, om het grieksche volk in bedwang te houden;
en het park, waar twee- of driemaal in de week militaire muziek wordt
gemaakt, draagt zelfs den naam van den admiraal Tinan, die het deed
aanleggen. Men moet erkennen, dat de fransche zee-officieren deden
wat in hun vermogen was, om het krenkende en beleedigende van deze
soort van voogdij over een onafhankelijken staat te temperen: eene
voogdij, te grievender omdat zij, hoewel door de toenmalige politiek
der westersche mogendheden geboden, niettemin bepaaldelijk ten doel
had, het grieksche volk tegen te houden in zijn meest wettig streven:
de verlossing zijner broeders, die nog zuchten onder het turksche juk.
De laatste maal, dat ik den Piraeus bezocht, was in 1874, veertig
jaar nadat een vreemde gezant, die des avonds hier was ontscheept,
zich genoodzaakt zag den nacht door te brengen in een loods, waardoor
de wind speelde, en geen glas water kon krijgen om zijn dorst te
lesschen. Ik zou wel wenschen dat zij, die beweeren dat het grieksche
volk geen toekomst heeft, eens eene vergelijking wilden maken tusschen
den Piraeus in 1834 en in 1874; ik houd mij overtuigd dat zij dan
wel gedwongen zouden zijn een minder streng en eenzijdig oordeel over
het jonge koningrijk uit te spreken. Ik geef toe, dat de vooruitgang
nergens duidelijker in het oog valt, dan hier in den Piraeus en in de
beide havensteden Syra en Patras; maar het is toch wel niet mogelijk
dat de zoo belangrijke vooruitgang en ontwikkeling van deze drie steden
geheel zonder invloed zou zijn gebleven op het overige des lands. Dit
zou in strijd zijn met alle regelen der staathuishoudkunde, en ook,
wat vrij wat meer zegt, met de ervaring.
Wie tegenwoordig aan de kaaien van den Piraeus aan wal stapt, wordt
niet enkel getroffen door de handelsdrukte en het levendige verkeer. De
zeer groote uitbreiding en voortdurende vermeerdering der straten en
wijken is het sterkste bewijs voor de toenemende welvaart. Fabrieken,
uit wier hooge schoorsteenen rookwolken opstijgen, doen u denken aan
onze fabrieksteden. Langs de hellingen van den steenachtigcn en vroeger
geheel verlaten heuvel, die de haven van den Piraeus van die van
Munychia scheidt, verrijzen smaakvolle en sierlijk ingerichte woningen
met roode daken en groene zonneblinden. In de nabijheid der haven vindt
men verschillende kerken en eene Beurs, waarvan de bovenverdieping tot
societeit voor de kooplieden is ingericht. Sommige buurten, het is zoo,
hebben nog een min of meer aartsvaderlijk voorkomen behouden; maar de
breede straten, die in aanleg zijn, de riolen en andere werken in het
belang der gezondheid, die vol ijver worden ondernomen, de plantsoenen
die worden aangelegd, die allen bewijzen dat de stedelijke regeering
van den Piraeus haar roeping in het belang der gemeente begrijpt,
en daarvoor meer over heeft dan die van Athene.
De bevolking neemt voortdurend toe. In 1835 waren er geen honderd
inwoners; in 1861 bedroeg de bevolking zesduizend-vierhonderd zielen;
in 1870 was dit cijfer tot ruim elfduizend geklommen, en in 1874
tot minstens dertienduizend, waaronder vijf-en-twintig-honderd
werklieden. In de laatste tien jaar zijn er in den Piraeus
verscheidene belangrijke fabrieken opgericht: eene zijdeweverij, zes
katoenspinnerijen, zeven stoommolens, eene fabriek van zoogenaamde
parijsche spijkers, branderijen, meubelfabrieken, eene glasblazerij en
meer anderen. Er zijn thans in het geheel in den Piraeus dertig meer
of min belangrijke industrieele inrichtingen, met een gezamenlijk
stoomvermogen van meer dan tweeduizend paardekrachten. Slechts twee
etablissementen behooren aan vreemden, al de anderen aan Grieken. In
de glasblazerij zijn al de werklieden uit Pruissen afkomstig; de
stoommachines in de fabrieken zijn voor het meerendeel in Frankrijk
vervaardigd.
