De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 | 45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Een der uitgetande rotspunten, die de smalle kloof beheerschen, is
geheel doorboord en laat een helderen lichtstraal door; andere spleten
en kloven schijnen daarentegen zwarte gapende muilen. Twee dezer
grotten hebben dit eigenaardige, dat zij inderdaad maar eene enkele
grot vormen, die door de kloof in tweeen gedeeld is. De reusachtige
portalen, ter wederzijde van het enge dal, passen volkomen bij
elkander: een bergstroom holde de rotsen uit toen de kloof, die volgens
de legende door het zwaard van den heiligen Ladislaus geopend werd,
nog niet bestond, en de heuvel nog slechts eene samenhangende massa
vormde. In voorhistorische tijden moeten vluchtelingen de ingangen
dezer grotten hebben versterkt; de overblijfselen der poorten zijn
nog op de hellingen zichtbaar. Scharen van vleermuizen bevolken thans
de straten der twee oude onderaardsche steden.
De bergengte is niet uitgestrekt, maar wij hadden ons lang opgehouden,
en beklommen nu haastig een uitspringenden heuvel, om daarna weder
af te dalen naar het dorp Meskoe, op een albastrots gebouwd, die
den Aranyos beheerscht. Daar wachtte ons, sedert eenige uren, het
rijtuig, dat een gastvrije Magyaar ons te gemoet gezonden had. De
vier vurige paarden, die naar den stal verlangden, joegen voort in
galop; maar telkens moesten zij hun drift betoomen, want de weg is een
echte zevenbergsche weg: dat wil zeggen, goed, overal waar de natuur
daarvoor gezorgd heeft, maar doorgaans hobbelig, vol gaten en kloven,
bezaaid met steenen en rotsblokken, en door afgronden omzoomd. Het
was ons dus eene ware uitkomst, toen wij in de vlakte van Keresztes
de groep van hooge populieren bespeurden, waarachter de woning
wegschool, in welke ons een gewenschte avondmaaltijd wachtte. Welk
een aangenaam verblijf in deze eenvoudige landelijke woning! Zij maakt
geen aanspraak op architectonische schoonheid; maar het is een genot,
dien houten trap te beklimmen en te wandelen onder die ruime veranda,
die de welriekende heesters van den tuin schier met hunne bloemrijke
takken omslingeren. Door het gebladerte heen ziet ge de stallen en
de schuren, om een ruim grasveld gebouwd; eene ruischende beek stuwt
haar helder water voort achter een dichte rij boomen en verdwijnt
straks onder de wilgen langs de oevers van den Aranyos. Ik meende
een oogenblik overgebracht te zijn naar eene plantage in Louisiana,
en de gulle gastvrijheid, waarmede wij in het huis ontvangen werden,
droeg er toe bij, om dien indruk te versterken.
Den volgenden morgen vroeg rolde ons rijtuig reeds door de vruchtbare
vlakte, waar het ongetemde volk der Daciers vergeefs den schok poogde
te weerstaan der legers van Trajanus, en zagen wij steeds duidelijker
de opening der bergvallei voor ons, waaruit de Aranyos te voorschijn
treedt. Wij stonden aan den drempel van het beroemde land, dat, voor
de ontdekking van Amerika, door den rijkdom zijner mijnen, voor de
volken van Europa de groote schatkamer der kostbare metalen was.
De ingang van het smalle dal, een ware triomfboog, wordt gevormd
door eene opening, die de ingenieurs, ten behoeve van den weg,
in de porfierrots hebben uitgehouwen. De soort van obelisk aan den
noordelijken oever van den stroom draagt den naam van Leany-Koe of
Maagdenrots, ter eere eener jonge prinses, die door de Tartaren in
haar burcht belegerd werd, en die een middel wist te vinden om 's
nachts te ontsnappen en de wijk te nemen op deze rots.
