A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Men heeft mij meermalen gevraagd, of ik op reis geen wapens
medeneem. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik, ook in de meest ter
kwader naam staande streken, nooit een pennemes uit mijn zak heb
gehaald, dan om een puntje aan mijn potlood te maken. Ik heb Bosnie
en Herzegowina doorreisd, toen zij reeds in vollen opstand waren; ik
ben daar twee- of driemaal in moeielijkheden geraakt, maar ik houde
mij overtuigd, dat ik onherroepelijk verloren zou zijn geweest,
indien ik een revolver bij mij had gehad. Niets is gevaarlijker,
dan in deze landen eene zekere uitdagende en tartende houding aan te
nemen. De voorzichtigheid van Zadig verdient verre de voorkeur boven
de vermetelheid van Gusman. Het is zeker een voorrecht en een genot,
merkwaardige landen te bezoeken, vreemde zeden en gewoonten te kunnen
gadeslaan, het hart te kunnen ophalen aan schilderachtige tooneelen
en wonderlijke kleederdrachten:--maar toch, om daar het rechte
genot van te hebben, moet men het er levend afbrengen; mijn huid
is mij lief--mi preme la vita--en ik houd er niet van, mij onnoodig
in gevaar te begeven. Koelbloedigheid en tegenwoordigheid van geest,
een rustige toon van gezag, en vooral onschuldige bedoelingen: ziedaar
mijns erachtens de beste wapenen op een tocht door deze en dergelijke
half-barbaarsche landen.

Na mijn reiszak ontpakt en mijn kamer zooveel noodig gemeubeld,
en vervolgens een half uurtje gerust te hebben, is het tijd om wat
voedsel te gaan nemen, want het ontbijt van Njegosch, hoe stevig ook,
is niet meer dan eene herinnering. De heer Matanovich, de adjudant
van Z.H., biedt ons bereidwillig zijne hulp aan; hij is vooruitgegaan
naar het hotel van Cettinje, om te zorgen dat wij het een en ander
te eten bekomen. Dit hotel is, zoo als ik zeide, nu geheel ledig:
de kastelein, die het gepacht had, was niet in staat het gebouw te
meubileeren; zijn opvolger is pas in functie getreden, en heeft daar
nog geen tijd voor gehad. Echter vinden wij er een open tafel, waar
voor mij eene plaats is beschikbaar gehouden.

Verbeeld u een groot, hol vertrek op de eerste verdieping; in het
midden der zaal staat een tafel, maar flauwelijk verlicht door eenige
lampen, die het grootste gedeelte van het ledige, naakte vertrek in
donkere schemering gehuld laten. Een voor een treden de gasten binnen,
bijna allen opperhoofden en mannen met eenige waardigheid bekleed,
zonder twijfel tot de naburige stammen behoorende en tijdelijk in de
hoofdstad verblijvende. Eene kleine, vrij vlugge dienstmaagd, meer
dan waarschijnlijk uit Dalmatie en wel van de kust geboortig, daar
zij even goed italiaansch als servisch spreekt, wijst mij de eenige
ledige plaats aan; en daar zit ik nu, als elfde man, tusschen tien
Montenegrijnen, weinig innemend van voorkomen, bijna allen rijzige
forsche mannen met lange hairen en zware bruine knevels, de meesten
met medailles versierd, en allen met een volledig arsenaal in hun
gordel! Niemand legt zijne wapenen af, eer hij aan tafel gaat. Als het
eerste gerecht, een soort van aardappelenragout, wordt rondgediend,
wijst een der Montenegrijnen, die mij eer wil bewijzen, met den vinger
op mij, als een teeken dat men mij het eerst moet bedienen. In de
tien gordels tel ik vier-en-twintig pistolen. Alle gasten houden hun
beretta op het hoofd; zij dragen allen het witte buis en het roode,
met goud geborduurde vest. De heeren fluisteren onder elkander, terwijl
zij mij voortdurend aanzien; een hunner vraagt aan de dienstmaagd,
of ik servisch spreek; ik merk dat zij mij tot een Italiaan maakt,
omdat ik mij met haar in die taal onderhoud. "Fransouski" zeg ik, om
mijne nationaliteit bekend te maken. Dit scheen de gasten gunstiger
te stemmen, maar hunne manieren zijn ruw, en ik voel mij niet op mijn
gemak, hoewel men mij blijkbaar met beleefdheid wil behandelen. Als
ik weiger om het eerst bediend te worden, dan beduidt men mij met een
hooghartig gebaar, dat het niet te pas komt, komplimenten te maken,
dat ik slechts heb te gehoorzamen, en mij te schikken naar de regelen
der montenegrijnsche gastvrijheid. Intusschen gaat de maaltijd zijn
gang; een half schaap, aan het spit gebraden, wordt opgedischt on
met de yatagan in stukken gesneden; de nationale kaas dient tot
dessert. Nu worden de pijpen aangestoken; terwijl de heeren nog met
elkander blijven praten, verwijder ik mij; mijn groet wordt door een
korten wensch beantwoord. Ik gevoel, dat die hooge personages, voor
het meerendeel senatoren, niet den schijn willen hebben, dat zij aan
een vreemdeling, dien zij niet kennen, bijzondere aandacht schenken,
en dat zij ook geene verbazing willen toonen.

