A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Harcourt: Kangaroo route tied down, sport
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

World At Risk "Instant Book" Tomorrow">Vintage to Publish World At Risk "Instant Book" Tomorrow
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

PW Morning Report, December 2, 2008">The PW Morning Report, December 2, 2008
Extract not available.

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Bij den eersten aanblik schijnt u alles koud, regelmatig, symetrisch;
maar ga door, van de zee naar den berg, en weldra ziet ge, even als in
eene italiaansche voorstad, aardige, lachende villas, schilderachtige
borghi, waar, op breede terrassen dertig voet boven uw hoofd,
liefhebbers bezig zijn met balslaan. Vervolg uw weg: de reusachtige
berg verspert u den doorgang; hij verrijst daar voor u, somber,
grauw, naakt, een dorre doode rotsmassa, door de bora geteisterd,
maar uit wier zijde zich, in reusachtigen val, de Fiumera stort,
die zich straks tot een haven verbreedt.

Deze Fiumera, die uit den schoot des bergs te voorschijn komt en zich
ter linkerzijde van de stad in de golf ontlast, vormt, even voor hare
uitmonding, een kanaal, door eene groote ruime kaai omzoomd, waar al
de houtschepen ten anker liggen. Dit is het schoonste gedeelte van
geheel Fiume. Langs de haven staan eeuwenoude boomen, wier groene
kruinen boven de masten der schepen uitsteken. De breede, fraaie en
zeer levendige kaai is bezet met schoone huizen, in monumentalen
stijl; de paaltjes, die het voetpad van den rijweg afscheiden,
prijken allen met levensgroote hoofden van Turken en Hongaren, in
den steen uitgehouwen. Dit is geen louter toeval of een gril van den
beeldhouwer. Let eens op de gewelven van alle paleizen en openbare
gebouwen in de stad, hef uwe oogen op naar de bogen en kapiteelen
dor zuilengangen: overal ziet ge een turkschen kop met den tulband
gedekt of een gebaarden Slavonier. Dit is niet alles: de boeren en
boerinnen van de kust van den Quarnero, de dames van Fiume, dragen
sedert eeuwen ringen, armbanden, halskettingen, waarop ge diezelfde
symbolische koppen, op verschillende wijze aangebracht, zult terug
vinden. Ongetwijfeld is dit een bij de Kroaten en Hongaren zeer geliefd
teeken; wellicht eene herinnering aan den vreeselijken slag in 1232,
op een mijl afstands van Fiume, te Grobnick, onder aanvoering van
Bela IV, tegen de Turken geleverd.

Fiume heeft weinig of geen monumenten; de kerken hebben niets
opmerkelijks. De dom is een stijf koud gebouw, met een klassieken
voorgevel, die zijn versiering dankt aan de edelmoedige vrijgevigheid
der familie Wallsee. De stad hoeft een koninklijk gymnasium, in 1627
gesticht, en eene akademie voor de marine. De schouwburg dagteekent
van 1801; het is een zeer fraai gebouw, gesticht op kosten van den
patricier Ludwig von Adamich. Even als in alle steden van Istrie en
Dalmatie, is ook te Fiume de bevolking in onderscheidene groepen
gesplitst, die scherp van elkaar afgescheiden zijn. In plaats van
eene algemeene plaats van vereeniging en samenkomst voor de lieden
uit den beschaafden stand, vindt men er hier drie: het kroatische
Leesmuseum, het italiaansche Casino, en de duitsche Pick-Nick-Club. De
vreemdelingen worden steeds zeer gastvrij ontvangen in deze drie
societeiten, waar fransche, engelsche, duitsche, italiaansche en
slavische dagbladen en tijdschriften te vinden zijn.

Een van de grootste merkwaardigheden van Fiume is het kasteel van de
Frangipani, bij de stad, op eene aanzienlijke hoogte, boven op den berg
Terzato gelegen. Nabij dit kasteel staat een Franciskaner-klooster;
een monumentale trap van vierhonderd treden, tegen de rots geleund,
voert naar dit klooster, dat eene druk bezochte bedevaartsplaats
is. De omtrek van dit klooster was voor mij een lievelingsplekje, waar
ik meermalen nederzat om schetsen te maken. Daar zag ik des morgens,
terwijl ik in mijne eenzaamheid zat te teekenen, de slavische boerinnen
van het gebergte afdalen, om in de stad haar hooi te gaan verkoopen:
en dit tooneel verdient wel eene vluchtige herinnering.