Het meest in de nabijheid van Thorda liggen de mijnen van Torotzko,
in eene nevenvallei, ten zuiden van de rivier. Naar het schijnt,
bevatten de bergen van dit distrikt ook een overvloed van lood,
zwavellood en kwikzilver; maar sedert onheugelijke tijden worden
alleen de ijzermijnen geexploiteerd. Sedert eeuwen danken de inwoners
aan deze industrie hunne buitengewone welvaart, en vooral ook hunne
vrijheid. Als mijnwerkers en vervaardigers van allerlei gereedschappen
en wapenen, hadden zij het voorrecht verworven, zich zelven naar
eigen wetten te mogen regeeren.
Terwijl ons rijtuig langzaam den weg volgde, die uit de vallei van den
Aranyos, al slingerende, de hellingen van den berg Szekel-Koe bestijgt,
verhaalde een mijner reisgenooten in 't kort de geschiedenis van het
mijnwerkers-stadje. Reeds in de tiende eeuw werden de mijnen dezer
streek door magyaarsche kolonisten bewerkt, maar de wijze van bewerking
was hoogst gebrekkig; de eerste vaste smeltovens werden opgericht
door oostenrijksche kolonisten uit het distrikt Eisenwuerzel. Die
bekwame mijnwerkers verbroederden zich gemakkelijk met de bewoners
des lands, namen de taal en de zeden der Magyaren aan, en losten zich
geheel in de massa der bevolking op. Slechts eene enkele gewoonte is
in stand gebleven als eene herinnering aan den duitschen oorsprong:
bij bruiloftsmaaltijden, zijn het de genoodigden, die voor den wijn
zorgen. Maar deze gewoonte, die eene ergernis is voor de Hongaren der
andere distrikten, daargelaten, onderscheiden de inwoners van Torotzko
zich, wat hunne zeden aangaat, gunstig van de meeste andere bewoners
van Zevenbergen. De vrouwen genieten hier de algemeene achting en eene
groote mate van vrijheid; voor het onderwijs wordt behoorlijk gezorgd;
mannen en vrouwen kunnen bijna zonder uitzondering lezen, schrijven
en rekenen, en weten iets van de geschiedenis des vaderlands; de
magyaarsche taal wordt hier met groote zuiverheid gesproken; luiheid
is eene schier onbekende ondeugd.
Dadelijk na onze komst te Torotzko, trachtten wij de herberg op te
sporen; maar te vergeefs wandelden wij het groote marktplein rond, dat,
op dit uur van den dag, eene gloeiende zandwoestijn geleek. De huizen,
van steen gebouwd, en niet, zoo als veelal in Zevenbergen, van leem of
van hout, trokken onze aandacht door hunne groote zindelijkheid. De
gevels geleken allen op elkander, en prijkten met halve kolommen en
ruw beeldwerk: dit is wel geene kunst, maar in ieder geval verdient de
bouwmeester waardeering wegens zijne goede bedoelingen. Korten tijd
geleden was Torotzko door een hevigen brand geteisterd, waarvan hier
en daar nog zeer duidelijke sporen te herkennen waren; eene geheele
wijk der stad was nieuw opgebouwd. Maar de herbouwing was nog niet
voltooid, en zoo ontbrak ook nog steeds de herberg. Wij moesten dus
een beroep doen op de hongaarsche gastvrijheid.
Wij spraken een man aan, die op den nok van een dak zat, en eenige
beleefde woorden waren voldoende om de deur der woning voor ons te
openen. De mooie kamer, waarin wij gelaten werden, was niet zeer ruim;
maar zij bevatte niettemin eene menigte voorwerpen, die er allen even
netjes uitzagen en die met groote kunst in deze kleine ruimte waren
gerangschikt. Langs de witgepleisterde wanden hingen de portretten
van de hoofden en leiders der hongaarsche omwenteling van 1849, voorts
gekleurde platen en photografien; aan de balken der zoldering hingen
beschilderde potten van verschillenden vorm; de banken, de tafel,
het bed waren beschilderd met bloemen naar oosterschen trant; in een
hoek van het vertrek stond een fraai bewerkte kachel, waaromheen een
steenen bank eene geschikte zitplaats aanbood; op het bed, dat met
geborduurde gordijnen omhangen was, lagen vier reusachtige matrassen
of dekbedden, geheel met rood borduursel overdekt en bijkans tot
aan de zoldering reikende; fraaie, rood en zwart gewerkte doeken
waren aan de zoldering bevestigd, overal waar de schotels en pannen
eene plaats vrij lieten. Naar men mij zeide, vindt men in de meeste
huizen van Torotzko gansche reeksen van boeken opgehangen aan de
balken, even als de hammen en worsten in de boerenwoningen van het
zuiden van Frankrijk; maar bij onzen gastheer was geen ander boek
te vinden dan eene verzameling van nationale liederen. Wij dorsten
ons nauwelijks verroeren in dit kleine museum, uit vrees van iets
omver te werpen of te beschadigen; en toch wist de vrouw des huizes
ons hier een maaltijd te bereiden en een behoorlijk nachtverblijf in
te richten, zonder de orde in de kamer eenigszins te verstoren. Toen
wij den volgenden morgen van deze vriendelijke lieden afscheid namen,
zag de kamer er weer geheel als een museum uit.
