A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



De stoomboot, die tusschen Ragusa en Cattaro vaart, legt onderweg
slechts vier keer aan: te Castel-Nuovo, te Perasto, te Risano en
eindelijk te Cattaro. Van Gravosa, waar de boot afvaart, tot den ingang
der Bocca, is er niets bijzonders te zien dan alleen Ragusa-Vecchia,
het aloude Epidaurum in Illyrie, even als het andere Epidaurum in den
Peloponnesus beroemd door zijn tempel van Esculaap. De antieke stad
werd in de derde eeuw verwoest; men vindt hier nog enkele inscripties,
brokken van muren, enz. Ragusa-Vecchia heeft tegenwoordig tusschen
de vier- en vijfduizend inwoners. Men vaart verder langs Gilipyri,
Popovichi en Poglizza; dan volgt kaap Ostro en de ingang der Bocca.

Aan den oever der eerste baai ligt, tegen de bergen geleund, de
niet onbelangrijke stad Castel-Nuovo, vroeger een citadel, in 1373
door Tuartko, koning van Bosnie, gesticht. Zij viel in handen der
Genueezen, en werd door hen aan de Spanjaarden overgeleverd, die er
bezetting legden en een tweede citadel bouwden, die nog den naam van
Spagnuolo voert. In 1687 werd de vesting op nieuw door de Venetianen
belegerd; de pasja van Bosnie verscheen met vierduizend man om de
stad te ontzetten, maar hij werd tot den aftocht gedwongen. Sedert
dien tijd bleef Castel-Nuovo in de macht van Venetie, tot aan den
ondergang der republiek. In 1806 bezetten de Russen met hunne vloot
de geheele Bocca van Cattaro, en hielden die in bezit tot aan den
vrede van Tilsitt, in 1807. Op hen volgden de Franschen tot 1813,
toen Castel-Nuovo door de Engelschen werd bezet. In 1814 kwam de stad,
met geheel Dalmatie, aan de oostenrijksche monarchie, waartoe zij nog
behoort. Castel-Nuovo is de belangrijkste stad van de geheele Bocca;
zij is veel welvarender dan Cattaro, de hoofdstad, en telt, naar
men zegt, omstreeks tienduizend inwoners, die voor de helft tot de
grieksche Kerk behooren. De vestingwerken maken een grootschen indruk;
de natuur is zeer weelderig en de plantengroei overvloedig. Hier kunt
ge uw oogen weer verkwikken aan prachtige boomgroepen, kleine bosschen
schier; sierlijke witte landhuizen en villa's teekenen zich helder
af tegen het donkergroen; maar iets verder houdt eensklaps weer alle
plantengroei op: steil en naakt en ongenaakbaar stijgt de schitterend
witte bergwand omhoog, aan den top met een lichten nevel omsluierd.

Voorbij Castel-Nuovo verheffen zich langs den zoom dezer
schilderachtige waterkommen een aantal dorpjes, weerspiegelende in de
diepe wateren. Op schier iederen heuvel prijkt een kapel of een kerkje
met klokketoren: ge zoudt meenen, op een der italiaansche meren,
op het Lago di Como of het Lago Maggiore, te varen. Toch bevindt
ge u nog altijd op de zee; maar ge verliest de wederzijdsche oevers
niet uit het oog; ge vaart op prachtige meren, aan alle zijden door
hemelhooge bergen omlijst; door eene opeenvolging van wonderschoone
baaien, breed en diep genoeg om eene veilige ligplaats te bieden voor
de vereenigde vloten der gansche wereld.

Aan gene zijde dezer bergen ligt Turkije: links hebben wij Trebinje,
rechts Grahovo en Montenegro. Eer wij Castel-Nuovo bereikten, zijn wij
reeds den turkschen oever bij Suttorina voorbij gevaren: deze strook
gronds ten zuiden had de republiek van Ragusa, met een soortgelijke
strook ten noorden, aan de Porte afgestaan. Zij was alzoo aan de
landzijde geheel door de turksche bezittingen afgesloten van alle
aanraking met de heerschzuchtige republiek van Sint-Marcus.