Tusschen de Fiumera, die uit de rots te voorschijn komt, en den
Terzato, die zich daarboven verheft, heeft men langs den bergwand
een weg aangelegd, die naar de dorpen in het gebergte voert, naar
Orechovitza, Czaule, Podervenn en Grobnick, waar Bela IV de Tartaren
versloeg. Deze steile, smalle weg, de zoogenaamde Louisenstrasse,
slingert zich als een mat zilveren lint tegen en tusschen die grauwe,
naakte, doode rotsen. Langs dien weg nu komen de vrouwen, een voor een,
achter elkander; langzaam en met moeite treden zij voort, gebogen onder
zoo zware vracht, dat zij wandelende hooischelven gelijken; ge ziet
van haar lichaam niets dan de naakte bruine beenen, al het overige
verdwijnt onder het hooi. Reeds voor den dageraad hebben zij zich
opgemaakt, om het met groote moeite tusschen de rotsspleten verzamelde
en tot schoven saamgebonden hooi naar de stad te gaan brengen. Zoo,
schier midden door gebogen, hebben zij vier uren achtereen geloopen,
zwoegende, onder haar vracht, nu en dan een oogenblik leunende tegen
de pilaren der trappen van den Terzato; beneden gekomen, knielen
zij neder voor het beeld der Madonna aan den voet van den trap, en
vervolgen dan haar weg tot aan het Urmeny-plein, waar zij blijven
tot zij haar hooi verkocht hebben, dat zij niet meer kunnen medenemen.

Ook wij hebben den reusachtigen trap beklommen, en zien nu den ouden
burcht op korten afstand voor ons. Dit kasteel der Frangipani is
tegenwoordig het eigendom van graaf Nugent en de begraafplaats van
zijne familie. Uit de verte gezien, maakt het een bij uitnemendheid
schilderachtig effect; maar van nabij valt de trotsche ruine eenigszins
tegen. De oude burcht dagteekent uit de middeleeuwen, waarschijnlijk
uit de twaalfde of dertiende eeuw; een vierkante toren, in fraaien
renaissance stijl, is omstreeks het midden der zestiende eeuw gebouwd,
en bevatte vermoedelijk de woonvertrekken; maar graaf Nugent is op
den zonderlingen inval gekomen om te midden dezer belangwekkende
overblijfselen van den ouden tijd, een splinternieuwen, schitterend
witten, pseudo-griekschen tempel te bouwen, die zelf verbaasd schijnt
over zijne plaatsing en zich hier blijkbaar niet te huis gevoelt. Uit
de verte valt deze wanstaltigheid niet in het oog, lijdt althans
de totaal-indruk er geene schade door, maar van nabij bederft deze
onbegrijpelijke tempel alles.

De graven van Frangipani, aan wie vroeger dit kasteel behoorde,
hebben in de geschiedenis dezer landstreek eene groote rol gespeeld;
langs de geheele kust leeft de herinnering aan dit geslacht nog
in volksoverleveringen en legenden voort. Zij waren eigenlijk geen
heeren van Fiume, maar bezitters van het eiland Veglia, en hebben te
Fiume slechts dertig jaar geregeerd. Toen de patriarchen van Aquilea
nog de souvereiniteit bezaten over de steden langs de kust, schonk
een bisschop van Pola de stad Fiume in leen aan de familie Duino,
die op haar beurt de stad weder aan de Frangipani verpandde: zij
bleven in het bezit van Fiume van omstreeks 1338 tot 1365. Hoewel
Veglia dus eigenlijk de hoofdzetel van het machtige geslacht was,
bevat toch de kerk van het naburige Franciskaner-klooster vele graven
van leden dezer familie. De grafsteenen, die achteloos in een hoek
der kerk liggen, zijn evenwel zeer geschonden.


II.

