De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 | 36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Een groot gebouw, op kosten van den heer Bernardakis opgericht,
om tot bewaarplaats van antiquiteiten te dienen, is tot dusver nog
onvoltooid. Hetzelfde is het geval met eene polytechnische school,
door den heer Hournaris gesticht; sedert jaren staat zij verlaten;
om haar te voltooien, zou stellig meer dan een millioen noodig zijn.
In 1873 heeft men den eersten steen gelegd van een paleis, bestemd
voor de nationale tentoonstellingen (Olympien), die alle vier jaar
gehouden zullen worden. Dit gebouw zal den naam dragen van Zapion,
naar den rijken griekschen bankier, te Odessa gevestigd, die bij
legaat de noodige gelden voor de stichting geschonken heeft. Zal ook
dit gebouw, als zoo vele andere, onvoltooid blijven?
Aan een der voornaamste singels staat een zeer ruim gebouw, tot
weeshuis bestemd, en waarin hoogstens acht of tien kinderen zijn
opgenomen. Niettemin was men juist bezig, vlak daartegenover, de
laatste hand te leggen aan een niet minder kolossaal gebouw, tot
hetzelfde doel bestemd. Nu zou het toch wel zoo verstandig en eenvoudig
zijn geweest, indien de milde gever aan het bestaande gesticht de
aanzienlijke som geschonken had, waarop dit nieuwe paleis hem zal
te staan komen. Waarschijnlijk zou men hem ook de voldoening niet
geweigerd hebben, van zijn naam, in groote gouden letters, aan den
gevel te zien prijken, versierd met het traditioneele on.
Wie zich overtuigen wil, hoe bitter weinig de elkander zoo snel
opvolgende ministerien zich bekommeren over zaken, die met de
politiek niets te maken hebben, heeft slechts een bezoek te brengen
aan de verschillende lokalen, waarin de opgedolven overblijfselen
der oudheid worden bewaard. De fragmenten van standbeelden, de
opschriften, de basreliefs, zijn zonder een schijn van orde, op en
over elkander gestapeld in tempels, op binnenplaatsen, op openbare
pleinen, blootgesteld aan al de wisselvalligheden van het weder en met
stof en vuiligheid bedekt. Uit niets blijkt, van waar zij afkomstig
zijn, noch waartoe zij eigenlijk behooren. Overblijfselen, die voor
de archeologische wetenschap van het hoogste gewicht konden zijn,
indien men slechts wist tot welk monument of tot welk tijdvak zij
behooren, of ook maar waar zij gevonden werden, zijn nu niet veel
meer dan karakterloze brokken steen, ten gevolge der onverschoonlijke
slordigheid, waarmede men bij de ontdekking is te werk gegaan. Een
groote grafsteen, onlangs nabij den Ilyssus ontdekt, en die tot de
schoonste voortbrengselen der grieksche kunst behoort, waardig genoemd
te worden na de beeldwerken van het Parthenon en de Venus van Milo,
is eenvoudig uit de hand gezet op een slecht afgesloten terrein van den
weg van Patissia, nabij de in aanbouw zijnde Akademie. In den duisteren
kleinen tempel van Theseus zijn standbeelden weggestopt, waarvan het
hoofd in het Varvakion, en de armen in het museum van de Akropolis
berusten; en ge moet u niet al te zeer ergeren, als ge metopen het
onderste boven ziet staan. Voor den kunstenaar of den geleerde zijn
dergelijke verzamelingen niet alleen eene ergernis, maar bovendien
een warboel zonder waarde; en zelfs de gewone toerist kan daarin
niets vinden, wat zijne belangstelling zou kunnen wekken. Wat mij
steeds ten zeerste verwonderd heeft, is, dat dit volk, zoo uitermate
trotsch op zijn verleden en zoo hoogelijk met zich zelven ingenomen,
nog niet op de gedachte is gekomen om deze kostbare overblijfselen
van een schitterenden bloeitijd, behoorlijk gerangschikt, in een
waardig en doelmatig ingericht gebouw bijeen te brengen.