Wij varen door de engten van Curbilla, Combur en Santa-Dominica;
nu komen wij in de grootste en regelmatigste kom, die bijna de
gedaante van een circus heeft. Wij verlaten deze baai weder door een
zoo smal kanaal, dat het op de kaarten te nauwernood zichtbaar is;
het schijnt of de beide landtongen elkander zoo dicht naderen dat
zij geen doorgang openlaten: dat zijn de Cattene, de Kettingen,
waar de zeearm slechts een kilometer breed is.

Zoodra ge deze engte zijt doorgevaren, verandert de natuur van
karakter, en wordt minder bekoorlijk: het is reeds niet meer het
vruchtbare, weelderige landschap van Castel-Nuovo. Ter rechterzijde
heeft men Stolivo, met zijn nog boschrijke hoogten en zijn tusschen
het lommer verscholen kerken. Perasto ligt bijna vlak tegenover de
Kettingen, dicht aan den oever, op een landpunt, welke deze baai
van de laatste en zesde, die van Cattaro, scheidt. In deze baai
van Perasto, vlak aan den uitgang der Cattene, liggen twee kleine,
lage eilandjes, het eilandje Sint-George en dat der Madonna van het
Skapulier. Op het eerste eilandje staat een grieksch klooster; op het
andere eene katholieke kapel, aan Onze-Lieve-Vrouwe gewijd en door
den ganschen omtrek beroemd. Deze kapel bevat namelijk eene schilderij
van de Madonna, in byzantijnschen stijl, waarvan de vervaardiging aan
niemand minder dan aan den evangelist Lucas wordt toegeschreven. Naar
de overlevering verhaalt, zou dit heilige beeld, in 1452, door eene
onbekende hand op dit rotsig eilandje zijn neergelegd, en op zekeren
nacht door visschers zijn ontdekt, stralende van bovenaardschen
lichtglans. De visschers namen de schilderij mede, en brachten haar
in statigen optocht naar de kerk van Perasto, waar zij de Madonna
eerbiedig eene plaats aanwezen:--maar zie, den volgenden morgen was de
Madonna, tot aller verbazing, naar haar eiland teruggekeerd. Driemalen
werd zij naar de kerk van Perasto overgevoerd; driemaal keerde zij,
op wonderdadige wijze, naar haar eerste plaats terug. Men erkende
hierin een duidelijken wenk des hemels, en de inwoners van Perasto
bouwden een kapel op de plek, waar het beeld gevonden was; ieder
eigenaar van een vaartuig moest eene lading steenen aanvoeren, en de
kapel van Onze-Lieve-Vrouwe was weldra voltooid. Op den 12den Juli,
den dag waarop de schilderij van Sint-Lucas gevonden werd, stroomen
nog heden een aantal bedevaartgangers van alle kanten naar het eiland;
op de zondagen in Mei en Juni wordt plechtig de herinnering gevierd
der overwinning, in 1654, dank zij de bescherming der Madonna, op de
Turken behaald. Ook op 15den Augustus wordt eene groote processie
gehouden: het heilige beeld wordt dan uit de kapel op het eiland
naar Perasto gebracht. Tot mijn spijt heb ik geen dezer feesten
kunnen bijwonen: bezwaarlijk zal men zich iets schilderachtigers
kunnen denken, dan zulk eene processie van honderden schuiten,
booten en vaartuigen, allen opgevuld met eene feestvierende schare,
in de schitterendste kleederdrachten uitgedost, en liederen zingende
ter eere der Heilige-Maagd. Denk u daarbij de kleurenpracht van deze
half-oostersche natuur, en rondom het heldere water die weergalooze
omlijsting van stoute bergen, zilverwit van kruin, en aan hun voet
bezaaid met bosschages, met villa's, met dorpjes, wier schilderachtige
groepen weerkaatsen in de kabbelende golven!

