A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Wel werd Ragusa weder opgebouwd, maar nooit kon zij zich van dien
slag herstellen. Bij de welhaast openbaar wordende verzwakking van het
turksche rijk, week ook voor de republiek het gevaar, van hetzij door
haar overmachtigen nabuur te worden verzwolgen, hetzij betrokken te
worden in de oorlogen tusschen Turkije en de andere mogendheden. Maar
haar eigen levenskracht was mede uitgeput; toch hield zij zich nog
staande tot 1806, toen de Franschen in Dalmatie doordrongen en ook
Ragusa bezetten. Bij den vrede van Tilsitt, in 1807, kreeg de republiek
wel hare onafhankelijkheid terug, maar om die reeds in het volgende
jaar, en nu voor goed, te verliezen. In het begin van 1808 verscheen
de maarschalk Marmont te Ragusa, en vaardigde een dekreet uit, waarbij
de republiek werd vernietigd; Marmont ontving den titel van hertog van
Ragusa. In het voorjaar van 1814 werd de stad door de Oostenrijkers en
de Engelschen belegerd; de fransche bezetting moest kapituleeren. Bij
het traktaat van Weenen werd de voormalige republiek bij Dalmatie
ingelijfd, dat tot een kroonland van Oostenrijk werd verklaard.

Ragusa is tegenwoordig de hoofdplaats van een district, en
heeft een eigen gouverneur, die onder de bevelen staat van den
gouverneur-generaal van Dalmatie. De stad telt niet veel meer dan
achtduizend inwoners; in 1808, toen Marmont hier resideerde, zou hare
bevolking nog vijf-en-dertigduizend zielen hebben bedragen. Ik vermoed
echter, dat daaronder ook de bevolking der voorsteden en zelfs van
Gravosa begrepen zal zijn.


XIII.

Welke was de regeeringsvorm van Ragusa, gedurende het duizendjarig
bestaan dezer republiek? Welke staatsinstellingen hebben het mogelijk
gemaakt, dat een staat met zoo uiterst beperkt grondgebied, een zoo
belangrijke rol heeft gespeeld?

In zijn Droit public de l'Europe, zegt de abt Mably, sprekende van
Ragusa: "Haar republikeinsche regeeringsvorm is ouder dan Venetie." Wij
zullen ons bepalen bij een handelstraktaat, ten jare 997 tusschen de
stad en den griekschen Keizer gesloten, en aangegaan in naam van den
gonfaloniere, "president der stad Ragusa, verbonden met al de edelen
van genoemde stad." Uit dit traktaat blijkt dus, dat er destijds
reeds een raad van edelen bestond. Sedert het tijdstip, waarop, zoo
als wij boven reeds zagen, de republiek, in een oogenblik van gevaar
(1204), de hulp van Venetie inriep en een venetiaansch patricier,
als rector of president, aan het hoofd der regeering werd geplaatst,
deed zich ook in de innerlijke huishouding van Ragusa de invloed der
machtige republiek van Sint-Marcus gevoelen; de regeeringsvorm is
dan ook, in hoofdtrekken, dezelfde als te Venetie.

Sedert het begin der dertiende eeuw bestonden er te Ragusa drie
raden of collegien, in verband met de splitsing der burgers in
drie klassen: de edelen, de eigenlijke burgers (cittadini) en de
ambachtslieden. De regeering berust eigenlijk in handen der edelen
(nobili), en de republiek is streng aristokratisch: ongetwijfeld
een der hoofdoorzaken van haar langdurig bestaan. De burgers zijn
verdeeld in twee broederschappen of gilden, dat van Sint-Antonius en
dat van Sint-Lazarus; de leden dier gilden zijn voor zekere ambten
verkiesbaar: de benoeming geschiedt door den Senaat.

In den Grooten Raad hebben alle edelen zitting, krachtens hun
geboorterecht en zoodra zij den ouderdom van achttien jaar hebben
bereikt. Deze Groote Raad benoemt den president der republiek of
Rector, die slechts eene maand aan het bewind blijft; op den 25sten
van iedere maand heeft eene nieuwe verkiezing plaats. Het spreekt van
zelf, dat een president, wiens mandaat na verloop van dertig dagen
verstreken was, niet veel invloed kon uitoefenen.

