De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 | 44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Zijne eerste jeugd heeft hij gesleten te midden dezer woeste en
dorre natuur; als kind heeft hij die naakte rotsen beklommen en
zich nedergezet in de armste woningen, luisterende naar de oude
volksliederen, die de grootsche en smartelijke herinneringen der
geschiedenis van Montenegro bewaren; en de servische muze, die de
helden bezingt en treurt op de graven der verslagenen, heeft ook hem
met haar vleugelslag aangeraakt: hij zelf is dichter-zanger. Dit is
trouwens eene traditie in de vorstelijke familie, want een zijner
voorgangers behoort tot de voornaamste rhapsoden van Servie; maar
bij Vorst Nikolaas is dit tevens de uiting van eene natuurlijke
aandrift. Door dit alles, door zijne liefde voor den wapenhandel, zijn
smaak in lichaamsoefeningen, zijne kracht, zijne vlugheid, is hij een
echte zoon zijns volks, maar tevens is hij Vorst, in den echten ouden
zin des woords: hij is inderdaad de Voorste, niet alleen in gezag, maar
ook in al die oefeningen en kampspelen, die aan de oude wedstrijden
doen denken. De Vorst heeft eene europeesche opvoeding ontvangen;
zijn vader Mirko heeft hem tot zijn tiende jaar in vrijheid laten
rondloopen door de bergen; daarop werd hij naar Triest gezonden,
waar de knaap, bij eene servische familie, het onderricht ontving,
voegende aan den rang, dien hij eenmaal bekleeden zou; maar zonder
dat hem, met verwaarloozing van het nationale element, die zoogenoemd
kosmopolitische gezindheid werd ingeprent, die den Vorst, bij zijn
terugkeer in het vaderland, dikwijls tot een vreemdeling onder de
zijnen maken.
Van Triest ging hij naar Parijs. Frankrijk oefende destijds een soort
van protektoraat over het vorstendom uit en stond overal zijne belangen
voor; deze omstandigheid, gevoegd bij de persoonlijke betrekkingen
tusschen Danilo I en Napoleon III, deed de fransche hoofdstad kiezen
als de plaats, waar de jonge Nikolaas zijne verdere opleiding zou
ontvangen. Om dezelfde reden zendt hij zelf thans zijne kinderen naar
Sint-Petersburg. Hij werd in het college Louis-le-Grand opgenomen;
maar de vurige jonkman, die zijne vakantien in zijn vaderland ging
doorbrengen, voelde zich nooit recht te huis in die soort van groote
kazernen, waar het aan lucht en vrijheid ontbreekt. In den herfst
van 1860, toen hij nauwelijks negentien jaren telde, zag hij zich
door den plotselingen dood van zijn oom, die slechts eene dochter,
Prinses Olga, naliet, eenklaps tot den troon van Montenegro geroepen.
Mirko, de vader van den Vorst, was de incarnatie van den ruwen,
onversaagden Montenegrijn, zoo als vroegere reizigers, Viala de
Sommieres, Wilkinson en Marmier, dien geteekend hebben. Deze Mirko
is overigens eene historische figuur; zijn naam, die in de nationale
liederen voortleeft, was de schrik der Turken, en niet zonder recht
droeg hij den bijnaam van het Zwaard van Montenegro. Danilo I, een
zeer ontwikkeld en begaafd man, die veel gereisd en gelezen had,
verscheidene vreemde talen sprak, en, met de westersche beschaving
volkomen vertrouwd, misschien zijn volk te ver vooruit was, was
minder krijgsman dan wel regent, wetgever en hervormer, die zijn
volk tot een hooger trap van beschaving wilde opvoeren. Mirko, zijn
broeder, was daarentegen volbloed soldaat, en wel een montenegrijnsch
soldaat, die zich bitter weinig bekreunt om de vormen en eischen
en behendigheden der diplomatie. Zijn leven lang was hij het meest
geduchte krijgshoofd; hij was het, die als opperbevelhebber te