Aan dezelfde baai, links van Perasto, ligt Rizano, als tusschen de
rotsen verscholen; boven de witte huizen van het pittoreske stadje
verheffen zich de twee onvoltooide torens van eene fraaie kerk. Nu
naderen wij Cattaro. Langzaam vervolgt de boot haar weg door de smalle
kanalen; ter wederzijde, op eene smalle strook gronds aan den voet
der rotsen, verheffen zich bekoorlijke villa's en landhuizen, wier
bijna onafgebroken reeks nu en dan wordt afgewisseld door enkele
belangrijke vlekken: Persagno, geheel langs het strand gebouwd,
Dobrota, Mulla, Verba, en eindelijk Cattaro. Naarmate wij deze laatste
stad, geheel aan het einde der Bocca gelegen, naderen, neemt de natuur
een strenger, woester karakter aan. De weelderige plantengroei langs de
berghellingen houdt geheel op; ge ziet geen andere boomen, dan enkele
rijen, langs den oever geplant; schier loodrecht stijgt de naakte,
wilde rots omhoog: het is een ontzaglijk tafreel, dat de ziel bijna
met schrik vervult.

Cattaro is de hoofdstad van de kreits, die Castel-Nuovo, Cattaro
en Budua omvat, de laatste stad van Dalmatie, aan de grenzen van
Albanie. De geheele kreits telt honderd-vier gemeenten: zij is de
kleinste van de provincie. De afstand tusschen Dobrota en Cattaro
bedraagt niet meer dan anderhalve mijl; de stad ligt tegen den
berg geleund, geheel aan het einde van de Bocca, aan de uiterste
grens der oostenrijksche monarchie. De afstand tusschen de zee en de
montenegrijnsche grens is zoo gering, dat men met een stuk geschut,
op de bergtoppen van Montenegro geplaatst, de schepen in de baai voor
Cattaro zou kunnen beschieten.

De lezer, die zich een juist denkbeeld wil vormen van de zonderlinge
ligging dezer stad, heeft slechts een blik te werpen op de plaat,
bladz. 248. Tusschen de zee en de rotsen ingeklemd, waartegen hare
vestingwerken opklauteren, schijnt het inderdaad of men, om de
noodige ruimte voor de stad te vinden, den berg heeft uitgehouwen
en de huizen tegen de rots aangeplakt. Ge ziet hier eene kerk,
waarvan de voorgevel op een pleintje uitkomt, dat gelijkvloers
met de kaai ligt, maar die geen achtergevel heeft, omdat zij zich
daar in den berg verliest, wiens dreigende rotswanden hoog boven
hare torens hemelwaarts rijzen. Blijkbaar heeft men, niet zeer lang
geleden, eene breede kaai in het water uitgebouwd, om eene geschikte
aanlegplaats te verkrijgen. Op die kaai, voor den muur der eigenlijke
stad, staan eenige rijen fraaie boomen; dit is de geliefkoosde
wandelplaats, waar altijd drukte en beweging heerscht. Hier komen
ook de stoombooten aan, die dezen verloren uithoek in verbinding
brengen met de buitenwereld. De laatste baai vormt geen circus,
maar een scherpen driehoek; juist aan den top van dien driehoek
ligt Cattaro, dat rechts en links ingesloten is door hooge bergen,
die de zonnestralen onderscheppen. Als de zon op het hoogst staat,
beschijnt zij toch slechts de toppen der rotsen, die zij met purperen
goudglans tooit. Cattaro, vlak tegen de kale rots gebouwd, is in
den zomer ondragelijk heet; er heerscht dan een temperatuur als in
een oven; te beginnen met September, zijn echter de ochtenduren er
zeer aangenaam. Toen ik voor de eerste maal de stad bezocht, was het
October, en reeds waren de bergen hier en daar met sneeuw bedekt; ook
op de helderste dagen scheen de zon niet voor twee uur des namiddags
in de stad; als hare stralen eindelijk in de straten doordrongen en
alles met nieuw leven bezielden, neigde zij reeds spoedig daarop ten
ondergang. Er valt hier zeer veel regen; en daar zich in den berg eeno
soort van bedding voor den afvoer van het water gevormd heeft, is er
aan de linkerzijde der stad een uitgestrekt terrein onbebouwd gebleven,
omdat men daar telkens gevaar loopt voor overstrooming. Indien de
kalkbergen, die Cattaro van de Adriatische-zee scheiden, minder hoog
waren, dan zou het zonlicht vrij in de stad kunnen doordringen en de
nevels verdrijven, die hier nu als in een trechter blijven hangen, en
de geheele toestand zou beter zijn. Niettemin is het klimaat gezond:
de inwoners zijn eenvoudige, ernstige, onverschrokken lieden, onder
wie men zich spoedig op zijn gemak voelt. De haven is zeker een der
uitmuntendste van de geheele wereld, die, wat ruimte en veiligheid
betreft, door geene andere overtroffen wordt: eene gansche vloot zou
zich hier, zonder eenige moeite, kunnen verbergen.