Er heerscht te Torotzko eene algemeene welvaart, zoo als genoegzaam
blijkt uit de weelde en den rijkdom der kleeding op zon- en
feestdagen: hier vindt men de oude duitsche kleederdrachten terug uit
de middeleeuwen, nevens die van Hongarije en het Oosten. De gehuwde
vrouwen en de jonge meisjes, de jongelingen en de volwassen mannen zijn
van elkaar onderscheiden door de kleur der linten en borduursels hunner
gewaden; bovenal munten de jonge meisjes, die er voor het meerendeel
gansch niet onaardig uitzien, door pracht en rijkdom van kleeding
uit. Om het fijne middel dragen zij een gordel van roode zijde met
gouden kwasten, en dikwijls met edele steenen versierd; de fuzoe, die de
borst bedekt, is met parelen en gekleurde zijde gestikt, terwijl een
prachtige witte bonten pels den glans dezer sieraden nog beter doet
uitkomen; van haar mutsje van goudlaken hangen veelkleurige linten
en vergulde franjes af. Zulke kostumen, die inderdaad eene kleine
fortuin vertegenwoordigen, zijn alleen mogelijk in een land, waar de
voornaamste kleedingstukken en sieraden onveranderd van geslacht op
geslacht overgaan; toch vraagt men zich met eenige bevreemding af,
hoe de middelen hier zulk eene weelde kunnen veroorloven.
De oude ijzerindustrie draagt nog maar voor een zeer klein gedeelte
bij tot dien voorspoed van Torotzko. Wij bezochten de armzalige
smeltovens van den omtrek; moeilijk kan men zich iets ongelukkigers
en onbeholpeners denken: mij dunkt, zoo moeten de negers in het hart
van Afrika arbeiden. Als men ziet, hoe, in afgelegen streken, zulke
aartsvaderlijke wijze van werken van eeuw tot eeuw blijft voortbestaan,
dan begrijpt men eerst ten volle de kracht der gewoonte of liever der
erfelijkheid: de zoon werkt op dezelfde plaats, waar zijn vader en
zijn grootvader hebben gearbeid; hij hecht zich aan dezelfde mijn,
aan dezelfde manier van werken, hoewel hij er maar weinig voordeel
van trekt, en door anderen arbeid veel meer zou kunnen verdienen;
er is niets minder dan eene omwenteling noodig, of wel de prikkel van
het uiterste gebrek, om hem los te maken van den ouden, traditioneelen
sleur.
Tegenwoordig worden de kosten van exploitatie der meeste smeltovens
niet meer door de winsten opgewogen, en het aantal der verlaten mijnen
vermeerdert van jaar tot jaar. In een menschenleeftijd is de produktie
van het metaal met tweederde verminderd: zij is van zeshonderd tot
tweehonderd ton gedaald, en zal waarschijnlijk binnen kort geheel
ophouden, tenzij de industrie eene herschepping onderga en de bereiding
van het erts op goedkooper wijze geschiede. De burgers van Torotzko,
verstandiger dan velen hunner buren, zijn er dan ook reeds op bedacht
om deze vervallen industrie door een ander meer winstgevend bedrijf
te vervangen: zij leggen zich voornamelijk toe op het kweeken van
ooftboomen. Zij zijn ook algemeen bekend als uitmuntende landbouwers,
en het graan hunner akkers is het beste van geheel Zevenbergen. Het
ware te wenschen dat zij ook de boschkultuur ter harte namen, en aan
hunne naakte velden de groene kroon wedergaven, die zij sedert eeuwen
met zoo ruwe hand hebben uitgeroeid!
