De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 | 38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Hoog boven die trap verheffen zich de gekanteelde muren van een op
de rots gebouwd fort, dat de stad aan deze zijde verdedigen moet. De
straatjes ter rechterhand, niet minder smal, liggen op dezelfde
hoogte als de Stradone, en voeren naar dat deel der stad, dat aan
de zee uitkomt, of liever aan den zwaren, met geduchte bolwerken
versterkten muur, die langs de zee loopt.
De Stradone is zuiver recht, als ware hij met een liniaal getrokken;
hij doorsnijdt de stad in hare gansche lengte en voert naar de voorstad
Plocce, aan de landzijde op den weg naar Herzegowina.
Houden wij een oogenblik stil op het voornaamste plein, de Piazza
dei Signori, aan het einde van den Stradone. Het laatste huis aan
onze rechterhand komt met zijn zijgevel op het plein uit; daar is de
kathedraal, die zich door niets bijzonders onderscheidt, en in de
zeventiende eeuw werd gebouwd. Ter linkerhand verrijst een gebouw,
dat door zijn uitnemend schoone vormen aanstonds de aandacht trekt,
de Douane. Tegenover ons, op het plein, staat het paleis van den
Rector of eersten magistraat der republiek; de fraaie zuilen, waarop
spitsbogen rusten, doen u denken aan de portiek van het Dogepaleis
te Venetie. Tusschen het paleis en de Douane staat een monumentaal
wachthuis, waarboven zich een klokketoren verheft: dit is tevens de
poort, die naar de zee voert.
Rechts van den Stradone, ook het Corso genoemd, ligt het grootste
gedeelte der stad; daar vindt men eene vrij ruime groenmarkt,
en een aantal smalle straten en stegen, te zamen een klomp dicht
opeengedrongen huizen, die voor het meerendeel zeer weinig licht
ontvangen door de uiterst geringe breedte der straat, waarop zij
uitkomen.
Over het algemeen vertoont Ragusa het voorkomen en karakter eener
noord-italiaansche stad: het plaveisel, de balkons, de stijl der
openbare gebouwen en monumenten, het buitensporig aantal kerken--alles
herinnert aan de venetiaansche architectuur. Er heerscht eene
buitengewone zindelijkheid. Ge ontvangt een indruk van eigenaardig
leven en vroolijke opgewektheid, ondanks de zeer enge grenzen,
waarbinnen ge u beweegt; alles zegt u, dat, niettegenstaande de
wisselingen der tijden, hier nog welvaart en rijkdom te vinden is. In
den Stradone ziet ge eene menigte winkels van goudsmeden en juweliers,
en niet minder magazijnen van kleederen en borduurwerk. De lokale
kleederdrachten zijn zeer opmerkelijk: het kostuum van het gilde der
pakkedragers of commissionnairs gelijkt sprekend op dat der turksche
kooplieden van Smyrna. Deze corporatie heeft niet alleen haar eigen
gewoonten en gebruiken, haar eigen keuren en reglementen, maar ook
haar eigen rechtspleging. Waarschijnlijk is dit gilde reeds zeer oud:
het bestaat nog onveranderd, en de leden zijn beroemd wegens hun
onkreukbare eerlijkheid.
Thans willen wij de voornaamste monumenten van nabij bezien. Inwendig
zijn de meesten geheel verbouwd en veranderd; maar het uitwendige
voorkomen verdient alleszins de aandacht. Indien Ragusa er nog
uitzag als in den bloeitijd der republiek, zou de stad vrij wat
belangwekkender zijn; maar weinige steden stonden aan zulke zware
beproevingen bloot. Den 21sten Maart 1023, op San-Benedetto-dag, werd
bijna de gansche stad door brand vernield; ditzelfde lot trof haar
in 1296 en nogmaals in 1459, toen slechts het gebouw der archieven
en de Schatkamer gespaard bleven; eindelijk verkeerde, in 1667,
eene geduchte aardbeving de geheele stad in een puinhoop. Van deze
ramp dagteekent zelfs het verval van Ragusa; nimmer kon zij zich van
dien vreeselijken slag herstellen. De burgers toonden eene inderdaad
schier onbegrijpelijke hardnekkigheid, om steeds tot dezelfde, zoo
slecht gekozen plaats terug te keeren, niettegenstaande het hun niet
aan waarschuwingen ontbrak, want van de zeventiende eeuw tot 1843
keerden de aardbevingen periodiek zoo wat om de twintig jaar terug,
al behoorde ook een ramp als die van 1667 tot de uitzonderingen.