De aanblik der stad aan de zeezijde is zeer uitlokkend; de fraaie,
breede kaai is met boomen beplant en maakt een aangenamen indruk;
daarachter verheft zich de muur, en men gevoelt dat men zich in
eene vesting bevindt, die nog de sporen draagt van de heerschappij
der Venetianen. De stad bestaat uit eene opeenvolging van kleine,
bochtige, kronkelende straten, omzoomd door hooge huizen, waaronder
een aantal winkels. Naarmate ge verder in de stad doordringt, rijst de
berg steiler en meer van nabij boven uw hoofd op; ge gevoelt dat licht
en lucht gaan ontbreken; maar zeer ver kunt ge niet gaan, want dan
houdt de rotswand u tegen. Toch heerscht hier vrij veel leven; in al
de andere steden en vlekken van de Bocca zijn scheepvaart en landbouw
de hoofdbronnen van bestaan, hier is het de nijverheid. Cattaro is de
groote markt en stapelplaats van de geheele golf en van Montenegro,
dat slechts enkele uren verwijderd is en alles wat het noodig heeft van
hier laat komen. De bevolking bedraagt tusschen de vier- en vijfduizend
zielen, waaronder drieduizend Katholieken. Ik zag hier eenige kleine
bekrompen pleintjes, waar de balkons der huizen aan Venetie herinneren:
die machtige, trotsche republiek heeft overal den onuitwischbaren
stempel harer heerschappij ingedrukt. Op sommige openbare gebouwen
ziet ge nog altijd den gevleugelden leeuw, die dreigend zijn klauw
opheft. De gansche stad is door muren omgeven; zij heeft drie poorten,
waarvan twee bij zonsondergang gesloten worden; de derde, de Zeepoort,
die op de kaai uitkomt, een monumentaal gebouw, met wapenschilden en
inscripties versierd, blijft op de dagen van aankomst der stoomboot
tot middernacht geopend.

Omstreeks vier uur in den middag stapte ik te Cattaro af. Ik had een
aanbevelingsbrief bij mij voor den inspecteur van de Lloyd; en ik had
het voorrecht gehad, veertien dagen vroeger, de reis van Sebenico
naar Spalato te maken in gezelschap van den heer Radamanovich,
koopman te Cattaro, en tevens correspondent en agent van den vorst
van Montenegro in die stad. Hij bewees mij, op mijne reis door het
vorstendom, zeer gewichtige diensten.

Er is te Cattaro geen hotel; men neemt zijn intrek bij enkele
partikulieren, die hunne huizen inrichten en meubelen voor de ontvangst
van reizigers. Men bracht mij, langs allerlei bochtige straten, naar
een vrij donkere steeg, en naar de woning van een zeer ordentelijk man,
die mij eene goede kamer aanbood. Sedert ik de boot, had verlaten,
was mij voortdurend een reus gevolgd, in montenegrijnsch kostuum,
met de ruime bruin gestreepte plaid, die tot de uitrusting dezer
bergbewoners behoort, over den rug geworpen. Hij begreep dat ik te
Cattaro was gekomen met het doel om naar Cettinje te gaan; en daar
hij paarden verhuurde om de reis over de bergen te doen, wilde hij
mij de belofte afpersen, dat ik mij den volgenden morgen tot hem zou
wenden. Ik had veel moeite om dien kerel kwijt te raken; daar ik de
zorg voor de toebereidselen der reis liefst aan den agent van den Vorst
wilde overlaten, liet hij mij eindelijk toch los. Mijn gastheer, een
Italiaan, was een klein, kreupel man, met een zwaren zwarten baard en
lange hairen; hij was zeer op zijn gemak, geheel in het zwart gekleed,
en droeg een breedgeranden hoed op het hoofd. Hij ontving mij als
een oud vriend, vroeg hoe ik de reis gemaakt had, onderzocht naar
allerlei bijzonderheden met goedmoedige vriendelijkheid, en drukte
mij met de grootste hartelijkheid de hand; ik begreep niet waaraan
ik deze vriendschapsbewijzen te danken had.