Grahovo, aan de Turken, onder aanvoering van Hussein-pasja, die
geduchte nederlaag toebracht, die zijn roem door het gansche Oosten
vestigde en die de Turken niet kunnen vergeten. De Porte liet ook de
gelegenheid niet voorbijgaan, om haar wraak aan hem te koelen; toen
het turksche leger, met verpletterende overmacht op verschillende
punten te gelijk in het land gedrongen, eindelijk voor de derde maal
de hoofdstad bedreigde en Europa zich genoodzaakt zag tusschenbeiden
te komen, werd in art. 5 van het vredesverdrag tusschen den jongen
Vorst Nikolaas en Omer-pasja bepaald, dat Mirko uit het land gebannen
zou worden. Het was zeker hard voor den zoon, zulk een traktaat te
moeten onderteekenen; maar aan den anderen kant was het eene vleiende
onderscheiding voor Mirko, dat de gezworen vijanden van zijn volk
zoo hoogen prijs stelden op zijne verwijdering. Deze bepaling bleef
evenwel een doode letter, en gedurende de vijf jaren van betrekkelijken
vrede, die nu volgden, wijdde Mirko zich met alle kracht aan de
reorganisatie der strijdkrachten van het vorstendom. In 1867, toen
Vorst Nikolaas in Frankrijk vertoefde, brak de cholera te Cettinje uit
en verspreidde zich met snelheid door bijna alle provincien; de Vorst
keerde onmiddellijk terug, en kwam nog juist bij tijds om zijn vader
in zijn armen te zien sterven, slachtoffer der onverbiddelijke kwaal.
Kort na zijne troonsbeklimming, in November 1860, trad de Vorst
in het huwelijk met Milena Petrowna, dochter van den woiwode Petar
Voukotich: eene verbindtenis, naar de gewoonte des lands, reeds lang te
voren vastgesteld tusschen Mirko en den woiwode, die wapenbroeders en
vrienden waren. Het huwelijk had al aanstonds dit voordeel, dat aan het
hoofd der kleine hofhouding geene vreemde dame optrad, wier gewoonten,
wier smaak en geheele levenswijze misschien in contrast zouden zijn
met die des lands. De Prinses, eene rijzige, statige vrouw met een
regelmatig ernstig schoon gelaat, waarvan de mat bleeke tint nog te
meer uitkomt door het fraaie zwarte hair en de groote levendige oogen,
draagt altijd het nationale kostuum, dat bij personen van hoogen rang,
door de toegevoegde versierselen, in dubbele mate schilderachtig mag
worden genoemd. De Prinses is moeder van zeven kinderen, zes dochters
en een zoon, die den Keizer van Rusland tot peter heeft.
Prinses Milena spreekt vloeiend fransch, en neemt rechtstreeks
aandeel aan de regeering: eene uitzondering op den gewonen regel in
deze landen, waar alleen de moeder met bijzonderen eerbied bejegend
wordt, maar de echtgenoote en de zuster doorgaans eene ondergeschikte
plaats innemen. Nicolaas I, die meermalen van de nationale gewoonten
is afgeweken, heeft, bij eene plechtige gelegenheid, openlijk als zijn
wil te kennen gegeven dat zijne gemalin de leiding der regeering op
zich zou nemen. Het was in December 1868, toen de Vorst naar Rusland
ging om den Keizer, van wien hij voortdurend zoo vele bewijzen van
genegenheid ontvangen had, zijne hulde te brengen; voor zijn vertrek
deelde hij aan de consuls te Ragusa en te Skutari, en aan de pasjas der
naburige provincien mede, dat de Prinses gedurende zijne afwezigheid
met het regentschap was belast. Dit is eene nieuwigheid. Prins Milan
van Servie handelt op gelijke wijze, daarbij onze westersche gewoonte
volgende, maar zeer in strijd met de bijkans oostersche zeden van het
land, waar de Turken, hunne gezworen vijanden, sedert vier eeuwen
nevens hen gekampeerd, hunne vrouwen naar den harem verwijzen, en
alleen aan de Sultane-Valide soortgelijke voorrechten toekennen.