Den 15den December van elk jaar, werden, mede door den Grooten Raad,
de overheidspersonen der stad gekozen, de schepenen, die ook met de
handhaving der wetten en de rechtspleging waren belast en nog andere
regeeringsfunctien uitoefenden.

De tweede raad heet, even als te Venetie, de Raad der Pregati of de
Senaat; hij bestaat uit vijf-en-veertig leden. Van zijne beslissingen
is geen beroep. Hij stelt de belastingen en alle heffingen vast,
spreekt vonnis in civiele zaken, benoemt de gezanten, sluit vrede
en verklaart den oorlog; zendt om de drie jaar commissien van
onderzoek naar de verschillende districten, vaardigt de wetten uit,
en beraadslaagt over alles wat met de binnen- of buitenlandsche
politiek in verband staat. Deze Senaat vergadert viermaal per week,
later tweemaal; in geval van nood, kan hij door den Rector worden
bijeengeroepen.

De Raad, het derde regeeringscollege, uit zeven senatoren bestaande,
onder voorzitterschap van den Rector, vertegenwoordigt het uitvoerend
gezag: deze raad heeft geheel dezelfde functien als de Signoria te
Venetie. Hij is belast met de uitvoering der besluiten van den Grooten
Raad en den Senaat; elk zijner leden heeft eene bijzondere afdeeling
van het bestuur voor zijne rekening. De Raad voert briefwisseling met
andere mogendheden, ontvangt de gezanten, den aartsbisschop, Vorsten
en andere vreemdelingen van hoogen rang, en onderwerpt belangrijke
kwestien aan de beslissing van den Senaat. De leden van dit college
worden voor een jaar benoemd.

De eerste magistraat der republiek, de Rector, voerde aanvankelijk
den titel van Prior, daarna dien van Graaf. Vroeger bleef de Rector
een jaar in functie, maar na de poging van Damiano Judas om zich in
het gezag te handhaven, werd die termijn ingekort en werd de Rector
voor een maand benoemd; hij moest gedurende dien tijd het paleis
bewonen. Slechts bij sommige gelegenheden mocht hij in het publiek
verschijnen. In de openbare uitoefening van zijn ambt, droeg hij een
wijden, met bloemen geborduurden mantel van karmozijn damast, benevens
een groote pruik met krullen. In het paleis bestond zijne kleeding uit
eene eenvoudige toga van roode wollen stof; hij werd door de lakeien
van den staat bediend, en mocht zijne vertrekken niet verlaten, dan
om ter kerk te gaan. Dan werd hij vergezeld door de leden van den
kleinen Raad en de secretarissen van de Staatskanselarij; voor hem uit
gingen de lakeien en een troep muziekanten met blaasinstrumenten. Een
deurwaarder droeg voor hem een zonnescherm, met karmozijn roode
stof bekleed.

Dit laatste herinnert aan het Oosten: het is de zonnescherm der
rajahs, der sultans, der emirs, der pasjas; ook Venetie heeft dit
symbool van het oppergezag overgenomen. Als Hendrik III, na zijn
vlucht uit Polen, te Venetie een bezoek komt afleggen, worden de
vier dienstdoende procuratoren aangewezen om hem te vergezellen,
en Marc-Antonio Barbaro, om den umbrellino te dragen.

De zonnescherm van Ragusa had een gedraaiden, gebeeldhouwden en
vergulden stok: hij werd altijd gebruikt, onverschillig of de zon
scheen of niet.

De Rector velt, in zijn paleis, vonnis in sommige geschillen; maar
hij is slechts vrederechter, want die geschillen mogen over niet meer
loopen dan de waarde van een sequin. Zijne belooning bedraagt niet
meer dan een sequin per dag; hij trekt echter nog eenige inkomsten
uit de inkomende rechten op levensmiddelen.

De eerste magistraatspersoon is letterlijk een gevangene in zijn
paleis; hij mag alleen des avonds uitgaan, maar incognito en
zonder toga, opdat de waardigheid der republiek geen schade zou
lijden. Niemand kan tweemaal in het jaar Rector zijn; ieder lid van
den Senaat bekleedt die waardigheid op zijne beurt.