De agent van Lloyd stelde zich met groote welwillendheid tot mijne
beschikking en zeide mij hoe ik het moest aanleggen, om hier zoo
goed mogelijk te leven. Eene goede restauratie, buiten den muur der
stad, aan de kaai gelegen, is de algemeene vereenigingsplaats van
de reizigers, de officieren van het garnizoen en de oostenrijksche
ambtenaren. Toen ik daar aankwam, was het geheele gezelschap onder
den lommer langs de haven vereenigd; en daar de gouverneur-generaal
van Dalmatie, baron Rodich, met de stoomboot van Zara moest
aankomen, was de halve bevolking naar de kaai gestroomd, om hem
te ontvangen. De vrouwen volgen bijna allen de italiaansche mode;
de mannen onderscheiden zich door niets bijzonders. De officieren
en ambtenaren beschouwen het verblijf te Cattaro als een soort van
ballingschap, en zien steeds met verlangen uit naar de aankomst der
stoomboot, die hun tijding van hunne vrienden en verwanten en van de
buitenwereld brengt.

Den volgenden morgen begaf ik mij naar den bazar of de markt der
Montenegrijnen: een open veld, of liever een soort van steenen vallei,
door het water uitgegraven. De bergbewoners komen daar van Njegosch
en Cettinje; zij leggen een weg van zeven of acht uren af, beladen met
zware vrachten, over bergen zoo steil, dan het hart u samenkrimpt bij
het gezicht van die arme, schamel gekleede vrouwen, zwoegende onder
haar zwaren last. De markt levert niet veel op: wat aardappelen,
eenige eieren, eenige magere kippen, en vooral takkebossen--ziedaar
alles. Somwijlen brengen de bergbewoners ook schapen ter markt,
die zij voor zich uitdrijven.

De politie houdt streng toezicht op deze markt, die des dinsdags,
donderdags en zaterdags gehouden wordt, en die dikwijls aanleiding
geeft tot twisten en vechtpartijen tusschen de kooplieden en de
stedelingen. De montenegrijnsche vrouwen mogen in Cattaro komen, maar
van de mannen wordt er, om goede redenen, slechts een bepaald aantal
in de stad toegelaten; ook moeten zij bij de poort hunne wapenen
afgeven. Deze Montenegrijnen, die voor een paar franken eenige
takkebossen komen verkoopen, dragen in hun gordel wapenen van zeer
hoogen prijs, die dikwijls hunne gansche bezitting uitmaken.

De stad Cattaro, op de plaats gebouwd waar tijdens de romeinsche
heerschappij Ascrivium stond, heeft in de lotgevallen van geheel
Dalmatie gedeeld; zij is, in meerdere of mindere mate, onderworpen
geweest aan het gezag der koningen van Servie, van Hongarije, van
Bosnie, tot zij eindelijk in de macht kwam van Venetie, dat ondanks
herhaalde pogingen van de Turken om zich van dit punt meester te maken,
Cattaro behield tot aan den ondergang der republiek. In 1806, toen
Dalmatie aan Frankrijk werd afgestaan, maakten de Russen zich meester
van Cattaro, dat zij evenwel bij den vrede van Tilsitt weder moesten
overgeven. In 1813 werd de stad door de Engelschen, onder Sir William
Hoste, aangevallen; zij gingen aan land en richtten, voor de oogen
van den generaal Gauthier, die het onmogelijk achtte geschut tegen
den berg op te voeren, batterijen op, boven de citadel, op de toppen
der rotsen. Na een beleg van tien dagen moest de stad zich overgeven;
het geheele fransche garnizoen werd gevangen genomen. Ten gevolge van
oneenigheden met de Oostenrijkers ontruimden de Engelschen Cattaro,
dat in handen viel van den Vladika van Montenegro, toen niet minder dan
nu begeerig uitziende naar een haven aan zee. Den 14den Juni 1814 moest
hij de stad aan Oostenrijk afstaan, dat haar tot heden behouden heeft.