De Douane is een der weinige monumenten, die aan de verwoesting van dat
jaar zijn ontkomen. Het is een fraai gebouw in venetiaanschen stijl,
met eene sierlijke portiek in den voorgevel. De ruime binnenplaats is
aan alle zijden door zuilengangen omgeven, waaronder zich de winkels
en magazijnen bevinden, die allen den naam van een heilige dragen. De
opschriften wijzen nog de bestemming van het gebouw aan: "Geef den
Keizer wat des Keizers is;" en dit andere, nog merkwaardiger opschrift:
"Pondero cum merces ponderat ipse Deus". (Als ik de koopwaren afweeg,
houdt God ook de weegschaal.) De Munt was in hetzelfde gebouw
gevestigd; daar werd het metaal gesmolten en tot geld gestempeld.
In verhouding tot den omvang der stad, is het aantal der kerken
buitengewoon groot. Evenals te Venetie, wilde iedere familie haar eigen
kapel bezitten, die gaandeweg tot een kerk aangroeide; de Ragusanen
waren van oudsher bekend wegens hunne kinderlijke gehechtheid aan
de meest ongeloofelijke relieken. De menigte der relieken, in deze
onderscheidene kerken bewaard, gaat alle begrip te boven: ieder burger
van eenige beteekenis, die verre landen had bezocht, stelde er een
eer in, een of andere relikwie mede te brengen. De geschiedschrijvers
der republiek geven in hunne werken eene uitvoerige beschrijving van
al deze antieke overblijfselen, welke voor een groot deel geschenken
waren van de Koningen en Koninginnen van Bosnie en de doorluchtige
beschermers der republiek, die van eene bedevaart naar de heilige
plaatsen terugkeerden. Zij verhalen ook, dat na de overweldiging van
Bosnie, Servie, Bulgarije, Albanie en Griekenland door de Turken,
de kooplieden van Ragusa zich zooveel mogelijk beijverden om de
relikwien, die in handen der ongeloovigen waren gevallen, terug te
koopen en weder aan kerken of particulieren te verkoopen.
De meeste dier relieken worden tegenwoordig bewaard in eene ruime kapel
van de kathedraal, het Reliquarium genoemd. Het kost eenige moeite,
toegang tot die verzameling te verkrijgen. De kapel bevat zeer groote
rijkdommen, want bijna alle relikwien worden bewaard in kistjes,
bekers, doozen, monstransen van goud, zilver of rotskristal, die te
zamen eene zeer aanmerkelijke waarde vertegenwoordigen. In den regel
wordt de kapel niet dan op hooge feestdagen geopend, wanneer deze zaken
in statigen ommegang worden rondgedragen; tijdens de republiek mocht de
kapel niet worden geopend dan in tegenwoordigheid van twee senatoren.
Als men den Stradone ten einde wandelt en de stad door het reeds
genoemde wachthuis met den klokketoren verlaat, dan komt men, na
wederom door eenige bedekte wegen en vestingwerken te zijn gegaan, aan
de Zeepoort. Daar heeft men aan zijne rechterhand de haven van Ragusa,
zeer goed beschut en zeer schilderachtig, maar ook zeer klein en
alleen dienstig voor de visschersvaartuigen en de kleine kustvaart. De
schuiten, waarmede de bewoners der omliggende dorpen op marktdagen de
stad bezoeken, liggen ook in deze haven. De Zeepoort uitgaande, komt
ge ook in Borgho Plocce, waar de weg naar Trebinje begint; ge zijt
slechts op weinige schreden afstands van Herzegowina, en de vrouwen
van die streek bezoeken geregeld de markt te Ragusa. Daar bevindt zich
ook de karavanserai der Turken, met een omheind park voor het vee,
en een kleine loods, waarin aan de karavanen zout verkocht wordt.