De berg, die zich ten oosten van Torotzko verheft, is in de
geschiedenis van Zevenbergen beroemd: hij draagt den naam van Szekel-Koe
of Rots der Szeklers. Op den top stond weleer een sterk kasteel, dat
in de dertiende eeuw door de Mongolen belegerd werd. De bezetting,
tot het uiterste gebracht, stond op het punt zich over te geven, toen
eensklaps de Szeklers, uit hunne valleien in de Karpathen toegesneld,
ter hulpe opdaagden en de aziatische horden op de vlucht dreven. Sedert
deze overwinning, behoort de berg aan de bevrijders, en de brokken
muur, die men nog heden op den top ziet, zijn de overblijfsels van
door hen gestichte gebouwen. Nog altijd wordt de dag dezer zegepraal
feestelijk gevierd; volgens een overoud gebruik, gaan de inwoners van
Torotzko dan naar buiten om hooge masten te planten, waaraan vlaggen
en banieren wapperen, en die de opgerichte lansen moeten verbeelden,
welke voorheen de grafkuilen der krijgslieden aanwezen.
Om naar Torotzko terug te keeren, namen wij den weg door een andere
bergkloof, niet minder beroemd dan die van Thorda, en waar ook
menigmaal het bloed heeft gestroomd; de grotten in de prachtige rotsen
zijn een geliefkoosd verblijf voor de arenden. Aan het boveneinde
dezer enge vallei ligt het dorp Torotzko-Szent-Gyoergyoe, waardoor
wij naar de stad terugkeerden. De beide burchten, waaraan het dorp
zijn naam ontleent, en die beiden aan een geslacht behoorden, dat in
erfelijke veete met de burgers van Torotzko leefde, zijn thans niet
meer dan bouwvallen. De oude feodale burcht, die den heuveltop kroonde,
is geheel verdwenen, op een geschonden, half ingostorten toren na;
en het meer moderne kasteel, dat zich in de vlakte verhief, werd in
1849 door de Walachen verbrand, en is sedert een ruine gebleven. Maar
de omstreken van het dorp zijn belangwekkend om de grotten van den
berg Bedelloe.
Deze kalkrotsen danken aan de boomen en het dicht struikgewas, tot dus
verre aan de vernielende bijl des houthakkers ontsnapt, eene zekere
wilde bekoorlijkheid, die aan de dorre wanden van de Rots der Szeklers
ontbreekt. Langs de scherpe kanten der rots hangen groene kransen;
saamgestrengelde takken verbergen halverwege den ingang der grotten;
tusschen twee fijne varenstruiken ziet men de grillige kegels der
stalaktiten. Het is een stuk maagdelijke natuur, als bij vergissing
overgebleven te midden van deze naakte velden; en wel voegt hier
die natuurlijke poort of boog, gevormd door een geweldig rotsblok,
op twee andere steenmassaas rustende, die de wijde, wazige vlakte zoo
schilderachtig omlijst. Boven op deze rotspoort staat een lange stok,
waaraan eenige takken gebonden zijn, niet ongelijk aan een reusachtigen
bezem: misschien is dit zonderling ornament wel een soort van talisman
om de booze geesten te verdrijven.
VII.
Offenbanya, waarheen wij ons met rijtuig begaven, de goudstad, ligt in
een fraaier en lachender vallei dan Torotzko, de ijzerstad. Murmelende
beekjes dalen, met dartele sprongen, in schuimende watervalletjes
naar de rivier af; aan den oever der stroomende wateren groeien
populieren en wilgen; de huizen en hutten staan verspreid tusschen
de weilanden en langs de helling der heuvelen. Nabij den top der
omringende bergen ziet men zelfs--eene groote zeldzaamheid in dit
gedeelte van Zevenbergen--nog overblijfselen der oorspronkelijke
bosschen, met hunne door den bliksem getroffen boomen, hunne van
ouderdom omgestorte beuken en dennen, hunne mengeling van allerlei
geboomte, dat zijn gebladerte tot een dicht gewelf samenvlecht.