De Bocchesi of bewoners der Bocca onderscheiden zich van al de bewoners
van Dalmatie door zekere eigenaardigheden; te Zara zal men u, onder
eene menigte volks, zonder aarzelen iemand aanwijzen en zeggen: dat is
een Bocchese. Zij zijn er in geslaagd, van hun land, dat niet meer is
dan eene smalle strook tusschen de rotsen en de zee, een der rijkste
distrikten van Dalmatie te maken, dank zij hun ijver, hun lust voor
handel en scheepvaart, hun overleg en spaarzaamheid. Zij zijn allen
Slaven, ook de kustbewoners, die elders in Istrie en Dalmatie schier
zonder uitzondering van italiaanschen oorsprong zijn. Het juiste cijfer
der bevolking van de Bocca is mij onbekend; voor twintig jaar bedroeg
dit tusschen de vijftien- en twintigduizend zielen; daarvan behoorden
er ruim elfduizend tot de grieksche en de anderen tot de roomsche Kerk.

De Bocchese is van beroep, ik zou zeggen van nature, zeeman; hij is
ondernemend, moedig, van een zeer sterk gestel; het ras zelf is van
opmerkelijke schoonheid. Zeehandel is zijn voornaamste middel van
bestaan; vooral met Venetie, Triest en de Zwarte-zee wordt een zeer
levendige handel gedreven. Als de Bocchesi volstrekt geen middelen van
zich zelven hebben, verhuren zij zich als matrozen bij een reeder of
gezagvoerder; anders rusten zij voor eigen rekening een klein vaartuig
uit en bezoeken daarmede de naburige havens langs de kust. De zee is
het groote arbeidsveld der Bocchesi: een jaar van stormen richt dan
ook onder de bewoners droevige verwoestingen aan, en somwijlen ziet
ge dorpen, waar de halve bevolking in rouwgewaad is gehuld. Maar
blijven zij in het leven, dan weten zij dikwijls zeer spoedig eene
vrij aanzienlijke fortuin bijeen te brengen. Is dit het geval, dan
keeren zij naar de Bocca terug, verfraaien hunne ouderlijke woning
of bouwen eene nieuwe, waaraan zij, zoo dit eenigszins mogelijk is,
een lapje grond toevoegen, dat zij met enkele olijven beplanten. Zij
zijn in het minst niet ijdel; zij trachten volstrekt niet te schitteren
en hun buren te toonen hoe rijk zij zijn; zij kennen geen weelde voor
zich zelven; ernstig en stil, leven zij rustig in hun eigen kring. Naar
men zegt, hebben sommige rijke Bocchesi in hunne woning exemplaren
der wapenen van alle landen, die zij bezocht hebben. Waarschijnlijk
dankt deze mode haar oorsprong aan de noodzakelijkheid, waarin men
althans vroeger verkeerde, om steeds gereed te zijn tot het afweren
der aanvallen van Turken en Montenegrijnen.

Tusschen Risano en de grenzen van Herzegowina, op eene aanzienlijke
hoogte in de bergen, niet ver van Grahovo, leest men op de kaart den
naam van een dorp, beroemd wegens den krijgshaftigen aard zijner
bewoners: het dorp Krivoscje, moeilijk te genaken, volgens de wet
aan Oostenrijk behoorende, maar dat, door zijne ligging, feitelijk
onafhankelijk is. Ook deze dorpelingen zijn Bocchesi; maar zij
wonen in de bergen, en hebben dus andere gewoonten en zeden dan de
kustbewoners. De natuur is niet altijd in harmonie met de kunstmatige
verdeelingen en schikkingen der menschen: zij zelve heeft voor de
verschillende landen der aarde natuurlijke grenzen getrokken, en het
karakter van degenen, die aldus, zij het ook slechts door een berg of
eene rivier, gescheiden zijn, kan zeer wezenlijk verschillen. Maar
als de grenslijn geheel willekeurig is getrokken, hoe zou men
dan zoodanig verschil kunnen verwachten? De Krivoscjianen zijn dus
inderdaad Montenegrijnen, niet alleen wat hun voorkomen, hun kostuum,
hunne gewoonten betreft, maar ook met opzicht tot hun onrustigen,
krijgshaftigen aard. Voor den vreemdeling is het uiterst moeilijk,
een bewoner van Krivoscje van een bewoner van Cettinje of Rjeka te
onderscheiden.