De burgers of volburgers (cittadini) mogen eene toga en eene pruik
dragen; even als de edelen kunnen zij en hunne zonen door den Senaat
benoemd worden tot secretarissen van de Staatskanselarij; bezitten
zij bijzondere bekwaamheid, dan kunnen zij tot kanselier opklimmen:
ook dit in navolging van het te Venetie heerschende gebruik. In sommige
gevallen mogen zij ook met bijzondere vertrouwelijke zendingen belast
worden, zoo als bij de pasjas in Turkije, of bij de regeeringen der
staten langs de kust van Afrika. Zij worden gebruikt bij verschillende
gelegenheden, waarbij geen edelen gebezigd worden.

Telken jare, op den feestdag van Sint-Blasius, beschermer en patroon
der republiek, wordt een burger door den Senaat benoemd tot kapitein
der artillerie. In den schouwburg zitten de vrouwen der burgers ter
linkerhand van de adellijke dames: een voorrecht, dat haar door de
vrouwen van den derden stand zeer benijd wordt.

De volburgers worden door den Senaat benoemd. Om de citadinanza of het
burgerrecht te verkrijgen, moet men minstens vijf-en-twintigduizend
francs aan vaste goederen bezitten, geen kleinhandel drijven, en
nimmer eene onteerende straf hebben ondergaan.

De derde stand bestaat uit de scheepsgezagvoerders, de kleinhandelaars
en winkeliers, en eindelijk uit de ambachtslieden. Als de
scheepsgezagvoerders op hunne reizen fortuin gemaakt hebben, kunnen
zij op hunne aanvrage de citadinanza verkrijgen. De stand der burgers
breidt zich op die wijze aanmerkelijk uit; met den adel is dit niet
het geval, want de edelen zijn zeer naijverig op hunne voorrechten
en hechten zeer aan het prestige van hun stand. In 1790 bericht de
consul-generaal van Frankrijk, dat sedert honderd jaren geen brieven
van adeldom waren verleend geworden.

Ten slotte vermelden wij nog, dat de burgerlijke rechtspleging,
behalve aan de genoemde regeeringscollegien, was opgedragen aan een
rechtbank van vier leden: de consuls der burgerlijke zaken. Het
beheer der schatkist was toevertrouwd aan drie administrateurs,
de tresoriers van Santa-Martha, uit de senatoren gekozen. Verder
bestond er ook nog een soort van rekenkamer, de raad of commissie
delle cinque Ragioni genoemd.

Deze staatsregeling is, zonder ingrijpende veranderingen en ook zonder
inwendige beroeringen van ernstigen aard, omstreeks tien eeuwen
van kracht gebleven. Voor ons, die gewoon zijn dat sommige volken
hun grondwet en hun regeeringsvorm zoowat om de tien of twintig jaar
veranderen, en voor wie de normale toestand deze is, dat de regeering
beschouwd wordt als eene prooi, om welker bezit eenige eerzuchtigen,
voor wie het algemeene welzijn wel de allerlaatste zaak is waarom
zij zich bekommeren, met elkander worstelen;--voor ons klinkt,
in dezen tijd van gedurige spanning en onrust, deze historische
getuigenis welhaast als een sprookje. Ongetwijfeld had Ragusa, even
als Venetie, deze zeldzame vastheid en stabiliteit--te merkwaardiger
in dit geval omdat de republiek naar buiten zoo weinig macht kon
ontwikkelen, en voortdurend door elkander bekampende vijanden omringd
was--in de allereerste plaats te danken aan het streng aristokratisch
karakter harer constitutie. De vaderlandsliefde, de strenge tucht, de
voorzichtigheid, de gematigdheid en het zeldzame beleid, waarvan de
regeerende klasse van Ragusa zoo doorslaande bewijzen gegeven heeft
en waardoor dit miniatuurstaatje het hoofd heeft kunnen bieden aan
machtige potentaten, verdienen de hoogste bewondering; maar deze
deugden zijn juist het tegenovergestelde van de eigenschappen,
waardoor de demokratie zich overal en te allen tijde hoeft gekenmerkt.

Bij het nasnuffelen van de archieven en oude staats-papieren werd
mijne aandacht ook getrokken door sommige bepalingen en regelen op
het stuk van kleeding, levenswijze, enz., die mij toeschijnen niet
zonder belang te zijn.