Nauwelijks hebt ge uw voeten gezet op de witmarmeren trappen van de
aanlegplaats, of aanstonds ziet ge u omgeven door een zwerm ciceroni,
die u het hoofd doen duizelen door hun kosmopolitisch gebabbel en den
ijver, waarmede zij u hunne diensten opdringen. De bewoners van den
Levant, en met name de Grieken, hebben van oudsher eene sterke neiging
gevoeld voor die soort van beroepen en bedrijven, waarbij veel praten
te pas komt. Op de onderste sporten van de maatschappelijke ladder
vindt ge de ciceroni en commissionnairs, indringend, onbeschaamd
en onuitputtelijk in woordenpraal; hooger op, de agenten en tolken
der handels- en bankiershuizen, geslepen, handig en gansch niet
afkeerig van intrige en sluw overleg; en op de bovenste sport, de
drogmans der gezantschappen en consulaten en van de Verhevene Porte,
vol ijver, listig, oneerlijk en meester in de kunst van misleiding
en omkooping, daarbij zeer machtig door den grooten invloed, dien
zij zich doorgaans weten te verwerven. Overal hervindt ge dezelfde
trekken: groote gevatheid en vlugheid des geestes, welbespraaktheid
en gave der overreding, en dit alles bovenal dienstbaar gemaakt aan
de bevordering van het eigen belang.
Dien eigen avond word er in de societeit boven de Beurs een bal
bij inteekening gegeven, waarop ik door een mijner bekenden werd
geintroduceerd. De zalen waren schitterend verlicht on prachtig
versierd. Er werd ijverig gedanst, ook door de officieren van een in
de haven liggend fransch oorlogschip. Onder de dames, helaas voor
het meerendeel in parijsche kleederdracht, waren er verscheidene,
die de aandacht trokken door hare schoonheid. De heeren waren mede
in europeesch bal-kostuum; hadden niet de rijke welluidende klanken
der muziekale grieksche taal mij van het tegendeel overtuigd,
dan had ik mij gemakkelijk kunnen verbeelden, in eene of andere
fransche provinciestad te zijn. Het orchest was voortreffelijk,
en de ververschingen lieten niets te wenschen over.
Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, ging ik eene
wandeling maken langs de haven; daarna vertrok ik naar Athene.
De weg, die den Piraeus met Athene verbindt, is maar acht mijlen
(kilometer) lang, en voor het grootste gedeelte belommerd. Tusschen
de zilverachtige stammen der slanke virginia-populieren, die den
weg omzoomen, zien wij de toppen van den Parnessos, door de rijzende
zon met een zachten purpergloed overgoten, terwijl de vlakte nog in
blauwachtige schaduw is gehuld. Een groot ongerief van dezen weg is het
fijne, witte kalkachtige stof, dat in dichte wolken omhoog stuift, u
half verstikt en het voorkomen geeft van een molenaarsknecht. Een groot
aantal wagens en karren, met kisten, tonnen, balen, bouwmaterialen
enz. beladen, rijden ons voorbij. Aan onze rechterhand zien wij
tusschen de olijven en wijngaarden een spoorweg, waarlangs zich een
trein met zeer middelmatige snelheid voortbeweegt.