Ik steek de groote straat over, waar eenige schimmen mij voorbij
glijden, allen in de strouka gewikkeld; voor den muur van het paleis
van den Vorst kuieren de schildwachten op en neer. Somwijlen opent
zich een deur: een helder licht, afkomstig van het midden in de kamer
brandende vuur, schijnt over de straat en teekent zwarte schaduwen op
den grond. Al tastend bereik ik mijne kamer in het oude paleis, en eer
ik mij ter ruste begeef, teeken ik in mijn dagboek de herinneringen
en indrukken van dezen dag op, mijn zonderlingen tocht van Cattaro
naar hier.

Een laatste blik naar buiten, in den kalmen, helderen herfstnacht. Hoe
hoog zijn de bergen! Hoe ver, ver ben ik hier van Frankrijk! Hoe
afgezonderd van de wereld, door een geweldigen muur van haast
onbeklimbare rotsen gescheiden van de blauwe Adriatische-zee....


IV.

Wij bevinden ons op montenegrijnschen bodem, in de hoofdstad van het
kleine vorstendom. Wij willen nu, eer wij verder het land ingaan, een
vluchtigen blik werpen op zijne geschiedenis. Welke volken en stammen
hebben deze bergen bevolkt, en wie hebben over hen geregeerd? Welke
zijn de groote lijnen, de hoofdmomenten hunner geschiedenis; en
krachtens welk beginsel oefent de thans regeerende Vorst een bijna
onbeperkt en onbetwist gezag uit over dit hooghartige, fiere en tot
hiertoe nog onverwonnen en ongetemde volk? Ik wil trachten, zoo kort
mogelijk, die vragen te beantwoorden.

Honderd-acht-en-zestig jaar voor Christus namen de Romeinen van
deze landstreek bezit: eene ontwijfelbare herinnering aan hunne
heerschappij is nog altijd overig in een ouden heirweg, die van het
antieke Epidaurum naar het tegenwoordige Skutari of Skodra voert. Het
land behoorde toen, met geheel Dalmatie, tot de provincie Illyrie. In
de derde eeuw verschijnen de Gothen, later opgevolgd en verdrongen
door de Slaven, die reeds van Dioclea hunne hoofdstad hadden
gemaakt. Omstreeks de zevende eeuw verdwijnt de naam van Illyrie,
te midden van de verwarring der opeenvolgende invasien van Kroaten,
Bulgaren en Serviers. Het servische rijk wordt gegrondvest en neemt
snel in macht toe; dit rijk, dat nog steeds het ideaal is, naar
welks verwezenlijking alle Zuid-Slaven smachtend uitzien, omvatte,
behalve het tegenwoordige Servie, ook Bosnie, Moesie, een deel van
Dalmatie en Dacie. Bij den noodlottigen slag van Kossovo (1389)
ging dit servische rijk te gronde, en vielen de tot dusver aan de
servische kroon behoorende landen in de macht der Turken.