In April 1763 werden door den raad der Pregati (den Senaat) eenige
leden aangewezen, om maatregelen te beramen ter beteugeling der
weelde, ten einde de onnoodige en overtollige uitgaven te beperken,
waardoor de inkomsten der gezinnen werden verslonden en zij in een
toestand gebracht, die hen naar hulp van de overheid deed uitzien. Die
commissie stelde een ontwerp-keur voor, waarvan ik de voornaamste
bepalingen hier laat volgen:

I. De vrouwen van stand, zelfs de Antoninen en Lazarinen (dat zijn de
dames der broederschappen of gilden van Sint-Antonius en Sint-Lazarus)
mogen niet meer dan twee soorten van kleederen hebben: een stel
staatsiekleederen, en een voor gewoon gebruik.

II. Geene andere dan deze staatsiekleederen mogen gedragen worden in de
hoofdkerken, dat wil zeggen in de kathedraal van Sint-Blasius, en in
de kerken der Dominicanen en Franciscanen, waar de Zeer Doorluchtige
en Zeer Eerwaardige Heer onze Rector mocht verschijnen; en zulks op
de bekende straffen.

III. Alle andere vrouwen mogen geen andere kleederen dragen dan
van effen zijde, wol, linnen of katoen, waarvan de kleur door haar
gekozen mag worden, behalve zwart; ook mogen zij geene queue dragen
en ook geen andere dan lederen schoenen; de weduwen alleen moeten in
het zwart gekleed gaan, maar uitsluitend in wollen stof; op verbeurte
van het vierde harer bezitting.

IV. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken rang of stand ook,
om galon van gouddraad te dragen.

V. Verbod aan alle mannen en vrouwen, van welken stand ook, om de
kleederen te versieren met echt of valsch goud of zilver.

VI. Verbod aan alle vrouwen, onverschillig van welken stand, om zich
nieuwe kleederen te laten vervaardigen van goud- of zilverbrokaat,
of van niet effen zijde.

VII. Geen vrouw, met uitzondering der dames van adel en de Antoninen
en Lazarinen, zal voortaan een geborduurden sluier of kap, of
gefestonneerden mantel mogen dragen; het is haar echter vergund kappen
of huiven te dragen van zwarte stof.

VIII. De edelen mogen over dag niet zonder het aan hun rang passend
gewaad uitgaan.

IX. Het is den mannen op straffe van verbanning verboden, het beroep
van kapper uit te oefenen, of in dat beroep onderricht te geven.

Of deze bepalingen en regelen, waarvan ik hier slechts enkelen heb
aangehaald, inderdaad doel hebben getroffen, weet ik niet. Ik zou er
bijna aan twijfelen, als ik zie, hoe reeds in Mei 1773 het edict van
1765 wordt vernieuwd, maar nu met bijvoeging eener nieuwe bepaling
tegen de fransche kleederdracht, die ook in Ragusa was doorgedrongen
en daar navolgers vond. Bij besluit van 18 Mei 1773 verbood de Senaat
aan alle heeren en edelen, om zich naar fransche mode te kleeden,
en in het publiek te verschijnen anders dan met de toga; op straffe
voor eerstgenoemden, om gedurende drie jaren geen zitting in den
Senaat te mogen nemen; en voor de anderen, om gedurende dienzelfden
tijd geen lid te kunnen worden van den Raad.

Zoo als men ziet, waren deze aristokraten voor zich zelven niet minder
streng dan voor anderen, veeleer het tegendeel. Trouwens, ook deze
trek heeft Ragusa met Venetie gemeen. De jonge edellieden, die op hun
achttiende jaar rechtens in den Grooten Raad zitting mochten nemen,
gedurende drie jaar van dat recht te berooven, omdat zij een vreemde
mode volgen, is zeker bar genoeg.


XIV.

Voor de eerste maal, in een armoedige herberg tusschen Knin en
Sebenico; voor de tweede maal te Ragusa, in een kruidenierswinkel;
voor de derde maal eindelijk in een pover kroegje te Borgho-Pille,
waar de karavanen een teug van den nationalen drank, de slivovitza
(pruimebrandewijn) komen drinken,--heb ik de guzlars de nationale
volksliederen van Servie hooren zingen.