Overeenkomstig eene vaste, overoude gewoonte, houden wij halverwege
stil in een klein koffiehuis, waar wij een glas raki gebruiken. Nu
vertoont zich voor onze oogen het Parthenon, hoog boven de rotsen van
den Pnyx, en duidelijk uitkomende tegen den helderblauwen hemel. Weldra
worden dan ook de witte huizen van Athene zichtbaar, tusschen de
Akropolis en den Lykabettos. Een breede singel, met jonge boompjes,
amsterdamsche boompjes, beplant, die vergaan van het stof, voert ons
naar het hotel van Groot-Brittannie. Uit onze vensters, die uitzien
op het plein der Constitutie en een groot square, met oranjeboomen en
bloeiende heesters beplant, kunnen wij onze blikken laten rusten op de
plompe smakelooze massa van het koninklijk paleis met het aangrenzende
park; vlak tegenover ons verrijst de indrukwekkende rotsburcht van
de Akropolis, met haar onsterfelijke ruinen.
Wij zijn in Athene.
III.
's Nachts was de noordenwind opgestoken. Huilend gierde hij
bijwijlen om het huis, floot door de reten der deuren en deed de
vensters klapperen. Hij kwam van de nog met sneeuw bedekte bergen
van Phthiotis, en was zoo ijzig, doordringend koud, dat ik huiverde
onder mijn winterjas. Weldra begon het te regenen, en een grauwe nevel
spreidde zich uit over het prachtige panorama, dat mij den vorigen
dag zoo in verrukking had gebracht, maar nu als uitgewischt was in
doffe grijze tinten. Ai mij! wat was er nu van al die heerlijkheid
geworden? De Hymettos was slechts een zeer alledaagsche, vervelende
heuvel; het Parthenon een vuile steenklomp.
Drie dagen achtereen hadden wij, in het laatst van April, een weer,
als bij ons in December. Niet minder, ik zou haast zeggen nog meer,
dan andere landen, heeft Griekenland zon noodig, om recht begrepen
en gewaardeerd te worden. Die ernstige, strenge lijnen moeten
zich afteekenen tegen den helderen, lichtenden, blauwen hemel,
klaar als kristal; de zon moet haar warmen stralengloed, haar
wondere kleurenpracht uitgieten over die naakte, grijze rotsen
en heuvelklingen, zoo arm aan groen en lommer. Door de grieksche
zon verlicht, is het grieksche landschap, voor wien het verstaat,
wonderschoon; maar wee, als de grauwe nevels en grijze tinten van het
noorden zich uitbreiden over eene natuur, wie het aan alles hapert
wat ook dan nog aan de noordsche landschappen eene eigenaardige
bekoorlijkheid bijzet. De maanden Maart en April zijn hier trouwens,
in den regel, de onaangenaamste van het geheele jaar; het is volstrekt
niets vreemds dat de oranjeboomen in den tuin van het koninklijk
paleis, die in Januari in vollen bloei staan, in April bevriezen
en sterven. Op die doordringende koude volgt dan dikwijls eensklaps
de brandende zomerhitte. Dan is het, of er vuur van den hemel valt;
van 's morgens negen tot 's namiddags vijf uur kunt ge niet op straat
komen, zonder dat de hitte, die van den doorgloeiden grond uitstraalt,
u het gelaat blakert; uwe oogen worden verblind door de weerkaatsing
van het felle licht op de witte muren; een warm fijn stof verdroogt
en schroeit u mond en keel: ge snakt naar adem, en uw hoofd gloeit
en bonst, ondanks de bescherming van uw met blauw gevoerden parasol.
Echter moeten wij billijk zijn en erkennen dat er ook dan nog,
in dit half afrikaansche klimaat, oogenblikken, ja zelfs uren zijn
van onwaardeerbaar genot. Des morgens vroeg, als de zon, in volle
stralenpracht, in den rooskleurigen hemel, achter den top van den
Hymettos opstijgt, terwijl beneden in de vlakte nog de frissche koelte
van den nacht u tegenwuift, en de dauwdroppels nog bevend hangen
aan de trillende bladeren; des avonds, als de vlammende zonneschijf
wegzinkt achter de bergen van den Peloponnesus, die als met vloeiend
vuur zijn overgoten, en het gansche wijde landschap, hemel en aarde en
zee, straalt en schittert in een kleurenpracht, waarvan geen bewoner
van het Noorden zich een denkbeeld maken kan;--dan, ja, ga uit,
zet u neder op een heuveltop, aan den oever der zee, en tracht dan
de onuitsprekelijke schoonheid van het attische land te begrijpen en
te waardeeren.