Toen aldus de slavische macht gebroken werd, behoorde ook het
tegenwoordige Montenegro tot Servie, en werd bestuurd door een ban,
die het oppergezag der servische Koningen erkende. De nederlaag bij
Kossovo verbrak die banden; de bans, hertogen of vorsten van Zeta
weigerden zich te onderwerpen aan de mohammedaansche heerschappij,
en weken met eenige stammen (plemena) naar de bijna ontoegankelijke
bergen, waar zij hunne onafhankelijkheid wisten te handhaven. Dat zij,
ondanks de bijna rusteloos herhaalde pogingen der Turken om dit laatste
overblijfsel der eenmaal zoo machtige servische natie onder hun juk
te doen bukken, deze hunne onafhankelijkheid nu welhaast gedurende
vijf eeuwen inderdaad hebben bewaard:--ziedaar een eeretitel, waarop
de Montenegrijnen met het volste recht trotsch mogen zijn, en die hen
de rechtmatigste aanspraak moest geven op de warme sympathie en de
krachtige ondersteuning van het christelijk Europa, indien dat Europa
zich heden nog door andere beweegredenen, dan die aan het cynische
eigenbelang ontleend, liet leiden. Maar toch, al worden zij door hunne
natuurlijke bondgenooten te vaak alleen gelaten in den strijd tegen
den gemeenschappelijken erfvijand, zij hebben de worsteling tegen de
overstelpende overmacht niet opgegeven, en nog altijd staat Montenegro
als een laatste bolwerk der zuid-slavische nationaliteit:--moge het
ook zijn als de profecie eener betere toekomst.

Na het uitsterven van de oude vorstelijke familie van Balschich, in
1421, verkozen de Montenegrijnen den dapperen Stophan Tzernojewitch
tot Vorst; deze stichtte twee havensteden aan de Adriatische-zee, en
bouwde ook het klooster te Cettinje, dat in 1485 tot den zetel der
regeering verheven werd. Stephan sloot een verbond van vriendschap
met Venetie, en leefde, even als zijn zoon Iwan, in onophoudelijken
krijg met de Turken. Een der gewichtigste feiten van dit tijdvak is wel
de overbrenging van den vorstelijken zetel van Zabljak, eene vesting
in de vlakte ten noorden van Skutari, naar het klooster te Cettinje,
in het hart van het gebergte, dat gemakkelijker te verdedigen was, en
waar het kostbaar pand der nationale onafhankelijkheid beter kon worden
bewaard. George, de laatste Vorst uit het geslacht van Tzernojewitch,
die met eene dame uit Venetie was gehuwd, deed in 1515 afstand van
de regeering en begaf zich naar het vaderland zijner vrouw. Met hem
eindigt de reeks der Woiwoden of wereldlijke Vorsten van Montenegro:
George Tzernojewitch droeg namelijk het oppergezag over aan den Vladika
(bisschop) Vavil, welk besluit door het volk werd goedgekeurd.