De guzla, het instrument dat dezen zang begeleidt, is minder dan
eenvoudig: het is bijna barbaarsch: een enkele snaar over een soort
van lederen mandoline, met een buitengewoon langen steel, gespannen,
ziedaar alles. De strijkstok is een soort van houten boog, waaraan
mede een enkele snaar bevestigd is. De guzla hangt in de slavische
herberg aan den wand, even als in Spanje de guitaar of pandero aan
den wand der posada; en diegene onder de gasten, die de servische
zangen het beste uit zijn hoofd kent, neemt het instrument van
den muur en begint te zingen. Hij houdt de guzla tusschen de beide
knieen, even als een violoncel, en begint met enkele hooge noten;
weldra groepeert zich de schare om hem heen; aanvankelijk luistert
men met zeer weinig aandacht: men gaat en komt, loopt heen en weer,
verricht allerlei bezigheden en hindert den zanger; inmiddels gaat
hij voort met zijn lied; de toehoorders worden aandachtig; er vormt
zich een kring om hem, die telkens aangroeit; weldra heerscht er
algemeene stilte en belangstelling. Sommigen leunen zwijgend tegen
den muur; anderen, op zakken liggende, neergehurkt, met de beenen
onder het lijf gevouwen, zitten roerloos; niemand spreekt een woord;
de voorbijgangers, die een kop koffie of iets anders verlangen, treden
voorzichtig naar binnen en geven zwijgend een teeken. De stem van
den zanger is al hooger geklommen; hij windt zich op en zijne oogen
schitteren; de slavische versregel wordt afgebroken door zonderlinge
geluiden, die elke frase van den zang doen uitkomen. Voorzeker is
dit geen muziek in den eigenlijken zin des woords; men zou haast
zeggen, dat hier noch melodie, noch harmonie, noch maat, noch klank
te vinden is; en toch ondanks dit alles, heeft deze eentonige melodie
iets bekoorlijks, iets onwederstaanbaars; zij is somber en treurig,
maar nu en dan breekt eensklaps, als een bliksemstraal, een wilde
zegekreet, een luid gejubel door dien doffen weemoed heen. Dit lied
is een beeld van de geschiedenis van het servische volk zelf, zoo
vol rouw en smart, en toch ook wederom doortinteld van onsterfelijke
hoop; het is hun Ilias, hun Odyssee en hun Romancero: de afspiegeling
van het leven der Serviers, hunne geschiedenis met al haar legenden,
de verheerlijking hunner nationale helden.

De millioenen Slaven, die Bosnie, Herzegowina, noordelijk Albanie,
Slavonie, Dalmatie, een deel van Istrie, Batchka, Syrmie, het Banaat,
Montenegro en Servie bewonen, hebben deze aloude zangen en liederen
broksgewijze bewaard; zij worden alom gezongen: te Belgrado, te Agram,
te Zwornick, te Banjaloeka, te Knin, te Dernis, aan de golf van
Cattaro en in de Zwarte-Bergen. Deze machtige propaganda valt buiten
het bereik van wetten en verordeningen, van policie en gendarmerie;
deze liederen, van de vaderen geerfd, zijn de heilige verbondsark
dezer slavische stammen, die daarin de herinnering van hun grootsch
verleden, den troost onder het lijden en den jammer van het heden,
en eene profecie van aanstaande verlossing en vrijheid bewaren.

Ook nu, nu langs de boorden van de Drina, de Morawa, de Narenta,
weder de heilige krijg is ontbrand; nu andermaal het zwaard is
uitgetogen en de Kruisbanier opgeheven om eindelijk, eindelijk de
slavische Christenen te bevrijden van het juk der mohammedaansche
barbarenhorde; ook nu klinken alom die zangen door het wijde slavische
land. Des avonds, als de dalende nacht het kamp in haar sluier hult,
als de laatste glans aan den hemel wegsterft, en in het bivouak de
nachtvuren worden ontstoken:--dan rijzen uit de groepen der strijders,
die zich straks ter ruste zullen begeven, de oude nationale liederen;
dan klinken alom de tonen van de guzla, die de krijgslieden medenamen
naar hun tent; en luisterende naar die aloude gewijde zangen, zoo
vol van der vaderen roem en der vaderen lijden, rijpt te vaster het
besluit om het zwaard niet neder te leggen, voor de gevloekte tyran
van der vaderen erfgrond zal verdreven zijn.