Tusschen den Vorst en zijne onderdanen staat geen tusschenpersoon, en
niets misschien treft den vreemdeling meer, dan de echt patriarchale
eenvoudigheid, die aan iederen Montenegrijn zonder onderscheid
het recht toekent, onmiddellijk tot den soeverein te naderen: een
recht, waarvan zelfs de eenvoudigste zonder schroom of aarzeling,
zij het ook met betamelijken eerbied, gebruik maakt. Toch vertoont
Nikolaas zich nooit aan zijne onderdanen dan omgeven van den praal
en de staatsie, aan zijn rang verbonden,--en ook deze vertooning
strookt geheel met de zeden des volks; maar desniettegenstaande is
er hier nog iets overgebleven van de antieke zeden, van die aloude
gemeenzaamheid tusschen Vorsten en onderdanen, die niet in het minste
afbreuk deed aan de achtbaarheid en het ontzag, doch waarvan wij geen
begrip meer hebben. Den morgen na onze komst te Cettinje, terwijl
ik in de kamer van het logement zat te teekenen, zag ik den Vorst
uitgaan, vergezeld van een talrijken stoet, bestaande uit senatoren,
ministers, woiwoden, de lijfwachten en de perjaniks of gendarmen, in
alles een dertigtal personen, allen in nationaal kostuum. De meesten,
althans de aanzienlijksten, droegen hooge kaplaarzen; de anderen,
zoogenaamde dokolienitse of albaneesche slopkousen. De Vorst liep
alleen, eenige schreden vooruit, ongewapend en met een rijzweep in de
hand; de hooge staatsambtenaren volgden hem, en daarachter de hoofden,
naar hun rang gegroepeerd. Van tijd tot tijd stond de Vorst stil om een
voorbijganger aan te spreken, die, met de beretta in de hand, na eene
lichte kniebuiging, op zijne vragen antwoordde. In de vlakte gekomen,
zette Nikolaas zich op een boomstam neer; enkele personen waren
hem gevolgd, en een daarvan ging recht op hem toe, bleef op eenige
schreden afstands voor hem staan en richtte het woord tot hem. De
Vorst luisterde, en gaf nu en dan een kort bescheid; anderen volgden
den eersten spreker op, en het onderhoud duurde alzoo een geruimen
tijd. Op dezelfde wijze spreekt Nikolaas bij wijlen recht, beslist
een geschil, smoort in de geboorte eene dreigende vendetta, verhindert
een misdaad, voorkomt een ongeluk of troost een beproefde. Dien eigen
avond, toen wij ten paleize waren, verhaalde Zijne Hoogheid ons, dat
een boer uit Rjeka niet had geschroomd hem te spreken over den moord te
Podgoritza, en hem met die woordenrijkheid, aan alle Serviers en met
name aan de Montenegrijnen eigen, den indruk had geschetst door dien
moord veroorzaakt, en het vertrouwen uitgesproken dat hij, Nikolaas,
tijdig zou weten te handelen.
Zooals ik zeide, die rechtstreeksche gemeenschap van den Vorst met zijn
volk is een der opmerkelijkste, en laat ik er bijvoegen een der beste,
eigenaardigheden van deze regeering. De Vorst verneemt persoonlijk
allerlei klachten; hij is in onmiddellijke aanraking met iedereen, van
den woiwode tot den armsten herder, die zijne toevlucht tot hem neemt;
hij weigert niemand gehoor, en geen Montenegrijn, hoe onaanzienlijk
hij ook moge wezen, zal ooit de hulp van een ander inroepen, als het
er op aankomt zijne eigene zaak voor te dragen en te verdedigen. In
het goede jaargetijde wordt deze vierschaar doorgaans onder den
moerbezienboom, nabij den put in de hoofdstraat, gespannen, of wel
onder den boom voor den ingang van het klooster, waar een rondloopende
bank is geplaatst. Men denkt daarbij aan den klassieken eik, onder
welken Lodewijk de Heilige placht recht te spreken. Ook van nog andere
tooneelen zijn die boomen vaak getuige. In 1861 was de Vorst, toen
twintig jaar oud, werkeloos toeschouwer van de worsteling tusschen
de Serviers van Herzegowina, onder aanvoering van Luka Voukalovicz,
en de Turken. De openbare rouw over den dood van Danilo I was nog niet
afgeloopen, toen op zekeren morgen een bode van een woiwode nabij de
grens aan het paleis aankwam met de tijding dat de vijand den voet had
gezet op montenegrijnsch grondgebied. Nikolaas beval dat de standaard,
die van wege den rouw van het paleis was weggenomen, weder zou worden
geplaatst; paarden, wapenen en ammunitie werden in gereedheid gebracht;
naar alle zijden werden boodschappen gezonden, en des avonds, tegen
het ondergaan der zon, zette de Vorst zich neder onder den grooten
boom in de vlakte. Alle inwoners van Cettinje schaarden zich om hem,
en daar verklaarde hij den oorlog door het aanheffen van de Pesmas,
die schoone, opwekkende, vurige, nationale krijgszangen, die ook in de
minst strijdlustige harten den moed en de geestdrift doen ontvlammen.