Inderdaad, zulk een bewijs dat het hedendaagsche grieksche volk nog
niet geheel van den kunstzin zijner voorvaderen is ontaard, zou niet
overtollig wezen. Immers, men zou nu dikwijls zeer geneigd zijn,
het tegendeel te gelooven: want zelfs de oude monumenten heeft men
niet gespaard. De tempel van Theseus, door een rood geverwde houten
balustrade omringd en door grasperken, waarop de trommelslagers en
trompetters van het garnizoen zich oefenen, heeft tegenwoordig veel
weg van een douanenkantoor. Deze kleine, maar door de harmonie zijner
deelen zoo uitnemend schoone tempel maakte vroeger, toen hij eenzaam
en verlaten daar stond, een grootschen, aangrijpenden indruk. Nu
heeft hij bijna alle bekoorlijkheid, alle poezie verloren.
Naar het scheen, moest althans de Akropolis, door haar ligging zelve,
voor dergelijke schennis beveiligd zijn; maar zij, die bovenal
geroepen zijn haar te eerbiedigen, aan wie de zorg voor haar behoud
is toevertrouwd, gaan dagelijks voort met haar te bederven en van
haar eigenaardige schoonheid te berooven. Al de aarde en het puin
namelijk, uit de opdelvingen rondom het Parthenon afkomstig, wordt
eenvoudig over den rand der muren weggegooid. Het gevolg daarvan is
natuurlijk, vooreerst dat de muren worden beschadigd, maar vooral--en
dit is nog erger--dat er langzamerhand rondom de rots groote aardhoopen
gevormd worden, die haar eigenlijke gestalte misvormen en onzichtbaar
maken. Deze wonderschoone piedestal, met zijn kantige, sobere en
scherp geteekende lijnen, die de bewondering opwekte van allen, die
Athene bezochten, zal, als men zoo voortgaat, na verloop van eenige
jaren, in een wanstaltigen aardheuvel herschapen zijn. De portieken
van Eumenes, die men zoo gemakkelijk had kunnen ontblooten, zullen
verdwijnen en onder dit opgestapeld puin verbrijzeld worden. Een
weinigje kunstzin zou toch, naar het schijnt, voldoende zijn geweest
ons van deze barbaarsche handelwijze terug te houden.
Eerst als ge u op de Akropolis zelve bevindt, en u nederzet aan
den voet der Propylaeen of van het Parthenon, gevoelt ge de oude
helleensche wereld, in al haar ongeevenaarde schoonheid, in al haar
soberen en zinrijken rijkdom, weer rondom u verrijzen.
Op dien naakten, rossigen rotsburcht, waar het gerucht der bezige stad
verstomt, waar ge niets hoort dan de scherpe kreten der roofvogels
hoog in de lucht, waar ge niets ziet dan den stralenden gloeienden
hemel en de violetkleurige toppen van den Hymettos en den Pentelikon;
tegenover die zwijgende marmeren kolommen, die uit den grond schijnen
op te rijzen, te midden van die diepe stilte en volstrekte eenzaamheid,
gevoelt ge u zelven geheel vermeesterd en doordrongen van een groote,
rustige kalmte. Al die wanklanken, die u ontstemd en geergerd hebben,
zijn verdwenen en hebben zich opgelost in verhevene harmonie. De
ruinen, die ge hier om u ziet, zijn het werk der barbaarschheid en niet
van den wansmaak. De soldaten van den aga Yoesoef beseften niets van
de waarde dezer muren, die zij aan de vlammen prijs gaven; de bommen
van Morosini vernielden zonder opzet of bijgedachte; lord Elgin,
van allen het minst te verontschuldigen, werd ten minste nog door een
zucht tot behoud gedreven, toen hij de marmersteenen stuksloeg en de
triglyphen schond. Bovendien doen deze verwoestingen geen merkbare
afbreuk aan den algemeenen indruk, dien deze onsterfelijke ruinen op
den aanschouwer maken, terwijl de onverantwoordelijke handelingen van
de moderne bewaarders en herstellers der oude monumenten wel degelijk
het genot bederven. [19]
Als ge uw blikken van de ruinen afwendt om het panorama rondom u te
overzien, dan zult ge een niet minder eigenaardigen indruk ontvangen.