Van ganscher harte zij hun de overwinning toegewenscht!

Deze zoo beroemde servische zangen, die tegenwoordig eene eigene
letterkunde vormen, waren voor omstreeks veertig jaar, buiten de
slavische landen bijna geheel onbekend. In Frankrijk werden zij voor
het eerst bekend gemaakt door Merimee, die beweerde deze liederen,
op een reis door Dalmatie, te hebben opgeschreven uit den mond van
een ouden guzlar. Hij gaf eene gansche verzameling daarvan uit, onder
den titel van La Guzla, die in Frankrijk grooten opgang maakte; het
duurde niet lang, of de zoogenoemde servische volksliederen kwamen in
de mode. Eenige jaren later bekende de heer Merimee, in de voorrede
voor eene nieuwe uitgave, dat hij, in overleg met zijn geleerden vriend
Ampere, die zangen zelf gemaakt had, en dat zij hoogstens geacht konden
worden nabootsingen te zijn van oorspronkelijke liederen, waarvan hij
den tekst onder de oogen gehad had. Hij voegde daarbij, dat hij, zeer
gaarne een reis naar Dalmatie wenschende te doen, maar niet over de
vereischte middelen kunnende beschikken, begonnen was met zijn boek te
schrijven, en voor het geld, dat hij daarmede verdiend had, later naar
Dalmatie was gegaan om te onderzoeken of het boek juist en getrouw was.

De echte servische zangen hebben ongetwijfeld een zeer sterk sprekend
karakter, zoodat het een dichter, die zin heeft voor lokale kleur
en zich eenige studie getroosten wil, niet zoo bijster moeilijk kan
vallen, ze na te volgen. Maar Vouk Stephanovitch Karadjitch is toch
de eerste, die een juist en nauwkeurig denkbeeld van deze zangen
gegeven heeft in zijn boek: Servische Volksliederen, Spreekwoorden
en Verhalen. Herder is misschien de eerste geweest, die ze in
westelijk Europa heeft bekend gemaakt; ook Goethe heeft een enkel
dezer liederen in het duitsch vertaald. In 1823 gaf een Servier, die
zijn naam niet heeft bekend gemaakt, te Leipzig een verzameling van
servische volksliederen uit, onder den titel Narodne Serbske pesme;
maar aangezien de servische taal zeer weinig bekend is, werden deze
zangen eerst opgemerkt en gewaardeerd, nadat Mrs. Robinson, onder den
pseudoniem Talvi, daarvan een duitsche vertaling bezorgd had. In 1836
gaf de italiaansche dichter Tommaseo--van Dalmatie geboortig--zijne
Canti popolari uit, waaronder hij eene ruime plaats toekende aan de
"illyrische zangen."

Nu was het ijs gebroken, en in Frankrijk, Duitschland en Engeland
werd steeds meer de aandacht op dezen dichterlijken schat gevestigd,
zagen vertalingen of bewerkingen dezer servische liederen het
licht. Mickiewicz, zelf een der grootste dichters van het slavische
ras, spreekt aldus, in bezielde taal, over deze liederen:

"Volkszangen, arke des verbonds tusschen den ouden en den nieuwen
tijd, in u legt de natie de zegeteekenen harer helden neder, de hoop
en verwachting harer innigste gedachten, de bloem harer teederste
gevoelens! Heilige arke, niemand kan u slaan, u verbrijzelen, zoolang
uw eigen volk de schennende hand niet tegen u heeft opgeheven! O, zang
des volks, gij zijt de tempelwachter der nationale herinneringen;
uwer zijn de vleugelen en de stem des aartsengels, uwer ook vaak
zijne wapenen! De vlam verteert de scheppingen van het penseel, de
roovers plunderen de schatten: het lied ontkomt aan het verderf en
blijft leven. Als het vernederde en ontaarde volk zijne herinneringen
en zijn hoop vergeet en het lied laat kwijnen, dan vlucht het naar
de bergen en hecht zich aan de puinhoopen, en van daar klinkt zijn
stem, verhalende van den ouden tijd. Zoo vlucht de nachtegaal van het
brandende huis en zet zich een oogenblik op het dak; maar als ook het
dak bezwijkt, dan vliegt hij heen naar de bosschen, en zingt met luider
stem een lied van rouw en smart, te midden van ruinen en graven."