XII.
Na een blik op de stad geworpen te hebben, mogen wij niet zwijgen van
hare geschiedenis: eene geschiedenis, zoo merkwaardig en in zekeren
zin zoo geheel eenig in haar soort, dat vooral om die reden dit kleine
plekje gronds alle belangstelling waardig is.
Even als Spalato, dankt ook Ragusa haar stichting aan de invallen
der barbaren, die Salona verwoestten. Een deel van de bevolking dier
stad nam de wijk naar deze rots, verliet Gravosa, dat te dicht bij
de open zee ligt, en zocht een toevluchtsoord aan den zoom der minder
toegankelijke baai van Ragusa. Reeds in 265 hadden de Gothen het oude
Epidaurum geplunderd; langen tijd daarna hadden eenige inwoners van
die stad zich aan dezen inham en de kleine vlakte aan den voet der
reusachtige rotsmassa nedergezet. De uitgewekenen van Epidaurum en
van Salona smolten samen en vormden alzoo de bevolking der nieuwe stad
Ragusa. Zonderling genoeg, werd ook op de plek van het oude Epidaurum
weder eene stad gebouwd, die den naam ontving van Ragusa-Vecchia,
Oud-Ragusa.
Tusschen 656 en 949 werd de stad driemaal uitgelegd, en nooit kwam het
den burgers in de gedachte, een gunstiger en ruimer plek uit te kiezen,
want hunne veiligheid ging hun boven alles. De vergrooting der stad
wordt vooral toegeschreven aan Paulimir, kleinzoon van Radoslas V,
Koning van Kroatie, die door zijn eigen zoon was onttroond. Paulimir
had de wijk genomen naar Rome; na den dood van zijn zoon, riepen
zijne onderdanen hem terug; hij had langen tijd te Ragusa vertoefd,
en om zijne erkentelijkheid te toonen voor de gastvrijheid, waarmede
de burgers hem ontvangen hadden, omgaf hij de stad met eene versterkte
omwalling, bouwde de kerken van Sint-Sergius en Sint-Stefanus, en
wist van den Paus te verkrijgen dat de bisschop van Epidaurum zijn
zetel van Breno naar Ragusa overbracht.
De nieuwe stad was van vijanden omringd; op zee had zij te kampen met
de piraten, en van de landzijde werd zij door de Slaven van Bosnie
bedreigd; niettemin ontwikkelde zij zich; de nood dwong haar burgers
tot onverpoosde inspanning en rusteloozen arbeid. Weldra toonden
zij zich bekwame zeevaarders; zij bouwden twee tuighuizen, rustten
een galei uit, benevens een aantal kleinere gewapende vaartuigen, en
versterkten hunne vestingwerken met nieuwe torens. In het jaar 788,
toen een van haar geduchtste vijanden, de sarraceensche zeeroover
Spucento, in de wateren van Ragusa het anker uitwierp, tastten
de burgers hem moedig aan, maakten hem gevangen en vermeesterden
zijn schepen. Dit was het eerste groote wapenfeit van Ragusa, en
die overwinning maakte zoo grooten indruk, dat zij allengs door de
legende werd toegeschreven aan Roland, den wijd en zijd beroemden held
der sagen van Karel den Groote. Ter eere van dien gewaanden Roland
werd zelfs te Ragusa, op het groote plein, tusschen het paleis en de
Douane, een kolossaal standbeeld in volle wapenrusting opgericht. Dit
beeld, dat van tijd tot tijd werd vernieuwd, staat nog heden op een
klein pleintje, naast de poort, van den Stradone naar zee voert,
daar waar ook, in de laatste tijden van haar bestaan, de standaard
van de republiek werd geplant.