In de laatste twintig jaar is er eene groote verandering gekomen
in het voorkomen der moderne stad. In 1850 was Athene eigenlijk nog
niet veel meer dan een groot dorp; tegenwoordig is het eene fraaie,
nette, vroolijke stad, met breede straten, singels en boulevards,
met smaakvolle, niet hooge huizen, en liefelijk plantsoen. De in den
gevel gevatte marmeren zuilen, de wit marmeren lijsten om deuren en
vensters, levendig afstekende bij de licht blauwe of rooskleurige
tinten der muren, de blauw geschilderde frontons: dit alles geeft
aan de huizen een eigenaardig, artistiek karakter.
Ieder gezin bewoont doorgaans zijn eigen huis, dat in den regel van
de aangrenzende woningen is afgescheiden door een tuin of eene ruime
plaats, met oranjeboomen, laurieren of thuyas beplant. De kamers zijn
groot, zeer hoog en luchtig. Het ameublement is hoogst eenvoudig en
tot het strikt noodige beperkt; maar deze soberheid past zeer goed
bij het klimaat en de eenvoudige levenswijze.
Des zomers neemt de familie de wijk naar de kelderverdieping, het
hypogeum genoemd, in den rotsgrond uitgehouwen en van genoegzaam
licht voorzien; de temperatuur is hier altijd drie of vier graden
lager dan in het overige gedeelte van het huis.
Elke verbetering of vooruitgang, sedert de laatste jaren, niet
alleen in de hoofdstad, maar ook in het geheele koningrijk tot
stand gebracht, heeft men uitsluitend te danken aan het persoonlijk
initiatief van partikulieren. Als men te weten tracht te komen,
welk aandeel de stedelijke of de landsregeering aan de meeste
verfraaiingen of verbeteringen heeft gehad, dan komt men al spoedig
tot de overtuiging dat dit aandeel niet alleen gelijk nul is, maar
dat zelfs meermalen de ijverige pogingen van partikulieren door de
regeering werden tegengewerkt.
De straten zijn slecht onderhouden, vol spleten en gaten, uitgehold
door de regens, die de aarde medevoeren en groote steenen blootwoelen,
waartegen de rijtuigen stooten en breken. Sommige wegen en straten
zijn volstrekt onbegaanbaar, ten gevolge der kuilen, die toch zoo
gemakkelijk met eenige spaden zand en aarde konden worden gevuld,
maar die het stedelijk bestuur eenvoudig aan hun lot overlaat. In
de fraaiste wijken en op sommige der meest bezochte punten, zijn
de voetpaden zoo ongelijk, dat men, des avonds of des nachts, elk
oogenblik gevaar loopt, armen of beenen te breken op de rotspunten,
die boven de oppervlakte uitsteken; de riolen vallen in en worden
verstopt, den ganschen omtrek verpestende; de waterbuizen barsten,
en eene gansche buurt kan dorst lijden; niet dan na eindelooze moeite
en gehaspel en na weken vertraging, wordt er eindelijk iets gedaan
om verbetering aan te brengen. Zoo men te Athene nooit hoort van
nachtelijke aanvallen of gewelddadige inbraak, dan heeft men die
veiligheid veelmeer te danken aan den aard des volks, dan aan de
zorg en waakzaamheid van eenige slecht gekozen en slecht uitgeruste
policie-agenten.