V.
Tot voor weinige jaren was de regeering in Montenegro zuiver
autokratisch; er bestond geene andere wet of recht dan het aloude
gewoonterecht, dat bij overlevering van het eene geslacht op het
andere overging. Danilo I heeft, in overleg met de stamhoofden
en de oudsten des volks, een algemeen wetboek uitgevaardigd, dat,
zooals in het besluit wordt gezegd, is opgesteld, opdat "voortaan
daarnaar allen zouden worden geoordeeld, Montenegrijnen en Berdianis,
grooten en kleinen, armen en rijken, daar allen er gelijke aanspraak
op hebben dat hun recht geschiede." Dit wetboek, den 23sten April 1855
uitgevaardigd, en waarvan genoeg exemplaren gedrukt zijn dat ieder
inwoner er een bezitten kan, bestaat uit drie-en-negentig artikelen;
het handelt over allerlei onderwerpen en schijnt in alle mogelijke
gevallen te hebben voorzien, behalve die uitsluitend eigendomskwesties
betreffen. Zoo als wij later zullen zien, heeft de regeerende Vorst
de noodzakelijkheid erkend, om het wetboek van Tzernagora meer in
overeenstemming te brengen met de wetboeken, die in de andere landen
van Europa gelden. De taak om een nieuw wetboek te ontwerpen is in
1871 opgedragen aan een zeer bekwaam rechtsgeleerde, den heer Bogosic,
van Ragusa, staatsraad en hoogleeraar aan de universiteit van Odessa,
die daaraan zijne beste krachten wijdt.
Het was in het jaar 1851, dat de grootste en belangrijkste staatkundige
hervorming door Danilo I werd tot stand gebracht. Tot dien tijd
toe was, zooals ik gezegd heb, het wereldlijk en geestelijk gezag
in eene hand vereenigd: de Vladika was tegelijk bisschop, vorst en
opperbevelhebber des legers; met nog meer recht dan de Tsaar, kon de
Vladika van Montenegro autokrator worden genoemd. Danilo deed afstand
van zijn geestelijk gezag; en daardoor onderging de regeering van het
vorstendom eene zeer belangrijke verandering, zoowel wat den aard van
het gezag betrof, als de wijze waarop het wordt uitgeoefend; sedert
dien tijd kan men zeggen, dat de regeeringsvorm van Montenegro de
absolute, erfelijke monarchie is. Hier doet zich eene gewichtige vraag
voor: zijn de Turken, die beweeren dat Montenegro door Sultan Moerad
I bij hun rijk, en door Mahomed II meer bepaald bij Albanie, werd
ingelijfd,--rechtens en feitelijk de suzereinen van het vorstendom?