Weldra ging Ragusa een schitterender toekomst tegemoet. In 831 wordt
de stad door de Slaven van Trebinje aangevallen; zij slaat dien aanval
zegevierend af; en het vredesverdrag, door bekwame en bedachtzame
kooplieden opgesteld, wordt een der grondslagen van den ongeloofelijken
voorspoed der republiek. De stad bedingt den vrijen handel met de
tegenwoordige turksche provincien Herzegowina, Bosnie en een deel
van Bulgarije; zij verkrijgt den afstand van een strook gronds, om
wijngaarden te planten, graan te zaaien en kudden te laten grazen; daar
tegenover vergunt zij aan haar vijanden onbeperkten handel met haar
kooplieden. In 867 plunderen de Sarraceenen Budua, Pisano en Cattaro,
en slaan het beleg voor Ragusa; de stad verdedigt zich gedurende
vijftien maanden; Basilius, de Keizer van het Oostersche rijk, zendt
honderd schepen tot hare hulp. De Sarraceenen worden gedwongen, het
beleg op te breken en zich naar Bari terug te trekken. De Paus, de
Koning van Frankrijk en de Keizer van Byzantium sluiten nu een verbond
met Ragusa, en deze kleine stad treedt mede op onder de christelijke
mogendheden, die de ongeloovigen uit Italie zullen verjagen. Te Ragusa
verzamelt zich een machtig leger, waarmede straks Bari wordt aangetast,
dat eerst na een beleg van vier jaren (871) vermeesterd wordt.
Tegen het einde der negende eeuw vertoonen zich de eerste sporen van
naijver tusschen Venetie en de republiek van Ragusa. De zeeroovers
van Narenta, waarvan ik reeds vroeger gesproken heb, teisteren
de kusten der Adriatische-zee; Venetie verklaart hun den oorlog,
en vervolgt hen allerwege, en haar scheepsmacht vertoont zich ook,
onder dat voorwendsel, te Ragusa. Aanvankelijk is de verhouding
zoo vredelievend mogelijk. Eenige venetiaansche galeien bezetten de
baai van Gravosa; anderen werpen het anker uit tegenover het eiland
Lacroma. De admiraal gaat aan land, en verschijnt in den Senaat: hij
heeft geen ander oogmerk dan om zich van de noodige levensmiddelen te
voorzien. Maar een Ragusaan, aan wien, zoo hij zegt, eene verschijning
van Sint-Blasius is te beurt gevallen, maakt de senatoren met de
geheime plannen der Venetianen bekend; men grijpt naar de wapens en
spoedt zich naar de wallen. Des morgens vindt de admiraal de Ragusanen
geheel ter verdediging toegerust; hij waagt een aanval, die wordt
afgeslagen, en licht daarop het anker. De Ragusaan heette Stojco;
en sedert dien tijd werd Sint-Blasius de patroon der republiek;
men bouwde eene kerk te zijner eer, en zijn beeldtenis prijkte op
het zegel van den staat en op de nationale banier.
Omstreeks het begin der elfde eeuw ontvangt het gebied der stad, tot
dusver schier tot de naakte rots beperkt, eenige uitbreiding. Stephan,
Koning van Dalmatie en Kroatie, geeft aan de republiek eene strook
gronds van vijf-en-twintig mijlen lengte, omvattende de vallei
van Breno, Ombla, Gravosa en Malfi. Deze Koning had eene bedevaart
ondernomen naar de kerk van San-Stefano, en meende daardoor genezing
gevonden te hebben van eene ziekte, waaraan hij sinds geruimen tijd
leed; de schenking was nu een bewijs zijner dankbaarheid. Hij was zoo
zeer met de burgers bevriend en stelde in hen zoo groot vertrouwen,
dat na zijn dood zijne weduwe Margaretha de stad Ragusa tot haar
verblijf koos.
Meermalen heeft Ragusa de eer gehad, onttroonde vorsten te herbergen,
en steeds heeft zij hun niet alleen gastvrijheid, maar dikwijls ook
feitelijke bescherming verleend. Dikwerf moest de stad daar voor
boeten. Nauwelijks had de Koningin-weduwe Margaretha de wijk genomen
naar Ragusa, of de opvolger van haar echtgenoot, Radoslas V, eischte
hare uitlevering. Die eisch werd afgewezen; hij sloeg het beleg voor
de stad, die hem wel tot den aftocht dwong, maar toch veel van dien
aanval te lijden had, want de rijke voorsteden werden vernield.