Maar het partikulier initiatief heeft zich niet bepaald tot de
verbetering en versiering der bijzondere woningen. Er zijn door
partikulieren collegien gasthuizen, bewaarscholen, gymnasien,
in menigte gesticht, misschien te veel zelfs; ook geschiede dit
niet altijd uit zuivere vaderlandsliefde of philanthropie, maar
zeer dikwijls uit ijdelheid. Van daar dikwijls een ijver zonder
verstand. Men besteedt aanzienlijke sommen voor de stichting van
eene of andere inrichting van dien aard, zonder te bedenken dat
reeds verscheidene dergelijke etablissementen, als overtollig,
ledig staan. Men wil iets groots, iets dat de aandacht trekt, tot
stand brengen, en zijn naam in gouden letteren voor den gevel zien
prijken. Het nut en de doelmatigheid der zaak zelve komt minder in
aanmerking; men begint te bouwen, zonder de kosten te berekenen, en
aldra ontbreken de noodige middelen om den bouw te voltooien: het dak
blijft ongedekt en de ledige vensteropeningen grijnzen u aan; ofwel,
er is geen geld om in de behoeften der inrichting, hetzij gasthuis
of kweekschool, te voorzien. Het aantal der liefdadige instellingen
en der inrichtingen van onderwijs te Athene zou voldoende zijn voor
eene zesmaal sterker bevolking, dan de stad thans bevat: geen wonder,
dat vele van deze stichtingen onvoltooid blijven of van dag tot
dag vervallen. Niettemin openbaart zich in dezen onverstandigen en
overdreven ijver toch een edel streven, dat, goed geleid en van de
thans heerschende verkeerdheden gezuiverd, zeer veel goeds tot stand
zou kunnen brengen, en voor eene verlichte en vaderlandslievende
regeering van onberekenbaar nut zou kunnen zijn.
Onder deze inrichtingen staat, als de oudste en voornaamste, de
Universiteit boven aan, door vrijwillige giften gesticht, toen de
nieuwe hoofdstad, nog schier een puinhoop, nog geen paleis had om
haar Koning te huisvesten, ja zelfs ter nauwernood betamelijke
woningen voor haar eigen burgers. De Hellenen mogen dan ook wel
trotsch zijn op hunne hoogeschool; en al valt er wel wat af te dingen
op de beweering der Grieken, dat er in geene andere stad van Europa
meer opgewekt geestelijk leven en meer werkzaamheid op intellektueel
gebied gevonden wordt dan te Athene, zou het toch onbillijk zijn, de
groote belangstelling der Grieken voor alles wat de wetenschappelijke
ontwikkeling betreft en den ernstigen ijver en lust voor studie bij
het jongere geslacht te miskennen.
De Universiteit mag ook inderdaad genoemd worden. Zij telt onder hare
hoogleeraren eenige mannen van onmiskenbaar talent; haar groote gebrek
is de oppervlakkigheid der studie, misschien wel een gevolg van haar
jeugd: het ontbreekt haar nog aan eene degelijke wetenschappelijke
traditie. En dit kan niet wel anders: de jonge Universiteit van Athene
is de eenige inrichting voor hooger onderwijs, die in geheel het Oosten
te vinden is. Deze omstandigheid draagt trouwens niet weinig bij tot
haar roem en haar beteekenis. Telken jare komen meer dan twaalfhonderd
jongelieden, waarvan ruim de helft in het ottomannische rijk te huis
behoort, naar Athene, om hetzij in de rechten of in de medicijnen,
hetzij in de letteren, de exacte wetenschappen of de theologie
te studeeren. Na verloop van drie, vier of vijf jaar, keeren die
jongelieden naar hunne haardsteden terug, en worden op hun beurt
de dragers en de ijverige apostelen van beschaving en vooruitgang,
maar vooral ook van den helleenschen geest. Er zijn weinig steden
in Turkije, waar ge niet althans een geneesheer, een onderwijzer en
ettelijke advokaten vindt, die hunne opleiding te Athene ontvingen.