De epitheta van bekoorlijk, mooi, bevallig, verrukkelijk, die ge
met volle recht op de landschappen van Ionie en de oevers van den
Bosporus kunt toepassen, gelden niet van Griekenland, en vooral
niet van Attika. Harer is eene schoonheid, die niet op het eerste
gezicht, die niet door iedereen gevoeld en begrepen wordt: eene
schoonheid, wier elementen zijn: het licht, de lijnen, de vorm,
de kleur der bergen. Aan uwe voeten ziet ge niets dan eene naakte
en dorre vlakte. Van oudsher was Attika een weinig vruchtbaar land:
Strabo noemt het een ondankbaren grond, Pindarus dor, Thucydides
onvruchtbaar, Homerus steenachtig en rotsachtig. Deze onvruchtbaarheid
is het noodwendig gevolg van de geologische vorming des lands en de
vele marmerrotsen, die men er aantreft. Overal waar die rotsen de
overhand hebben, is de plantengroei zeer schraal. Deze harde kalksteen
wordt niet dan uiterst langzaam door de werking van lucht en licht
en vochtigheid ontbonden; de dunne aardlaag, die zich mettertijd
langzamerhand gevormd heeft, wordt op de steile hellingen weer
weggespoeld door het regenwater, dat door niets in zijn loop wordt
tegengehouden. Die groote marmerwanden weerkaatsen met verblindende
felheid de zonnestralen en worden in den zomer gloeiend heet; de
weinige planten, die in de lente ontloken zijn, verdorren dan en
sterven; een felle wind, door geen bosschen of boomen getemperd, waait
verwoestend en verschroeiend over de vlakte en doet daar de planten
verkwijnen. Het regenwater loopt over de naakte steenen weg, zonder
op de hoogten door struikgewas of wat ook te worden tegengehouden,
om vervolgens als levenwekkende, vruchtbaarheid verspreidende bron of
beek naar de vlakte af te dalen; het graaft nu slechts sporen in de
heuvelen en maakt de aarde veeleer nog onvruchtbaarder door de kalk-
en zoutdeelen, waarmede het bezwangerd is. Droogten van zes en acht
maanden maken bijna iedere kultuur onmogelijk, voor 't minst buiten
den smallen zoom, die door het water van het zeer kleine rivierke
de Kephissos gedrenkt kan worden; dit water, dat met de grootste
zuinigheid wordt verdeeld, ontbreekt vaak in den zomer geheel, en
de terreinen, die voor bebouwing geschikt zijn en vruchten konden
voortbrengen, blijven dor en onvruchtbaar, zoodra dit onmisbaar
element wordt gemist.
De bekoorlijkheid, de schoonheid van dit zonderlinge land moet ge dus
niet zoeken in de afwisseling der natuurtafereelen, in de weelderigheid
van een rijken plantengroei, in de malsche schakeeringen van het
frissche sappige groen, in de betoovering van ruischende bosschen en
murmelende wateren, in al datgene wat gewoonlijk tot de onontbeerlijke
vereischten van eene schoone natuur gerekend wordt. Neen, zij ligt
uitsluitend in die wisseling van zuivere, sierlijke, sobere lijnen,
in die opeenvolging van verschillend gekleurde en getinte bergen,
in dien warmen kleurengloed, in die kristallen klaarheid van den
dampkring, in dat wondervol geheel, streng zonder eentonig te zijn,
vol grootheid en stijl, in die onbeschrijfelijke harmonie, die haar
hoogste uitdrukking vond in den schoonheidszin van dit zoo zeldzaam
begunstigde volk.
Ter linkerhand, aan gene zijde der vlakte, die zij van het westen
naar het oosten omlijst, trekt de keten van den Parnessos tegen den
helderen hemel haar fijne omtrekken, in het midden afgebroken door
den loodrechten rotskegel van Phile, dien de oude dichters bij een
wagen vergeleken. Ter rechterhand verrijst de Hymettos, schijnbaar in
de onmiddellijke nabijheid, dank zij de weergalooze doorschijnende
helderheid der lucht. Op den achtergrond, achter de scherpe rotsen
van den Lykabettos, verheft zich, midden uit de vallei, de eenzame
Pentelikon, wiens eigenaardige gestalte een zoo sprekend karakter
geeft aan het attische landschap; donkerpaars gekleurd, teekent hij
zich met zoo scherpe duidelijkheid af, dat ge van hier de gapende
marmergroeven kunt onderkennen, waaruit Perikles de zuilen van het
Parthenon liet houwen.