De volledige bespreking dezer ingewikkelde vraag zou ons ver kunnen
leiden, en zou eene ruimte vorderen, waarover ik hier niet beschikken
mag; op grond van zeer ernstige historische studie en de nauwkeurige
lezing van alle turksche en montenegrijnsche diplomatieke dokumenten
sedert de vredesverdragen van Carlowitz en Passarowitz, meen ik
echter het recht te hebben, zeer stellig te antwoorden: Montenegro
is eene van de Porte onafhankelijke mogendheid. In den franschen
Moniteur officiel van 11 Mei 1858 verscheen eene opmerkelijke nota,
die te Constantinopel groot opzien baarde, en welke, zoo als naderhand
bekend werd, was opgesteld door den heer Faugere, die eene aanzienlijke
betrekking bij het departement van buitenlandsche zaken te Parijs
bekleedde. Deze nota is zeer kategorisch, zeer positief, en stelt
tegenover de oostersche spitsvindigheden de onverbiddelijke logika der
feiten. "De ottomannische Porte kan zich noch op onbetwistbare rechten,
noch op redenen van dringende noodzakelijkheid beroepen. Er zijn hier
twee vraagpunten, die wel onderscheiden moeten worden: vooreerst,
bezit de Porte soevereiniteitsrechten op Montenegro; ten andere,
moeten sommige distrikten, die beurtelings in handen der Turken en
in die van den Vorst van Montenegro zijn geweest, gerekend worden
tot dat vorstendom te behooren, of maken zij deel uit van turksche
provincien? Ten aanzien van het eerste punt, beroept de Porte zich op
het recht van verovering; en dit is ook inderdaad het eenige recht,
waarop zij zich met eenige waarschijnlijkheid zou kunnen beroepen,
want er bestaat tusschen haar en Montenegro geen enkel verdrag, waarbij
haar eenig recht van soevereiniteit wordt toegekend. Blijft dus de
verovering: maar het feit der verovering op zich zelf vestigt geen
wezenlijk recht dan onder zekere voorwaarden, waarvan de voornaamste
is de voortdurende en blijvende bezetting van het veroverde land, of
ten minste de volkomen onderwerping blijkbaar uit daden van soeverein
gezag, zoo als bij voorbeeld, het opleggen van een schatting,
de tegenwoordigheid van een garnizoen, enz. Nu weten wij uit de
geschiedenis, dat zoo de Turken somwijlen met goed gevolg Montenegro
hebben aangevallen, zij zich toch nooit in dat land hebben kunnen
staande houden; en het is een onbetwistbaar feit, dat nu welhaast
sedert een eeuw Montenegro voor hen volkomen gesloten is geweest."
Nikolaas I, soeverein van een onafhankelijk land, bezat, gedurende de
eerste jaren zijner regeering, een onbeperkt gezag; sedert heeft hij,
althans in theorie, vrijwillig van een deel van zijn gezag afstand
gedaan door de instelling van een ministerie, en door het beheer
over verschillende takken van administratie aan sommige door hem
gekozen aanzienlijken op te dragen. Tot op dien tijd beschikte hij,
zonder eenige controle, over al de inkomsten zoowel van den staat
als van de kerk. Er bestond wel nevens, of liever onder den Vorst,
eene algemeene vergadering of Skoeptchina, maar zij werd niet dan in
buitengewone omstandigheden bijeengeroepen, en dan slechts om in een of
ander bepaald geval eene beslissing te nemen. Er was ook een Senaat;
deze bestaat nog; wij zullen zien hoe dit lichaam is samengesteld,
en het zal ons blijken, dat het gezag van den Vorst door dit college
niet te zeer aan banden wordt gelegd.
De Senaat (in het servisch Sovjet) werd in 1831 door den Vladika
Peter II in het leven geroepen; destijds benoemde de Skoeptchina of
volksvergadering de twaalf leden, waaruit de Senaat bestond; de Vladika
had echter het recht van veto, en kon de benoeming van hem ongevallige
personen weigeren; langzamerhand, en reeds in de eerste jaren
der regeering van Danilo, werd de keus der senatoren geheel aan den
Vorst overgelaten, en benoemde de Skoeptchina alleen diegenen, die hij
aanwees:--het was de officieele kandidatuur in optima forma. Het duurde
niet lang, of de vergadering werd in het geheel niet meer opgeroepen;
de Vorst zelf benoemde nu rechtstreeks de twaalf senatoren, en droeg
het voorzitterschap van den Senaat op aan zijn broeder of een zijner
naaste bloedverwanten. In eene soort van constitutie was de bepaling
opgenomen, dat de Senaat over de wetsontwerpen zou beraadslagen en
die aan de goedkeuring der Skoeptchina onderwerpen; maar aangezien
in landen als Montenegro de rechtsbedeeling hoofdzaak en rechtsmacht
het voornaamste privilegie is, en de Senaat door Peter II juist was
ingesteld om den al te grooten invloed te breken, dien de stamhoofden
in hunne hoedanigheid van rechters bezaten,--lag het in den aard der
zaak, dat ook de Senaat zelf, reeds onder de regeering van Danilo I,
een zuiver rechterlijk college werd. Zoo vaak hij heeft gepoogd,
die perken te overschrijden, heeft de Vorst onmiddellijk aan die
aanmatiging een einde gemaakt, door, overeenkomstig het hem bij
de constitutie toegekende recht, den Senaat te ontbinden. Kort voor
mijne komst in Montenegro had dit wederom plaats gegrepen.