De invloed der Universiteit op de intellektueele ontwikkeling en op
geheel de denkwijze der bevolkingen van het Oosten zou ongetwijfeld
nog veel sterker zijn, indien niet Griekenland zelf, maar al te vaak,
door het treurige schouwspel van innerlijke verdeeldheid, partijschap
en anarchie, zijn trouwste vrienden, ja zijn eigen kinderen, van
zich vervreemdde. Kon het zich zelven beter beheerschen, dan zou het,
juist door den intellektueelen invloed zijner hoogere beschaving, eene
macht uitoefenen, die de tot dusver nog van het moederland gescheiden,
maar door bevolking en historie daartoe behoorende gewesten veel
spoediger en zekerder met Hellas verbinden en vereenigen zou, dan
de onbezonnen militaire demonstratien, die nu en dan op touw worden
gezet, dit immer vermogen. Zeker zou dit ook het beste middel zijn
om zich de sympathie en de achting van geheel Europa te verzekeren.
Toen de oude Kolokotroni de fondamenten van het Universiteitsgebouw
boven den grond zag verrijzen, sprak hij deze beteekenisvolle woorden:
"Ziedaar een paleis, dat somwijlen het paleis des Konings in den
weg zal staan; maar dit zal Turkije verslinden, en meer voor het
vaderland doen, dan wij, onwetende Klephten, immer met onze karabijnen
doen konden."
De hoogeschool heeft tot dusver Turkije nog niet veroverd; maar wel
is zij, reeds meermalen, een bron van moeite en last geweest voor de
regeering van Griekenland zelf.
Als alle studenten aan alle plaatsen en van alle tijden, zijn ook de
studenten van Athene onrustig en revolutionnair van nature, altijd
vijandig gezind jegens het gezag, en steeds gereed om, op de eerste
oproeping van de leden der oppositie, een opstandje te organiseeren,
de ministers uit te fluiten, en met groot rumoer bij troepen door
de straten te trekken, om echter dadelijk bij de verschijning der
gendarmen uiteen te gaan. Opgestookt en aangevuurd door de radikale
raddraaiers, door het volk gesteund, had het meermalen al den schijn
of zij inderdaad de regeering naar goedvinden konden omverwerpen;
en deze dwaze waan heeft er niet weinig toe bijgedragen om bij de
studenten dien verderfelijken hartstocht voor de politiek aan te
wakkeren, die over het algemeen de vloek is van hun volk, en voor
hen bovendien de grootste belemmering op den weg van ernstige studie.
Onder deze jongelieden zijn er dan ook zeer velen, voor wie de studie
niets anders is dan het middel of het voorwendsel, om naderhand
in hunne provincie eene politieke rol te kunnen spelen; en om dit
doel te bereiken getroosten sommigen zich de grootste ontberingen:
zij verhuren zich als huis- of winkelbedienden, slechts eenige
uren per dag vrijhoudende om de colleges te kunnen bijwonen, en des
nachts werkende, maanden lang van water en brood levende, ten einde
de noodige boeken voor hunne studie te kunnen koopen. Vele van die
studenten zijn zonen van arme grieksche landlieden uit de verwijderdste
provincien van Turkije; van alle hulpmiddelen ontbloot, worden zij
door dit brandpunt van intellektueele ontwikkeling aangetrokken als
de muggen door de kaars; om slechts naar Athene te komen, verhuren
zij zich als muilezeldrijvers of matrozen; daar, in de hoofdstad,
kunt gij hen ontmoeten, slecht gekleed, armoedig, uitgehongerd,
ondanks de spreekwoordelijke matigheid van hun volk.