Den morgen na onze aankomst in het vlek Offenbanya, beklommen wij den
trachietkegel Kolczu-Csoramului (dertienhonderd-twee-en-zeventig el
hoog), en smaakten het genot, door een dezer wouden te wandelen. Aan
den voet van den vulkanischen kegel ontsprong eene kristalheldere
bron, waarvan het water, dank zij het dichte lommer, niettegenstaande
de drukkende warmte, heerlijk frisch was; de zuivere, verkwikkende
atmosfeer der weiden en bosschen schonk ons de noodige kracht voor
de niet zeer gemakkelijke taak der beklimming; het gerucht van de
vlakte drong niet door in dit zwijgende, eerwaardige woud, met zijn
dicht aaneengesloten stammen, waar alles rust en vrede en heilige
kalmte ademde.
De omstreken van Offenbanya, met zijn schilderachtige valleien en zijn
trachietbergen, zijn nog altijd een bezoek waard; maar de goudmijnen,
waarom het vlek vroeger en reeds in de middeleeuwen beroemd was,
bestaan eigenlijk nog slechts in de herinnering.
De tijd, waarin, naar de overlevering meldt, de opzichters bij de
mijnwerken zich over een pad van gouden schotels naar de kerk konden
begeven, is sinds lang vervlogen. Een inwoner der streek gaf de meest
juiste beschrijving van den tegenwoordigen toestand der mijnen, toen
hij spottend opmerkte, dat bij de metaalwerken der streek acht personen
geemployeerd waren, vier mijnwerkers en vier beeedigde controleurs.
Laat in den namiddag vertrokken wij van Offenbanya, in de hoop dat
wij in het dorp Bisztra een nachtverblijf zouden kunnen vinden. Het
landschap beviel ons al meer en meer. De dichte en zware maisstengels
verborgen geheel en al de leemen wanden der hutten en lieten niets
zichtbaar dan de puntige strooien daken, die op hooibergen geleken;
de rivier kronkelde tusschen weilanden en bosschages, en weerspiegelde
in haar heldere wateren het zonnelicht en de met purpergloed omzoomde
wolken. Kleine walachijsche jongens, met aardige guitige gezichten
en lange blonde hairen, maakten langs den weg de dolste duikelingen;
bevallige jonge meisjes, met witte chemisette, geborduurd lijfje,
groot, blauw en rood gestreept voorschoot, wierpen ons in het
voorbijrijden een vluchtigen groet toe. Het land en de bewoners hadden
iets idyllisch over zich; zelfs de kerkhoven zagen er feestelijk uit:
rondom de kerken stonden mastboomen geplant, waaraan witte wimpels
vroolijk wapperden.
Een mijner reisgezellen zeide mij, wat die vlaggen en wimpels
te beduiden hadden: en nu kwam het landschap mij minder vroolijk
voor. Bij den dood van een jonkman richt men op zijn graf zulk een
vlaggestok op, als een symbool dat zijn geest tot een hooger leven is
overgegaan en elders tot nieuwen arbeid geroepen: dit is eene overoude
dacische gewoonte, die tot op onzen tijd is bewaard gebleven. Voor de
andere dooden richt men alleen een houten kruis op. Maar hoe talrijk
waren de nieuwe kruisen en de witte wimpels, en hoe zichtbaar overal
de versch gedolven graven! Helaas, hier woedde de cholera. Alleen
in het dorp Lupsa, waar wij stilhielden, was, binnen eenige weken,
een vijfde der bevolking bezweken.
In het dorp Bisztra, waar wij gerekend hadden den nacht door te
brengen, vonden wij de bewoners druk bezig met aan de cholera werk
te verschaffen. De groote gelagkamer van de herberg was opgevuld
met drinkers, zangers en dansers. Het was een oorverdoovend geraas
en een stikkende stinkende dampkring; wij hoopten echter dat men ons
eene ordentelijke kamer zou kunnen geven, en dat tegen middernacht het
leven wel zou ophouden. IJdele hoop! De herberg behoorde aan een pope,
en die had zich teruggetrokken in de kamer met de heiligenbeelden,
het bidvertrek.