Onder Danilo was het voorzitterschap van den Senaat opgedragen
aan Mirko, den vader van den regeerenden Vorst; na zijn dood, werd
deze waardigheid toevertrouwd aan een neef van den Vorst, Bozidar
Petrowitch, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft, en van
wien wij later nog spreken zullen. De schoonvader van den Vorst, Petar
Stephanow Voukotich, is onder-voorzitter van den Senaat. Men ziet dat
de toegangen tot het gezag wel bewaakt zijn: en sedert de uitvaardiging
van de fameuse turksche constitutie, zijn de Montenegrijnen, in
vergelijking met de Porte, bepaald als reactionnairen te beschouwen!
De montenegrijnsche Senaat telt zestien leden, de voorzitter
en ondervoorzitter daaronder begrepen; het budget van dit
regeeringscollege bedraagt vijftienduizend-negenhonderd francs. De
president geniet een jaarwedde van drieduizend-vijfhonderd francs;
de vice-president van drieduizend; vijf senatoren, die uit de
invloedrijkste bewoners van de hoofdstad gekozen worden, ontvangen
jaarlijks vijftienhonderd francs, en de negen anderen, uit de meest
gegoede bewoners der verschillende provincien gekozen, krijgen
zevenhonderd-vijftig francs. Die jaarwedden zijn niet overdadig,
maar het geheele budget is even nederig, en het is ook meer eene
tegemoetkoming, dan wel eene eigenlijke bezoldiging. De senatoren
hebben geen bijzonder kostuum, maar spreiden toch in hunne kleeding
eene weelde ten toon, overeenstemmende met den hoogen rang, dien
zij bekleeden.
In den eersten tijd vergaderde de Senaat in een soort van loods, nabij
het klooster te Cettinje staande en in twee afdeelingen gesplitst: de
eene afdeeling diende voor paardenstal, de andere was de vergaderzaal
van den Senaat. In den stal bond ieder senator, die van buiten kwam,
eer hij zich naar de vergadering begaf, zijn paard of muilezel aan
een spijker vast; in de vergaderzaal zelve ging het niet minder
huiselijk toe: men zat, al rookende, rondom den vuurhaard, en hing
de geweren in een rek op, maar hield de dolken en pistolen in den
gordel. Duurde de discussie wat lang, dan gebeurde het meermalen,
dat in de zaal zelve een schaap aan het spit gestoken, gebraden en
opgegeten werd; inmiddels hield de secretaris, op turksche manier
neergehurkt, op zijn knie aanteekening van het verhandelde. Maar deze
zeden, die aan de homerische tijden herinneren, zijn sedert veranderd.
Tegen het einde der regeering van Danilo, werd er aan het oude paleis
een vleugel bijgebouwd, om de senatoren te herbergen, en sedert 1873
houdt de Senaat daar zijne zittingen. Van de vergaderzaal valt niets
te zeggen: zij is zonder eenig sieraad hoegenaamd, een hol vertrek met
naakte muren. Een soort van balustrade vormt de scheiding tusschen de
senatoren en hen, die voor hunne rechtbank moeten verschijnen. Als
de Vorst, hetgeen dikmaals gebeurt, de vergadering bijwoont, eischt
de etikette dat op de voor hem bestemde bank een wollen zak worde
gelegd, even als voor den kanselier in Engeland. Gewoonlijk echter
vergaderden de senatoren vroeger niet in deze zaal, maar onder den
moerbezienboom in de voornaamste straat der stad; maar dat waren toch,
geloof ik, meer officieuse bijeenkomsten, zoo als de heeren nu nog wel,
bij goed weder, bijeenkomen voor de poort van het klooster onder den
lommer van den prachtigen boom, die zich daar verheft.