Als ge u boven op de trappen van dezen tempel plaatst en u naar
het westen wendt, dan breidt zich een panorama voor u uit, dat in
schoonheid door weinige overtroffen wordt. Op den achtergrond, in een
lichten zilveren nevel gehuld, de bergen van Argos, de Akro-Korinthe,
het schiereiland Methana, de noordelijke landpunt van het eiland Hydra;
links de zee, de zee met haar onbeschrijfelijke kleurenmengeling
in alle overgangen van fluweelig blauw; ginds, aan den uitersten
gezichtseinder, eilanden, badende in een doorschijnenden glans van
purperkleurig licht: Sint-George, Therma, Serpho, Milo; meer op den
voorgrond, het eiland Egina met de hooge bergspits van Sint-Elias;
dan de steile rotsen van het eiland Salamis, en tusschen die beiden
eene groep van kleine eilandjes, hier en daar verspreid, als een vloot
voor anker. Nog dichter bij, de bochtige kust met haar inhammen en
voorgebergten, en de havens van Phaleros, van Munychia en van den
Piraeus, en de baai van Salamis.
Als ge over dit weergaloos panorama uwe blikken dwalen laat, dan kunt
ge eenigszins begrijpen, welken invloed de eigenaardige gesteldheid
des lands op het karakter en de nationale ontwikkeling der Grieken
hebben moest.
Die talrijke eilanden, als zoo vele rustpunten en handelskantoren over
de wateren gestrooid; die kustenlijn, telkens afgebroken door baaien
en inhammen, die diep in het land indringen en het binnenland voor de
schepen openen: moest deze gedaante van hun land, niet als van zelf bij
de Grieken de lust doen ontwaken voor scheepvaart en handel, bovendien
zoo geheel passende bij hun levendigen, bewegelijken aard? Lokkend en
noodigend omspoelde de heerlijke zee overal hunne kusten; wat wonder,
dat zij die noodiging volgden, zich met hunne vlugge schepen aan de
blauwe golven vertrouwden, en zich lieten voeren naar verwijderde
stranden, waar nieuwe avonturen hen wachtten?
Het was trouwens niet enkel eer- en heerschzucht, het was ook de
noodzakelijkheid, die met name bij de Atheners den zin voor avonturen
en verre ondernemingen ontwikkelde. Door hun uitgebreiden handel
en hunne zee-oorlogen werden zij, in korten tijd, de beheerschers
van Griekenland en van de Middellandsche-zee. Tijdens haar bloei,
was Athene de eerste zeemogendheid der toenmalige wereld, en met
het verlies harer maritieme grootheid, was ook het tijdperk van haar
macht en bloei als staat voorbij. Die kleine, engbegrensde vlakte,
zonder boomen en zonder graan, beteekende niets; en ware zij niet
door de zee bespoeld, wel nimmer zou Athene geworden zijn wat het
thans is geweest. Nu werd deze in zich zelve zoo schraal bedeelde
plek gronds een brandpunt van handel en nijverheid, de kweekplaats
van wetenschap en kunst; nu leefden hier vierhonderd-duizend slaven en
vijftigduizend vrijen. Overal, waar weelde en rijkdom gevonden werd,
werden de werken der atheensche kunstenaars gezocht en duur betaald;
Perikles begreep dit volkomen, en wist zeer goed wat hij deed, toen
hij zich boven alles beijverde om aan zijn volk op het gebied der
kunst den eersten rang te verzekeren. Voorwaar, het was niet om zijne
persoonlijke ijdelheid te streelen, dat deze groote staatsman voor den
bouw van het Parthenon eene som besteedde, die gelijk stond met het
drievoudige der jaarlijksche inkomsten van den staat. Hij begreep zeer
goed dat deze stichting, waarbij de bouwkunst, de beeldhouwkunst en
de schilderkunst zich hadden vereenigd om het hoogste en volmaaktste
te scheppen waartoe de toenmalige wereld in staat was, voor langen
tijd aan Athene den voorrang zou verzekeren: een rang, die haar door
geen anderen helleenschen staat kon worden betwist, en met dien rang
tevens de heerschappij over geheel de helleensche wereld. Die macht
is snel gedaald: het schitterende tijdperk van Athene's heerlijkheid
duurde maar kort, korter waarschijnlijk dan de geniale staatsman zich
had voorgesteld; doch wat hij gewrocht had, was onvergankelijk; hij
had meer gedaan dan hij zich had voorgesteld: hij had niet alleen aan
Athene den eersten rang verzekerd onder de helleensche staten, maar
haar tevens eene eerste plaats verworven in de geschiedenis van de
beschaving der wereld, een macht en invloed, die de eeuwen tarten zou.