"Ga hem dan roepen, zeiden wij; wij hebben honger en zijn vermoeid.
--Onmogelijk. Als hij bidt, mogen wij hem niet storen; en slaapt hij,
dan willen wij hem niet wakker maken.
--Maar te midden van dit helsche leven kan hij noch bidden, noch
slapen. Zeg hem dat er vreemdelingen zijn, die hem spreken willen. Als
pope zal hij toch de plichten der gastvrijheid wel kennen?"
Het hielp altemaal niets. Er schoot niet anders over dan aanstonds te
vertrekken; en laat in den nacht kwamen wij in het dorp Topanfalva,
waar een magyaarsche herbergier zich over ons ontfermde.
Eenige mijlen voorbij Topanfalva beginnen de goudwasscherijen. Langs de
oevers der rivier de Abrud zijn kleine loodsen opgericht, en groote
balken, beurtelings opgetild door een wiel, dat door het water in
beweging wordt gebracht, zuiveren het goudhoudend zand, hetwelk de
rivier uitwerpt.
Overigens moet men niet verwachten, bij de goudzoekers der
transylvanische bergen de vernuftige werktuigen te zullen vinden,
welke de mijnwerkers in Californie gebruiken. De exploitatie van
het metaal geschiedt hier waarschijnlijk nog geheel op dezelfde
aartsvaderlijke wijze als ten tijde der Daciers. De eigenaar van den
molen, dien wij het eerst aanspraken, was echter zeer achterdochtig:
hij scheen bang te zijn, dat wij hem een of ander geheim van zijne
kunst zouden afzien. Eindelijk gerust gesteld, liet hij zich evenwel
overhalen om ons de bewerking te toonen. Hij hield in de linkerhand
een grooten bak, dien hij met uitgezocht zand vulde; in de rechterhand
nam hij een met water gevulden ossehoorn, waarin aan de punt een
klein gaatje geboord was: nu bewoog hij dien ossehoorn over het
zand heen en weder, om door middel van den dunnen waterstraal de
lichtste deeltjes te verwijderen. Na ongeveer een tien minuten te
zijn bezig geweest, waarbij hij voortdurend den bak zachtjes en
regelmatig liet ronddraaien, begonnen de kleine goudschilfers zich
te vertoonen tusschen de flikkerende kwartzkristallen; allengs
nam het geheele, steeds meer gezuiverde bezinksel een helderen
metaalglans aan, en welhaast bracht de Walachijer, terwijl hij ons
met een zegevierenden blik aanzag, het weinige stofgoud bijeen, dat
op den bodem lag. Volgens zijn zeggen, leverde dit handwerk, naar
gelang van het jaargetijde en van het gunstige toeval, hem tusschen
de tien en veertig gulden per maand op; somwijlen was het gebeurd,
dat hij twaalf gulden in eene week won; maar de gemiddelde opbrengst
van zijn arbeid kon op niet meer worden geschat dan twintig gulden
per maand, dat is omstreeks vijftig francs. Uit inlichtingen, die
mij later werden verstrekt, zou ik opmaken, dat de gemiddelde winst
der goudwasschers nog minder bedraagt.
De groote smeltoven der hongaarsche regeering ligt zeer gunstig, aan
het vereenigingspunt van de vallei van de Abrud en het dal, waardoor
de beroemde transylvaansche Pactolus, de Veres-Patak, stroomt. Dit
etablissement onderscheidt zich in alle opzichten zeer gunstig van de
armoedige hut van Offenbanya. Het is een splinternieuw gebouw, midden
in de vlakte geplaatst, en meer dan honderd-vijftig el lang. Hier
vindt men de nieuwste werktuigen, ingericht volgens de allerbeste
methode. De directeur der fabriek, zelf een man van groote kennis,
toonde ons met een zeker welgevallen de kunstige werktuigen, waarmede
hij zelfs het laatste gouddeeltje uit den steen te voorschijn wist
te halen. Maar tot welken prijs worden die, uit een wetenschappelijk
oogpunt zoo belangrijke, resultaten verkregen? Dat is eene vraag,
waarop de hongaarsche minister van financien, als hij in zijne ledige
schatkist staart, misschien het beste antwoord kan geven. Naar hetgeen
men ons hier vertelt te oordeelen, zouden de tweeduizend tonnen erts,
die jaarlijks in de groote smelterij van Veres-Patak bewerkt worden,
aan het gouvernement nog niet zoo veel opbrengen als het handjevol
stofgoud in den bak van den armen walachijschen delver.