In 1873 stelde de Vorst een ministerie in; maar de plaag der
bureaukratie bleef tot hiertoe aan Montenegro gespaard. Van nature
is de Montenegrijn geen liefhebber van een zittend leven. In 1871
werden de stamhoofden, de woiwoden, die aan de spits van elke nahija
stonden, en tegelijk met rechterlijk en militair gezag waren bekleed,
vervangen door een soort van gouverneurs of prefecten; tegelijker
tijd werd een krachtige stoot gegeven aan het lager onderwijs,
werden telegrafen aangelegd, en allerlei hervormingen en nieuwigheden
ingevoerd. Er werd zelfs een echt officieus dagblad opgericht, de
Tsernagorats, dat, bij gebrek aan abonne's, de uitgave moest staken,
maar spoedig daarop herleefde onder den titel Glas Tsrnagorski, Stem
van Montenegro. Dit alles is nu zeer loffelijk: maar de eerste en
meest dringende hervorming, belangrijker dan alle andere, is toch
het aanleggen van wegen. De Vorst is er nog niet in geslaagd, de
verschillende deelen van zijn kleinen staat met elkander in gemeenschap
te brengen; men kan in Montenegro nog niet anders dan te voet of te
paard reizen, en ook dan zelfs is dit op sommige punten niet zonder
inspanning en gevaar mogelijk. Er is een begin gemaakt met den weg,
die Cettinje met Cattaro moet verbinden; maar van dien weg is nog maar
een klein stuk voltooid. Trouwens, het is een zwaar en moeilijk werk,
en voor de voltooiing zou men over ruimer middelen moeten beschikken,
dan het arme vorstendom vermag; bovendien heeft men er eene politieke
kwestie van gemaakt, en wordt het werk opzettelijk tegengehouden.
(Wordt vervolgd.)
Reis naar de mijndistrikten van westelijk Zevenbergen.
(Vervolg van bladz. 152.)
VI.
Ten westen van Thorda verheffen zich naakte, grijze, leelijke heuvelen,
die, althans op het eerste gezicht, zich door niets bijzonders
schijnen te onderscheiden. Echter wees men ons van verre een spleet,
niet ongelijk aan den mond van een ravijn, en men beschreef ons die
kloof als een verwonderlijk schoone bergpas. Wij lieten ons overhalen,
en togen op weg ter bezichtiging van dit wonder.
De zeer moeilijke en lastige weg, met steenen bezaaid en zeer steil
afdalende, loopt om een heuvel, waarin hier en daar sneeuwwitte
albastrotsen door de dunne aardlaag te voorschijn komen, die met
distelen, onkruid, gras en mos bedekt is. Wij gaan door een kleinen
pas en dalen af in een weiland, waar een smal beekje zich murmelend
tusschen het hooge gras kronkelt. Den loop dier beek volgende, komen
wij weldra aan een geheel met meel bestoven molen, die daar als te
midden der aardige watervalletjes schijnt neergeworpen. Voor den
ingang zit eene schoone rumenische vrouw te spinnen. Haar echtgenoot,
een prachtige jonge man met lange blonde hairen en een vriendelijken
lach om de lippen, leidt ons zijne woning binnen, richt eenige
bescheiden vragen tot ons, en laat ons zijne heiligenbeelden zien:
oude byzantijnsche kunstwerken, die voor een liefhebber van antieke
symbolische kunst veel geld waard zouden zijn.
Deze molen staat juist aan den ingang van de bergengte. De heuvelreeks
met hare eentonige hellingen splitst zich hier, en vormt twee witte of
goudgele rotswanden, bezaaid met zwartachtige mossen. De blik klimt
langs de grillig gevormde wanden omhoog en ziet op naar den hemel,
die zich als een blauw lint boven den langen, smallen pas uitspant;
beneden is men in de vochtige schaduw als verloren.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 | 44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65