Zij, die over ruimer middelen kunnen beschikken en werkelijk liefde
koesteren voor degelijke studie, blijven niet te Athene: zij gaan naar
het Westen, om daar rechtstreeks aan de bronnen zelven de wetenschap
te beoefenen; en zoowel in Griekenland als in Turkije, onderscheiden
zij, die de hoogescholen van Frankrijk, Engeland of Duitschland hebben
bezocht, zich door hunne echt wetenschappelijke vorming en grootere
bekwaamheid boven hunne minder begunstigde landgenooten. Het ware
wel te wenschen, dat nog meer studenten en begaafde jongelieden in
het Westen hunne opleiding ontvingen; en de regeering zou een goed
werk doen, indien zij hen, wier middelen dit niet veroorloven, door
geldelijke ondersteuning te hulp kwam. Dit zou voor Griekenland een
dubbel voordeel opleveren. Die jongelieden zouden niet alleen rijker
aan kennis en wetenschap in hun land terugkeeren, maar zij zouden ook,
door rechtstreeksche persoonlijke waarneming, de maatschappelijke
en ekonomische wetten hebben leeren kennen, van welker naleving de
voorspoed en ontwikkeling van elk land, groot of klein, afhankelijk
is. Hun gezichtskring zou uitgebreid, hun ervaring verrijkt, hun geest
van menig vooroordeel bevrijd worden. Aan den anderen kant zouden
deze jongelieden aan Europa kunnen toonen, dat de Grieken niet enkel,
zoo als hunne vijanden beweeren, politieke warhoofden en intriganten,
wispelturige rumoermakers en half onbeschaafde wilden zijn, maar
dat er integendeel in dat volk groote en edele krachten sluimeren,
die waarborgen kunnen zijn voor eene betere toekomst.
Onder de andere inrichtingen, door de partikuliere liefdadigheid
gesticht en in bloeienden toestand verkeerende, vermelden wij in
de eerste plaats het Arsakion, eene inrichting van onderwijs voor
meisjes. Aanstonds na hunne politieke vrijmaking, hebben de Grieken
begrepen, dat er van werkelijke moreele emancipatie geen sprake
kon zijn, zoolang zij niet voor goed hadden gebroken met de oude
oostersche traditie, die ook de christelijke vrouw tot onwetendheid
en afzondering van de buitenwereld veroordeelde. In de eerste plaats
kwam het er op aan, in de samenleving en in de maatschappij aan de
vrouw den rang te hergeven, die haar toekomt, en waarop zij zich
alleen door onderwijs en ontwikkeling behoorlijk handhaven kan.
In alle steden werden mitsdien meisjesscholen opgericht; maar
weldra gevoelde men behoefte aan eene bijzondere inrichting, waar de
aanstaande onderwijzeressen hare opleiding zouden kunnen ontvangen. Met
behulp van giften, legaten, geldelijke ondersteuning en tegemoetkoming
van allerlei aard, heeft men het groote, reeds in 1835 aangevangen
gebouw geheel kunnen voltooien, beurzen kunnen stichten, leerlingen
plaatsen: in een woord, een soort van groote normaalschool kunnen
inrichten, waar negenhonderd jonge meisjes haar opleiding ontvangen
en haar studien voltooien onder de leiding van de hoogleeraren der
Universiteit. Dit is het Arsakion.
Het Varvakion (door den heer Varvakis gesticht) is een lyceum
voor knapen, en tegelijk het merkwaardigste museum van de geheele
stad. Het Bizarion (gesticht en begiftigd door den heer Bizaris)
is een seminarie voor theologische studien.
De ambachts- en handwerkschool voor weezen, eene stichting van
de familie Hadji-Kostas, het opvoedingsgesticht voor ouderlooze
meisjes, het gesticht voor ooglijders, een allersierlijkst gebouw in
byzantijnschen stijl, zijn allen door partikulieren uit eigen middelen
in het leven geroepen. Het fraaie observatorium op den Nymphenheuvel
en het prachtige marmeren gebouw, nevens de Universiteit, dat tot
Akademie moet dienen, zijn stichtingen van baron Sina.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 | 35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65