Bodino, de overweldiger van den troon van Servie, had de wapenen
opgevat tegen zijn oom Radoslas en zijne zonen. De bloedverwanten van
Radoslas, die het onderspit gedolven hadden, zochten eene schuilplaats,
waar zij veilig zouden zijn voor de wraak van Bodino, en kwamen te
Ragusa. Nauwelijks waren zij daar aangekomen, of Bodino zond een
gezant, en vorderde van den Senaat de onverwijlde uitlevering der
bloedverwanten van zijn oom. Indien de Senaat zijn verzoek afsloeg,
dan zou de overwinnaar van Bosnie "als een adelaar nederdalen en
Ragusa verdelgen." De Senaat weigerde niettemin, en handhaafde in
zijn waardig antwoord de traditie der republiek, om eene wijkplaats
te zijn voor alle vervolgden.
Niet zoodra had Bodino van zijn gezant deze weigering vernomen,
of hij naderde met een machtig leger, en sloeg zijn kamp op bij den
berg Bergato, voor Ragusa. Dit beleg duurde zeven jaren; de burgers
verdedigden zich met onwrikbaren moed. Het leger van Bodino kwam
in opstand, ten gevolge der wreedheden, waaraan hij zich jegens de
bloedverwanten van Radoslas overgaf; de Koning van Servie moest het
beleg opbreken, maar niet zonder eene sterke bezetting achter te laten
op het versterkte plateau, waar tegenwoordig de Sint-Nicolaaskerk
staat. De aartsbisschop van Ragusa en de abt van het klooster van
Lacroma onderscheidden zich bij die gelegenheid door een daad van
edelen heldenmoed. Zij begaven zich in statigen optocht naar het
kamp van Bodino, en verweten hem, in naam van den levenden God, de
moorden, die hij in koelen bloede bedreven had. Door hunne ernstige
woorden getroffen, deed Bodino boete, en liet op de rots van Lacroma,
ter eere van zijne slachtoffers, een grafteeken oprichten, waarvan
nog heden de overblijfselen zichtbaar zijn.
Echter was het beleg niet geheel opgebroken, want de Serviers hielden
nog altijd hun fort op den heuvel bezet; op Paaschdag van het jaar
1111, maakten de burgers zich met list van die sterkte meester, en
om deze zegepraal te vieren en de herinnering daaraan te bewaren,
werd de vesting geslecht, en in de plaats daarvan eene kerk ter
eere van Sint-Nicolaas gesticht. Om dien zelfden tijd werd de stad
aanmerkelijk uitgelegd; aan het uiteinde van den Stradone, werd een
kanaal gedempt en in een plein herschapen; tevens ontving de republiek
het eiland Nelada ten geschenke van Ourosh I, Koning van Servie.
In 1159 werd Ragusa op nieuw belegerd, en wel door Barich, den Koning
van Bosnie, die met zijne onderdanen ter zake van godsdienstgeschillen
over hoop lag; ook nu hadden de uitgewekenen eene schuilplaats gezocht
in Ragusa. Barich komt met een leger van tienduizend man, en levert
Breno aan de vlammen over; hij trekt zich tijdelijk terug voor den
vastberaden tegenstand der burgers, maar kondigt tevens zijn voornemen
aan, om het volgende jaar terug te keeren. Ragusa wacht hem niet af;
zij sluit een verbond met andere dalmatische steden, en rukt, met een
vrij sterk leger, rechtstreeks naar Trebinje; Barich ziet zich weldra
gedwongen een vernederenden vrede te teekenen, waarbij de republiek
nieuwe handelsvoordeelen bedingt.