De omstreken van Fiume zijn wel der bezichtiging waard; men heeft
daarvoor twee dagen noodig. Het strand langs de golf vertoont
tweeerlei, zeer verschillend karakter: de kust van Istrie, ter
rechterhand, door den Moute-Maggiore gedekt, is bloeiend en vruchtbaar;
de kust van Dalmatie daarentegen, ter linkerhand, is dor en doodsch.

Tweemaal heb ik deze omstreken bezocht: de eerste maal met onzen
consul, baron de Reyne, die sedert vijftien jaar te Fiume woont en de
aangenaamste cicerone is, dien men zich denken kan; de tweede keer
ben ik alleen op weg getogen, den wandelstok ter hand, en heb ik te
voet in vier uren denzelfden weg afgewandeld, dien ik eenige maanden
vroeger, op een vlug hongaarsch paard, in anderhalf uur had afgelegd.

Wij volgen den oever der zee, gaan voorbij het station van den spoorweg
naar Triest, en komen dan op een weg, die hoog boven het strand, langs
den berg loopt. Eerst ontmoeten wij eenige fabrieken en werkplaatsen;
dan volgt van tijd tot tijd een of andere eenzame, romantische tuin,
een donkere boomgaard, met een oud hek afgesloten, waar, te midden
van het hooge gras, standbeelden van satyrs en boschgoden verminkt
ter aarde liggen. Drie uren lang loopt de weg recht door; het is hier
zeer eenzaam en stil; wij zien niemand dan enkele herdersknapen,
met hunne kudden als tegen de berghellingen hangende, of rustig
neergezeten op de rotsen, aan wier voet de golven kabbelen.

Daar is de baai van Prelucca, van alle kanten goed gedekt en
beschermd, waar men een stuk rots heeft laten springen om plaats te
maken voor eenige visschershutten. Dit is een der stations voor de
tonijnvisscherij, die een rijke bron van inkomst oplevert voor de
gansche kust. De inrichting is zoo eenvoudig mogelijk: zij bestaat
uit twee reusachtige ladders, twintig el hoog, schuin in den grond
geplant, en van boven van een zitbank voorzien, waarop de wachter
plaats neemt. Beneden tegen den rotswand staat een houten loods,
van drie kanten open, en van een op balken rustende planken vloer
voorzien. Die loods dient tot verblijf voor het personeel van het
station, bestaande uit negen visschers en een knaap, allen van de
eilanden Cherso en Veglia geboortig. Met behulp van een groot net
sluiten zij de baai, over een gedeelte der breedte, af; de wachter
op den uitkijk houdt het oog op zee gevestigd, en geeft een teeken,
zoodra de tonijn binnen de afgesloten ruimte gekomen is; dan wordt een
ander net uitgezet, en de visch, binnen die netten ingesloten, wordt
met behulp van een schuitje naar den oever gedreven. Dikwerf komen
gansche zwermen tonijnen te gelijk in de netten; de visschers, die,
behalve hun vast loon, nog eene zekere premie per duizend visschen
ontvangen, maken zeer goede zaken, want ook de kleine visschen, die
tusschen de mazen blijven steken, zijn voor hen. Zij gaan die verkoopen
te Volosca, een zeer fraai dorp, even als Mentone, aan de uiterste
punt van een landtong gelegen, en met zijn witte huizen schilderachtig
uitkomende tegen de zwarte rots. Boven Volosca herken ik Abbazia, het
oostenrijksche Nizza, met de prachtige villa, vroeger het eigendom van
graaf Scarpa, en Lovrana, de stad der laurieren. Ginds ligt Castua,
de oude met muren omringde stad; en aan den horizon teekenen zich de
omtrekken van den vierduizend voet hoogen Monte-Maggiore, van welks
top men geheel Istrie, de golf van Quarnero en de dalmatische kust
overziet, en zelfs, naar men zegt, bij helder weer, den Campanile
van Venetie kan ontdekken.