Sedert dien tijd tot in 1851, werd Montenegro nu door deze tevens
geestelijke en wereldlijke opperhoofden geregeerd, die de bevoegdheid
hadden zelf hun opvolger aan te wijzen. Intusschen waren de stammen
bijna geheel onafhankelijk geworden; de band, die de kleine natie tot
dus ver had saamgesnoerd, was allengs verbroken; onderlinge twisten,
veeten en oorlogen hielden de stammen tegen elkander verdeeld, en
alleen de gemeenschappelijke strijd tegen den erfvijand vermocht
nog tot op zekere hoogte de eendracht te bewaren. De Turken
maakten natuurlijk van die verdeeldheden gebruik, om telkens
nieuwe veroveringen te maken, de Montenegrijnen al verder in het
gebergte terug te dringen en hen bij herhaling tot in hunne laatste
wijkplaatsen te bestoken. Maar altijd moet de grimmige vijand zijne
prooi weer loslaten, en weet het ongetemde volk, dat nimmer zijne
wapenen aflegt, de vrijheid te heroveren en te handhaven. In 1687
staan de Montenegrijnen, van de Venetianen verlaten, alleen tegenover
de verpletterende overmacht der Turken, en Soliman-pasja dringt tot
Cettinje door, dat hij te vuur en te zwaard verwoest. Maar ook nu
kan de turksche macht zich in dit onbedwingbare land niet staande
houden. De stamhoofden, in het dreigend gevaar hunne onderlinge
verdeeldheden ter zijde zettende, verkiezen tot Vladika Danilo
Petrowitch, uit den stam van Njegosch, een man van groote bekwaamheid
en energie, die als krijgshoofd niet minder dan als bisschop een bijna
onbeperkt gezag over zijne onderdanen uitoefende. Danilo peinsde op
middelen om zijn land van de turksche heerschappij te verlossen; en de
gelegenheid bood zich weldra daartoe aan. De pasja van Skutari noodigde
den Vladika uit, eene nieuwe kerk te Podgoritza te komen inwijden:
op zijn eerewoord beloofde de pasja vrijgeleide. Maar nauwelijks was
Danilo to Podgoritza aangekomen, of hij werd gevangen genomen en in
den kerker geworpen; om aan den dood, die hem wachtte, te ontsnappen,
moest hij een losgeld van dertigduizend dukaten betalen. Te Cettinje
teruggekeerd, vatte nu de Vladika het besluit op om alle Muzelmannen,
die zich op montenegrijnsch grondgebied bevonden, te dooden; en in den
Kerstnacht van 1702 werd dit besluit ook werkelijk uitgevoerd. Zoo
rustte het zwaard nimmer: en wanneer men de geschiedenis van dit
kleine land leest, dan is niets gemakkelijker te begrijpen dan de
felle, onverzoenlijke, doodelijke haat, die Montenegrijnen en Turken
jegens elkander koesteren. Inderdaad, tracht u voor een oogenblik dezen
toestand helder voor den geest te brengen: een volk, zeer gering in
aantal, opgesloten in eene door de natuur gevormde vesting van steile,
naakte bergen, waar het schier aan alles mangelt wat ook voor het
soberste leven onontbeerlijk is; en dat volk, bijna vijf eeuwen lang,
gedwongen met het zwaard zijne onafhankelijkheid te verdedigen tegen
een overmachtigen vijand, die zijn ondergang gezworen heeft; vijf
eeuwen lang gewikkeld in een bijkans rusteloozen strijd met woeste,
bloeddorstige barbaren, die overal waar zij verschijnen een spoor van
verderf en dood achter zich laten; in een strijd, die de voortdurende
inspanning, de onvoorwaardelijke toewijding van allen vraagt, die
letterlijk allen dwingt onophoudelijk de wapenen te voeren en te
ieder uur bereid te zijn, den dood tegemoet te gaan. Denk u, voor
zoo ver ge dat in onze toestanden vermoogt, in dezen toestand in:
en verwondert het u dan nog, dat de Montenegrijn boven alles soldaat
is, dat het volkskarakter zich onder die invloeden niet altijd ten
goede heeft ontwikkeld en meer dan wenschelijk is heeft overgenomen
van de ruwheid en woestheid der barbaarsche horden, tegen wie deze
bergbewoners voortdurend lijf en goed hadden te verdedigen?

De moord van 1702 moest gewroken worden. De verbitterde Turken
willen nu voor goed aan die eindelooze worsteling een einde maken:
honderd-twintig-duizend man trekken, onder aanvoering van den
grootvezier Koeprili, tegen Montenegro op. De verbonden stammen
moeten voor de overmacht naar het hart van het gebergte wijken,
en op nieuw wordt Montenegro door de Turken overstroomd, Cettinje
andermaal geplunderd en verbrand, en tweeduizend man in gevangenschap
weggevoerd. Doch ook ditmaal was de plaag voorbijgaande en herwon het
volk zijne onafhankelijkheid. Omstreeks dien tijd werd de waardigheid
van Vladika in het geslacht Petrowitch, dat tegenwoordig nog regeert,
erfelijk verklaard; daar echter de bisschoppen niet mochten huwen,
werden zij door een hunner neven opgevolgd.