Inderdaad leeft in deze liederen de nationale geschiedenis. Even als
de rhapsoden der oudheid, zoo hebben ook de rondtrekkende guzlars,
dank zij hun dichterlijk instinkt, de namen der helden, de gedachtenis
der doorgestane beproevingen, der behaalde overwinningen, voor het
servische volk bewaard. Om zijn eersten bundel bijeen te brengen,
ging Stephanovitch van dorp tot dorp, overal onderzoekende of er zich
daar ook een guzlar of zanger bevond, die om zijn uitstekend geheugen
beroemd was.

Op zekeren dag, zoo verhaalt Mickiewicz, vindt hij een ouden
marskramer, die een aantal liederen van buiten kent; hij neemt den man
mede naar zijn huis, geeft hem te drinken, en beweegt hem zoo doende al
zijn liederen, een voor een, op te zeggen, terwijl hij zo middelerwijl
opschrijft, en de verminkte regels weer in hun oorspronkelijke
zuiverheid herstelt. Een ander maal verhaalt men hem van een man,
die een geheel gedicht van buiten kent; om dien man te vinden, riep
hij de hulp in van Prins Milosch, een held die niet schrijven kon,
maar in wiens ziel niettemin het heilige vuur gloeide en die ten volle
de waarde en de beteekenis dezer vaderlandsche liederen begreep. De
Prins beveelt dat men dien guzlar opspore. Nu bleek het dat deze
beroemde zanger een oude roover was, bedekt met litteekenen, en die
zich nog altijd niet had verzoend met de pandoeren en de gendarmen;
hij begreep niet wat de Vorst van hem verlangde; hij vreesde dat men
hem een strik spande en deed geen mond open. Om hem aan de praat te
krijgen, werd hij half dronken gemaakt: nu droeg hij zijn gedicht voor,
en de slavische litteratuur telde een meesterstuk te meer.


XV.

Des morgens ten negen uur verliet ik Ragusa, om met een der booten van
Lloyd rechtstreeks naar Cattaro te gaan, waar ik omstreeks half vijf
aankwam. Deze tocht van zeven en een half uur, op een mooien herfstdag,
als de zon iets van haar kracht verloren heeft en men op het dek der
boot blijven kan, is zeker een der aangenaamste, die men zich kan
denken. Het landschap toch, vooral nadat men kaap Ostro is omgevaren,
behoort buiten kijf tot de schoonste der wereld; volgens sommigen,
zou de Bocca di Cattaro vergeefs hare wedergade zoeken.

Naar den naam te oordeelen, zou men meenen dat de Bocca di Cattaro
(Mond van Cattaro) de uitmonding was van eene of andere rivier,
die zich daar in zee stort. Intusschen is juist het omgekeerde het
geval. Wij hebben hier niet te doen met een riviermond, maar met een
inham der zee, met eene gewelddadige opening, die de Aziatische-zee
in de haar omzoomende bergketen gemaakt heeft. Die opening is echter
niet regelmatig en ook niet op eens gemaakt: de golven hebben om zoo
te zeggen langzamerhand den berg ondermijnd en zijn zoo landwaarts
ingedrongen; de zee kronkelt zich om de bergwanden heen, vormt hier
een breed bekken, ginds een nauw kanaal, dat weder naar een nieuwe
baai voert. Elk kanaal, of zoo ge wilt elke engte, die van de eene
waterkom naar de andere voert, draagt den naam van Bocca, en het geheel
heet Bocche di Cattaro, naar de stad van dien naam, aan de binnenste
baai gelegen. De eerste Bocca ligt aan de Adriatische-zee, tusschen
kaap Ostro en de rots Zaniza; de tweede, tusschen de landpunt van
Cobilla en Lustiza; de derde te Combur; de vierde te Santa-Domenica;
de vijfde te Le Cattene, en de zesde te Perzagno. De vaart van den
ingang der Bocca tot Cattaro duurt twee uren. De vijfde zeeengte is
de smalste van allen; de doorvaart is hier zoo eng ingesloten, dat in
1381, toen koning Lodewijk van Hongarije Cattaro tegen de Venetianen
wilde verdedigen, op dit punt kettingen van de eene rotspunt naar de
andere gespannen werden. Vandaar de naam Le Cattene, de Kettingen.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.