De macht van Ragusa was aanmerkelijk gestegen; zij had, ondanks
herhaalde pogingen van Venetie om de kleine republiek aan haar
gezag of protektoraat te onderwerpen, haar onafhankelijkheid weten
te bewaren. Nu echter vinden wij gewag gemaakt van burgertwisten,
die den Senaat bewogen, zelf de bescherming in te roepen, welke hij
tot dusver volstandig verworpen had. Naar het toen heerschende recht,
moest de Rector of eerste overheidspersoon der republiek na verloop van
een jaar zijn ambt nederleggen. De Rector Damiano Judas had evenwel de
soldaten omgekocht, en was reeds sedert twee jaren aan het bestuur; hij
verhinderde de vergaderingen van den Raad en oefende een dictatoriaal
gezag uit. Een zijner schoonzoons, Piero Benessa, verbond zich met
eenige edelen, en stelde voor, de tusschenkomst van Venetie in te
roepen. Dit stond gelijk met vrijwillig zijne onafhankelijkheid op
het spel te zetten; maar toch besloot men den stap te wagen. Benessa
ging naar Venetie en trad in onderhandeling met den Senaat; men gaf
hem twee galeien, waarmede tevens een gezantschap naar Constantinopel
vertrok. Op zijne reize hield hij zich te Ragusa op, en noodigde
Damiano uit om aan boord te komen, ten einde de geschenken te zien,
die den Keizer zouden worden aangeboden. Nauwelijks had hij den
voet op het dek gezet, of de Rector werd in boeien geslagen; hij
verbrijzelde zich het hoofd tegen het boord. Intusschen bleek weldra,
welk een gevaarlijken stap men gedaan had: de Senaat van San-Marco
stelde een gouverneur over Ragusa aan, en dwong de kleine republiek
aan al de oorlogen, waarin Venetie gewikkeld werd, deel te nemen.
Van 1216 tot 1357 was Ragusa bijna een vasalstaat van Venetie; zij
had wel haar eigen regeeringsvorm, haar eigen vlag en de keuze harer
magistraten behouden, maar de invloed van den Senaat van Venetie
was oppermachtig. De republiek wist inmiddels, ook door behendig
aangeknoopte alliantien en door een beleidvol gebruik maken van de
omstandigheden, langzamerhand hare zelfstandigheid te herwinnen,
tot in 1359, in plaats van den door Venetie gezonden gouverneur,
drie ragusaansche patriciers gekozen werden, die den titel van
rectoren voerden. De groote republiek van Sint-Marcus, die onbetwist
meesteresse was van de Adriatische zee, nam met deze verandering
genoegen, en liet hierdoor haar oppergezag over dit schier onmerkbaar
plekje gronds varen.
Inmiddels was eene nieuwe macht op het tooneel verschenen, waar zij
eene zoo ontzaglijke rol spelen zou: de Turken hadden den voet in
Europa gezet, en een aanvang gemaakt met die reeks van veroveringen,
die het grieksche rijk zouden verzwelgen, het duitsche op den rand van
den ondergang brengen, en gansch Europa met schrik vervullen. Reeds in
1358 knoopt de republiek van Ragusa betrekkingen aan met deze barbaren,
die bereids tot in de aangrenzende landen zijn doorgedrongen en de
Slaven tot onderwerping zullen dwingen; in het genoemde jaar zendt zij
een gezantschap naar den emir Orcan. Ragusa biedt hem eene schatting
aan van vijfhonderd sequinen per jaar, en bedingt daarvoor zoo veel
mogelijk voorrechten en privilegien voor haar handel. Zij ziet in
de Turken de machtigste en onverzoenlijke vijanden van haar oude
mededingster, de republiek van Venetie; zij is de eerste mogendheid
in Europa, die een bondgenootschap sluit met den turkschen Sultan:
iets, wat haar juist niet tot eer verstrekt.
Dank zij dit bondgenootschap, gelukte het echter der republiek, ondanks
voorbijgaande moeilijkheden, haar onafhankelijkheid te bewaren, ook bij
de menigvuldige oorlogen, die Turken en Hongaren met elkander voerden,
en waarin zij meermalen dreigde betrokken te worden. Eindelijk valt ook
Constantinopel in de macht der mongoolsche horde, die bereids Servie,
Bosnie, Herzegowina, Albanie en een deel van Hongarije aan haar juk
heeft onderworpen. Mohammed II, de veroveraar van Constantinopel,
vermeestert voor en na al de havens van Dalmatie, en zijne vloot
nadert Ragusa. De burgers zijn door schrik bevangen; de republiek
heeft geen bondgenooten; aan weerstand valt tegenover dien vijand
niet te denken. Men besluit dus een gezantschap naar den Sultan af te
vaardigen. Deze eischte den afstand van al het grondgebied buiten de
wallen der stad, die dan hare onafhankelijkheid mocht behouden. De
Senaat antwoordde, dat de republiek zich aan den wil van den Sultan
onderwerpen zou, maar merkte daarbij op, dat Ragusa, van geheel haar
gebied beroofd, zich niet zou kunnen staande houden, en in handen van
den Koning van Hongarije zou vallen. Dit hielp: Mohammed zag van zijn
eisch af en liet de stad met vrede.