Toen, in 1788, Keizer Jozef II van Duitschland en Keizerin Katharina
II van Rusland aan de Porte den oorlog verklaarden, riepen zij ook
de medewerking der Montenegrijnen in. Deze grepen aanstonds naar de
wapenen, en gaven tot in 1791 aan een turksch leger van vijftigduizend
man de handen vol werk; maar toen in Augustus van dat jaar de vrede
van Sistowa gesloten werd, vergaten de beide monarchen, ondanks hunne
plechtige beloften, hun trouwe bondgenooten en werd te hunner behoeve
niets bedongen. Nu volgde voor Montenegro een betrekkelijk lange tijd
van rust, dien de later heilig verklaarde Vladika Peter I Petrowitch
gebruikte om de inwendige aangelegenheden des lands zooveel mogelijk
te regelen. Hij maakte een einde aan de onderlinge veeten der stammen,
breidde de bevoegdheid van het opperste gerechtshof uit, en vaardigde
in 1798 een algemeen wetboek (Zakonik) uit, waarin de tot dusver
in Montenegro gebruikelijke en overgeleverde wetten en regelen van
bestuur, rechtspleging enz. waren bijeenverzameld. Aan de oorlogen van
Rusland tegen Turkije en Frankrijk, in de eerste jaren dezer eeuw,
namen de Montenegrijnen zeer levendig aandeel; en in 1812 veroverde
Peter de Bocca di Cattaro met de stad van dien naam, waardoor hij eene
voor zijn volk schier onmisbare gemeenschap met de Adriatische-zee
verkreeg. Men vergunde hem evenwel niet, die natuurlijke haven van
Montenegro te behouden; hij moest de stad aan Oostenrijk afstaan,
dat toch, naar men zou meenen, met geheel Dalmatie tevreden kon zijn
en het arme vorstendom dezen eenigen uitgang naar de beschaafde wereld
niet behoefde te benijden.

De opvolger van Peter I, de jonge, edele Peter II, die in Petersburg
zijne opvoeding ontvangen had, heeft zich door zijne onvermoeide
pogingen tot beschaving van zijn volk een welverdienden roem
verworven. Zelf een man van veel aanleg en ontwikkeling, ook dichter,
bevorderde hij krachtig de belangen van het zoozeer verwaarloosde
onderwijs, en maakte zich als regent verdienstelijk door de vestiging
van eene regelmatige regeering en de zorg voor de welvaart en de
ontwikkeling zijns volks. Ook hij voerde bij herhaling oorlog tegen
de Turken en was daarin meestal gelukkig, al was het ook, bij gebrek
aan medewerking, indien al niet door rechtstreeksche tegenwerking
der europeesche mogendheden, onmogelijk, de gemaakte veroveringen
te behouden. Peter II, die den 31sten October 1851 stierf, was de
laatste Vladika: zijn neef en opvolger Danilo deed afstand van zijne
geestelijke waardigheid, en werd in 1852 door Oostenrijk en Rusland als
erfelijk Vorst van Montenegro erkend. Met hem begint een nieuw tijdperk
in de geschiedenis van Montenegro; wij hopen later meer uitvoerig
over dezen merkwaardigen man te spreken. Danilo I werd op den 12den
Augustus 1860, door een Montenegrijn, uit persoonlijke wraakzucht te
Cattaro doorschoten, en bezweek den volgenden dag. Daar hij slechts
eene dochter naliet, werd hij opgevolgd door den zoon van zijn broeder
Mirko Petrowitch, den tegenwoordigen Vorst Nikita (Nikolaas) I.