In de stad Athene zelve worden nog maar weinig antieke monumenten
gevonden. Ieder kent, al is het dan ook uit photografien, de portiek
van Hadrianus, de zuilen van den tempel van Zeus Olympios, den toren
der Winden, het theater van Bacchos, de tribune van Demosthenes. Maar
zoo de touristen nooit zullen verzuimen, in dikwijls maar al te zeer
geveinsde bewondering voor deze monumenten stil te staan, zijn er
maar weinigen, die zich verwaardigen eenige aandacht te schenken aan
de fraaie byzantijnsche kerken, door geheel de stad verspreid. En
toch zijn die alleszins de aandacht waard.
In de eerste eeuwen der christelijke jaartelling schijnen er in
Griekenland weinig of geen kerken te zijn gebouwd. Het Evangelie had
bij de massa des volks geen ingang gevonden; de oude eeredienst was
nog in stand gebleven, en Julianus bracht nog zijne hulde aan Pallas
Athene in het Parthenon. Later, toen het Christendom voor goed over
het oude polytheisme had gezegevierd, werd dit natuurlijk anders;
onder Justinianus werden de oude tempels voor de christelijke
eeredienst ingericht, en de gelden en inkomsten, oorspronkelijk
voor de dienst der goden en godinnen bestemd, werden nu aangewezen
tot onderhoud der geestelijkheid. Maar het oude heidendom wreekte
zich, door den verderfelijken invloed, dien het al spoedig op de
oostersche Kerk uitoefende. De atheensche prelaten begaven zich ter
kerk, gezeten op witte paarden en omstuwd door prachtig uitgedoste
geestelijken; de archonten verschenen te paard in het heiligdom, en de
atheensche dames lieten zich, onder het geleide van eunuken, in haar
draagstoel derwaarts voeren, om de jonge geestelijken, die het best
gezongen hadden, toe te juichen. Nog schadelijker werkten het doode
formalisme, het ziellooze ceremonieel, het strakke en spitsvindige
orthodoxisme, die welhaast het geestelijk leven uitdoofden, en de
eenmaal zoo krachtige en bloeiende oostersche Kerk rijp maakten voor
den diepen val, waaruit zij zich sedert nooit meer heeft kunnen
opheffen. Intusschen worden nu kerken in menigte gebouwd, en voor
het meerendeel van zeer kleine afmetingen. Zij zijn doorgaans van
minder omvang dan onze gewone dorpskerken, maar zij vertoonen een
eigenaardig karakter en verdienen de belangstelling als scheppingen
eener geheel bijzondere, ons schier onbekende kunst.
Men kan deze kerken in drie kathegorien splitsen, die tevens drie
tijdperken vertegenwoordigen. Het eerste tijdperk, dat van de derde tot
de vijfde eeuw reikt, heeft bijna geen sporen meer achtergelaten; de
eerste onderzoekers, die na de emancipatie in Griekenland verschenen,
hebben ter nauwernood nog enkele overblijfselen uit deze periode
kunnen vinden; tegenwoordig zijn die geheel verdwenen. De kerken uit
dien tijd waren kleine ronde of vierkante kapellen, waarvan het platte
dak met een koepel gedekt was.