Als wij het strand in de andere richting willen volgen, naar Dalmatie,
moeten wij ons een somberen, tusschen twee muren ingesloten weg
getroosten; het is daarom beter, een bootje in de haven te huren
en een zeetochtje te ondernemen. Met kalm, mooi weer is dit zeer
aangenaam. Wij komen eerst langs Martinschizza, een prachtig lazaret
voor de quarantaine, een van de besten ter wereld en ook van de minst
bezochten, want zeer zelden zet hier een reiziger den voet. Dan volgen
Dragina, Val-Uri, Porto-Re, Buccari, eene oude romeinsche stad, met
eene fraaie haven, in eene zoo goed gesloten baai, dat zij schier op
een voltooid amphitheater gelijkt. Al de bewoners zijn zeevaarders;
de oostenrijksche marine ontvangt van hier hare beste matrozen.

In vier uren vaart de stoomboot van Fiume naar Segna, het oude
roofnest der Uskoken; maar de boot vaart maar eens in de week, des
donderdagsmorgens ten zeven uur; de paketbooten van Lloyd leggen in
dit smalle kanaal van Maltempo, het beruchtste en gevaarlijkste der
geheele golf, slechts acht mijlen in het uur af. Eens te Segna, is
men dan ook als opgesloten, en moet daar blijven tot den volgenden
donderdag, om naar Fiume terug te keeren, of zelfs tot den daarop
volgenden donderdag, als men de reis naar Dalmatie wil vervolgen.

Segna, de oude stad der Uskoken, heeft nog heden, ondanks alle
veranderingen door den tijd en de menschen aangebracht, geheel het
voorkomen van een ongenaakbaren schuilhoek, een uitgezochte plek voor
boeven en gauwdieven om zich te verbergen. De stad ligt aan de kust,
tusschen de eilanden Veglia en Arbe; aan de landzijde wordt zij
gedekt door hooge bergen; aan de zeezijde was zij vroeger niet dan
met kleine vaartuigen te genaken. Tegenwoordig zijn de bosschen op
den berg omgehakt, en heeft men een haven gemaakt; maar nog altijd
bestaat de Bocca di Segna, een uiterst gevaarlijk kanaal tusschen de
klip Perviechio en de uitstekende punt van het eiland Veglia.

Alles is hier nu rustig en vreedzaam; en de arme visschers, die
mij gastvrij ontvingen en aan wie ik de geschiedenis verhaalde der
zeeschuimers, welke hier voor hen gewoond hebben, zetten bij dit
verhaal groote oogen op, als gold het een sprookje, uitgevonden om
hun de lange avonden te korten.

De naam Uskoke (skoko, vluchteling), die een schandnaam is geworden,
werd oorspronkelijk gegeven aan turksche onderdanen, die een wijkplaats
hadden gezocht op de smalle strook tusschen de zee en het gebergte
langs de kust. Ten getale van hoogstens drie- of vierhonderd man,
werden zij eerst gastvrij ontvangen in Clissa, eene vesting op een
zeer steilen heuvel boven Salona en Spalato in Dalmatie. Heer van
Clissa was destijds een zekere Pietro Crosichio, een leenman van
de hongaarsche kroon. Hij meende die gasten te kunnen gebruiken
in den krijg tegen zijn vijanden; dit was zijn ongeluk. De Uskoken
plunderden en roofden op turksch grondgebied; Clissa werd belegerd,
Crosichio gedood en zijn hoofd in triomf op een lans rondgedragen.

Na den val van Clissa, lag Dalmatie voor den vijand open. Ferdinand
van Oostenrijk wilde nu op zijn beurt die uitgewekenen tot zijn
bondgenooten maken; hij bood hun eene wijkplaats aan in de stad Segna,
destijds een leengoed van de Frangipani. Van de landzijde waren zij
hier veilig, zoowel voor geschut als voor ruiterij. De vele kleine
eilandjes en klippen maakten ook den toegang ter zee haast onmogelijk;
zij behoefden dus voor hunne vijanden niet meer te vreezen. Maar er
viel hier noch aan akkerbouw, noch aan visscherij te denken; bovendien
waren de Uskoken van jongs af in den wapenhandel geoefend en aan den
krijg gewoon. Zij beklommen dus de rotsen, en ondernamen van uit de
bosschen, op den top des bergs, hunne aanvallen en plundertochten
tegen de Turken. Op het strand beroofden zij de schipbreukelingen;
weldra begonnen zij zelven schuiten te bouwen, en zich bewust van de
veiligheid hunner positie, werden zij piraten.