Vlak bij de fabriek begint de onafzienbare reeks van hutten, huizen
en gebouwen van allerlei aard, die te zamen de stad Veres-Patak, of
Opidu di Rocia, zoo als de Rumeenen haar noemen, vormen. De benedenste
voorstad bestaat slechts uit kleine molens, schilderachtig gegroept
langs den zoom van het riviertje en langs de afleidingskanalen. Al
die miniatuurfabriekjes moeten een aardig gezicht opleveren, als het
water hoog is en zich schuimend en ruischend uitstort over de raderen
der molens, die het in beweging zet. Dan gaan de duizenden balken,
die de steenen en het zand moeten breken en fijnmalen, onophoudelijk
op en neder; overal in de vallei is dan leven en beweging. Maar
tijdens ons bezoek had de droogte reeds geruimen tijd aangehouden;
een magere dunne waterstraal kronkelde door de bedding der beek,
niet zonder recht Veres, de Roode, genoemd; slechts nu en dan kon het
water met groote moeite een niet te zwaren balk een weinig optillen.
De jaarlijksche opbrengst aan goud wordt geschat op vierhonderd-vijftig
pond zuiver metaal, eene waarde vertegenwoordigende van ruim anderhalf
millioen francs; maar in gunstige jaren, als de mijnwerkers het
geluk hebben een ader van onvermengd goud aan te treffen, klimt die
opbrengst tot over de tien millioen. Daarbij zou nog gevoegd moeten
worden de hoeveelheid edel metaal, die de arbeiders, ondanks het
strengste toezicht, toch nog altijd weten te ontvreemden. Als zij 's
middags hun boterham eten, kunnen zij, zonder veel moeite, licht een
paar goudkorrels inslikken, in spijt van de argus-oogen der opzichters.
De mijnen van Veres-Patak hebben dan ook volstrekt niet alle belang
verloren: integendeel, in Europa, aan deze zijde van het Oeralgebergte,
zijn zij, voor de exploitatie van edel metaal, nog altijd de
voornaamste. De goudhoudende rots der twee bergen Kirnik en Affinis,
tusschen een groep van trachietkoepels en de zandsteen-formatie der
Karpathen, beslaat eene oppervlakte van bijna vier vierkante mijlen,
terwijl tot dusver nog niemand de diepte gepeild heeft. Deze gansche
rotsmassa bevat goud; niet alleen wordt zij in alle richtingen door
meer of minder rijke aderen doorsneden, maar ook in het gesteente zelve
vindt men het edel metaal in onderscheidene vormen; men heeft hier
klompen zuiver goud gevonden ter zwaarte van acht en negen pond. De
mijnwerkers graven dan ook niet enkel galerijen, om de rijkste aderen
op te sporen, maar zij graven de rots zelve uit, en laten slechts de
noodige pijlers staan, om het instorten van den berg te voorkomen. Een
dezer kunstmatige grotten, de beroemde Katrincza, heeft den vorm van
een onregelmatigen koepel, en eene hoogte van honderd-zes-en-twintig
el, bij eene breedte van ruim acht-en-dertig el. De gids, die ons
hier vergezelde, betrad niet dan met eerbied deze grot; hij sprak
met gedempte stem, als bevonden wij ons in eene kerk! Was hier, uit
dit gat, niet genoeg goud uitgegraven, om daarmede de halve wereld te
kunnen koopen? Naar men ons verzekerde, leverde hier ieder kwintaal
erts gemiddeld honderd-vijftig goudstukken, zoowat duizend francs;
en hoe veel kwintalen heeft de mijnwerker niet reeds uitgehouwen!
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 | 45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65