In 1869 wilde de oostenrijksch-hongaarsche regeering, die Dalmatie
geheel op gelijken voet met de andere gewesten des rijks had gesteld,
ook hare onderdanen van Krivoscje aan de conscriptie onderwerpen. De
burgerlijke autoriteit ontving de noodige bevelen; zij bleven
onuitgevoerd. De oostenrijksche regeering is allerminst van hardheid te
beschuldigen, maar tegenover verzet is zij onverbiddelijk. Krivoscje
moest bezet worden; en daar de dorpelingen de soldaten niet wilden
toelaten, moest men tot geweld de toevlucht nemen.

Het verhaal van deze expeditie herinnert aan de schitterende
wapenfeiten der Franschen in Algiers. Drie- tot vierhonderd mannen
hielden gansche regimenten tegen, en dwongen ze, met schrikkelijk
verlies, tot den aftocht, door op de hoofden der soldaten een regen te
doen nederdalen van steenen, die zij aan den rand der rotsen van hunne
enge bergpassen hadden opgestapeld. Gedurende den geheelen veldtocht
verloren de Krivoscjianen slechts elf man, terwijl er drie-en-zeventig
gekwetst werden; daarentegen verloren de Oostenrijkers, alleen
in het gevecht bij Knyesowatz, vijf officieren, waaronder een
majoor. Eindelijk vroeg men te Weenen om nadere instructies, en de
oostenrijksche regeering beval de staking van dezen moorddadigen
strijd, die haar reeds een gansch regiment en een paar millioen
gulden gekost had. Zoo bleven de dorpelingen van Krivoscje in 't eind
overwinnaars; zij verkregen vrijstelling van den militairen dienst
buiten hunne woonplaats en vermindering van belasting.


Een bijschrift bij een plaat.

Napels en de Vesuvius, van den Posilippo gezien. Wat zal ik aan
deze plaat toevoegen? Eene beschrijving van het panorama, door zoo
velen, eeuw aan eeuw, als een der schoonste geroemd, waarop het eens
menschen oog gegeven is te rusten? Maar geene beschrijving kan ooit
van eenig landschap, welk ook, een eenigszins voldoend denkbeeld,
eene eenigermate juiste voorstelling geven aan hem, die het niet
zelf gezien heeft. En te minder is dit mogelijk, waar het landschap
uitmunt door misschien onovertroffen schoonheid; bovenal wanneer,
zoo als hier, deze schoonheid niet zoo zeer het gevolg is van deze
of die treffende, sterk in het oog vallende bijzonderheid, maar veel
meer van de niet onder woorden te brengen harmonie van het geheel,
van den totaal-indruk, dien deze vereeniging en samenstemming van
land en zee, van lucht en kleur en lijn, van hoogte en diepte, op
den aanschouwer maakt. Hij gevoelt dat dit schoon is, maar hoogst
waarschijnlijk zou het hem moeilijk, indien niet onmogelijk zijn,
dien indruk van volkomen schoonheid te ontleden, en te zeggen waarin
deze schoonheid eigenlijk bestaat. Trouwens met alles wat, hetzij in
de natuur, hetzij op het gebied der kunst, inderdaad en in den vollen
zin des woords schoon is, is dit evenzeer het geval. Schoonheid van
lagere orde laat zich, juist omdat zij onvolledig, fragmentarisch,
min of meer toevallig is, ontleden en beschrijven: de hoogste, de
volkomen schoonheid kan alleen worden gevoeld.

Daarom--ook hier geene beschrijving. Laat mij u slechts, als bijschrift
bij de plaat, eene bladzijde mogen voorleggen uit Taine's Voyage en
Italie, waar hij, in de laatste dagen van Februari 1864 te Napels
gekomen, zijn indrukken beschrijft. En moge de lezing dezer bladzijde
u opwekken tot kennismaking met het boek.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.