Het tweede tijdvak loopt van de zesde tot de elfde eeuw. Dit is de
ware bloeitijd der byzantijnsche kunst, die haar hoogste ontwikkeling
bereikt om vervolgens als het ware te verstijven. De oorspronkelijke
type wordt gewijzigd, ruimer en vrijer opgevat en verfraaid; de
koepels worden vermeerderd; de absiden worden veelhoekig uitgebouwd;
de vensters, door een of twee dunne zuiltjes in vakken verdeeld. Vier
stevige vierkante pilaren schragen den grooten koepel, die eene
bijkans halfronde gedaante aanneemt, en waarvan het bovenste gedeelte
van talrijke openingen voorzien is. Van binnen worden de gewelven en
bogen versierd met mozaieken op gouden grond. Het niet zeer lange
schip heeft somwijlen een narthex of voorportaal, waarboven eene
tribune voor de vrouwen is aangebracht. Het altaar wordt aan de oogen
der geloovigen onttrokken door een meer of minder rijk beschilderd
en gebeeldhouwd scherm, het zoogenoemde iconostasia.
Het derde tijdperk reikt tot de vijftiende eeuw, en kenmerkt
zich hoofdzakelijk door eene vermenging van de byzantijnsche
met de italiaansche bouwkunst: een gevolg van de heerschappij
der Venetianen. Boven de gevels worden frontons aangebracht; de
constructie der gewelven ondergaat eene merkbare verandering, en de
mozaieken worden door fresco-schilderijen vervangen. Overigens is
dit een tijdperk van toenemend verval.
De kerken van Athene behooren vooral tot de tweede periode. Zij zijn
opgetrokken van gehouwen steen, met rijen van dunne baksteenen
daartusschen. De bogen der vensters en deuren zijn mede van
langwerpige, smalle baksteenen, door cement verbonden; de koepels
en daken zijn gedekt met groote ronde pannen. Allen, zonder eenige
uitzondering, zijn met het koor naar het Oosten gericht, juist het
tegenovergestelde van de heidensche tempels.
Omstreeks de achtste of negende eeuw, telde men te Athene driehonderd
kerken of kapellen. Dit cijfer staat in hoegenaamd geene verhouding
tot de bevolking; het groote aantal der kerken vindt zijne verklaring
in den regel van den griekschen ritus, volgens welken het niet
geoorloofd is meer dan eenmaal per dag in dezelfde kerk de mis te
bedienen. Tegenwoordig zijn er te Athene tusschen de veertig en
vijftig kerken en kapellen, waaronder slechts zes of zeven van oude
dagteekening.
Voor den bouw der tegenwoordige kathedraal was de kerk aan Sint-George
gewijd de hoofdkerk. Zij kon hoogstens twintig personen bevatten; de
menigte, op het plein geschaard, was door de geopende deur getuige van
de heilige dienst. De kerk schijnt inderdaad een stuk speelgoed; het
is de kleinste en tevens de oudste van alle byzantijnsche kerken van
Athene. In de buitenmuren, uit groote gehouwen steenen, waarschijnlijk
van eene of andere ruine afkomstig, opgetrokken, zijn enkele antieke
bas-reliefs ingemetseld: onder anderen, boven de deur, eene kleine
fries, waarop de teekens van den dierenriem zijn afgebeeld.
Sint-Nikodemus, nabij het koninklijk park, is weder hersteld en is
thans de russische kerk. Dit was de grootste byzantijnsche kerk van
geheel Griekenland. Met haar drie veelhoekige koornissen, haar in
drie vakken verdeelde vensters, haar eigenaardige decoratie, behoort
zij zeker tot de merkwaardigste monumenten van dat tijdvak. De andere
oude kerken onderscheiden zich door niets bijzonders; aan een paar, met
name aan die van Sint-Theodorus, zijn de deuren bij wijze van hoefijzer
gewelfd. Dit motief, aan de mohammedaansche kunst ontleend, schijnt,
op het eerste gezicht, zeer vreemd; wij weten echter, dat onder de
regeering van Justinianus onderscheidene perzische bouwmeesters naar
Constantinopel werden geroepen: het is dus waarschijnlijk, dat deze
soort van gewelf door hen of hunne volgelingen in de byzantijnsche
architectuur is ingevoerd.