Aanvankelijk tastten de Uskoken alleen de Turken aan, en ontzagen
de Christenen: de Porte protesteerde. Aangezien Venetie aanspraak
maakte op de heerschappij der Adriatische-zee, moest zij ook zorgen
voor de veiligheid der golf; bovendien bestonden er tusschen Turkije
en de republiek traktaten, waarbij de veiligheid van het verkeer ter
zee gewaarborgd was. Venetie beriep zich op Keizer Ferdinand, die
de uitgewekenen onder zijne bescherming had genomen; deze vaardigde
wel de noodige bevelen uit, maar men stoorde zich daar niet aan:
en inderdaad vermocht schier niemand iets tegen deze piraten, die
door de natuur zoowel tegen hunne vijanden als tegen hun beschermer
beveiligd werden. De republiek rustte galeien uit; elke Uskoke, die
gevangen werd genomen, werd aan de raas opgehangen, om zoodoende aan
de Verheven-Porte te toonen dat men acht sloeg op haar vertoogen; zelfs
werden enkele piraten naar Venetie gevoerd, en op het Sint-Marcusplein
in ijzeren kooien ten toon gesteld.

Hun aantal, bereids door eenige vluchtelingen vermeerderd, bedroeg
toch ter nauwernood vijfhonderd; maar allengs voegde het uitschot
van allerlei volken zich bij hen: boosdoeners uit het duitsche Rijk,
turksche renegaten, italiaansche valsche munters, en anderen, die in
de staatkundige partijschappen van Venetie waren betrokken geweest,
sloten zich aan bij deze handvol bandieten. Segna werd een waar
roofnest, en er kwam een oogenblik, dat de blikken van geheel Europa
op dit kleine vlek in de golf van Quarnero waren gevestigd. Zelfs de
Koning van Frankrijk beklaagde zich bij de regeering van Venetie over
de beleedigingen zijne vlag aangedaan.

Ontuchtige vrouwen uit allerlei natien en stammen, die Dalmatie
bewonen, stroomden in menigte naar dit roovershol toe; zij leidden
daar een gemakkelijk leven, hadden aan niets gebrek en verbonden
zich aan deze piraten; als het bij de terugkomst van een rooftocht
bleek, dat de echtgenoot van eene dier vrouwen was achtergebleven,
dan werd aldra eene nieuwe verbindtenis gesloten, ook al was men nog
in het onzekere omtrent het lot van den vroegeren gemaal. Was een
Uskoke gestorven, dan nam een ander zijne vrouw en zijne kinderen
en zijn woning in bezit. De vrouwen kleedden zich in het rood, en
tooiden zich op met geroofde sieraden en kostbare stoffen van het
Oosten, door de bandieten op hunne strooptochten medegevoerd. De
vroegere bewoners van Segna werden door het algemeene zedenbederf
medegesleept. Aanvankelijk was er eene bijzondere wijk ten verblijve
voor de Uskoken aangewezen: allengs echter kwam de geheele stad in
hunne macht, en de aanzienlijkste burgers namen piraten in hunne
dienst, die de rooftochten mede maakten en hun meesters een deel van
den buit brachten.

Weldra was geheel de omliggende streek in een woestijn herschapen,
waar niets meer te plunderen viel. Om buit te veroveren zouden zij
zich nu te ver op vijandelijk gebied hebben moeten wagen: daarom kozen
zij thans bij voorkeur de zee tot tooneel hunner werkzaamheid. De golf
niet alleen, maar geheel de Adriatische-zee stond op dien tijd onder
een waar schrikbewind. De Senaat van Venetie bepaalde dat de schepen,
naar het Oosten bestemd, voortaan bij wijze van konvooien zouden gaan,
onder geleide van gewapende galeien; de Turken van hun kant deden
hetzelfde of vermeden de golf. De piraten tastten nu de eilanden aan,
die eerlang mede verlaten werden; de onversaagde scogliari van Cherso,
Veglia, Arbe, Ossero en Pago werden matrozen, en daar zij van hunne
geboorte met alle vaarwateren in de golf bekend waren, rustten zij
op kosten van de republiek schuiten uit, waarmede zij de bandieten,
die hen van hunne geliefkoosde rotsen verdreven hadden, zoo veel
mogelijk afbreuk deden en in hunne schuilhoeken achtervolgden.