Voortaan door machtige buren aan alle zijden ingesloten, viel er
voor Ragusa verder aan geen uitbreiding van grondgebied te denken;
voortaan zal zij zich geheel wijden aan handel en nijverheid, aan de
beoefening van kunst en wetenschap. Op grond van hunne gehechtheid
aan den Heiligen Stoel, weten de burgers van Ragusa van den Paus
de vergunning te verkrijgen om met de ongeloovigen handel te mogen
drijven; en tegen het einde der vijftiende eeuw, heeft de republiek,
ondanks de moeilijkheden van haar politieken toestand, een trap
van welvaart en voorspoed bereikt, die de bewondering van Europa en
den naijver van Venetie opwekt. Haar kooplieden hebben kantoren in
Frankrijk, in Spanje, in Italie, in Engeland, in geheel het Oosten, en
onnoemelijke schatten worden binnen hare muren opgestapeld. Omstreeks
dien tijd trof de stad een geduchte ramp: een koopman van Ancona bracht
de pest naar Ragusa over, die zoo vreeselijke verwoestingen aanrichtte,
dat de stad bijna geheel verlaten werd. De Senaat verplaatste zich
naar Gravosa; in de stad bleven slechts tweehonderd soldaten en zes
edellieden, met twee galeien over, om de haven te kunnen verdedigen. De
pest heerschte gedurende zes maanden; naar men zegt, stierven er in
dien tijd twintigduizend menschen.
In de eerste helft der zestiende eeuw zien wij de republiek in
aanraking met Karel V; getrouw aan hunne oude politiek, vermijden de
bedachtzame kooplieden eene botsing met een zoo machtigen vijand, en
sluiten liever een verbond met den Keizer, waarbij zij zich verbinden,
hem in geval van oorlog met hunne vloot bij te staan. Die verbindtenis
kostte der republiek zware offers. Bij den aanval op Tunis verloor zij
achttien galeien, bij dien op Algiers acht, en de tocht naar Tripoli
kwam haar nogmaals op het verlies van zes schepen te staan. De tweede
helft der zestiende eeuw is geheel ingenomen door de groote worsteling
tusschen Venetie en de Turken. Zelve als het ware midden tusschen de
strijdende partijen geplaatst, bleef de republiek toch met beiden
handel drijven; maar toen de geallieerden bij Lepanto de turksche
vloot hadden vernield, besefte Ragusa dat zij zeer groot gevaar liep,
en vaardigde aanstonds een gezantschap naar Paus Paulus III af. Men
eerbiedigde haar neutraliteit, maar toch kon zij niet weigeren, de
overwinnaars van Lepanto, Don Juan van Oostenrijk on Vittorio Colonna,
binnen hare muren te ontvangen, al werd ook door het onthaal dat zij
hun bereidde, de toorn des Sultans opgewekt. Echter trok ook dit onweer
af, en Ragusa werd, als neutrale stad, gekozen voor de uitwisseling
der gevangenen, die Spanjaarden en Turken op elkander hadden gemaakt.
Zoo hield de republiek zich, onder de bescherming der Porte, metterdaad
onafhankelijk, en behartigde met ijver haar handelsbelangen, tot
haar, op den 6den April 1667, een vreeselijke ramp trof. Eene geduchte
aardbeving, in den namiddag gevolgd door een hevigen orkaan, verwoestte
bijna de gansche stad en richtte onnoemelijke schade aan. Slechts
weinige gebouwen waren staande gebleven; de schepen in de haven werden
verbrijzeld; te midden der grenzenlooze verwarring ontstond er brand,
en verschenen benden Morlaken in de vernielde stad, om te plunderen
wat zij konden. Naar men zegt, verloren op dien noodlottigen dag
omstreeks vijfduizend menschen het leven.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 | 38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65