De moderne kerken zijn in denzelfden stijl gebouwd, maar missen alle
oorspronkelijkheid en artistieke waarde. Zelfs de nieuwe kathedraal is,
althans uitwendig, een plomp bontkleurig gebouw, zonder schoonheid
of stijl. Van binnen maakt de kerk evenwel een beteren indruk;
het schilderwerk, dat de wanden en gewelven geheel bedekt, geeft
aan het gebouw een zeer bijzonder karakter. Toen ik voor de eerste
maal de kathedraal betrad, zag ik daar de grieksche geestelijkheid
in al haar pracht en den luister van den byzantijnschen ritus; de
metropolitaan en zijne coadjutors, de archimandriten, waren gehuld in
rijk met goud geborduurde kleederen, en droegen op het hoofd prachtige
oostersche myters, fonkelende van edelgesteenten. Ongelukkig hebben
de Grieken vrij algemeen de gewoonte om door hun neus te spreken;
de valsche, brommende tonen van het gezang werkten zoo onaangenaam
op mijne zenuwen, dat het mij onmogelijk was de behoorlijke aandacht
te schenken aan deze oude, eerwaardige gezangen, die tot de eerste
eeuwen onzer jaartelling opklimmen. Op groote feestdagen, als de Koning
en de Koningin de dienst in de kathedraal bijwonen, wordt het Kyrie
Eleison en de andere oude hymnen door de zangers der russische kerk,
met hunne zuivere en zielvolle stem, aangeheven. Maar de burgers van
Athene nemen het der Koningin zeer kwalijk, dat zij aan het schoone
en welluidende gezang der russische zangers de voorkeur geeft boven
het onaangenaam geschreeuw der grieksche.
IV.
Athene is dikwijls genoeg beschreven geworden, en de Atheners evenzeer;
het ligt volstrekt niet in mijn plan, hier in eene wederlegging te
treden, hetzij van de onrechtvaardige beschuldigingen, hetzij van de
overdreven lofspraken, die beiden evenzeer hebben bijgedragen om de
publieke opinie ten aanzien van het grieksche volk op een dwaalspoor
te leiden. Ik zal mij eenvoudig bepalen tot het wedergeven van den
indruk, dien de hoofdstad van Griekenland in 1874 op mij gemaakt heeft.
Zij, die bij hunne aankomst in Griekenland dadelijk verwachten
overal die bijzondere lokale kleur te zullen aantreffen, waarmede
in de reisboeken zoo zeer geschermd wordt, moeten zich wel zeer
teleurgesteld gevoelen.
Te Athene hebben niet alleen de huizen, de straten, de winkels, over
het algemeen geheel hetzelfde voorkomen als in de steden van westelijk
Europa; maar ook de bewoners hebben de bekende witte fustanella en
de roode fez met blauwe kwast afgelegd, en gaan naar europeesche mode
gekleed, in een kort jasje en met een ronden hoed. Dit is goedkooper
en gemakkelijker, maar ook veel minder schilderachtig en bevallig. De
pallikaar, met zijn korten wijden rok en wiegelenden gang, is eene
zeldzame verschijning te Athene, en om hem te zien moet ge naar het
binnenland gaan. Slechts als de Karner vergaderd is, kunt ge nog
enkele oude afgevaardigden uit de provincie ontmoeten, met lange
zilverwitte knevelbaarden en gedost in het aloude nationale kostuum.
De zondag is een dag van algemeene rust en ontspanning. De werklieden,
de winkeliers, de kleinere ambtenaren, in zwarte jassen gekleed
en vergezeld van hunne vrouwen, naar de voorlaatste mode uitgedost,
wandelen langzaam en zwijgend door de straten en over de pleinen. Langs
den breeden, met armzalige boompjes omzoomden weg, die de stad met
het dorpje Patissia verbindt, bewegen zich, in dichte stofwolken, een
aantal huurrijtuigen; op de voetpaden wemelt het van wandelaars in hun
zondagspak. Van tijd tot tijd rijden er eenige open landauers voorbij,
met twee fraaie paarden bespannen, die door een koetsier in liverei
worden bestuurd, en waarin dames en heeren, in de keurigste toiletten
uit Parijs, zich op hun gemak laten rondvoeren. Daartusschen ziet
ge enkele phaetons en lichte rijtuigjes, door jongelieden bestuurd,
en eenige officieren te paard in uniform.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 | 36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65