Wel was er te Segna een hoofdman, die in naam des Keizers het gezag
uitoefende, maar hij was altijd met de roovers in verstandhouding;
als de Uskoken van een strooptocht terugkeerden, werden schijnbaar
de poorten der stad voor hen gesloten, en somwijlen zelfs de kanonnen
van den wal op hen afgevuurd; maar des nachts liet men hen binnen en
deelde met hen den buit.

Het was inderdaad eene onoplosbare kwestie; als Venetie Segna ter
zee wilde aanvallen, zooals het met behulp der scogliari kon doen,
dan waren de Turken dadelijk gereed, dien aanval van de landzijde te
ondersteunen; maar de Keizer van Duitschland, op wiens grondgebied
de stad lag, wilde die schending van zijn staten niet toelaten. Eens
echter trok Assan, pasja van Bosnie, naar Segna op; hij kon dit
natuurlijk niet doen, zonder de grenzen van Kroatie te overschrijden;
Oostenrijk greep naar de wapenen; Assan werd verslagen; de Porte
kwam hem te hulp, en de oorlog, die aanvankelijk alleen Segna gold,
duurde twaalf jaren.

Venetie, den loop der zaken aandachtig gadeslaande, versterkte zijne
eilanden, die steeds bedreigd werden; de republiek was nu niet langer
beducht voor de piraten, maar voor haar erfvijanden, de Turken. Hare
onzijdigheid was niet naar den zin van Oostenrijk, dat de Uskoken nu
niet langer in bedwang hield; dezen verplaatsten daarop het tooneel
hunner werkzaamheid, en stroopten wijd en zijd in Istrie en Dalmatie,
onder bescherming van de keizerlijke vlag. Tastte de republiek hen aan,
dan liep zij gevaar met Oostenrijk in oorlog te geraken; de republiek
aarzelde en bepaalde zich tot de verdediging harer havens. Eindelijk
liep het den Keizer toch te erg: hij wilde aan de verwoestingen een
einde maken, en noodigde de republiek plechtiglijk uit, gezanten af
te vaardigen, die getuigen zouden zijn van zijne strafoefening.

De opperhoofden der Uskoken werden te Segna zelf gevangen genomen
en zonder verschooning opgehangen; de piraten werden ontwapend,
en de venetiaansche onderdanen, die onder hen gevonden werden,
aan de republiek teruggegeven; men liet in de stad slechts honderd
ongewapende Uskoken; een paar honderd anderen werden naar Kroatie
verjaagd; de overigen verstrooiden zich. Maar die handvol mannen,
in de bosschen verscholen, sloeg den vijand nauwlettend gade; nog eer
de keizerlijke stadhouder Segna verlaten had, drongen zij des nachts
de stad binnen, belegerden hem in zijn huis en vermoordden hem. Op
dit bericht keerden de vluchtelingen en de opgejaagde booswichten
zoo spoedig mogelijk terug; en het oude leven begon op nieuw.

Dit gebeurde omstreeks 1602: in deze tweede periode hunner geschiedenis
ging het aantal der Uskoken nog geen zeshonderd man te boven, en
die kleine schaar hield zich staande tegenover drie mogendheden met
haar vloten en legers. Deze geschiedenis is bijna nog zonderlinger
dan de stoutste verdichting. Eens hebben zij eene kleine havenstad
uitgeplunderd; om hun buit te vervoeren, maken zij zich meester van
de gansche visschersvloot van Sebenico, en laten de schuiten zinken,
als zij ze niet meer noodig hebben. Te gelijker tijd drijven zij de
stoutmoedigheid zoo ver, dat zij, met niet meer dan honderd-vijftig
hunner manschappen, een aanslag wagen op het machtige Pola.