Prins Nikolaas I, Petrowitch Njegosch, die in officieele stukken
den titel voert van Vorst en Gospodar van Tzernagora en Berda,
werd in 1841 geboren, in het dorp Njegosch, waar wij hebben stil
gehouden. Het geslacht der Petrowitch is uit Herzegowina afkomstig
en was ook daar in een vlek, Njegosch genaamd, gevestigd. Terwijl
een aantal aanzienlijke servische families, na de verovering des
lands door de Turken, tot den Islam overgingen en zich daardoor het
bezit van hare oude en het genot van nieuwe privilegien verzekerden,
bleven de Petrowitch aan hunne christelijke belijdenis getrouw,
en moesten zich deswege allerlei kwellingen en onderdrukkingen
getroosten. Omstreeks 1550 verlieten al de leden van het geslacht,
met hunne onderhoorigen en hunne kudden, hunne toenmalige woonplaats
en sloegen hunne tenten op in een bergvlakte, waar zij gras voor
hun vee vinden konden. De familie of clan stichtte daar een vlek,
waaraan zij den naam gaf van hare aloude vaderstad, breidde zich uit,
nam in welvaart toe, en bekleedde weldra, dank zij de bekwaamheid en
den moed harer hoofden, haar rijkdom en macht, een eerste plaats onder
de aanzienlijkste geslachten des lands. In 1697 werd een Petrowitch,
ondanks zijn jeugdigen leeftijd, uit hoofde van zijn onversaagden
heldenmoed en den invloed, dien hij op de stammen uitoefende, door
de algemeene vergadering der woiwoden tot Vladika gekozen, welke
waardigheid kort daarop erfelijk in de familie werd verklaard. De
dynastie der Petrowitch zit dus sedert honderd-tachtig jaar op den
troon van Montenegro; daar echter de Vladika, uit hoofde van zijn
geestelijk karakter als bisschop, niet huwen mocht, werd hij steeds
door een zijner neven opgevolgd. Krachtens dit beginsel regeert ook
de tegenwoordige Vorst, zoon van Mirko Petrowitch, oudsten broeder
van Danilo I en aarts-hertog of weliki-woiwode van Montenegro. De
laatste Vladika, Danilo, had echter, zooals reeds gezegd is, van
zijne geestelijke waardigheid afstand gedaan en zich in het huwelijk
begeven, zoodat de erfelijkheid in rechte lijn kon worden ingevoerd;
bij gebreke van mannelijk oir, had dan ook Danilo's broeder, Mirko
Petrowitch, den troon moeten beklimmen; maar ten gevolge van bijzondere
omstandigheden deed hij afstand van zijne rechten, zoodat zijn zoon
Nikolaas tot Vorst werd gekozen, de eerste van dien naam en de zevende
soeverein uit zijn geslacht.

Gelijk bijna niemand naar Rome gaat (of althans ging), zonder
den Paus te zien, zoo gaat men ook niet, en nog minder, naar
Montenegro, zonder een bezoek af te leggen bij den Vorst. Bovendien
is men te Cettinje als in een circus of schouwburg, en al wilde men
onopgemerkt blijven, zou dit welhaast onmogelijk zijn, want uit zijn
paleis overziet de Vorst zelf de gansche stad; niets van hetgeen er
gebeurt ontgaat de aandacht, en de aankomst van een vreemdeling is
eene gebeurtenis, hoewel de Montenegrijn uit zijn aard zich weinig
om vreemden bekommert. Een gewoon toerist waagt zich in den regel
niet te midden dezer bergen; wie hier komt, doet dit doorgaans met
een bepaald doel, hetzij wetenschappelijk, hetzij politiek, en het
kleine hof van Cettinje weet gaarne wie de bezoekers van het land
zijn. In iederen onbekenden reiziger vermoedt men allicht een geheimen
zendeling: trouwens iederen avonturier valt het niet moeilijk, zich
in het geheele Balkan-schiereiland voor een russisch agent te doen
doorgaan. Al mijne brieven voor het vorstendom en ook die persoonlijk
aan Zijne Hoogheid gericht, waren ten gevolge van een misverstand in
Italie achtergebleven. De agent van den Vorst te Cattaro, met wien ik
bij toeval te Sebenico kennis had gemaakt, had per telegraaf van onze
komst bericht gezonden; en daar de adjudant van den Vorst, die zijne
opleiding te Saint-Cyr had ontvangen, het fransch zoo goed sprak als ik
zelf en een trouw lezer was van de Revue des Deux-Mondes en van andere
fransche tijdschriften, werden wij al spoedig aan het hof voorgesteld.