Venetie blokkeert Segna; natuurlijk wordt de oostenrijksche handel
daardoor belemmerd: de Keizer keert zich tegen de Uskoken, neemt
hun hunne vloot af, en zendt die naar Fiume, om daar verbrand te
worden. De Uskoken overvallen Fiume, nemen hunne schepen terug,
en voeren op hunne beurt tachtig schepen van de burgers van Fiume
als buit op sleeptouw mede. Ik ga vele dergelijke episoden met
stilzwijgen voorbij. Eindelijk aan alle kanten benauwd en geperst,
ontsnappen de piraten naar Dalmatie, plunderen en berooven de Turken,
en zoeken een schuilplaats op venetiaaansch gebied. De republiek laat
wel opzettelijk eene vloot bouwen om hen te kunnen aanvallen, maar
nu haar vijanden haar niet meer openlijk bestrijden kunnen, nemen
zij hun toevlucht tot list. Christoforo Verniero, scheepskapitein,
loopt op zekeren dag met zijne galei in de haven van Pago binnen;
de spionnen der piraten ontdekken hem; zij naderen het eiland,
zetten een deel hunner manschappen aan wal; glijden en sluipen,
onder bedekking van den nacht, nevens de galei; enteren en veroveren
het schip, werpen veertig passagiers in zee, en voeren hun buit
naar Segna. Onderweg slaan zij zes officieren het hoofd af; aan land
gekomen, richten zij een kolossaal feest aan, waaraan allen deelnemen,
vermoorden Verniero, halen hem het hart uit het lijf, koken dat en
eten het op. Zijne galei wordt in de haven aan den ketting gelegd;
de kanonnen worden op de wallen der stad geplaatst.

Aan dergelijke feiten en avonturen is geen einde. Minuccio Minucci,
aartsbisschop van Zara, heeft ze opgeteekend in twee deelen, zoo te
zeggen de visu geschreven, en later door Paolo Sarpi voortgezet. De
Venetianen deinsden altijd terug voor het groote gevaar, waarmede de
Uskoken hen telkens dreigden, namelijk een oorlog met den duitschen
Keizer. Toch kon de republiek dien oorlog op den duur niet vermijden:
wederom een historische episode, waarvan de rechtstreeksche aanleiding
moet gezocht worden in de afpersingen der piraten. De Uskoken wonnen
er niets bij: want hunne onmiddellijke buren, vast besloten tot hunne
uitroeiing, keerden zich tegen hen, om zoo doende aan de wraak der
Venetianen. die de gansche kust afliepen, te ontsnappen. De bewoners
van Segna en Crissa, hunne beide roofnesten, grepen de wapenen op tegen
de bandieten, en zonden het hoofd van hun aanvoerder naar Venetie. De
republiek bleef nog steeds oorlogvoeren; Spanje bedreigde haar op zijn
beurt; Frankrijk, destijds haar trouwe bondgenoot, trad bemiddelend
op tusschen den Aartshertog en de Venetianen, en het zoogenaamde
traktaat van Madrid kwam tot stand, dat den 26sten September 1617 te
Parijs werd geratificeerd.

Een artikel van dat traktaat bepaalde, dat de Aartshertog een
duitsch garnizoen in Segna zou leggen, en dat, zoodra dit geschied
was, Venetie hem een der vestingen zou teruggeven, waarvan het zich
gedurende den oorlog had meester gemaakt. Binnen twintig dagen na de
dagteekening van het traktaat, zou eene beslissing genomen worden
ten aanzien der Uskoken: hunne vaartuigen zouden verbrand worden,
de piraten zelven verstrooid; en zoodra de volledige uitvoering van
het traktaat goed verzekerd was, zou de republiek al het op het Rijk
veroverde grondgebied weder afstaan.

Van de stoute en onverschrokken gasten, die aan machtige legers en
vloten weerstand hadden geboden, waren er niet meer dan tusschen de
vier- en vijfhonderd over, die inderdaad Uskoken of zonen van Uskoken
konden heeten. Na eene zorgvuldige telling, verbande de Aartshertog
ze allen met name: men wees hun landerijen aan in den omtrek van
Karlstadt. Zij hadden Segna een eeuw lang bezeten, en waren nooit
meer dan duizend man sterk geweest.

"In dertig jaar, zegt Leon Bruslart (de toenmalige fransche gezant),
hadden zij aan de republiek dertig millioen gouds gekost, zoowel in
buit gemaakte schepen, in nadeelen van anderen aard, als in betaalde
vergoedingen aan de Turken of voor kosten van militaire uitrustingen."

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.