Het paleis van Cettinje gelijkt, wat zijne afmetingen betreft, op
eene aanzienlijke villa uit den omtrek van Parijs; toen wij er des
avonds voor het eerst ontvangen werden, gingen wij eerst door eene met
wapen-trofeeen versierde voorzaal, en beklommen vervolgens een trap,
die naar de wachtkamer op de eerste verdieping voerde. Voor de deur
dier kamer stonden, op het portaal, ter wederzijde vier lijfwachten,
in groot uniform en in volle wapenrusting. Het getal dier lijfwachten,
kabahadie, bedraagt niet meer dan tien. Een adjudant ontving ons aan
den ingang van dezen salon, die met de portretten prijkt van Vorst
Danilo, van de Keizers en de Keizerinnen van Rusland en van Oostenrijk,
van den gewezen Keizer en de Keizerin van Frankrijk, van den Vladika
Peter II, van Mirko Petrowitch, van de Prinses-weduwe Darinka, en van
de Prinses Milena, de regeerende Vorstin. Al die portretten schenen mij
toe van de hand van Czermak, den bekenden servischen schilder, te zijn.

Zoodra ik den drempel van den tweeden salon overschreden had, kwam
de Vorst naar mij toe, en weldra waren wij in gesprek gewikkeld. De
omstandigheden waren zeer ernstig; de Vorst was gedrukt, ontstemd
en blijkbaar niet op zijn gemak. Een bewoner van Herzegowina,
een turksch onderdaan, was onlangs op montenegrijnsch gebied
vermoord gevonden, juist toen de bergbewoners, naar hunne gewoonte,
gereed stonden zich naar de markt te Podgoritza te begeven. De
Turken hadden daarop, zonder verder onderzoek, de op niets kwaads
bedachte Montenegrijnen aangevallen, en zeventien hunner, mannen en
vrouwen, vermoord. Natuurlijk had dit feit door geheel Montenegro
de heftigste verontwaardiging opgewekt, en brandden de bergbewoners
van begeerte om hunne broeders te wreken. De Vorst deed wat hij
kon, om zijne onstuimige en krijgshaftige onderdanen in bedwang te
houden: de diplomatie was in de zaak gemengd, en Nikolaas I wilde
tot iederen prijs eene botsing met het overige Europa en vooral met
zijn natuurlijken beschermer, den Keizer van Rusland, vermijden. Hij
twijfelde niet aan zijn invloed, hij wist dat hij gehoorzaamd zou
worden; maar zoo de Vorst al bereid was zich te voegen naar de eischen
der diplomatie en den langzamen gang der kanselarijen, is het wel
te begrijpen dat de vurige Montenegrijn met moeite de beleediging
verduurde en ten volle den toorn billijkte, die in het hart zijner
onderdanen kookte.

Rijzig van gestalte, donker van gelaatskleur, met een laag voorhoofd,
zwaar, vol, glanzend hair, levendige en doordringende oogen, statig
en eenvoudig van voorkomen, vertoont de Vorst den echten type van
den volmaakten montenegrijnschen ridder. Deze man, die als driftig en
onstuimig bekend staat, heeft eene zachte en doordringende stem; hij
spreekt langzaam en weegt zijne woorden; hij bedekt zijn hartstocht en
energie onder een waas van eenvoud, kalmte en rustige zachtmoedigheid,
dat een zeer aangenamen indruk maakt, en u bijna doet vergeten dat
Prins Nikolaas in lichaamskracht, vlugheid en behendigheid door
weinigen overtroffen wordt, en dat hij de eerste ruiter en de eerste
schutter van het geheele vorstendom is. Hij heeft ongetwijfeld ook
het voorkomen van een krijgsman; maar tevens heeft hij getoond een
voorzichtig en bekwaam diplomaat te zijn, die zijn tijd weet af te
wachten en begrijpt dat hij, om zijn doel te bereiken, rekening moet
houden met de omstandigheden. Nikolaas I stelt er blijkbaar meer
zijne eer in, de onstuimige drift zijns volks te beteugelen, dan
nieuwe lauweren te zoeken in den strijd, al heeft hij reeds blijken
te over gegeven van persoonlijke onverschrokkenheid. Hij spreekt met
groote liefde van zijn volk; hij weet wat hun ontbreekt, en kan,
door eigen aanschouwing, oordeelen over het verschil tusschen de
sociale toestanden in zijn land en in de andere landen van Europa;
maar hij waardeert ook zijns volks natuurlijke gaven en krachten,
hij begrijpt en deelt de groote nationale aspiraties en verlangens,
en daarom juist houden de Serviers het oog op hem gericht.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.